Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:287

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-01-2015
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
18.860666-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:7797
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als penningmeester van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en als penningmeester van een gemeenteraadsfractie gedurende enkele jaren stelselmatig gelden verduisterd.

Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij al enkele jaren financiële problemen had die in 1999 begonnen.

Verdachte zegt nooit de bedoeling te hebben gehad zich het geld toe te eigenen. Hij wilde er schulden mee afbetalen en de gelden uiteindelijk weer netjes terug te betalen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/860666-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum 1],

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 13 januari 2015.

Verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 31 maart 2011 in de [gemeente], althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer eur 54.030,88, in elk geval enig geldbedrag), dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [vereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als penningmeester van die [vereniging] en/of uit hoofde van zijn beroep van/als gemeenteraadslid van de [gemeente], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2011 in de [gemeente], althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer eur 54.030,88, in elk geval enig geldbedrag), dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [vereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) als penningmeester van die [vereniging], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.
hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 maart 2012 in de [gemeente], althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer eur 10.650,--, in elk geval enig geldbedrag, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [gemeente], althans aan de raadsfractie van [partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als penningmeester van die raadsfractie van [partij] en/of uit hoofde van zijn beroep van/als gemeenteraadslid van [partij] van de [gemeente], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 maart 2012 in de [gemeente], althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer eur 10.650,--, in elk geval enig geldbedrag, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [gemeente], althans aan de raadsfractie van [partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) als penningmeester van die raadsfractie van [partij] en/of als gemeenteraadslid van [partij] van de [gemeente], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. M. Ariese, acht hetgeen aan verdachte onder 1. subsidiair en 2. subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren subsidiair negentig dagen hechtenis en twee maanden gevangenisstraf, maar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [gemeente] onder aftrek van de maandelijkse bedragen die verdachte al heeft betaald en niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [vereniging] in haar vordering.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1. primair en 2. primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de tenlastegelegde geldbedragen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekkingen van penningmeester van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en de raadsfractie van [partij] of uit hoofde van zijn beroep als gemeenteraadslid van [partij] van de [gemeente] onder zich had.

Bewijsmiddelen

ten aanzien van het eerste feit

Op maandag 23 januari 2012 te 15.20 werd door [persoon 1] namens [vereniging], melding gemaakt van verduistering. Dit zou hebben plaatsgevonden in de periode 2009, 2010 en 2011.

Met [persoon 1] werd afgesproken dat hij een verklaring aan zou leveren met eventuele bijlagen.

Op vrijdag 8 juni 2012 te 15.23 werd de door aangever [persoon 1] aangeleverde verklaring en de daarbij behorende documenten opgenomen in een proces-verbaal van aangifte1.

[persoon 1] deed namens [vereniging] aangifte van verduistering gepleegd door de penning-meester van [vereniging], [verdachte].

Deze Organisatie is voluit genaamd [vereniging], gevestigd te ‘s Gravenhage en ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder [nummer]2.

Uit dit uittreksel blijkt eveneens de aanstelling van [verdachte], nader te noemen: verdachte, geboren [geboortedatum 1] als penningmeester, datum infunctietreding 15 maart 2007.

[persoon 1] verklaarde:

*dat de vereniging [vereniging] in 2010/2011 voornemens was om de financiële administratie onder te brengen bij de Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) en dat daartoe een overdracht begeleid met een door een accountant opgemaakte jaarrekening noodzakelijk was. Onder zijn leiding werd verdachte als verantwoordelijk penningmeester, meermaals verzocht financiële overzichten aan te leveren. In de daarop volgende maanden bleef verdachte in gebreke. Hij overhandigde overzichten die incompleet en onduidelijk waren.

* dat door een penningmeester a.i. een reconstructie werd uitgevoerd van de boekhouding die leerde dat verdachte een onprofessionele en merkwaardige boekhouding voerde en voorts dat er onduidelijke overboekingen waren gedaan naar de privérekening van verdachte.

Bij het afgeven van deze verklaring door aangever [persoon 1] werden de volgende bijlagen ter hand gesteld en gevoegd bij deze aangifte:

*feitenrelaas verduistering door voormalig penningmeester [vereniging] opgemaakt door [persoon 2], penningmeester a.i. [vereniging].

Betreft een puntsgewijze opsomming van feiten ondersteund door ter zake dienende bijlagen3.

Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord Nederland, Recherche Drenthe, unit Emmen, opgemaakt door [verbalisant], aspirant en recherchekundige financieel in opleiding, zakelijk onder meer inhoudende, hetgeen hij, verbalisant, bij zijn financieel onderzoek naar de geldstromen binnen de administratie van [vereniging] heeft bevonden4.

ten aanzien van het tweede feit

Op woensdag 28 augustus 2013 te 13.18 uur deed [persoon 3] in zijn hoedanigheid als raadsgriffier, namens de [gemeente] aangifte van verduistering5.

Verdachte zou gelden bestemd voor de fractievergoeding [partij] hebben verduisterd.

[persoon 3] verklaarde dat hij in februari 2012 was benaderd door de [burgemeester], die hem mededeelde te zijn benaderd door de voorzitter van [vereniging], de heer [persoon 1]. De heer [persoon 1] informeerde [burgemeester] over het ter verantwoording roepen van verdachte als penningmeester van [vereniging] in verband met onduidelijke overboekingen naar zijn privérekening.

[persoon 3] stelde de burgemeester voor verdachte uit te nodigen voor een gesprek. In februari 2012 vond dit gesprek plaats en [burgemeester] confronteerde verdachte met de informatie van [vereniging].

[burgemeester] kondigde verdachte aan dat hij opdracht zou geven naar een versneld onderzoek door een accountant. Uit dat onderzoek bleek dat er voor een bedrag van

€11.000,-- geen aannemelijke verklaring was gegeven. Het betrof hier de periode van 1 januari 2010 tot 1 maart 2012.

Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord Nederland, Recherche Drenthe, unit Emmen, opgemaakt door [verbalisant], aspirant en recherchekundige financieel in opleiding, zakelijk onder meer inhoudende, hetgeen hij, verbalisant, bij zijn financieel onderzoek naar de geldstromen binnen de fractie van [partij] in de [gemeente] heeft bevonden6.

ten aanzien van beide feiten

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

in mei 2007 ben ik penningmeester geworden van de [vereniging]. Ik houd me verantwoordelijk voor de ontstane situatie. Er zijn dingen gebeurd die niet juist waren. Ik heb altijd de intentie gehad om alles weer netjes terug te betalen. Het begon in 2008. Toen kon ik beschikken over het geld van de Vereniging. Ik heb een spaarrekening op naam van [vereniging] geopend bij de ASN-bank. Ik heb geld overgeboekt van de centrale rekening naar de spaarrekening. Inmiddels stond de spaarrekening op mijn eigen naam.

Ik was enig raadslid voor [partij] in de [gemeente]. Het was geld van de raadsfractie. Het tenlastegelegde bedrag klopt wel. Ik boekte het geld over naar één van mijn eigen rekeningen. [persoon 4]deed de administratie vóór mij. Toen hij stopte heb ik het overgenomen.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2011 in de [gemeente] telkens opzettelijk een of meer geldbedragen, die toebehoorden aan [vereniging], en welke geldbedragen verdachte telkens als penningmeester van die [vereniging] onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 maart 2012 in de [gemeente] telkens opzettelijk een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer euro 10.650,--, die toebehoorden aan [gemeente], en welke geldbedragen verdachte telkens als penningmeester van die raadsfractie van [partij] van de [gemeente] onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert telkens op:

verduistering,

strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, alsmede de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 18 december 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van soortgelijke feiten als de onderhavige is veroordeeld.

Verdachte heeft als penningmeester van de [vereniging] en als penningmeester van de raadsfractie van [partij] van de [gemeente] gedurende enkele jaren stelselmatig gelden verduisterd.

Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij al enkele jaren financiële problemen had die in 1999 begonnen na het overlijden van zijn vader. Verdachte draaide voor de uitvaartkosten op omdat er geen uitvaartverzekering was afgesloten. Toen zijn moeder in 2001 overleed ontstond een soortgelijke situatie.

In die periode vestigde verdachte zich met zijn gezin in [woonplaats] vanwege een nieuwe baan. Een toegezegde vergoeding van verhuiskosten werd niet uitbetaald. De financiële problemen verergerden toen het arbeidscontract van verdachte naar aanleiding van een burn-out werd beëindigd, terwijl hij kort daarvoor een lening van € 40.000,-- had afgesloten.

Verdachte zegt nooit de bedoeling te hebben gehad zich het geld toe te eigenen. Hij wilde er schulden mee afbetalen en de gelden uiteindelijk weer netjes terug te betalen.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij het vertrouwen dat zowel de [vereniging] als de raadsfractie van [partij] in de [gemeente]
in hem hadden gesteld ernstig heeft geschaad.

Anderzijds betrekt de rechtbank in haar strafmaatoverwegingen dat verdachte thans werkloos is en in een sociaal isolement is geraakt. De maatschappelijke en psychische consequenties van hetgeen hij heeft gedaan hebben een zware wissel getrokken op zijn geestelijke gezondheid. Hij is in een zware depressie geraakt waarvoor hij thans onder behandeling is bij de AFPN.

De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf van 180 uren gevorderd. De raadsman van verdachte acht een werkstraf passend.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in zijn eis. De rechtbank acht die, gelet op de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact die de feiten hebben gehad, passend en gerechtvaardigd.

Benadeelde partij [vereniging]

Verdachte is bij onherroepelijk vonnis van Rechtbank Noord Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen, van 4 december 2013 veroordeeld om aan [vereniging] een bedrag van € 32.293,97 te betalen.

De benadeelde partij kan daarom niet opnieuw een vordering aan de rechter voorleggen. Er is immers onvoldoende belang7. De benadeelde partij kan dan ook niet worden ontvangen in haar ingediende vordering.

Benadeelde partij [gemeente]

De rechtbank acht het causaal verband tussen de bewezen geachte feiten en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Op het gevorderde schadebedrag dienen echter in mindering te worden gebracht de maandelijkse bedragen van € 200,-- die verdachte in het kader van een tussen hem en de [gemeente] getroffen betalingsregeling heeft voldaan. [persoon 3] die ter terechtzitting de benadeelde partij vertegenwoordigde, verklaarde desgevraagd dat verdachte inmiddels tien maandelijkse termijnen van elk € 200,-- op het rekeningnummer van de [gemeente] heeft overgemaakt. Op het gevorderde schadebedrag van

€ 10.867,-- dient derhalve een bedrag van tien maal € 200,-- = € 2.000,-- in mindering te worden gebracht zodat een bedrag resteert van € 8.867,--.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en 2. primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan en stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. subsidiair en 2. subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

  • -

    een taakstraf bestaande uit 180 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis van negentig dagen zal worden toegepast, en

  • -

    gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, maar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [vereniging] niet ontvankelijk is in haar vordering. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [gemeente] van de som van € 8.867,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, en mr. M.A.A. van Capelle en mr. M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 27 januari 2015.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 dossierpagina 1 en volgende

2 dossierpagina 15 en volgende

3 dossierpagina 7 en volgende

4 dossierpagina 563 en volgende

5 dossierpagina 297 en volgende

6 dossierpagina 579 en volgende

7 artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek