Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2847

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
C-17-136242 - HA ZA 14-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grensgeschil. Verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring strook grond; bezitsvermoeden; bezitsdaden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/136242 / HA ZA 14-319

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [nnn],

2. [eiser1],

wonende te [nnn],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. P.M.J.J. Swagemakers te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [nnn],

2. [gedaagde 1],

wonende te [nnn],

gedaagden in conventie,

advocaat mr. F. Gietema-[zzz] te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 december 2014

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2015

  • -

    de akte van de zijde van [eisers]

  • -

    de brieven van partijen met opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal van comparitie en de brieven van de griffier aan partijen met het verzoek om op de brief van de wedepartij te reageren.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De opmerkingen van partijen over de inhoud van het proces-verbaal

2.1.

Zoals hiervoor vermeld hebben beide partijen gereageerd op de inhoud van het proces-verbaal van de comparitie. Beiden zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het commentaar van de wederpartij. De rechtbank zal hierna deze opmerkingen en de reactie daarop bespreken.

De opmerkingen van [gedaagden]

2.2.

Allereerst is naar voren gebracht dat [gedaagden] tijdens de comparitie heeft verklaard dat hij een recht van overpad zou hebben gekregen van de familie [ooo], wonende op perceel nummer 5. Deze verklaring is niet in het proces-verbaal opgenomen. [gedaagden] heeft betwist dat hij dit heeft verklaard en heeft voorts opgemerkt dat een dergelijk recht ook niet bestaat. De rechtbank overweegt dat deze beweerde verklaring niet is terug te vinden in de aantekeningen van de griffier en dat noch de griffier, noch de rechter zich kunnen herinneren dat [gedaagden] deze opmerking heeft gemaakt. Het proces-verbaal blijft daarom op dit punt ongewijzigd.

2.3.

De volgende opmerking betreft eveneens de verklaring van [gedaagden] en wel de zin “Ik heb het gras altijd gemaaid. [gedaagden] hebben ook geen maaimachine, wij hebben die van hen overgenomen.” Zowel [gedaagden] als [eisers] hebben in hun schriftelijke reactie naar voren gebracht dat hier moet staan: “(…), wij hebben die van [ttt] overgenomen.” Het proces-verbaal wordt in die zin gewijzigd vastgesteld.

2.4.

De derde opmerking heeft betrekking op de verklaring van [zzz] en wel het gedeelte dat ziet op de gang van zaken direct voorafgaand aan de kadastrale inmeting op 3 juni 2014. Volgens [gedaagden] heeft [zzz] niet gezegd dat zij en [mmm] bij het slaan van de ijzeren buis zijn geweest. [eisers] hebben dit niet betwist. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat het proces-verbaal op dit punt niet juist is en het proces-verbaal in zoverre gewijzigd lezen. Voor wat betreft de opmerking van [gedaagden] dat [zzz] ook nog heeft gezegd dat de heer [vvv] van het Kadaster zich - voordat hij ging meten - eerst bij [mmm] heeft gemeld overweegt de rechtbank dat een proces-verbaal een zakelijke samenvatting van het verhandelde bevat en dat niet iedere opmerking relevant is. Deze opmerking wordt niet overgenomen.

2.5.

De volgende opmerking ziet eveneens op de verklaring van [zzz]. Volgens [gedaagden] ontbreekt in deze verklaring de opmerking van [zzz] dat [gedaagden] meerdere keren is aangesproken op het feit dat hij palen in “haar deel van het perceel” heeft geslagen. [eisers] heeft dit niet betwist. Het proces-verbaal wordt in die zin gewijzigd vastgesteld. Daarnaast is opgemerkt dat er in de “periode van overleg nimmer afspraken zijn gemaakt met betrekking tot tijden dan wel het wel of niet weiden van pony’s”. [eisers] hebben betwist dat dit ter zitting door [zzz] is verklaard. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de brief van [gedaagden] niet duidelijk wordt of hij heeft bedoeld te schrijven dat [zzz] dit daadwerkelijk heeft gezegd, dan wel dat hij dit thans nog naar voren wil brengen. Wat daar verder ook van zij, uit de aantekeningen van de griffier blijkt niet dat [zzz] dit (in die zin) heeft gezegd en noch de griffier, noch de rechter kunnen zich herinneren dat [gedaagden] deze opmerking heeft gemaakt. Het proces-verbaal blijft op dit punt ongewijzigd.

2.6.

Tot slot is opgemerkt dat de verklaring van [sss] onvolledig is en op een punt onduidelijk. [eisers] hebben dit niet betwist. Het proces-verbaal zal daarom als volgt worden gewijzigd:

- de zin “Ik heb ze aangeschreven en uitgelegd waarom het niet verstandig is (…)” wordt gewijzigd in “Ik heb de familie [eee], de eigenaren van de pony’s, aangeschreven en uitgelegd waarom het niet verstandig is (…)”.

- Toegevoegd wordt: “Ik heb [gedaagden] meerdere keren brieven gezonden en uitgelegd hoe de erfgrens loopt en ook dat er geen pony’s op ons perceelsdeel mogen worden geweid, in de hoop dat [gedaagden] zelf het initiatief zou nemen om escalatie en kosten te voorkomen.”

De opmerkingen van [eisers]

2.7.

[eisers] heeft - afgezien van de opmerking over de maaimachine, zie hiervoor - twee opmerkingen gemaakt. In de eerste plaats dat [gedaagden] aan het slot van zijn verklaring (over de grens met [adres]) ook nog heeft gezegd dat de kadastrale grens tussen de nummers 5 en 6 niet ter discussie staat, omdat de ligging van deze grens al meer dan dertig jaar onveranderd is. [gedaagden] hebben dit niet betwist. Het proces-verbaal wordt in die zin aangevuld.

2.8.

De overige opmerking van [eisers] ziet op hetgeen door mr. Swagemakers is gezegd naar aanleiding van een vraag van de rechter of een descente in deze zaak zinvol zou zijn. Volgens [eisers] is het antwoord van mr. Swagemakers niet (helemaal) juist weergegeven. De rechtbank overweegt hieromtrent dat, wat daar verder ook van zij, deze opmerking niet van belang is voor de beoordeling van het geschil. Het proces-verbaal zal daarom op dit punt niet worden aangevuld.

3 De feiten

3.1

[eisers] is sinds 29 december 2008 eigenaar van een perceel grond met daarop een woning gelegen aan de [qqq 1] te [nnn], kadastraal bekend gemeente [kkk], sectie F, nummers 784 en 762. Hij heeft de woning gekocht van [ttt].

3.2.

[gedaagden] is sinds 9 juli 2003 eigenaar van een perceel grond met daarop een woning gelegen aan de [ppp] te [nnn], kadastraal bekend gemeente [kkk], sectie F, nummer 783. [zzz] heeft de woning gekocht van [nnn].

3.3.

De percelen van partijen grenzen aan elkaar. Tussen hen bestaat een geschil omtrent de erfgrens en de eigendom van een strook grond (hierna te noemen: het perceelsdeel). Het geschil spitst zich op de grens tussen de kadastrale percelen 783 en 784.

3.4.

De percelen zijn feitelijk van elkaar gescheiden door de buitenmuur van een garage of schuur, een schutting en de omheining van een buitenbak voor paarden.

3.5.

De grond die ten westen van de buitenbak ligt is als tuin respectievelijk weide in gebruik bij [eisers] De buitenbak bevindt zich op het perceel van [gedaagden] Deze bak is omstreeks 1997/1998 aangelegd. Voordien was op het perceel van [gedaagden] een kleinere bak aanwezig.

3.6.

Verschillende (voormalige) bewoners hebben schriftelijk verklaard dat begin jaren '90 door de toenmalige bewoners van [ppp] een kleine rijbak of buitenbak is aangelegd. Tussen de erfgrens en de westelijke zijde van de buitenbak was een strook grond die nog hoorde bij [ppp].

Mevrouw [nnn] (voormalig eigenaar [ppp]) heeft - voor zover hier van belang - verklaard:

Destijds heb ik het huis van familie [jjj] gekocht. Er was een klein zandbakje waar zij toen hun paard in reden. Verder een stuk weiland. (…) Toen ik daar in 1997/1998 kwam wonen samen met [uuu] hebben wij een grote paardenrijbak aangelegd. Eerst wilden wij een afrastering oid plaatsen op het kadastraal gemeten punt. Samen met de buren is toen afgesproken hiervan af te zien. Dit omdat zij het lelijk vonden en zij aangaven het stukje grond van ons dan gemakkelijker mee te kunnen maaien. (…) Door een ijzeren paaltje was het altijd duidelijk waarvandaan onze grond liep.

De heer [hhh] ([oo]) heeft – voor zover hier van belang - verklaard:

Toen, zo rond 1990 dhr. [111] het huis bouwde, was het land achter het huis een geheel. Later heeft hij het verkocht, maar het erf achter beide huizen bleef een geheel, omdat er familie in beide woningen woonde en ze het erf als een geheel gebruikten. Er is eerst een klein buitenbakje achter nr. 7 aangelegd, zo rond 1995, maar de paarden liepen in de wei achter nr. 6 en 7, de wei was een geheel.

Mevrouw [000] ([ggg]) heeft – voor zover hier van belang – verklaard:

Woensdag 25-06-2014, de dag voor mijn verjaardag heb ik nog telefonisch met Anneke [ttt] gesproken. (…) Op de 25e kwam het gesprek op het stukje grond tussen [qqq 1] en 7. De vorige bewoner van [ppp], Jannie [nnn] heeft daar een rijbak laten maken en de afscheiding recht getrokken. Hierdoor is er grond bij nr 6 blijven liggen in samenspraak dat de grond bij nr 7 in eigendom is en blijft. Anneke [ttt] zei tegen mij in dat gesprek: ik zie nog de pakket paaltjes schuin over de grond tot bijna aan de 2e boom. Het kadaster heeft het onlangs nog precies zo nagemeten.

De heer [ttt] (voormalig eigenaar [qqq 1]) heeft - voor zover hier van belang - verklaard:

Toen ondergetekende in 2001 het huis met tuin kocht op [qqq 1] te [nnn] stonden op de scheidingslijn paaltjes tegen de paardenbak van de toenmalige buurvrouw Jannie [88] wonende op [ppp] ,( de plaats waar deze paaltjes stonden worden aangegeven met de zwarte pijlen op de bijgevoegde foto,s ) In overleg met de buren zijn de paaltjes weggehaald zo dat ondergetekende het schuine gedeelte tegen de paardenbak mee kon nemen tijdens het grasmaaien. Al die 8 jaar dat wij er hebben gewoond is de situatie zo geweest en gebleven! Ook in de periode dat Lolke [sss] onze buurman was! De tuin was voor en achter even breed , de scheidingslijnen liepen dus parallel ( zie foto,s )

.

3.7.

[ttt] heeft op enig moment - al dan niet in gedeelten - een hek in de tuin van [qqq 1] aangelegd tot aan de omheining van de buitenbak. Dit hek is enkele jaren later weer verwijderd.

3.8.

In 2006/2007 is door [gedaagden] een schutting geplaatst in lijn met de omheining van de buitenbak.

3.9.

In april 2013 heeft [eisers] naast de buitenbak een houten afrastering en schokdraadpaaltjes geplaatst op de lijn waar volgens [eisers] de grens tussen beide percelen loopt.

3.10.

Bij brief van 22 april 2014 heeft [gedaagden] [eisers] gesommeerd de paaltjes weg te halen die volgens [eisers] op de erfgrens staan.

3.11.

Op 3 juni 2014 heeft landmeter S. [vvv] van het Kadaster op verzoek van [gedaagden] de erfgrens gereconstrueerd. Daarbij is uitgegaan van de grens die op 3 mei 1994 door een landmeter van het Kadaster op aanwijzing van de toenmalige eigenaren is vastgelegd. De aanwijzing uit het veldwerk luidt: "2.00 m uit betonpad vanaf achterkant garage naar paal manege."

3.12.

Uit de grensreconstructie volgt dat op grond van het veldwerk een strook grond in de vorm van een langwerpige wig hoort bij het kadastrale perceel van [gedaagden]

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie

4.1.

[eisers] vordert, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [eisers] eigenaar is van het litigieuze perceelsdeel en dat dit hoort bij [qqq 1] te [nnn];

II. [gedaagden] te verbieden om zonder toestemming het litigieuze perceelsdeel te betreden en hierop gebruikshandelingen te verrichten op straffe van een dwangsom van

€ 500,00 voor iedere dag dat het wordt betreden en/of daarop gebruikshandelingen worden verricht, met een maximum van € 10.000,00;

III. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van het geding alsmede van de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening; en

IV. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad

€ 925,00 alsmede van de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

4.2.

[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

4.3.

[gedaagden] vordert zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair voor recht te verklaren dat de gereconstrueerde kadastrale grens de erfgrens is tussen partijen;

II. subsidiair krachtens art. 5:47 BW in goede justitie de erfgrens tussen beide percelen te bepalen;

III. zowel primair als subsidiair [eisers] in conventie en in reconventie te veroordelen in de kosten van het geding.

4.4

[eisers] voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie en in reconventie

5.1.

De rechtbank zal de vorderingen over en weer gezamenlijk bespreken. De kern van het geschil tussen partijen betreft immers de vraag waar de juridische erfgrens tussen de percelen van partijen zich bevindt.

5.2.1.

[eisers] heeft primair aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van het perceelsdeel omdat hij daarvan de eigendom heeft verkregen door koop en de levering op 29 december 2008 van het huis met ondergrond, erf, tuin en verder aanbehoren van [qqq 1] te [nnn]. [eisers] stelt van [ttt] een rechthoekig perceel gekocht en ook verkregen te hebben.

5.2.2.

[gedaagden] betwist dat [eisers] het perceelsdeel door overdracht kan hebben verkregen, omdat de titel daarvoor ontbreekt. Bovendien was [ttt] geen eigenaar van het perceelsdeel waardoor de beschikkingsbevoegd om het perceel aan [eisers] over te dragen, evenzeer ontbreekt.

5.2.3.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de door het Kadaster gereconstrueerde grens indertijd op aanwijzing van de toenmalige eigenaren van [qqq 1] en 7 is aangewezen als grens tussen beide percelen. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat ten tijde van de meting (3 mei 1994) de kadastrale grens daadwerkelijk samenviel met de juridische. Dit betekent dat rechtsvoorgangers van [eisers] niet beschikkingbevoegd waren om het litigieuze perceelsdeel over te dragen - en overdracht aan [eisers] dus niet geslaagd is - tenzij het perceelsdeel op andere wijze is verkregen.

5.3.1.

[eisers] stelt (subsidiair) dat dit het geval is doordat het perceelsdeel op grond van verkrijgende (art. 3:99 BW) dan wel bevrijdende verjaring (art. 3:105 jo. art. 3:306 BW) is verkregen door rechtsvoorgangers van [eisers] respectievelijk [eisers] zelf. Daarvoor is in ieder geval vereist dat [eisers] en diens rechtsvoorgangers onafgebroken hetbezit van het perceelsdeel hebben gehad gedurende tien respectievelijk twintig jaar. De rechtbank zal hierna beoordelen of dit het geval is.

5.3.2.

[eisers] stelt daartoe onder meer dat hij als houder van het perceel krachtens art. 3:109 BW vermoed wordt voor zichzelf te houden en krachtens art. 3:119 BW vervolgens vermoed wordt eigenaar te zijn. De rechtbank verwerpt deze stelling. Uit de rechtspraak (zie bijvoorbeeld het voormalige hof Arnhem 28 september 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AT5734, NJF 2005, 177; maar vergelijk ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 446-447) volgt dat op degene die een beroep doet op verkrijging van een onroerende zaak wegens verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, de last rust te bewijzen dat hij bezitter van die onroerende zaak is. Het onvoorwaardelijk vasthouden aan de bewijsvermoedens van art. 3:109 BW en 3:119 BW staat immers haaks op de rechtszekerheid die het registerstelsel beoogt te garanderen. De rechtbank zal dus hierna beoordelen of de feiten die [eisers] aanvoert het oordeel kunnen dragen dat sprake is van bezit van het perceelsdeel.

5.3.3.

[eisers] voert daartoe - zakelijk weergegeven - aan dat de grond ten westen van eerst de kleine en later de grote buitenbak, al meer dan twintig jaar in gebruik is bij de (achtereenvolgende) eigenaren van [qqq 1]. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eisers] foto's overgelegd waarop zichtbaar is dat de grond ten westen van de buitenbak visueel één geheel vormt en als tuin respectievelijk weide in gebruik is bij de eigenaren van [qqq 1]. [eisers] heeft bovendien een verklaring van de heer [ttt] overgelegd die aangeeft dat er grenspaaltjes tegen de verhoging van de buitenbak stonden toen hij in 2001 de woning kocht. Verder wijst [eisers] op een hek dat door [ttt] over de volle breedte van het perceel (inclusief het litigieuze perceelsdeel) tot aan de buitenbak is geplaatst. Tot slot noemt [eisers] appelboompjes en molentjes die enige tijd op het perceel stonden en een waslijn die daarover was gespannen.

5.3.4.

[gedaagden] voert tot zijn verweer aan dat van verkrijging als gevolg van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring geen sprake kan zijn, omdat [eisers] en diens rechtsvoorgangers nooit het bezit van het perceelsdeel hebben gehad. Het gebruik van het perceelsdeel door [eisers] en diens rechtsvoorgangers is te herleiden tot een afspraak met de rechtsvoorgangers van [gedaagden] die vervolgens is gecontinueerd. [gedaagden] heeft een verklaring van mevrouw [nnn] overgelegd die deze stelling volgens hem ondersteunt. [gedaagden] is derhalve van mening dat [eisers] slechts als houder van het litigieuze perceelsdeel is aan te merken. Verder geeft [gedaagden] aan dat [eisers] en diens rechtsvoorgangers nooit bezitsdaden ten aanzien van het perceelsdeel hebben verricht.

5.3.5.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de op art. 3:108 BW volgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Essentieel is dat inbezitneming van een onroerende zaak slechts kan plaatsvinden door een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. Het gebruik van de zaak en op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn onvoldoende. De rechtbank overweegt dat genoegzaam is gebleken dat [eisers] en diens rechtsvoorgangers sinds jaar en dag, in ieder geval sinds 2001, het litigieuze perceelsdeel in gebruik hebben. Dit blijkt uit de foto's waarop het perceel ten westen van de buitenbak duidelijk een afgescheiden eenheid vormt en de verklaringen die daarover door beide partijen zijn ingebracht. Dat [gedaagden] mogelijk wel eens paarden zou hebben geweid op het perceel van [eisers] (incl. het perceelsdeel) en mogelijk rond 2009/2010 ditzelfde perceel zou hebben gemaaid doet daaraan niets af. Dit betekent echter niet dat [eisers] en diens rechtsvoorgangers ook het bezit van het perceelsdeel hebben verkregen. Daarvoor is immers vereist dat zij het perceelsdeel in bezit hebben genomen door handelingen te verrichten waardoor het bezit van (rechtsvoorgangers van) [gedaagden] onmiskenbaar tot een eind is gekomen. Daarvan is niet gebleken. Tekenend hiervoor is het feit dat de feitelijke scheiding tussen de percelen is ontstaan door handelingen van (de rechtsvoorgangers) [gedaagden] en niet van (rechtsvoorgangers van) [eisers] De overige handelingen van (rechtsvoorgangers) van [eisers] - het plaatsen van een hek, appelboompjes, molentjes en een waslijn op het perceelsdeel - zijn onvoldoende om het bezit van [gedaagden] en diens rechtsvoorgangers te beëindigen. Voor wat betreft het hek overweegt de rechtbank meer in het bijzonder dat het - of het nu in meerdere stappen dan wel in één keer tot aan de buitenbak is geplaatst - dwars op het perceel stond en het perceelsdeel niet afscheidde van het perceel van [gedaagden]

5.3.6.

Gelet op het vorenstaande kan in het midden blijven of gebruik van het perceelsdeel door (rechtsvoorgangers van) [eisers] al dan niet zijn oorsprong vindt in een afspraak tussen rechtsvoorgangers van partijen om een open grens te houden waarbij toestemming is verleend aan de eigenaar van [qqq 1] om de strook grond naast de buitenbak te onderhouden. Hetzelfde geldt voor de vraag of anderszins aan de eisen voor verkrijging krachtens verjaring (waaronder de daarvoor geldende termijnen) is voldaan.

5.4.

De slotsom van dit alles is dat [eisers] niet door koop en levering eigenaar is geworden van het litigieuze perceelsdeel en evenmin als bezitter daarvan kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de vorderingen van [eisers] in conventie dan ook afwijzen.

5.5.

[eisers] zal in conventie als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. In het bedrag voor salaris advocaat zijn de salariskosten van het incident verdisconteerd.

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 1.356,00 (5,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.638,00

5.6.

De rechtbank zal de primaire vordering in reconventie van [gedaagden] toewijzen in die zin dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de door het Kadaster op 3 juni 2014 gereconstrueerde kadastrale grens tevens de juridische grens tussen beide percelen is.

5.7.

[eisers] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagden] vastgesteld op € 452,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00) aan salariskosten advocaat. De rechtbank hanteert bij de berekening van het salaris een factor 0,5 omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden in totaal vastgesteld op € 1.638,00,

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4.

verklaart voor recht dat de door het Kadaster op 3 juni 2014 gereconstrueerde kadastrale grens de erfgrens is tussen partijen,

6.5.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden vastgesteld op € 452,00,

6.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.1

1 fn: 721