Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2838

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
C-17-130158 - HA ZA 13-305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg polisvoorwaarden. Voortaxatie. Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 4, p. 205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/130158 / HA ZA 13-305

Vonnis van 10 juni 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WASSERIJ DE BLINDE B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

eiseres,

advocaat mr. W.M. Sturms te Leeuwarden

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WIND FINANCIEEL ADVIES B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna De Blinde en Wind genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 april 2013

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 20 november 2014

  • -

    de aantekeningen die partijen ter gelegenheid van de comparitie van partijen hebben voorgedragen en overhandigd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Blinde exploiteert een wasserij aan de [adres].

2.2.

Bij rapport van 29 mei 2002 heeft de HDS Groep B.V. (verder te noemen: HDS) de waarde van de inventaris van de wasserij van De Blinde vastgesteld op € 5.605.000,00. In het taxatierapport is vermeld dat het rapport een geldigheidsduur heeft van 3 jaar.

2.3.

Achmea Schadeverzekering (verder te noemen: Achmea) heeft aan De Blinde een offerte uitgebracht ten aanzien van een brand-bedrijfsverzekering voor de bedrijfsgebouwen en de inventaris van de wasserij van De Blinde. De Blinde heeft de in de offerte gedane aanbieding op 31 januari 2003 aanvaard.

2.4.

De Blinde heeft vanaf 1 februari 2003 haar bedrijfsgebouwen en roerende zaken in de bedrijfsgebouwen voor wat betreft de panden [adres] verzekerd bij Achmea. Ten aanzien van de roerende zaken betreft het de volgende polissen:

- polisnummer [nummer], verzekerd bedrag € 4.624.960,00 (getaxeerd);

- polisnummer [nummer], verzekerd bedrag € 938.575,00 (niet-getaxeerd).

2.5.

Op deze polissen zijn - onder andere - de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen van toepassing.

2.6.

Artikel 9 van de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen luidt - voor zover van belang - als volgt:

"Art. 9 Vaststellen van de schade

(...)

B. Waardebepaling en waardegrondslag

Bij de bepaling van de waarde onmiddellijk voor en na de gebeurtenis wordt uitgegaan van de waardegrondslag zoals hieronder genoemd wordt;

  1. De nieuwwaarde.

  2. In geval van een geldige voortaxatie: het bedrag der voortaxatie

  3. De vervangingswaarde:

(...)

- in de gevallen zoals genoemd in artikel 5 van de bijzondere voorwaarden."

2.7.

Artikel 5 van de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen luidt voor zover van belang:

"Art. 5 Vaststellen van de verzekerde som

(…)

B. Inventaris

Voor inventaris geldt als te verzekeren som de nieuwwaarde. Voor de volgende zaken geldt echter de vervangingswaarde:

(...)

- zaken waarvan de vervangingswaarde minder bedraagt dan 40% van de nieuwwaarde;"

2.8.

Artikel 6 van de van de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen luidt voor zover van belang:

"Art. 6 Voortaxatie

1. Indien op het polisblad ten aanzien van zaken wordt vermeld dat zij zijn verzekerd op basis van voortaxatie dan is deze taxatie tot stand gekomen krachtens een beslissing van u en ons overeenkomstig het advies van een deskundige. Deze voortaxatie is drie jaar geldig, te rekenen vanaf de dagtekening van het advies. Het taxatierapport wordt, na fiattering door ons, geacht deel uit te maken van de overeenkomst.

2. Indien na afloop van de genoemde termijnen geen nieuw rapport is uitgebracht dan blijft de voortaxatie gedurende een periode van zes maanden als zodanig geldig. Daarna wordt de verzekerde som beschouwd als een opgave van verzekerde zelf.

3. Zodra de volgende gevallen zich voordoen verliest de voortaxatie zijn geldigheid:

- bij overdracht van eigendom (zowel juridisch als economisch) van de getaxeerde zaken;

- er een pandrecht is gevestigd op de getaxeerde zaken;

- bij totaal verlies na een gebeurtenis;

- er besloten is tot definitieve buiten bedrijfstelling van de getaxeerde zaken;

- na een gebeurtenis niet tot heraanschaf van de getaxeerde zaken en/of voortzetting van het bedrijf wordt overgegaan."

2.9.

Wind treedt voor wat betreft de hiervoor onder 2.4. vermelde verzekeringen op als assurantietussenpersoon van De Blinde.

2.10.

In de hiervoor onder 2.3. genoemde offerte is vermeld dat de clausule 'taxatie door deskundigen' van kracht is. In deze clausule is - voor zover van belang - vermeld:

"1. Algemeen

De taxatie is bedoeld voor gebouwen en inventarissen (...) Voor een verzekering die gesloten is op basis van een taxatie door deskundigen is de taxatie bindend. Deze taxatie is gedurende 3 jaar van kracht, te rekenen vanaf de dagtekening van het taxatierapport. Het taxatierapport wordt geacht deel uit te maken van de verzekering. In geval van schade zal bij herbouw/vervanging de vergoeding plaatsvinden op basis van de taxatie, als vastgestelde waarde voor de schadegebeurtenis.

(…)

3. Afloop termijnen

Indien na afloop van de hierboven genoemde termijnen geen nieuw taxatierapport is opgemaakt, blijft de taxatie gedurende een periode van maximaal 6 maanden van kracht (…) "

2.11.

De taxatie was geldig tot 29 mei 2005 en - rekening houdende met de verlenging van zes maanden - vervolgens nog tot 29 november 2005 van kracht.

2.12.

Bij brief van 21 maart 2005, gericht aan (de oud-directeur van) De Blinde, heeft HDS voor zover van belang gemeld:

"(…) Aangezien de geldigheidsduur van de taxatie binnenkort verstrijkt, is vernieuwing noodzakelijk. Het voordeel van een verzekering op basis vaste taxatie (ex art. 275 W.v.K) is dat de hierin voorkomende waarden bij onverhoopte schade niet ter discussie staan. (…)"

2.13.

Bij brief van 15 april 2005, gericht aan (de oud-directeur van) De Blinde, heeft HDS herinnerd aan haar brief van 21 maart 2005.

2.14.

Op 29 december 2005 heeft in de panden van de wasserij van De Blinde een grote brand gewoed.

2.15.

Achmea heeft voor het bepalen van de hoogte van de schade het expertisebureau Crawford Burggraaff ingeschakeld (verder te noemen: Crawford). De Blinde heeft gebruik

gemaakt van een door haar zelf gekozen deskundige, zijnde Troostwijk Expertise B.V. (verder te noemen: Troostwijk). Uitgaande van het taxatierapport van HDS heeft Troostwijk de schade op basis van voortaxatie bepaald op € 3.521.011,00, rekening houdende met de omstandigheid dat niet de volledige inventaris teniet is gegaan. De schade op basis van zogenaamde 'open polis', waarbij geen rekening wordt gehouden met de voortaxatie, is uiteindelijk - na uiteenlopende beoordelingen daarvan door Troostwijk en Crawford - als compromis tussen Troostwijk en Crawford vastgesteld op € 2.511.134,00.

2.16.

Bij brief van 7 maart 2006 heeft Wind - voor zover van belang - het volgende aan Avero (Achmea) gemeld:

"Ten aanzien van taxatierapport behorende bij de inventaris-/goederenpolis is geconstateerd dat deze recentelijk is verlopen. Het is van onze gezamenlijke relatie, Wasserij de Blinde, altijd de wens

geweest haar zaken op basis van vaste taxatie te verzekeren, getuige ook het feit dat de opstallen recentelijk zijn gewaardeerd."

2.17.

De Blinde heeft Wind bij brief van 27 juli 2006 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt als gevolg van de omstandigheid dat Achmea de schade niet vergoedt op basis van de getaxeerde waarde van de inventaris.

2.18.

In een door De Blinde in 2008 aangespannen procedure is door zowel de rechtbank als in appel het gerechtshof, geoordeeld dat Achmea niet gehouden is de inventarisschade vast te stellen op basis van voortaxatie, zoals door De Blinde was gevorderd. Achmea heeft - zowel in eerste instantie als in hoger beroep - met succes gesteld dat De Blinde weliswaar verzekerd was op basis van voortaxatie, maar dat de geldigheidsduur van de taxatie was verlopen. Dit heeft voor wat betreft de inventarisschade tot gevolg gehad dat de schadeuitkering - door de rechtbank vastgesteld op € 2.511.134,00 - uiteindelijk

€ 1.009.877,00 lager is dan het schadebedrag dat zou zijn uitgekeerd indien de geldigheid van de voortaxatie niet was verlopen.

2.19.

In de procedure tussen De Blinde en Achmea is tevens komen vast te staan dat de onroerende zaken (de bedrijfsgebouwen) van De Blinde op 23 juli 2004 zijn verkocht en geleverd aan Phrontos B.V. (verder te noemen: Phrontos) en dat De Blinde heeft verzuimd Achmea overeenkomstig artikel 14 van de polisvoorwaarden hiervan op de hoogte te stellen.

2.20.

Voornoemd artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Bedrijfsgebouwen luidt - voor zover van belang - als volgt:

"Artikel 14 Eigendomsoverdracht

(…)

Bij eigendomsovergang van het verzekerde belang geldt, dat de verzekering gedurende dertig dagen van kracht blijft ten bate van de nieuwe eigenaar. Deze dertig dagen worden geteld vanaf de dag waarop het eigendom is overgegaan. De verzekering zal ook na deze dertig dagen doorlopen onder voorwaarde dat de nieuwe eigenaar binnen deze termijn ons of de verzekeringsadviseur hiervan schriftelijk mededeling heeft gedaan. Na ontvangst van de kennisgeving van eigendomsovergang bevestigen wij de nieuwe eigenaar zo spoedig mogelijk of wij hem als verzekeringnemer accepteren of wij de verzekering beëindigen. In dat geval nemen wij een opzegtermijn van ten minste dertig dagen in acht."

2.21.

Artikel 13 inzake 'Eigendomsoverdracht' van de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen is gelijkluidend.

2.22.

Artikel 1 en artikel 3 van de op deze eigendomsoverdracht betrekking hebbende akte van levering en verkoop van 23 juli 2004 luiden - voor zover van belang - als volgt:

"Definities.

Artikel 1 (…)

1.1.

Tenzij anders blijkt, wordt in deze akte verstaan onder: (…)

- De Hulpzaken: de zich in of op het Verkochte bevindende roerende zaken, machinerieën

en werktuigen, als bedoeld in artikel 3:254 Burgerlijk Wetboek;"

"De Hulpzaken.

Artikel 3.

3.1.

In de koop en levering zijn de Hulpzaken begrepen.

3.2.

Verkoper draagt de Hulpzaken over vrij van pandrechten, beslagen, zakelijke genotsrechten en persoonlijke genotsrechten."

2.23.

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft Van der Veen & Kromhout in een accountantsverklaring aan De Blinde - voor zover van belang - het volgende medegedeeld:

"Oordeel

Het onroerend goed is op basis van de koop en levering per 23 juli 2004 door Wasserij De Blinde B.V. aan Phrontos B.V. in de balansen ultimo 2004 en 2005 van Phrontos B.V. opgenomen, welke onderdeel uitmaken van de jaarrekeningen 2004 en 2005 van deze vennootschap. Dit geldt niet voor de zich hierin of hierop bevindende roerende zaken, machines en werktuigen. Deze zijn opgenomen in de balansen ultimo 2004 en 2005 van Wasserij De Blinde B.V, welke onderdeel uitmaken van de jaarrekeningen 2004 en 2005 van deze vennootschap."

2.24.

In een door De Blinde overgelegd uittreksel van de KvK betreffende 'deponeringen' is - voor zover van belang - vermeld:

"Boekjaar 2004

Datum deponering 1-8-2005 (…)

Soort jaarstukken Jaarrekening

Datum vaststelling jaarstuk 18-4-2006"

3 De vordering

3.1.

De Blinde vordert Wind bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan De Blinde van de inventarisschade van € 1.009.877,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2006, althans een datum als door de rechtbank te bepalen, met veroordeling van Wind in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2.

De Blinde legt aan haar vordering ten grondslag dat Wind aansprakelijk is voor de ontstane schade omdat Wind tekort is geschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst van opdracht voortvloeiende verplichting om de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. De Blinde stelt hierdoor schade te hebben geleden. Deze schade bedraagt € 1.009.877,00, bestaande uit het verschil tussen de schadeuitkering inzake inventariszaken die zij zou hebben ontvangen op basis van vaste voortaxatie en de schadeuitkering die zij heeft ontvangen op basis van 'open polis'.

3.3.

Wind voert verweer, met als conclusie de vordering van De Blinde af te wijzen, door De Blinde in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren dan wel door die vordering als ongegrond aan te merken en De Blinde te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten, alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

De zorgplicht

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat Wind een fout heeft gemaakt door De Blinde niet tijdig te wijzen op het verstrijken van de geldigheidsduur van de voortaxatie. Wind

heeft erkend dat zij door een administratieve fout - een onjuiste agendering van de geldigheidstermijn van de taxatie van HDS - heeft verzuimd De Blinde tijdig te wijzen op

het verstrijken van de geldigheidsduur van de voortaxatie. Wind heeft uitdrukkelijk erkend dat zij hiermee als assurantietussenpersoon in haar zorgplicht te kort is geschoten, waarbij zij heeft verwezen naar de vaste jurisprudentie hierover (HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375), inhoudende dat het de taak van de assurantietussenpersoon is te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen,

waartoe (onder meer) behoort dat de assurantietussenpersoon bij de uitoefening van die taak de verzekeringnemer opmerkzaam moet maken op de gevolgen die bepaalde feiten of omstandigheden voor de dekking van de verzekering kunnen hebben.

4.2.

Hiermee staat vast dat er aan de zijde van Wind sprake is van een tekortkoming, zodat Wind op grond van artikel 6:74 BW in beginsel gehouden is schade die De Blinde daardoor lijdt te vergoeden. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of De Blinde schade

heeft geleden, of er causaal verband is tussen de tekortkoming en de schade, wat de omvang van de schade is en of er sprake is van eigen schuld.

Schade: voortaxatie en de 40%-regel

4.3.

Wind heeft betwist dat De Blinde schade heeft geleden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat De Blinde, ook in het geval van een geldige dan wel verlengde voortaxatie, op grond van de verzekeringsovereenkomst geen aanspraak jegens Achmea had kunnen maken op een hogere uitkering dan reeds als compromis tussen de schade-experts is bereikt. Daarbij beroept Wind zich op artikel 9, sub B in samenhang met 5, sub B, van de

'Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen'. Daaruit volgt volgens Wind dat ook in het geval van een geldige voortaxatie niet het bedrag van de voortaxatie geldt als de waarde van de inventaris vóór de schadegebeurtenis, maar de

vervangingswaarde nu het om inventaris gaat waarvan de vervangingswaarde minder bedraagt dan 40% van de nieuwwaarde. Het standpunt van Wind komt er op neer dat de voortaxatie in dit geval niet geldig is vanwege de zogenaamde 40%-regel in de polisvoorwaarden.

4.4.

De Blinde heeft deze uitleg van de polisvoorwaarden bestreden. De Blinde beroept zich daarbij onder meer op de opbouw van artikel 9, sub B, waaruit volgens De Blinde blijkt dat wanneer er sprake is van een geldige taxatie, die waarde geldt als waarde vóór de schadegebeurtenis en tussen partijen vast staat, zodat niet meer wordt toegekomen aan de daaronder vermelde waardegrondslag; de vervangingswaarde. Daarbij heeft De Blinde onder meer gewezen op de strekking van artikel 6 in samenhang met artikel 9, sub B.

4.5.

Voor de uitleg van polisvoorwaarden heeft in beginsel te gelden hetgeen krachtens de Haviltex-norm voor alle voorwaarden geldt, namelijk dat voor de uitleg van die voorwaarden bepalend is hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.6.

In het onderhavige geval gaat het om de uitleg van artikel 9, sub B van de 'Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen' in samenhang met de artikelen 5, sub B en 6. Het betreft een bedrijfsmatige verzekering, waarbij standaard polisvoorwaarden eenzijdig vanuit de verzekeraar zijn opgesteld. Nu over dergelijke polisvoorwaarden niet tussen verzekeraar en verzekeringnemer onderhandeld pleegt te worden (en uit de stukken van het geding geen andere conclusie getrokken kan

worden dan dat niet gesteld is dat zulks in dit geval anders is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is opgesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (HR Chubb/Dagenstaed, 16 mei 2008, NJ 2008, 284). Ook het algemeen spraakgebruik kan richting geven bij de uitleg van polisvoorwaarden.

4.7.

Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen

die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (HR Chubb/Dagenstaed, 16 mei 2008, NJ 2008, 284).

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de bewoordingen 'in het geval van een geldige voortaxatie' in artikel 9, sub B onder 2, gelezen in het licht van artikel 6, niet anders worden begrepen dan dat het bedrag van de voortaxatie - in het geval van een overeenkomstig artikel 6 geldige voortaxatie - de waardegrondslag vormt voor de schadevaststelling en dat dan niet wordt toegekomen aan de daaronder vermelde vervangingswaarde als waardegrondslag voor de schadevaststelling, ook niet als de vervangingswaarde inmiddels minder bedraagt dan 40% van de nieuwwaarde.

4.9.

De rechtbank kan Wind dan ook niet volgen in haar standpunt dat de polisbepalingen duidelijk zijn over de toepasselijkheid van de 40%-regel, ook in het geval van een geldige voortaxatie. De door Wind gegeven uitleg aan artikel 9, sub B, in samenhang met artikel 5, komt feitelijk neer op een ongeschreven en niet als zodanig kenbare aanvulling van de in artikel 6 beschreven situaties waarin de voortaxatie zijn geldigheid verliest. Voor zover Achmea een dergelijke aanvulling al voor ogen heeft gehad, zijn de polisvoorwaarden op dat punt onduidelijk, nu hieraan vorm is gegeven op een wijze die voor een verzekeringnemer op grond van objectieve factoren onvoldoende duidelijk kenbaar is.

4.10.

Dit geldt temeer nu het begrip 'voortaxatie' in het gewone spraakgebruik de betekenis heeft van een vaste afspraak over de waarde van een te verzekeren zaak, zodat in geval van schade geen discussie kan ontstaan over de waarde vóór de schadegebeurtenis. Onder deze omstandigheden zal degene die kennis neemt van de polisvoorwaarden niet bedacht zijn (en niet bedacht behoeven te zijn) op verdere inperking van de geldigheid van de voortaxatie anders dan in artikel 6 is bepaald, zeker niet indien deze inperking - zoals in het onderhavige geval - verborgen is in een artikel dat handelt over het vaststellen van de schade (artikel 9) en in een artikel dat handelt over het vaststellen van de verzekerde som (artikel 5).

4.11.

Deze uitleg van artikel 9 vindt zijn bevestiging in de offerte van Achmea - zoals vermeld onder 2.10. - waarin is vermeld dat de clausule 'taxatie door deskundigen' van kracht is en onderdeel uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst. Uit de bewoordingen van deze clausule blijkt geenszins dat de waardebepaling van de inventaris vóór de schadegebeurtenis op basis van vervangingswaarde plaatsvindt indien de vervangingswaarde van de inventaris minder bedraagt dan 40% van de nieuwwaarde. Integendeel, hieruit blijkt de expliciete wederzijdse bedoeling van Achmea en De Blinde,

namelijk dat de taxatie bindend is en dat in geval van schade de vergoeding zal plaatsvinden op basis van de taxatiewaarde, zijnde de vastgestelde waarde vóór de schadegebeurtenis.

4.12.

Het standpunt van Wind dat extreme waardedalingen betreffende de inventaris moeten worden opgevangen door de 40%-regel omdat de verzekeringnemer anders door

uitkering op basis van taxatiewaarde in een duidelijk voordeliger positie zou geraken, kan (in redelijkheid) niet leiden tot een andere uitleg. Enerzijds omdat artikel 6 de geldigheidsduur van de voortaxatie al beperkt tot drie jaar, waardoor de mogelijkheid van

extreme waardedalingen op langere duur wordt voorkomen. Anderzijds vanwege de strekking van artikel 7:960 BW, waarin is bepaald dat de regel dat de verzekerde krachtens de verzekering geen vergoeding zal ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken, toepassing mist bij voorafgaande taxatie van de waarde van een zaak. De getaxeerde waarde blijft het uitgangspunt voor de berekening van de door de verzekeraar uit te keren schadevergoeding, ook al bestaat de mogelijkheid dat de verzekerde daarmee in een duidelijk voordeliger positie komt te verkeren.

4.13.

Ook het standpunt van Wind dat haar kennis als assurantietussenpersoon van de betekenis van de polisvoorwaarden en de 40%-regel aan De Blinde zou moeten worden toegerekend in de verhouding tussen De Blinde en Achmea, kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog los van het feit dat in deze procedure niet vaststaat dat de verzekeraar dezelfde betekenis toekent aan de polisvoorwaarden als Wind, komt toerekening pas aan de orde indien de verzekeraar erop mocht vertrouwen dat de tussenpersoon op de hoogte was van de door de verzekeraar aangehouden betekenis van de polisvoorwaarden en de verzekeraar bovendien mocht verwachten dat de assurantietussenpersoon de verzekerde ter zake had geïnformeerd. De verzekeraar zal er in de regel vanuit mogen gaan dat de tussenpersoon met de niet-deskundige aanvrager van een verzekering de hoofdzaken van de aangeboden dekking bespreekt, maar behoudens vragen van de verzekeringnemer daarover, het merendeel van de polisvoorwaarden niet apart met hem doorneemt. De verzekeraar zal dan ook niet spoedig mogen aannemen dat de verzekeringnemer bij een polisredactie - zoals in het onderhavige geval in artikel 9, sub B in samenhang met artikel 5, sub B - welke niet ziet op de primaire dekking, door de assurantietussenpersoon op de hoogte is gesteld van de uitleg die de verzekeraar aan de bepaling geeft.

4.14.

Op grond van het voorgaande is de stelling van De Blinde dat zij schade heeft geleden komen vast te staan, in die zin dat zij in het geval van een geldige dan wel verlengde voortaxatie, op grond van de verzekeringsovereenkomst jegens Achmea aanspraak had kunnen maken op een hogere uitkering dan reeds als compromis tussen de schade-experts is bereikt.

4.15.

Nu vast staat dat er aan de zijde van Wind sprake is geweest van een tekortkoming

en De Blinde schade heeft geleden, komt de vraag aan de orde of er sprake is van causaal verband tussen deze tekortkoming en de schade.

Causaal verband

4.16.

Wind heeft het door De Blinde gestelde causaal verband tussen de tekortkoming van Wind en de door De Blinde geleden schade betwist. Wind heeft deze betwisting onderbouwd door er op te wijzen dat indien zij De Blinde wel tijdig zou hebben gewaarschuwd voor het verlopen van de geldigheidsduur van de taxatie, het onwaarschijnlijk is dat De Blinde (tijdig) actie zou hebben ondernomen door een nieuwe

taxatie te laten verrichten omdat De Blinde een zeer lakse verzekeringnemer was. Wind heeft hiertoe aangevoerd dat De Blinde ook niet uit zichzelf actie heeft ondernomen, ondanks de omstandigheid dat De Blinde - gelet op het in haar bezit zijnde taxatierapport - op de hoogte was van het verstrijken van de geldigheidsduur van de taxatie en zij van HDS

een offerte en een herinnering voor het laten opmaken van een nieuwe taxatie had gekregen. Voorts heeft Wind aangevoerd dat De Blinde de door Achmea - bij de acceptatie van De Blinde als verzekeringnemer - voorgeschreven preventieve maatregelen pas drie jaar daarna heeft gerealiseerd.

4.17.

De Blinde heeft deze stellingen van Wind weersproken door - onbetwist - te stellen dat zij de in het verleden door assurantietussenpersonen, waaronder Wind, gegeven adviezen omtrent taxatie heeft opgevolgd en nadrukkelijk voor een taxatie heeft gekozen omdat zij adequaat verzekerd wilde zijn. De Blinde heeft bestreden dat zij zich bewust was van het verstrijken van de termijn en dat zij de offerte en herinnering van HDS heeft

ontvangen. Voorts heeft De Blinde - onbetwist - gesteld dat met het treffen van de door Achmea verlangde preventieve maatregelen forse investeringen gepaard gingen (welke niet kunnen worden vergeleken met de geringe investering van een hernieuwde taxatie) en dat de maatregelen uiteindelijk - gefaseerd - zijn getroffen.

4.18.

Over het algemeen ligt het in de rede dat een verzekeringnemer een waarschuwing voor het aflopen van de geldigheidsduur van een taxatie en het advies een nieuwe taxatie te laten opmaken zal opvolgen, indien daarbij - zoals het een zorgvuldig handelend assurantietussenpersoon betaamt - nadrukkelijk wordt gewezen op het risico en de mogelijke gevolgen van het achterwege laten daarvan. Het enkele zich wenden tot een assurantietussenpersoon maakt reeds aannemelijk dat een dergelijk advies zou zijn opgevolgd (Hof Leeuwarden, 8 november 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BU3585). In dit geval geldt dat temeer nu vast staat dat De Blinde al eerder beschikte over een geldige

taxatie, waarmee zij er meer dan voldoende blijk van heeft gegeven dat zij een adequate verzekering wenste.

4.19.

Daarbij komt dat Wind haar standpunt - en daarmee haar betwisting van de stelling van De Blinde dat er causaal verband is tussen de tekortkoming en de schade -, dat De Blinde een zeer lakse verzekeringnemer was en derhalve de waarschuwing en het advies niet zou hebben opgevolgd, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Zelfs al zou komen vast te staan dat De Blinde genoemde stukken van HDS zou hebben ontvangen en daar geen actie op had ondernomen, geldt onverkort dat De Blinde Wind als assurantietussenpersoon had ingeschakeld om haar belangen te dienen, zodat zij er op mocht vertrouwen dat Wind haar tijdig zou waarschuwen voor het verlopen van de geldigheidsduur van de voortaxatie en haar zou adviseren en dat zij niet hoefde in te gaan op (voortijdige) aanbiedingen van de taxateur voor een nieuwe taxatie. Ook de omstandigheid dat De Blinde de door Achmea verlangde preventieve maatregelen - welke forse investeringen vergde - gefaseerd heeft genomen, kan redelijkerwijs niet het standpunt onderbouwen dat De Blinde een zeer lakse verzekeringnemer was en derhalve de waarschuwing en het advies van Wind een nieuwe taxatie te laten opmaken dan wel te

verlengen - waarmee een zeer beperkte investering gepaard ging - naast zich neer zou leggen. Het standpunt van Wind dat De Blinde een zeer lakse verzekeringnemer was, is zelfs onbegrijpelijk in het licht van de brief van Wind aan Achmea, zoals hiervoor onder 2.16. is vermeld, waarin Wind bevestigt dat het voor De Blinde altijd de wens is geweest haar zaken op basis van vaste taxatie te verzekeren.

4.20.

Op grond van het voorgaande is het meer dan aannemelijk dat De Blinde de waarschuwing voor het verlopen van de geldigheidsduur van de taxatie en het advies tot het laten verrichten van een nieuwe taxatie dan wel verlenging van de geldigheidsduur daarvan - indien gegeven - zou hebben opgevolgd. Daarmee staat vast dat er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming en de schade.

4.21.

Nu vaststaat dat De Blinde schade heeft geleden door de tekortkoming van Wind is Wind aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW en in beginsel gehouden de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.

Eigen schuld

4.22.

Wind heeft het verweer gevoerd dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van De Blinde. Zij heeft hiertoe gesteld dat De Blinde geen actie heeft ondernomen, ondanks de omstandigheid dat De Blinde - gelet op het in haar bezit zijnde taxatierapport - op de hoogte was van het verstrijken van de geldigheidsduur van de taxatie en zij een offerte en een herinnering voor een nieuwe taxatie van HDS had gekregen. Dit nalaten van De Blinde vormt een fout aan de zijde van De Blinde en heeft volgens Wind in zodanige mate bijgedragen aan het ontstaan van de schade dat deze ingevolge artikel 6:101 BW geheel voor rekening van de Blinde behoort te komen.

4.23.

Dit verweer wordt verworpen. Zelfs al zou de door Wind gestelde - en door De Blinde betwiste - fout van De Blinde komen vast te staan, geldt dat fouten aan de zijde van De Blinde die uit lichtvaardigheid of uit gebrek aan inzicht voortvloeien, in beginsel minder zwaar wegen dan fouten aan de zijde van Wind in haar hoedanigheid van

assurantietussenpersoon. Het gaat aan de zijde van Wind immers om schending van een zorgplicht die naar zijn aard tot strekking heeft De Blinde als verzekeringnemer tegen deze fouten te beschermen. Dit klemt te meer nu gesteld noch gebleken is dat De Blinde deskundig is ter zake brandverzekeringen of taxaties. Onder die omstandigheden zouden de door Wind gestelde fouten aan de zijde van De Blinde - voor zover deze al zouden komen vast te staan - verwaarloosbaar klein zijn in verhouding tot de nalatigheid van Wind, zodat er geen aanleiding is de schadevergoedingsplicht van Wind te verminderen.

De omvang van de schade: het eigen risico

4.24.

Wind heeft de door De Blinde gestelde omvang van de schade betwist. Daartoe heeft Wind aangevoerd dat het totale eigen risico van € 4.530,00 in mindering dient te worden gebracht op een door Wind aan De Blinde te vergoeden bedrag, aangezien het eigen risico hoe dan ook in mindering was gekomen op de schadeuitkering, waarmee een bedrag ter grootte van het eigen risico geen schade van De Blinde vormt.

4.25.

De Blinde heeft gesteld dat van een eigen risico in de relatie tussen Wind en De Blinde geen sprake kan zijn nu dit eigen risico slechts een rol speelt tussen De Blinde en Achmea en het aan Achmea is om dit eigen risico al dan niet in mindering te brengen op de schadeuitkering.

4.26.

Niet in geschil is dat voor de verzekeringen die De Blinde bij Achmea had afgesloten een eigen risico geldt van € 2.265,00 per gebeurtenis en dat het totale eigen risico € 4.530,00 bedraagt ten aanzien van de relevante verzekeringen.

4.27.

Aangezien gesteld noch gebleken is dat het eigen risico reeds in mindering is gebracht op de door Achmea eerder aan De Blinde verstrekte voorschotten en Wind ter betwisting van de door De Blinde gestelde schade heeft aangevoerd dat het eigen risico hoe dan ook in mindering zou zijn gekomen op de schadeuitkering - hetgeen door De Blinde niet is weersproken -, had het op de weg van De Blinde gelegen de door haar gestelde schade op dit punt nader te onderbouwen. Nu De Blinde dat heeft nagelaten is de door haar gestelde schade voor wat betreft het bedrag van € 4.530,00 niet komen vast te staan, zodat dit bedrag in mindering komt op het uiteindelijk aan De Blinde toe te wijzen bedrag.

De omvang van de schade: de hulpzaken

4.28.

Wind heeft de door De Blinde gestelde omvang van de schade betwist en daartoe aangevoerd dat er een aanzienlijke hoeveelheid inventariszaken (hierna ook te noemen: hulpzaken of roerende zaken) aanwezig was ten tijde van de brand, welke niet toebehoorde aan De Blinde, nu deze door eigendomsovergang aan Phrontos toebehoorde en daardoor niet onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst tussen De Blinde en Achmea viel. Hiervoor baseert Wind zich op artikel 3 van de leveringsakte, waaruit volgens haar zou blijken dat naast onroerende zaken tevens roerende zaken - zogenaamde hulpzaken - in eigendom van De Blinde aan Phrontos zijn overgedragen. Wind heeft aangevoerd dat indien de hulpzaken buiten beschouwing blijven doordat deze van dekking zijn uitgesloten op grond van artikel 6, sub 3 en 13 van de polisvoorwaarden, de vordering van De Blinde maximaal € 222.172,94 kan bedragen.

4.29.

De Blinde heeft gesteld dat zij ten tijde van de brand nog steeds eigenaar was van de inventaris (hierna ook te noemen: hulpzaken of roerende zaken) omdat er geen roerende zaken aan Phrontos zijn overgedragen. De Blinde heeft daartoe aangevoerd dat zij de aan Phrontos overgedragen opstal van Phrontos is gaan huren en dat zij de gebouwen benutte als wasserij. De bedrijfsactiviteiten (wasserij) zijn volgens De Blinde bij de werkmaatschappij De Blinde gebleven, tezamen met de daarbij behorende inventaris. Het was volgens De Blinde de bedoeling om enkel en alleen de onroerende zaken over te dragen (te verhangen) en niet om de bedrijfsvoering en de daarbij behorende roerende zaken over te dragen (te verhangen). Ter onderbouwing van haar stelling verwijst De Blinde naar de accountantsverklaring van Van der Veen & Kromhout van 11 oktober 2006 en de jaarrekening van De Blinde van 2004, gedeponeerd op 1 augustus 2005 (en dus voor de brand), waarin de inventaris is opgenomen. Als het de bedoeling was geweest de inventaris over te dragen, dan zou deze volgens De Blinde daar niet in zijn opgenomen. Ook heeft De Blinde aangevoerd dat de notaris bij de overdracht van de opstal op 23 juli 2004 zonder overleg met partijen een standaardbepaling over hulpzaken in de akte heeft opgenomen, welke bepaling geen effect heeft gehad, hetgeen is bevestigd doordat de notaris - een jaar na de brand - de akte heeft gerectificeerd.

4.30.

Bij de beoordeling van de vraag of De Blinde ten tijde van de brand nog steeds eigenaar was van de inventaris, zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 22 mei 2012, gewezen in de procedure tussen De Blinde-Phrontos en Achmea. Het is van belang onderscheid te maken tussen enerzijds de situatie dat De Blinde en Phrontos het oogmerk hadden de hulpzaken buiten hun transactie te houden en anderzijds de situatie dat zij een overdracht van de onroerende zaak bedoelden te bewerkstelligen zonder zich te bekommeren om de hulpzaken en zonder zich te realiseren dat daarmee op verschillende manieren kon worden omgegaan. In het laatste geval zou de akte de wil van partijen wel degelijk weergeven en zouden de hulpzaken aan Phrontos zijn overgedragen.

4.31.

Gelet op haar stelling en de gemotiveerde betwisting daarvan door Wind, ligt het gezien de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van De Blinde haar stelling te bewijzen. De rechtbank zal De Blinde, gelet op haar bewijsaanbod dienaangaande, toelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij ten tijde van de brand nog steeds eigenaar was van de inventaris omdat er geen roerende zaken aan Phrontos zijn overgedragen.

4.32.

De rechtbank overweegt reeds nu dat indien De Blinde slaagt in het leveren van het hiervoor bedoelde bewijs van de stelling onder 4.29, zal vaststaan dat de hulpzaken ten tijde van de brand eigendom waren van De Blinde en dat de vordering van De Blinde - verminderd met het eigen risico - zal worden toegewezen.

4.33.

Indien De Blinde niet slaagt in het te leveren bewijs van de stelling onder 4.29, zal vaststaan dat de hulpzaken ten tijde van de brand niet de eigendom waren van De Blinde en zal de vordering van De Blinde - verminderd met het eigen risico - slechts kunnen worden toegewezen voor zover deze betrekking heeft op niet-hulpzaken.

4.34.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.35.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden in afwachting van de bewijslevering door De Blinde.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt De Blinde op te bewijzen haar stelling dat zij ten tijde van de brand nog steeds eigenaar was van de inventaris omdat er geen roerende zaken aan Phrontos zijn overgedragen,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 juli 2015 voor uitlating door De Blinde of zij (thans) bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat De Blinde, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat De Blinde, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober 2015 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. M.R. de Vries in het gerechtsgebouw te Leeuwarden aan Zaailand 102,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma, mr. J.A. Werkema en mr. M.R. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.

c:357