Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:281

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2015
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
18.830068-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW 1994. Bewezenverklaring van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij het slachtoffer is overleden

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14, 22
Wegenverkeerswet 1994 6, 175, 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830068-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Looijestijn.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2012 in de gemeente Groningen

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder/bedienaar van een motorrijtuig,

te weten een mobiele (graaf)kraan (merk/type Atlas Terex 1305),

zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de

constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dam 45 km per uur (en

ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of

aan werken op, in, langs en boven wegen), in elk geval een motorrijtuig

dat niet harder kan of mag rijden dan tenminste 60 km per uur,

in de hoedanigheid van beroepschauffeur,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

zich met dat motorrijtuig rijdend en/of (vervolgens) stilstaand te bevinden op

de (toerit/vluchtstrook van) A7 (bij [locatie] in de richting van Groningen)

terwijl die (toerit/vluchtstrook van) A7 was aangeduid als autosnelweg met een

bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het Rvv1990, en/of

terwijl dat motorrijtuig

(dat toen gebruikt werd voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of

inrichtingen op, aan, in of boven wegen)

ter plaatse geen geel zwaai-, flits- of knipperlicht voerde

(zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 Rvv1990 en/of artikel 6 lid 1 Regeling

optische en geluidssignalen 2009, terwijl op die A7 ter hoogte van die toerit

wegwerkzaamheden waren), en/of

niet, althans onvoldoende, zichtbaar was voor het overige verkeer ter plaatse

immers was het ten tijde en/of ter plaatse van het ongeval (ongeveer 20.22

uur, zijnde toen ongeveer 40 minuten na zonsondergang) donker, althans

schemerig, en/of

niet de minimale maatregelen ter beveiliging van de werkplek en/of

aanrijroute(s)/oversteek (CROW-richtlijnen) in acht te nemen,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]), die met een motorrijtuig (personenauto)

over genoemde toerit de A7 (in de richting van Groningen) wilde oprijden tegen

dat motorrijtuig (mobiele kraan) is aangereden en/of aangebotst waardoor aan

die [slachtoffer] zodanig zwaar (inwendig) lichamelijk letsel werd toegebracht dat

hij aan de gevolgen daarvan op 21 september 2012 is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 21 september 2012 in de gemeente Groningen

als bestuurder van een voertuig, te weten een mobiele (graaf)kraan

(merk/type Atlas Terex 1305),

zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de

constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dam 45 km per uur (en

ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of

aan werken op, in, langs en boven wegen), in elk geval een motorrijtuig

dat niet harder kan of mag rijden dan tenminste 60 km per uur,

in de hoedanigheid van beroepschauffeur,

zich met dat motorrijtuig rijdend en/of (vervolgens) stilstaand heeft bevonden

op de (toerit/vluchtstrook van) A7 (bij [locatie] in de richting van

Groningen) terwijl die (toerit/vluchtstrook van) A7 was aangeduid als

autosnelweg met een bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het

Rvv1990, en/of

terwijl dat motorrijtuig

(dat toen gebruikt werd voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of

inrichtingen op, aan, in of boven wegen)

ter plaatse geen geel zwaai-, flits- of knipperlicht voerde

(zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 Rvv1990 en/of artikel 6 lid 1 Regeling

optische en geluidssignalen 2009, terwijl op die A7 ter hoogte van die toerit

wegwerkzaamheden waren), en/of

niet, althans onvoldoende, zichtbaar was voor het overige verkeer ter plaatse

immers was het ten tijde en/of ter plaatse van het ongeval (ongeveer 20.22

uur, zijnde toen ongeveer 40 minuten na zonsondergang) donker, althans

schemerig, en/of

niet de minimale maatregelen ter beveiliging van de werkplek en/of

aanrijroute(s)/oversteek (CROW-richtlijnen) in acht heeft genomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd, immers is tengevolge van bovenstaande

gedraging(en) en/of omstandighe(i)d(en) een bestuurder ([slachtoffer]) met (hoge)

snelheid achterop dat voertuig (mobiel kraan) gereden en/of gebotst en/of

tengevolge van dat ongeval overleden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd door met een mobiele kraan de toerit van de snelweg op te rijden en vervolgens onderaan de toerit stil te staan, teneinde de snelweg over te steken. Daarnaast heeft verdachte de zwaailamp op de kraan niet aangehad, waardoor hij onvoldoende zichtbaar was. Gelet op het feit dat verdachte beroepschauffeur is met ruim 17 jaar ervaring en over veiligheidscertificaten om aan snelwegen te mogen werken beschikt, wordt verdachte geacht bekend te zijn met de geldende verkeers- en veiligheidsvoorschriften. Van verdachte had mogen worden verwacht dat hij anders had gehandeld en derhalve is het aan zijn schuld te wijten dat er een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer, ten gevolge van het letsel dat hij bij de aanrijding tegen de mobiele kraan van verdachte heeft opgelopen, is komen te overlijden. De wijze waarop verdachte heeft gehandeld kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat

de culpa bij verdachte voor zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde ontbreekt. Het feit dat er onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen kan niet aan verdachte worden verweten, aangezien de uitvoerder ter plaatse daarvoor verantwoordelijk is. Bovendien is de uitvoerder degene geweest die verdachte de opdracht heeft gegeven dat hij met zijn mobiele kraan de weg op kon gaan. Verdachte mocht er dan ook op vertrouwen dat alle benodigde veiligheidsmaatregelen waren genomen. Dat verdachte met eigen ogen had kunnen zien dat er geen veiligheidsmaatregelen waren genomen, maakt dit niet anders. Het is de keuze en de verantwoordelijkheid van de uitvoerder om de mobiele kraan met of zonder een dieplader het werkvak binnen te rijden. Dit kan dan ook niet aan verdachte worden verweten. Bovendien valt uit het dossier op te maken dat deze werkwijze kennelijk gebruikelijk is. Daarnaast heeft de zwaailamp op de kraan mogelijk niet gebrand. Desondanks was de kraan naar mening van de raadsman wel goed zichtbaar gezien de grote van de kraan, de kleur (oranje), de gevarendriehoek die aan de achterzijde van de kraan was bevestigd en het feit de kraan wel licht voerde. De bestuurder van de auto had de kraan dan ook kunnen zien en had hier rekening mee moeten houden.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

De door verdachte op de terechtzitting van 8 januari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb de benodigde veiligheidscertificaten. De kraan kan niet sneller dan 45 kilometer per uur. Het was druk op de weg, waardoor ik niet kon oversteken. Ik heb stilgestaan. Ik wachtte om te kunnen oversteken naar de linkerrijstroken waar de werkzaamheden plaatsvonden. In principe is het niet gebruikelijk dat een weg een werkvak doorkruist. De zwaailichten heb ik pas na de aanrijding aangezet.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 oktober 2012, opgenomen op p. 42 e.v. van dossier nummer 2012095601 d.d. 5 december 2012 van Politie Groningen, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik verhuur mij met een machine (kranen, trekkers en dumpers). Ik doe dat al zo'n 16 à 17 jaar. De werkzaamheden waren bij [locatie] op de A7, vanaf Leek richting Groningen. De werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van de midden geleiderail en het plaatsen van nieuwe. Op donderdag heb ik voor viaduct gewerkt en op vrijdag waren de werkzaamheden na het viaduct [locatie]. De werkzaamheden moesten worden verricht op rijstrook 1 en deze rijstrook was afgesloten voor het verkeer. Rijstrook 2 was gewoon open voor het verkeer. Ik moest over het viaduct rijden en dan links afslaan, dus niet tegen het verkeer in, en dan moest ik via de oprit naar beneden rijden en daar rijstrook 2 oversteken om naar rijstrook 1 te gaan. Het was heel druk op de A7; auto aan auto. Het verkeer moest allemaal over rijstrook 2 en de snelheid was ook verlaagd. De gewone verlichting van de kraan brandde. Ik reed met mijn kraan over de rijbaan en niet over de vluchtstrook.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2012, van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opgenomen op p. 14 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:

Op vrijdag 21 september 2012 omstreeks 20.00 uur, reden wij aan het eind van de [locatie] de oprit van de A7 op richting Groningen. Wij zagen aan het eind van de oprit, daar waar de oprit overgaat in de invoegstrook, een oranje kleurige mobiele kraan staan. Wij zagen dat de mobiele kraan haaks op de rijbaan van de oprit stond. Wij zagen dat de achterzijde van de kraan gedeeltelijk op de rijbaan van de oprit stond en de voorzijde van de kraan stond in de richting van de A7 gekeerd. Aan de achterzijde van de kraan zagen wij een witte personenauto staan welke haaks op de rijbaan van de oprit stond. Wij zagen dat de voorzijde van de auto zwaar was beschadigd. Ik, [verbalisant 1], zag dat het verkeer op de A7 langzaam reed over de rechterrijbaan in de richting van Groningen. Ik zag dat het heel druk was op de A7. Ik zag dat er over de linkerrijbaan van de A7 in de richting van Groningen geen verkeer reed. Op de linkerrijbaan zag ik enkele wegwerkers staan. Ik zag dat op de scheiding tussen de rechter- en linkerrijbaan pionnen stonden.

Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse met bijlagen, nummer 21092012.2030.2393/2691, d.d. 1 november 2012, met bijlagen voor zover inhoudende:

Bij het ongeval was betrokken een mobiele kraan, merk Atlas Terex, type 1305. Het ongeval vond plaats op de toerit van de autosnelweg A7 vanaf industrieterrein [locatie], in de richting Groningen, gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Groningen, in de gemeente Groningen. Ten tijde van het ongeval zagen wij het volgende:

  • -

    Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximum snelheid 130 km/h.

  • -

    Op de hoofdrijbaan was rijstrook 1 (linkerrijstrook) afgesloten in verband met werkzaamheden.

  • -

    Op de hoofdrijbaan was rijstrook 2 (rechterrijstrook) een tijdelijke maximum snelheid van 70 km/h ingesteld.

  • -

    Op de invoegstrook waren geen verkeersmaatregelen getroffen.

  • -

    Genoemde weg was voor het openbaar verkeer opengesteld.

  • -

    Ter plaatse waren geen bijzondere verkeerstekens van toepassing.

  • -

    De toerit is aangeduid als autosnelweg met een bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het Rvv 1990.

  • -

    Er waren geen bijzondere verkeersmaatregelen van kracht.

Het tijdstip van de aanrijding was circa 20.22 uur. Het tijdstip van zonsondergang was circa 19.40 uur. De oorzaak van het ongeval moet mede worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de mobiele kraan, omdat het gebruik van de autosnelweg slechts is toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee een snelheid van tenminste 60 kilometer per uur mag en kan worden gereden. Dit is een overtreding van artikel 42 lid van het RVV 1990. Het is nimmer toegestaan om op deze wijze met een mobiele kraan op een autosnelweg te rijden. Hierdoor ontstond gevaar op de weg. De bestuurder van de mobiele kraan voerde mogelijk geen gele zwaailamp. Dit is een overtreding van artikel 30 lid 1 RVV 1990 in verband met artikel 6 lid 1 Regeling optische en geluidssignalen 2009.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 oktober 2012, opgenomen op p. 25 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1]

Op 21 september 2012 omstreeks 20.20 uur was het best druk op de A7 in de richting van Groningen. De linkerrijstrook was afgesloten in verband met werkzaamheden en al het verkeer reed over de rechterrijstrook. Dit begon voor de afrit [locatie]. De snelheidsbeperking van 70 kilometer per uur, daar stond een bord voor. Ik reed ongeveer 65 kilometer per uur daar waar de oprit van [locatie] naar de A7 begon. Ik reed over de rechterrijstrook. Het was donker. Ik heb de kraan niet goed gezien. Ik zag de kraan pas toen de auto er tegen aanreed. Er was niet veel verlichting waar het ongeval plaatsvond. Onder aan de oprit heb je witte verdrijvingsvlakken in de vorm van een driehoek. Ongeveer bij dit witte verdrijvingsvlak stond een kraan. De auto kwam aanrijden over de oprit en botste tegen de kraan.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 november 2013, opgenomen op p. 76 van het aanvullend onderzoek van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2]:

Wij stonden boven het viaduct te wachten op de vluchtstrook bij de oprit. Met de kraan ben ik vervolgens achter de jongens met het busje aangereden. Wij zijn het viaduct overgekomen. Wij hebben op de toerit van de A7 richting Groningen boven aan staan wachten tot wij de melding kregen dat wij er op mochten. Toen wij er op mochten zijn wij gaan rijden over de toerit. Onder aan de toerit ben ik de rijbaan overgestoken om naar het werkvak te gaan. Ik ben eerst een stukje over de vluchtstrook gaan rijden. Ik heb toen gekeken of er verkeer aan kwam over de toerit. Dat was niet het geval, het was rustig op de toerit. Ik ben toen de rijbaan opgereden. Onder aan de toerit ben ik dus de rijbaan overgestoken.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 december 2013, opgenomen op p. 95 van het aanvullend onderzoek van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3]:

Ik ben met mijn zwarte VW transporter met compressor het werkvak als volgt ingereden. Al rijdende ben ik het talut afgegaan. De knipperlichten heb ik aangedaan en toen ben ik het werkvak ingereden. De kraan of kranen stonden bij [locatie] en gingen dan zelfrijdend het werkvak binnen. Op de oprit stonden geen borden waardoor ik er op werd geattendeerd dat er werkzaamheden plaatsvonden. Boven op het viaduct stonden nergens aangegeven dat er werkzaamheden waren.

Een geneeskundige verklaring op 21 september 2012 opgemaakt en ondertekend door M.Vonk, arts, voor zover inhoudende als zijn verklaring:

Alle verschijnselen bij de schouw passen bij een auto-ongeval. De gevonden bloeduitstortingen passen zeer goed bij de indrukken van een autogordel bij een aanrijding. Hierdoor is bij de schouder een letsel ontstaan waardoor een grote bloeding in de borstholte is veroorzaakt. Door deze grote bloeding is betrokkene waarschijnlijk overleden.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te is wijten dat een verkeersongeval met de dood als gevolg heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip "schuld" in het kader van de Wegenverkeerswet, houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag. Bij de beoordeling of het verkeersgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, zeer onvoorzichtig en/of onoplettend of roekeloos is geweest, gaat het om het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 21 september 2012 een mobiele kraan bestuurde waarmee met een maximale snelheid van 45 kilometer per uur mag worden gereden. Verdachte is kraanmachinist van beroep en heeft jarenlange ervaring bij het verrichten van wegwerkzaamheden met zijn kraan. Tevens bezit verdachte over de benodigde veiligheidscertificaten om werkzaamheden aan (snel)wegen te mogen verrichten. Verdachte is met zijn kraan over de toerit gereden naar de A7, welke toerit geldt als een snelweg. Onderaan de toerit, waar de toerit overgaat in de invoegstrook, is verdachte met zijn mobiele kraan blijven stilstaan, teneinde de rechterrijstrook over te steken naar de linkerrijstrook om aldaar wegwerkzaamheden uit te voeren. Op het moment dat verdachte onderaan de toerit stilstaat heeft hij de gewone verlichting van zijn kraan aan. Het zwaailicht/ de gevarenverlichting heeft verdachte niet aan.

De rechtbank stelt voorts vast dat het werkvak op de linkerrijstrook van de A7 was aangebracht. Hoewel verdachte ter terechtzitting stelt dat hij er vanuit is gegaan dat ook de toerit tot het werkvak behoorde, wordt deze stelling naar het oordeel van de rechtbank niet ondersteund door bewijsmiddelen. In het dossier verklaren onder andere [getuige 2] en [getuige 3] dat de rechterrijbaan moest worden overgestoken om het werkvak in te gaan. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat verdachte pas op de terechtzitting met deze stelling komt en hierover bij de politie niets heeft verklaard.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse dat de toerit naar de A7 was aangeduid als autosnelweg, dat er geen bijzondere verkeerstekens van toepassing waren en dat er geen bijzondere verkeersmaatrelen van kracht waren.

Verdachte heeft zich, doordat hij met zijn mobiele kraan op een autosnelweg heeft gereden, niet gehouden aan de wettelijke verkeersvoorschriften. Een ieder is verplicht zich te houden aan de wettelijke verkeersregels, ongeacht contractuele afspraken met en/of de verantwoordelijkheden van anderen. Daar komt bij dat verdachte op de toerit van de snelweg, waar de toerit overgaat in de invoegstrook, met zijn mobiele kraan heeft stilgestaan. Ook hierbij heeft verdachte zich niet gehouden aan de wettelijke verkeersvoorschriften. Door deze gedragingen heeft verdachte hinder en gevaar veroorzaakt voor medeweggebruikers. Verdachte blokkeerde met zijn mobiele kraan de toerit c.q. de invoegstrook, waardoor het voor medeweggebruikers rijdende op de toerit alleen mogelijk was om verdachte via de vluchtstrook te passeren. Verdachte had zijn gevaarlijke gedrag kunnen beperken door het zwaailicht/ de gevarenverlichting op de kraan aan te doen, teneinde medeweggebruikers te attenderen op zijn aanwezigheid. Ook dit heeft verdachte nagelaten. Hoewel volgens de rapportage van de VerkeersOngevalsAnalyse de kraan wel goed zichtbaar was, valt, gezien de verklaring van [getuige 1], niet uit te sluiten dat de kraan ten tijde van het plaatsvinden van het ongeval niet goed zichtbaar was.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen. Ondanks dat uit het dossier volgt dat het kennelijk niet ongebruikelijk is dat een mobiele kraan zelfstandig over de snelweg het werkvak inrijdt en dat dit veelal tegen beter weten in gebeurt, ontslaat dit verdachte naar het oordeel van de rechtbank hoe dan ook niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich aan de geldende verkeersvoorschriften te houden. Daar komt bij dat verdachte beroepsmatig kraanmachinist is met zeer veel (17 jaar) ervaring. Deze omstandigheden maken dat naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte een verhoogde zorgplicht gold. Het zeer onvoorzichtige gedrag van verdachte is hem aan te rekenen, omdat hij naar het oordeel van de rechtbank anders had kunnen en moeten handelen. Dat de bestuurder van de auto niet tijdig heeft kunnen stoppen dan wel de kraan heeft kunnen ontwijken, neemt de schuld van verdachte niet weg.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 21 september 2012 in de gemeente Groningen

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

te weten een mobiele (graaf)kraan (merk/type Atlas Terex 1305),

zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de

constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 kilometer per uur (en

ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of

aan werken op, in, langs en boven wegen),

in de hoedanigheid van beroepschauffeur, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig,

zich met dat motorrijtuig rijdend en vervolgens stilstaand te bevinden op de toerit van A7

(bij [locatie] in de richting van Groningen) terwijl die toerit van A7 was aangeduid als autosnelweg met een bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het Rvv1990, en

terwijl dat motorrijtuig (dat toen gebruikt werd voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen) ter plaatse geen geel zwaai-, flits- of knipperlicht voerde (zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 Rvv1990 en artikel 6 lid 1 Regeling optische en geluidssignalen 2009, terwijl op die A7 ter hoogte van die toerit

wegwerkzaamheden waren), en niet, althans onvoldoende, zichtbaar was voor het overige verkeer ter plaatse

immers was het ten tijde en ter plaatse van het ongeval (ongeveer 20.22 uur, zijnde toen ongeveer 40 minuten na zonsondergang) donker, althans schemerig,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]), die met een motorrijtuig (personenauto)

over genoemde toerit de A7 (in de richting van Groningen) wilde oprijden tegen dat motorrijtuig (mobiele kraan) is aangereden waardoor aan die [slachtoffer] zodanig zwaar (inwendig) lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen daarvan op 21 september 2012 is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit voor een geheel voorwaardelijke werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het verkeersgedrag van verdachte, door de rechtbank aangemerkt als zeer onvoorzichtig, heeft zeer ernstige gevolgen gehad in die zin dat de bestuurder van de auto, de heer [slachtoffer], is komen te overlijden. Daardoor is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht en zullen zij moeten leven met het verlies van hun dierbare. Het verkeersgedrag van verdachte heeft niet alleen directe gevolgen gehad voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, ook de verkeersveiligheid in het algemeen is door het handelen van verdachte ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij als beroepschauffeur de geldende verkeers- en veiligheidsvoorschriften bij werkzaamheden aan snelwegen onvoldoende in acht heeft genomen. Ongeacht contractuele afspraken met en/of verantwoordelijkheden van anderen blijft een verkeersdeelnemer ook zelfstandig verantwoordelijk voor de eigen veiligheid en die van anderen.

Anderzijds moet niet uit het oog worden verloren dat ook verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag niet heeft gewild en dat het verkeersongeval ook voor hem gevolgen heeft gehad en hij psychiatrische hulpverlening nodig heeft gehad. Daarnaast heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 december 2014 niet eerder voor verkeersmisdrijven is veroordeeld. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de landelijk voor dit soort zaken geldende oriëntatiepunten.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf passend en geboden is. Gelet op het tijdsverloop in deze zaak zal de rechtbank een gedeelte van de werkstraf voorwaardelijk opleggen. Omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het gedrag van verdachte heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, komt de rechtbank tot een hogere taakstraf dan door de officier van justitie geëist. Ook zal de rechtbank ter bescherming van de verkeersveiligheid verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen van na te melden duur. Deze ontzegging zal de rechtbank echter geheel voorwaardelijk opleggen, gelet op het feit dat verdachte als beroepschauffeur zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk uit te kunnen voeren. De geheel voorwaardelijke op te leggen rijontzegging strekt er toe om verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbaar verkeersgedrag te vertonen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wekenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt, dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 80 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van het primair bewezen verklaarde voorts:

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van één jaar.

Bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. L.J. van der Heide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2015.