Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2710

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
18.830031-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ten aanzien van primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die aangever heeft gestoken. Er zijn op dit cruciale punt teveel onduidelijkheden. Subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging wel bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830031-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte ] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 mei 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 februari 2015 te [pleegplaats], ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet

die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in

de rug (tussen twee schouderbladen en onder de linker ribbenboog) heeft

gestoken en/of waarbij (ondermeer) een klaplong is ontstaan en/of een

miltbloeding, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 7 februari 2015 te [pleegplaats]

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, op/nabij de [straat], in elk

geval op of aan een openbare weg

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer],

welk geweld bestond uit

-het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in het gezicht en/of

tegen de rug en/of tegen een of meer andere lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer]

en/of

-het geven van een kopstoot aan die [slachtoffer] en/of

-het om de nek springen en/of vastpakken en/of in de houdgreep nemen van die

[slachtoffer] en/of

-het tegen de grond werken van die [slachtoffer] en/of het op die [slachtoffer] liggen en/of

-het schoppen tegen de rug en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) van

die [slachtoffer].

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde, poging doodslag, kan worden bewezen. Dat verdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer] heeft gestoken, heeft de officier van justitie gebaseerd op de verklaring van [getuige 1] dat hij verdachte stekende bewegingen heeft zien maken en het feit dat verdachte met aangever op de grond heeft gelegen in een worsteling. Daarnaast is verdachte de enige die de plaats delict heeft verlaten, hetgeen ook kan verklaren waarom geen mes is aangetroffen. In het steken met een mes op de plaatsen van de steekwonden ligt voorwaardelijk opzet op de dood besloten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het politiedossier veel onduidelijkheden bevat en dat iedereen op het feest dronken was, hetgeen een onbetrouwbare waarneming oplevert. Slechts een deel van de aanwezigen is gehoord en de verklaringen over het aantal personen dat [slachtoffer] heeft belaagd, lopen sterk uiteen. Daarbij speelt op de achtergrond dat niemand het slachtoffer mag en bang voor hem is. Bovendien is sprake van een zwijgcultuur.

De raadsman heeft gesteld dat er geen wettig bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij het primair ten laste gelegde. Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever moet worden getwijfeld, mede gelet op zijn gebruik van alcohol en drugs in de aanloop naar het incident. Aangever weet niet door wie hij is neergestoken en komt pas later met de naam van verdachte. Ook moet worden getwijfeld aan de verklaring van [getuige 1]. [getuige 1] zat in een taxi en moest daarom eerst opstaan om uit het raam aan de achterzijde van de taxi te kunnen kijken. Dat [getuige 1] verdachte in het schijnsel van de achterlichten van de taxi heeft gezien, moet worden betwijfeld. Hij zegt ook dat hij "dacht" dat hij verdachte zag.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet is voldaan aan de criteria die de Hoge Raad aan het medeplegen-aspect van openlijke geweldpleging stelt.

Beoordeling van het bewijs

Met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot doodslag is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die aangever heeft gestoken. Er zijn op dit cruciale punt teveel onduidelijkheden. Zo is er geen steekwapen gezien of aangetroffen en een deel van de vechtpartij, waarbij verdachte was betrokken, heeft zich achter een auto en derhalve uit het rechtstreekse zicht van getuigen afgespeeld. [getuige 1] heeft zijn verklaring drie weken na het incident afgelegd, toen hij inmiddels wist dat er gestoken was. Niet kan worden uitgesloten dat [getuige 1] de door verdachte uitgedeelde stompen heeft geïnterpreteerd als stekende bewegingen. Voor het overige bevat het dossier slechts indirect bewijs. De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2015 afgelegd:

Ik heb [medeverdachte 2] geholpen. [medeverdachte 2], [slachtoffer] en ik lagen samen op de grond. Ik ben aan het stompen geweest. In mijn beleving waren er meerdere mensen bij betrokken.

Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 februari 2015, opgenomen op pagina 52 e.v. van dossier nummer PL0100-2015037549 d.d. 11 maart 2015 van Politie Eenheid Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Vrijdagavond 6 februari 2015 ben ik naar de [straat] gegaan. Ik liep langs [café]. [medeverdachte 2] kwam als eerste naar buiten. Gelijk met [medeverdachte 2] kwamen ook [medeverdachte 1] en [verdachte ] naar buiten. Ik werd door [medeverdachte 2] geslagen. Ik werd op mijn neus geslagen. [medeverdachte 2] sprong mij om de nek. Daarnaast werd ik nog door een of twee personen vastgepakt. Op dat moment lag ik ook op de grond. [medeverdachte 2] en [verdachte ] zaten bovenop mij.

Een geneeskundige verklaring, op 4 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door dr. J. Broer, forensisch arts, opgenomen op pagina 154 e.v. van voormeld dossier, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

Betreffende [slachtoffer]. Behandeling gebroken 11e rib links, gebroken neusbeen en tandletsel onderkaak. Het letsel op de neus en aan de onderste onderkaak kan zijn ontstaan door de inwerking van stomp botsend uitwendig mechanisch geweld dat met veel kracht in aanraking komt met een hard benige gedeelte van het aangezicht skelet (neus en onderkaak). De bloeduitstortingen bevinden zich aan beide zijden van het lichaam. De uitgebreide bloeduitstorting in de linkerflank past bij uitgebreid stomp geweld zoals schoppen en stompen. De uitgebreidheid van het letsel past meer bij een langere duur van het stompe geweld. Het letsel past bij de door betrokkene beschreven toedracht.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 7 februari 2015, opgenomen op pagina 77 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]:

Ik ben aanwezig geweest bij het incident bij [café] te [pleegplaats]. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte ] boven op [slachtoffer] lagen en dat ze hem in een soort van houdgreep hadden. Ik ben er heen gelopen en heb iets gezegd van "moet dat nou" of iets in die trend. Ik zag dat [slachtoffer] bloed bij zijn neus had.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 12 februari 2015, opgenomen op pagina 80 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]:

Op 6 februari 2015 gaven [medeverdachte 2] en ik een feest in [café] aan de [straat]. [medeverdachte 2] gaf [slachtoffer] een kopstoot. [slachtoffer] bloedde bij zijn neus. [medeverdachte 2] viel samen met [slachtoffer] op de grond.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 19 februari 2015, opgenomen op pagina 92 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 4]:

U heeft mij verteld dat het gaat om de gebeurtenis op 6 februari 2015 bij [café] aan de [straat] te [pleegplaats]. Ik zag dat ze met z'n drieën naar buiten gingen, dat waren [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en nog een derde. [medeverdachte 1] ging met [slachtoffer] praten. Toen kwam [medeverdachte 2] naar buiten en die heeft [slachtoffer] een kopstoot gegeven. Toen ik buiten kwam, zag ik dat twee mensen bovenop [slachtoffer] lagen. [medeverdachte 2] en [slachtoffer] hadden elkaar bij de kop en waren aan het vechten. De één had de arm om de keel van de ander. De andere man lag op de voeten van [slachtoffer].

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 25 februari 2015, opgenomen op pagina 127 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Ik geef toe dat ik [slachtoffer] een behoorlijke klap heb gegeven. Op een gegeven moment lag ik op de grond met [slachtoffer]. In die worsteling hoorde ik de stem van [getuige 2] zeggen: "Jongens, niet met zijn tweeën op [slachtoffer]!"

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 7 februari 2015, opgenomen op pagina 139 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

[medeverdachte 2] sprak [slachtoffer] aan op zijn gedrag. Ik was daarbij. Volgens mij heeft [slachtoffer] een klap gekregen. Wij zijn er toen met drie à vier mannen opgedoken. Wij hebben toen geslagen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] beiden een voldoende significante en wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het toegepaste geweld tegen [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen dat aangever bewust door geweld van verdachte of zijn medeverdachte tegen de grond is gewerkt en dat hij is geschopt, nu er volgens diverse verklaringen van "vallen" sprake is geweest. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij omstreeks 7 februari 2015 te [pleegplaats] openlijk, te weten op of aan de openbare weg, op de [straat], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit

- het meermalen slaan en stompen in het gezicht en tegen de rug en tegen een of meer andere

lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer] en

- het geven van een kopstoot aan die [slachtoffer] en

- het om de nek springen en vastpakken en in de houdgreep nemen van die [slachtoffer] en

- het op die [slachtoffer] liggen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de strafbaarheid van het feit heeft de raadsman aangevoerd dat aannemelijk is, gelet op de reputatie van aangever en zijn gedragingen eerder die avond, dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de verdediging geen omstandigheden heeft aangevoerd die een beroep op noodweer rechtvaardigen.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat een beroep op noodweer niet kan slagen. De raadsman heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd, die aannemelijk maken dat sprake was van een noodweersituatie. Onvoldoende onderbouwd is dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte, waaraan hij zich niet kon onttrekken en waartegen hij zichzelf mocht verdedigen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Het feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen mocht achten, gesteld dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest volstaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededader(s) op de openbare weg fysiek geweld gebruikt tegen aangever, die daarbij verwondingen heeft opgelopen aan zijn gezicht - onder meer een gebroken neusbeen - en lichaam. Verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast versterken dergelijke feiten de gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Een dergelijk feit rechtvaardigt zonder meer het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel wordt daar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden gehanteerd.

De rechtbank houdt er rekening mee dat de rol van verdachte anders en groter was dan die van medeverdachte [medeverdachte 2], die zich als organisator van het door aangever verstoorde verjaardagsfeestje verantwoordelijk voelde voor de veiligheid van zijn gasten. Verdachte heeft zich in de confrontatie tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer] gemengd en heeft [slachtoffer] flink aangepakt, in plaats van te trachten om partijen uit elkaar te krijgen. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen, maar is weggelopen na het incident.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Uit het reclasseringsrapport van Tactus Verslavingszorg d.d. 24 april 2015 komt naar voren dat er nauwelijks relevante bijzonderheden in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn. Het enige dat opvalt is zijn alcoholgebruik. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte ook flink onder invloed van alcohol. In het rapport wordt tevens aangegeven dat verdachte nauwelijks gemotiveerd is voor reclasseringstoezicht en verslavingszorg, terwijl de kans op herhaling niet is in te schatten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 1.007,00 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen - de immateriële schade voor een bedrag van € 1.000,00 hoofdelijk - met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard in verband met de door hem bepleite vrijspraak. De immateriële schade is onvoldoende uitgesplitst naar het primair en subsidiair ten laste gelegde. Mocht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaren, kan hooguit een paar honderd euro aan immateriële schade worden toegewezen, omdat de gevorderde materiële schade en een groot deel van de immateriële schade ziet op het primair ten laste gelegde.

Beoordeling

De rechtbank acht het feit waaruit de materiële schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht de schade tot een bedrag van € 400,00 aannemelijk geworden. Dit houdt in dat de vordering tot dat bedrag - hoofdelijk - zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van het restant van de vordering betreffende de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan [slachtoffer] daarom thans in het restant van zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij dit deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen kledingstukken moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2015, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], te betalen een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven kledingstukken.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. A. Heidekamp, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2015.

Mr. Heidekamp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.