Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2588

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
C/19/110069 / KG ZA 15-85
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen buren/woonwagenbewoners over plaatsing van camera’s op een woonwagen. Vordering tot verwijdering van de camera’s afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2015/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/110069 / KG ZA 15-85

Vonnis in kort geding van 2 juni 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiseres,

die met toevoeging procedeert,

advocaat: mr. L.L. van Dijk te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. M.E.M. Sanders te Almelo.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 1 mei 2015 voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo;

- het vonnis in kort geding van voornoemde voorzieningenrechter d.d. 6 mei 2015, waarbij de zaak op grond van artikel 46b Wet RO is verwezen naar deze rechtbank;

- de (nieuwe) dagvaarding d.d. 11 mei 2015;

- de mondelinge behandeling d.d. 19 mei 2015;

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is woonachtig aan de [adres 1] te [woonplaats 1], waar zij samen met haar partner [partner] een perceel grond huurt van de Woningstichting St. Joseph. Dit perceel is ingericht als standplaats voor een woonwagen.

2.2.

[gedaagde] is woonachtig aan de [adres 2] te [woonplaats 1], waar hij een perceel grond huurt van voornoemde woningstichting. Ook dit perceel is ingericht als standplaats voor een woonwagen. [eiseres] en [gedaagde] zijn elkaars buren.

2.3.

[eiseres] en [gedaagde] zijn al jarenlang in een conflictueuze burenruzie verwikkeld.

2.4.

[gedaagde] heeft op of omstreeks 3 oktober 2014 een zestal camera's aan zijn woonwagen laten monteren. Deze camera's zijn geplaatst door Kocks Installatietechniek te Emmen. De camera's zijn geplaatst zoals weergegeven op onderstaande - door [gedaagde] overgelegde - tekening.

[tekening]

2.5.

De woningstichting heeft [gedaagde] bij brief van 11 november 2014 gesommeerd om de camera's te verwijderen althans om deze niet op het perceel van [eiseres] te richten.

2.6.

De advocaat van [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 9 maart 2015 gesommeerd om de camera's te verwijderen en verwijderd te houden.

2.7.

Kocks Installatietechniek heeft [gedaagde] bij e-mail van 13 maart 2015 als volgt bericht:

"Het betreft type camera

Samsung SCV-2082RP W-VI DSP 1/3""700TVL(ER mode)

vandalismebestendige dag/nacht

minidome camera met IR leds ingebouwde lens

2.8-10 mm

Deze zijn niet bestuurbaar en je kunt zien welke kant ze opkijken door de infrarood lampen.

Zoals ik reeds al eerder heb aangegeven kunnen we met deze camera's niet zoomen en niet besturen.

En de camera's zitten niet op het huis maar onder het overstek.

En de camera's zitten niet aan 1 zijde gemonteerd aan de woning maar gemonteerd rondom de woning om hun eigen spullen in de gaten te kunnen houden."

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] gelast om te verwijderen en verwijderd houden alle camera's op diens perceel, welke zijn gericht op het perceel van [eiseres], binnen tien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;

II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 131,-, in geval van betekening te vermeerderen met € 68,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 131,-, in geval van betekening te vermeerderen met € 68,-, een en ander binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten van partijen

4.1.

[eiseres] legt - samengevat - het volgende aan haar vordering tot verwijdering van de camera's ten grondslag. De door [gedaagde] gemonteerde camera's - die roterend en bestuurbaar zijn en waarmee kan worden ingezoomd - zijn alle dan wel voor het overgrote deel bevestigd aan de kant van het perceel waar [eiseres] woonachtig is. De woonwagens van partijen liggen op het breedste punt vier meter van elkaar af. Met gebruikmaking van de camera's kan [gedaagde] [eiseres] en haar familie stelselmatig ongezien observeren, niet alleen buiten op het perceel maar ook in de woonwagen. Voor [eiseres] en haar familie levert het een ondraaglijke situatie op dat zij continu door de camera's op de woonwagen van [gedaagde] worden bespied. Met deze inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer wordt ook hun woongenot ernstig belemmerd. Bovendien heeft [eiseres] de vrees dat [gedaagde] beelden van [eiseres] en haar familie registreert. Het belang van [gedaagde] om zijn eigendommen met behulp van de camera's in de gaten te kunnen houden, weegt niet op tegen de ernst van de inbreuk op de privacy van [eiseres]. Er zijn andere manieren denkbaar waarmee [gedaagde] zijn eigendommen kan beschermen, zonder voortdurend zicht te hebben op het perceel en de woonwagen van [eiseres].

4.2.

[gedaagde] voert - samengevat - het volgende verweer. Hij stelt dat [eiseres] niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten eerste omdat in burengeschillen niet de voorzieningenrechter van de handelskamer, maar de kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter de bevoegde rechter is en ten tweede omdat [eiseres] geen spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Voorts stelt [gedaagde] dat hij de camera's heeft doen plaatsen ter beveiliging van zijn familie en van zijn eigendommen. Hij heeft veelvuldig hoeveelheden contant geld onder zich en wenst niet met overvallen te worden geconfronteerd. Ten onrechte wordt door [eiseres] betoogd dat er sprake zou zijn van roterende camera's. De installateur heeft de camera's juist gefixeerd. Anders dan [eiseres] stelt, zijn ook niet alle camera's aan de kant van haar perceel geplaatst. De camera's zijn bovendien niet op het perceel van [eiseres] gericht. Van enige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] is aldus geen sprake. Het enkele gevoel van [eiseres] dat er inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt, is onvoldoende voor treffen van de gevraagde voorziening. Het hebben van camera's ter beveiliging en preventie is niet onrechtmatig, aldus [gedaagde].

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

De voorzieningenrechter is te allen tijde bevoegd om in alle spoedeisende zaken waarin een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist een zodanige voorziening te treffen, zo volgt uit artikel 254 lid 1 Rv. Dit geldt óók voor kantonzaken. Overigens kan het onderhavige geschil, gelet op het onderwerp daarvan, niet als een aardzaak worden beschouwd die, zoals [gedaagde] stelt, bij de kantonrechter thuishoort.

5.2.

Het spoedeisend belang bij de vordering van [eiseres] is voldoende aanwezig, nu de vordering strekt tot beëindiging van een onrechtmatige toestand. Aan het spoedeisend belang doet in dezen niet af dat [eiseres] na plaatsing van de camera's door [gedaagde] enige tijd heeft gewacht met het aanhangig maken van de onderhavige vordering.

5.3.

Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] gehouden is om de camera's die hij aan zijn woonwagen heeft bevestigd te verwijderen. Meer in het bijzonder gaat het erom wiens recht prevaleert: het recht van [eiseres] op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer of het recht van [gedaagde] om zijn perceel met gebruikmaking van genoemde camera's te beveiligen.

5.4.

Bij de beoordeling van deze vraag heeft te gelden dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of er sprake is van een dergelijke rechtvaardigingsgrond, moet worden beoordeeld door in het licht van de omstandigheden van het geval tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589). De aard van een inbreuk moet naar objectieve maatstaven worden bezien. Daarbij dient te worden bedacht dat ook een inbreuk die naar objectieve maatstaven als gering moet worden beschouwd, toch als zeer ingrijpend door een betrokkene kan worden ervaren (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2014, NJF 2015, 30).

5.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er een zestal camera's aan de woonwagen van [gedaagde] is bevestigd, waarvan een viertal aan de kant van het perceel van [eiseres] (zoals weergegeven op de sub 2.4. weergegeven situatietekening). Voldoende aannemelijk is dat de twee andere camera's niet in de richting van het perceel van [eiseres] geplaatst zijn, zodat de voorzieningenrechter deze camera's buiten beschouwing zal laten en zich zal concentreren op genoemde vier camera's.

5.6.

[eiseres] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld, om te kunnen concluderen, en ook anderszins is in dit kort geding niet aannemelijk geworden, dat met gebruikmaking van deze vier camera's het erf en de woonwagen van [eiseres] (stelselmatig) kunnen worden geobserveerd. [eiseres] stelt weliswaar dat de betreffende camera's roterend zijn en dat hiermee door [gedaagde] kan worden ingezoomd op haar perceel, maar deze stelling is niet verder (feitelijk) onderbouwd én wordt voorshands ook voldoende weerlegd door de verklaring van de installateur Kocks. De installateur heeft zowel schriftelijk als desgevraagd ter zitting verklaard dat de door hem geplaatste camera's niet roterend zijn en dat met deze camera's door [gedaagde] niet (zelfstandig) kan worden ingezoomd op het perceel van [eiseres]. Daarvoor is een sleutel nodig en die sleutel heeft alleen Kocks. Ook de in dit kort geding overgelegde foto's leveren voorshands onvoldoende bewijs op dat [gedaagde] met gebruikmaking van de camera's het erf en de woonwagen van [eiseres] (stelselmatig) kan observeren. Dat [gedaagde], zoals [eiseres] aanvoert, beelden van haar en haar familie zou (kunnen) registreren, is mitsdien al evenmin aannemelijk. Door [gedaagde] zijn foto's overgelegd die van de camera's zijn gemaakt. Daaruit blijkt dat de camera's op zijn eigen perceel zijn gericht en dat alleen via camera 01 er een zeer beperkt zicht is op het perceel van [eiseres]. Deze inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter zo beperkt dat deze niet opweegt tegen het gerechtvaardigde belang van [gedaagde] om zijn perceel met gebruikmaking van de camera's te beveiligen.

5.7.

Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het treffen van de door [eiseres] gevraagde voorlopige voorziening. De vordering van [eiseres] zal dus worden afgewezen.

5.8.

[eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op:

- vast recht € 285,00

- salaris advocaat € 816,00

-------------

€ 1.101,00

5.9.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna in het dictum te melden. De wettelijke rente over de (na)kosten is eveneens toewijsbaar.

6 BESLISSING

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst de vordering van [eiseres] af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 1.101,-, alsmede in de nakosten ten bedrage van

€ 131,-, te vermeerderen met een bedrag van € 68,- in geval van betekening van dit vonnis, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, indien voornoemde (na)kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, bijgestaan door de griffier mr. M. Postma en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.

343/mp