Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2507

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
GRO 13/1 en GRO 13/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van schoolgebouwen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van een constructiefout of –fouten en of verweerder gehouden is tot het verstrekken van een voorziening voor herstel daarvan. Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of de constructiefout of –fouten een gebrekkig binnenklimaat tot gevolg hebben.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1064
Onderwijs Totaal 2020/1085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: GRO 13/1

GRO 13/2

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2015 in de zaak tussen

de stichting [eiseres] , te Groningen, eiseres

(gemachtigden: R. Vinke en mr. A.A. Westers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder

(gemachtigden: J.P. Wemes, J.P.J. Flapper en C. Shamburg).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2012, met kenmerk 201202870 (bestreden besluit 1), heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld. Dit beroep is ingeschreven onder nummer GRO 13/1.

Bij besluit van 26 november 2012, met kenmerk 201202192 (bestreden besluit 2), heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld. Dit beroep is ingeschreven onder nummer GRO 13/2.

Bij brief gedateerd 7 februari 2013 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld in het beroep ingeschreven onder GRO 13/1.

Bij brief gedateerd 7 februari 2013 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld in het beroep ingeschreven onder GRO 13/2.

Bij brief gedateerd 7 maart 2013 heeft verweerder een verweerschrift ingediend in het beroep ingeschreven onder GRO 13/1.

Bij brief gedateerd 7 maart 2013 heeft verweerder een verweerschrift ingediend in het beroep ingeschreven onder GRO 13/2.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2013. De beroepen ingeschreven onder GRO 13/1 en GRO 13/2 zijn tegelijk behandeld. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het onderzoek is geschorst.

Bij brief gedateerd 13 februari 2014 heeft eiseres de gronden van de beroepen aangevuld. Zij heeft een rapport in het geding gebracht dat is opgesteld door Peutz B.V.. Het rapport is gedateerd 12 februari 2014.

Bij brief gedateerd 2 april 2014 heeft verweerder zijn verweer aangevuld in het beroep ingeschreven onder GRO 13/2.

Bij brief gedateerd 14 mei 2014 heeft verweerder zijn verweer aangevuld in het beroep ingeschreven onder GRO 13/2. Hij heeft een Energie & Binnenmilieu Advies in het geding gebracht dat is opgesteld door Duurzaam Gebouw Amersfoort. Het rapport is gedateerd 29 oktober 2009.

Bij brief gedateerd 11 juli 2014 heeft eiseres de gronden van het beroep ingeschreven onder nummer GRO 13/2 aangevuld.

Bij brief gedateerd 12 september 2014 heeft verweerder zijn verweer aangevuld in het beroep ingeschreven onder GRO 13/2.

Bij brief gedateerd 5 december 2014 heeft eiseres verzocht om een uitspraak in beide beroepen. Bij brief gedateerd 15 december 2014 heeft verweerder gereageerd. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek in beide beroepen gesloten.

Overwegingen

GRO 13/1 [naam school #1]

1. De rechtbank gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres heeft een aanvraag ingediend inzake aanpassing van het ventilatiesysteem van [naam school #1] (G 11.069).

1.2.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 26 november 2012, met kenmerk 201202870, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Ingevolge artikel 91, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs (Wpo) dragen […] burgemeester en wethouders ten behoeve van de […] niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. […]

Ingevolge artikel 92, eerste lid, onder c, van de Wpo wordt voor de toepassing van […] afdeling [1 van Titel IV] herstel van constructiefouten aan het gebouw […] onder voorzieningen in de huisvesting begrepen.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpo, wordt een voorziening in de huisvesting slechts geweigerd, indien de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 92.

3. In geschil is of verweerder de aanvraag terecht heeft geweigerd op grond van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpo. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van een constructiefout of –fouten en of verweerder gehouden is tot het verstrekken van een voorziening voor herstel. Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of de constructiefout of –fouten een gebrekkig binnenklimaat tot gevolg hebben.

4. Eiseres heeft betoogd dat zij jegens verweerder aanspraak kan maken op vergoeding van kosten voor verbetering van het ventilatiesysteem in [naam school #1] .

5. Verweerder heeft op basis van de normen die voor het binnenklimaat voor een school gelden, zoals in de overgelegde rapporten uiteengezet, geconcludeerd dat het binnenklimaat van [naam school #1] aan de normen voldoet.

6. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiseres in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te tonen dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd en om te onderbouwen welke normen verweerder had moeten hanteren, door middel van (een) rapport(en), opgesteld door een onafhankelijk adviseur, dat handelt over de minimumeisen die moeten worden gesteld ten aanzien van het binnenklimaat.

7. Eiseres heeft bij brief gedateerd 13 februari 2014 een rapport in het geding gebracht, opgesteld door Peutz B.V.. Het rapport is gedateerd 12 februari 2014.

8. Met verweerder constateert de rechtbank dat het rapport van Peutz gedateerd 12 februari 2014 enkel betrekking heeft op [naam school #2] . Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de bewijsopdracht van de rechtbank.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

GRO 13/2 [naam school #2]

11. De rechtbank gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

11.1.

Eiseres heeft een aanvraag ingediend inzake aanpassing van het binnenklimaat van [naam school #2] (G 11.095).

11.2.

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft verweerder de aanvraag G11.095 niet ingewilligd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.

11.3.

Bij besluit van 26 november 2012, met kenmerk 201202192, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

12. Ingevolge artikel 76b, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) dragen […] burgemeester en wethouders ten behoeve van […] de andere dan gemeentelijke scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. […]

Ingevolge artikel 76c, eerste lid, onder b, van de Wvo wordt voor de toepassing van […] hoofdstuk [I van Afdeling IA] herstel van constructiefouten aan het gebouw […] onder voorzieningen in de huisvesting begrepen.

Ingevolge artikel 76k, eerste lid, onder a, van de Wvo, wordt een voorziening in de huisvesting slechts geweigerd, indien de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 76c.

13. In artikel 2, aanhef en onder d, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs wordt het herstel van een constructiefout of –fouten nader omschreven als herstel bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringfouten of wanprestatie.

14. In geschil is of verweerder de aanvraag terecht heeft geweigerd op grond van artikel 76k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo). Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van een constructiefout of –fouten en of verweerder gehouden is tot het verstrekken van een voorziening voor herstel daarvan. Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of de constructiefout of –fouten een gebrekkig binnenklimaat tot gevolg hebben.

15. Door eiseres is gesteld dat het gebouw niet voorziet in een acceptabel binnenklimaat en dat dit het gevolg is van fouten in het ontwerp en de uitvoering daarvan bij de bouw.

16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het binnenklimaat voldoet aan de daaraan, op grond van het Bouwbesluit, te stellen eisen.

17. De rechtbank overweegt dat verweerder verantwoordelijk is voor de oplevering van een schoolgebouw dat aan de daaraan te stellen wettelijke eisen voldoet. Als echter, ten gevolge van een constructiefout of –fouten, schade ontstaat die onmiddellijk voortvloeit uit ontwerpfouten, uitvoeringfouten of wanprestatie, dan is verweerder gehouden om de betrokken school in staat te stellen de schadeoorzaak weg te nemen door een voorziening te verstrekken voor herstel.

18. Het door eiseres gestelde gebrek is dat in de school geen acceptabel binnenklimaat kan worden gerealiseerd. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag aan welke eisen het binnenklimaat in de school zou moeten voldoen en vervolgens de vraag of het ook aan die eisen voldoet.

19. De rechtbank heeft eiseres opgedragen om aan te geven welke normen er ten aanzien van het binnenklimaat van de school golden ten tijde van de oplevering. Door eiseres is daartoe een rapport overlegd van Peutz van 12 februari 2014 waarin in hoofdstuk 2 uitgebreid wordt ingegaan op de eisen waaraan een schoolgebouw ten tijde van de bouw zou moeten voldoen. De rapporteur heeft aan de hand van het Bouwbesluit, de arbo-wetgeving en de niet-wettelijke eisen en richtlijnen de eisen opgesteld waaraan het binnenklimaat (en de energiehuishouding) van de school zou hebben moeten voldoen. Door de rapporteur is aangegeven dat de weergegeven eisen met name zien op de lesruimtes. Verweerder heeft deze eisen niet (of niet overtuigend) bestreden en nu de rechtbank op voorhand geen aanknopingspunten ziet voor de onjuistheid van deze eisen zal de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van constructiefouten deze eisen als toetsingskader hanteren.

20. De rechtbank zal de belangrijkste aspecten van het binnenklimaat bespreken.

De ventilatie

21. Door de rapporteur is aangegeven dat er en ventilatiedebiet geldt voor de lesruimtes gebaseerd op klasse B2 van het Bouwbesluit 1992 (het Bouwbesluit): 12,6 m3/h.m2 vloeroppervlak (= 16,4-41,6 m3/h per persoon) minimaal 20 m3 per persoon.

Nu het Bouwbesluit onderscheid maakt in soorten verblijfsruimtes dient het ventilatiedebiet niet voor het gebouw in zijn geheel maar voor de verschillende ruimtes afzonderlijk te worden beoordeeld.

In bijlage 1 van het rapport is de ventilatieberekening gegeven. Die berekening is gebaseerd op het ontwerp van het gebouw en niet op de feitelijke situatie. Hieruit blijkt dat op de begane grond van de lesruimtes (dat zijn de lokalen 0.1.07 tot en met 0.1.13b) slechts de thema techniek en de lasruimte (0.1.13a en 13b) voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Voor de overige genoemde lokalen geldt dat er getoetst aan het Bouwbesluit een tekort aan ventilatie is in de orde van grootte van 15 tot en met 17%. Voor de lesruimtes op de eerste verdieping (1.1.09 t/m 1.1.16) geldt dat de lokalen 1.1.09 tot en met 1.1.11 en lokaal 1.1.13 niet aan het Bouwbesluit voldoen. Hier geldt een tekort in de orde van grootte van 14 tot en met 17%. Voor de lesruimtes op de tweede verdieping (2.1.03 tot en met 2.1.13) geldt dat alleen het drama/muzieklokaal (2.1.03) aan de eisen van het Bouwbesluit voldoet. De overige lokalen vertonen een ventilatietekort in de orde van grootte van 17%. Voor de derde verdieping geldt dat van de drie lesruimtes alleen het lokaal voor de beeldende vakken (3.1.01) niet aan de eisen voldoet en wel in de orde van grootte van 59%.

Uit de cijfers blijkt overigens dat de lokalen met uitzondering van het thema techniek lokaal (0.1.13a) en het lokaal beeldende vakken (3.1.01) wel aan de arbo-eisen voldoet.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze cijfers blijkt dat het schoolgebouw voor wat betreft zijn ontwerp niet voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit stelt ten aanzien van de ventilatie. Nu deze cijfers ook niet door verweerder zijn bestreden, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op dit punt gegrond is. Door verweerder is er op gewezen dat een deel van de ventilatieroosters na de oplevering is dichtgezet. Los van de vraag of dit noodzakelijk was of niet, een vraag die hieronder aan de orde zal komen, heeft deze constatering geen invloed op het feit dat bij het ontwerp van het gebouw, getoetst aan het Bouwbesluit, onvoldoende is voorzien in ventilatie van de leslokalen.

De ruimtetemperatuur in de winter

22. Door de rapporteur is aangegeven dat de leslokalen bij een buitentemperatuur van -7 graden een binnentemperatuur van 20 graden bereikt moet kunnen worden.

De rapporteur heeft voor lokaal 1.1.15 (lokaal binask), een lokaal waarin wel wordt voldaan aan het Bouwbesluit voor wat betreft de ventilatie, berekend hoeveel energie het lokaal verliest. Dat blijkt 12,7 Kw te zijn. Op lokaalniveau, waar de warmte via de vloer en het plafond wordt afgegeven, kan er maximaal 4.390 watt (4.4 Kw) worden afgegeven. Nu er voor de compensatie van het warmteverlies een capaciteit van 12,7 Kw benodigd is, is er een tekort in vermogen van 8,3 Kw, 65% van het benodigde vermogen. De rapporteur heeft ook berekend dat de verwarmingsinstallatie niet het benodigde vermogen kan leveren maar een tekort aan capaciteit heeft van ongeveer 50 Kw (12%) voor de verwarming van het gehele gebouw.

De rapporteur heeft vervolgens voor de berekening van het binnenklimaat bij een buitentemperatuur van -7 graden een computersimulatie gemaakt. Deze computersimulatie is getoetst door middel van metingen in de periode van 17 december tot en met 19 januari 2014. Voor de berekening is onder meer uitgegaan van de ventilatie zoals die feitelijk aanwezig is, dat wil zeggen met de gedeeltelijk afgedekte ventilatieroosters waardoor er minder geventileerd wordt dan volgens het ontwerp van het gebouw had gemoeten. De rapporteur concludeert aan de hand van de feitelijke metingen dat het computermodel voldoet en goede uitkomsten geeft. Vervolgens heeft de rapporteur het model gebruikt om het binnenklimaat bij een buitentemperatuur van -7 graden te berekenen. Daaruit blijkt dat in het lokaal een berekende binnentemperatuur van 13 graden wordt bereikt. De rechtbank concludeert uit de bevindingen van de rapporteur dat de resultaten van de berekening nog ongunstiger zouden zijn geweest als de ventilatie in overeenstemming met het ontwerp (dat wil zeggen meer ventilatie) zou zijn gebracht. Nu een temperatuur van 20 minimaal is vereist, voldoet het gebouw niet aan de gestelde eisen is het beroep ten aanzien van de binnentemperatuur ook gegrond.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat de ventilatieroosters in de leslokalen voor een belangrijk deel zijn afgedekt. De rechtbank ziet hierin daarom geen grond voor de stelling dat het slechte binnenklimaat voor wat betreft de ventilatie deels aan de eigen schuld van eiseres te wijten zou zijn.

De ruimtetemperatuur in de zomer

23. Door de rapporteur wordt geconcludeerd dat het ontwerp van het gebouw voorziet in een binnentemperatuur die aan de eisen voldoet. Doordat bij de bouw het onjuiste glas is gebruikt worden voor de lokalen op het oosten met veel glas de gestelde waardes echter overschreden. De verwachting van de rapporteur is dat met een goed functionerende koeling in de heipalen er wel aan de eisen kan worden voldaan. De rechtbank is van oordeel dat door eiseres onvoldoende is aangetoond dat de koelinstallatie niet zou werken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken blijkt dat de koelinstallatie wel werkt nu er is voorzien in een installatie die de wegelekkende koelvloeistof regelmatig aanvult. Hieruit volgt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in de zomer niet aan de nominale eisen ten aanzien van de binnentemperatuur kan worden voldaan. De rechtbank leidt echter uit de conclusies van het Rapport en ook uit het rapport van de Klimaatgroep Holland af dat het systeem slecht is toegerust om adequaat te reageren op snelle wijzigingen in de temperatuur in de leslokalen. De betonkernkoeling is, los van de vraag of het systeem juist is ontworpen gezien de ligging van het gebouw, te traag om snelle wijzigingen in temperatuur op te vangen. Dat betekent dat wellicht over het schooljaar genomen wel aan de nominale eisen kan worden voldaan maar dat het de vraag is of er sprake is van een acceptabel binnenklimaat op het moment dat de leerlingen daadwerkelijk aanwezig zijn.

Het thermisch comfort

24. In het rapport wordt ook aangegeven dat er in de winter sprake zal zijn van tochtklachten. Deze worden veroorzaakt door de te geringe opwaartse luchtstroom bij de ramen. Deze luchtstroom is onder meer te gering omdat de warmte over de gehele vloer wordt afgegeven in plaats van bijvoorbeeld een radiator onder het raam.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende heeft aangetoond dat het binnenklimaat van de leslokalen in [naam school #2] niet voldoen aan de eisen die daar ten tijde van de bouw van dit schoolgebouw en volgens de toen geldende opvattingen golden. Dat betekent dat verweerder ten onrechte de bezwaren van eiseres ongegrond heeft verklaard en verweerder opnieuw op de bezwaren van eiseres moet beslissen.

Voor zover verweerder zich heeft beroepen heeft op het Energie & Binnenmilieu Advies, opgesteld door Duurzaam Gebouw Amersfoort, is de rechtbank van oordeel dat dit rapport eerder het karakter van een quick-scan heeft en niet van gelijkwaardige kwaliteit is als het door eiseres ingediende rapport van Peutz. Daarbij is de rechtbank met eiseres van oordeel dat er erg veel fouten in staan. Voorts is het rapport niet opgesteld in reactie op het rapport van Peutz.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gebrekkige binnenklimaat het gevolg is van een constructiefout die deels bestaat uit een gebrekkig ontwerp en deels uit gebrekkige of afwijkende uitvoering van het ontwerp. De tekortschietende ventilatie zorgt in combinatie met een gebrek aan capaciteit van de ketel en de te beperkte warmteafgifte van vloeren en plafonds voor te weinig warmte in de winter. Door de egale warmte afgifte van de vloeren is er bij de ramen een gebrek aan opwaartse luchtstroom waardoor er een koude val bij de ramen ontstaat met tocht als gevolg. In de zomer kan wellicht door middel van de koeling door middel van de heipalen aan de nominale waardes worden voldaan maar acht de rechtbank het aannemelijk dat de traagheid van het systeem tot gevolg heeft dat het gedurende de lestijden vaker dan wenselijk te warm zal zijn. Door de rapporteur zijn nog meer gebreken geconstateerd die de rechtbank verder niet zal bespreken omdat voldoende vaststaat dat er sprake is van een gebrekkig binnenklimaat ten gevolge van constructiefouten als bedoel in artikel 76c, eerste lid, onder b van de Wvo.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen.

25. Het beroep is gegrond

26. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting), met een waarde van € 490,– per punt. Een verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure, zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ontbreekt. Hierom komen die kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

27.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb zal de rechtbank de vergoeding voor het opstellen van het deskundigenrapport gedateerd 12 februari 2014 vaststellen met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (het Besluit).

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit bedraagt het tarief voor vergoedingen wegens tijdverzuim als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet, indien deze vergoedingen worden verstrekt aan andere personen [dan genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c] aan wie werkzaamheden zijn opgedragen, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, ten hoogste € 116,09 per uur.

Ingevolge artikel 15 van het Besluit worden de bedragen, genoemd in dit besluit verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.

27.2.

De rechtbank heeft eiseres verzocht om een specificatie van de kosten gemoeid met het opstellen van het deskundigenrapport van 12 februari 2014 door Peutz.

27.3.

Eiseres heeft, voor zover hier van belang, het navolgende aan de rechtbank gezonden:

– Een factuur van 13 februari 2014, declaratienummer S1606 / 125760, met een subtotaal van € 5.000,– (exclusief 21% omzetbelasting), de omzetbelasting is €1.050,–;

– Een factuur van 7 april 2014, declaratienummer S1606 / 126642, met een subtotaal van € 6.375,– (exclusief 21% omzetbelasting), de omzetbelasting is € 1.338,75;

– een e-mailbericht van 4 mei 2015 met het onderwerp "S 1606: Re: leon van Gelder-specificaties Peutz". Het bericht is afkomstig van ir. M.A. Wolfert, werkzaam voor Peutz Groningen. In dat e-mailbericht staan dat in totaal 123,75 uren zijn besteed aan het rapport van 12 februari 2014.

27.4.

De rechtbank stelt vast dat het uurtarief, inclusief omzetbelasting, lager is dan het maximumtarief dat is opgenomen in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiseres gemaakte kosten voor het rapport van Peutz van 12 februari 2014. Conform de overgelegde facturen betreft het een bedrag van € 11.375,– (exclusief omzetbelasting), met dien verstande dat verweerder ook de omzetbelasting over dat bedrag, zijnde € 2.388,75, is verschuldigd indien eiseres de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek kan brengen (21% over een grondslag van € 11.375,–).

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep ingeschreven onder zaaknummer GRO 13/1 ongegrond;

– verklaart het beroep ingeschreven onder zaaknummer GRO 13/2 gegrond;

– vernietigt het bestreden besluit 22 november 2012, met kenmerk 201202192;

– draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit van 16 januari 2012, met inachtneming van deze uitspraak;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,– (zegge: driehonderdtien euro) aan eiseres te vergoeden;

– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 12.355,– (twaalfduizend driehonderdvijfenvijftig euro), waarvan € 980,– is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 11.375,– aan de door eiseres gemaakte kosten voor het rapport van Peutz van 12 februari 2014;

– bepaalt dat verweerder aan eiseres € 2.388,75 is verschuldigd indien eiseres de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek kan brengen (21% over een grondslag van € 11.375,–).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.