Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:239

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2015
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
18.830144-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:10350
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 24 maanden voor zware mishandeling met de dood als gevolg. Beroep op (putatief) noodweer afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141, 302, 57,
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830144-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 januari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.L.J. Janssen, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.P. van Sloten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 april 2014 te [pleegplaats], aan een persoon genaamd [slachtoffer 1]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere breuken van het

schedeldak en/of de schedelbasis en/of diverse hersenkneuzingen in elk geval

een zeer ernstig schedel-hersentrauma, waardoor herseninklemming en/of

longoedeem is opgetreden) heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte,

opzettelijk:

- met kracht met gebalde vuist in en/of tegen het gezicht en/of tegen het

hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt en/of

- met kracht op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] gestoten

en/of geduwd,

waardoor die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen,

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 7 april 2014 te [pleegplaats], opzettelijk een persoon (te

weten [slachtoffer 1]) heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte:

- ( met kracht en/of met gebalde vuist) in en/of tegen het gezicht en/of tegen

het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] gestoten

en/of geduwd,

waardoor die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen, ten

gevolge waarvan waarvan deze [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen (te weten meerdere

breuken van het schedeldak en/of de schedelbasis en/of diverse

hersenkneuzingen in elk geval een zeer ernstig schedel-hersentrauma, waardoor

herseninklemming en/of longoedeem is opgetreden),

tengevolge waarvan deze [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 2 maart 2014 te [pleegplaats], met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, te weten de [straat 1] aldaar, in elk geval op of aan

een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het:

- ( meermalen) slaan en/of stompen in en/of tegen het gezicht en/of tegen het

hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of

- het schoppen en/of trappen en/of duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2]

(tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2 maart 2014 te [pleegplaats], opzettelijk een (aantal)

perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]) heeft

mishandeld, immers heeft hij, verdachte, (meermalen) in en/of tegen het

gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2]

en/of die [slachtoffer 3] geslagen en/of gestompt,

waardoor deze [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn

heeft/hebben ondervonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat op grond van het pathologisch onderzoek van het NFI, de verklaringen van [getuige 1] en de verklaringen van getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [persoon 2] te bewijzen is dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen in plaats van, zoals verdachte zelf verklaart, geduwd. Verdachte is de enige die verklaart dat het slachtoffer de dozen die hij in zijn handen had op een bepaald moment nog slechts in één hand vasthield en dat hij toen een gebaar met zijn andere hand maakte richting zijn jaszak of broekzak, waaruit verdachte afleidde dat hij een mes wilde pakken. Bovendien heeft verdachte over het moment waarop het slachtoffer de dozen niet meer in beide handen vast had, steeds anders verklaard. Door de slag in het gezicht van het slachtoffer is hij steil achterover op de stenen ondergrond gevallen. Dit heeft geleid tot het letsel waaraan het slachtoffer is overleden. Daarmee is het oorzakelijk verband gegeven. Het letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel en verdachte had daar voorwaardelijk opzet op. Immers, het met kracht met een vuist in het gezicht slaan van een weerloos slachtoffer levert de aanmerkelijke kans op dat diegene daardoor hard op de stoep valt, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] met enige voorzichtigheid tegemoet moet worden getreden. De stelligheid waarmee [getuige 1] verklaart mag opmerkelijk worden genoemd. Deze getuige verklaart gezien te hebben dat het slachtoffer de dozen met beide handen vasthield, maar de rechterhand van het slachtoffer was voor hem afgeschermd nu verdachte tussen hem en het slachtoffer stond. Het is ook goed mogelijk om de dozen in één hand vast te houden. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte daadwerkelijk dacht dat het slachtoffer een mes zou trekken. Verschillende getuigen hebben immers verklaard dat hij dat direct na het gebeuren riep. Dat was de reden dat verdachte het slachtoffer wegduwde, om zo afstand tussen hen te creëren. Er is ook voorts geen reden om niet uit te gaan van de lezing van verdachte, die consistent en vrijwel direct na het gebeuren heeft verklaard. Daar van uitgaande heeft verdachte het slachtoffer dus een harde duw gegeven ten gevolge waarvan hij achterover op de stoep is gevallen. Dat kan in het algemeen, behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aan de orde zijn, niet leiden tot de conclusie dat verdachte opzet had op zwaar lichamelijk letsel. Maar ook als wordt uitgegaan van een vuistslag is dat niet het geval. Immers, uit niets kan worden afgeleid dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, zo die er al was, bewust heeft aanvaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Feit 1

De door verdachte op de terechtzitting van 9 januari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 april 2014 's avonds liep ik samen met [personen] richting de Jumbo aan de [weg]. Ik zag een donkere man met dozen in zijn handen lopen. Op een gegeven moment stond hij tegenover me. Nadat de man plat achterover was gevallen, kwam er bloed uit zijn mond en neus.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 7 april 2014, opgenomen op p. 63 e.v. van dossier nummer 2014037894 d.d. 22 mei 2014, van Politie Nederland, regio Groningen, inhoudende de verklaring van [getuige 1]:

Ik verliet op maandag 7 april 2014 samen met mijn vriendin omstreeks 21:30 uur mijn woning aan de [weg] 53 te [pleegplaats]. We liepen samen de trap af. Mijn vriendin hoorde kennelijk dat er twee mannen ruzie hadden. Ik ben vervolgens gaan kijken. Ik zag op een afstand van ongeveer twee meter twee mannen staan. Beide mannen stonden op het trottoir. Op het moment dat ik de trap af stapte, zag ik dat de man die ik op de rechterschouder keek met kracht de andere man sloeg met zijn rechtervuist. Dit was echt hard. Ik hoorde een harde klap. De andere man, die ik in het gezicht keek, viel steil achterover. Ik zag dat het slachtoffer dozen bij zich droeg. Ik weet nog dat het eenrichtingsverkeer was, het slachtoffer kon niets of deed niets terug. Hij hield de dozen met beide handen vast. Ik zag de man uithalen en ik zag dat hij de man sloeg met zijn gebalde rechtervuist. Ik zag dat hij de man raakte op zijn linker kaak.

Een relaas proces-verbaal forensisch dossier d.d. 19 mei 2014, opgenomen als bijlage bij voornoemd dossier, inhoudende:

Op maandag 7 april 2014 te 21:41 uur kwam bij de meldkamer Noord-Nederland de melding binnen van een vechtpartij op de [weg] te [pleegplaats], waarbij iemand was neergeslagen. Op de [weg] aangekomen werd door de ter plaatse gestuurde politie-eenheden een groepje mensen aangetroffen, die hen wenkten. Op het wegdek lag een man. Rond zijn hoofd lag een hoop bloed. Hij was niet meer aanspreekbaar. Het slachtoffer bleek te zijn genaamd [slachtoffer 1]. Het slachtoffer werd in zorgwekkende toestand overgebracht naar het UMCG. Op dinsdag 8 april 2014 omstreeks 3:00 uur kwam het bericht van het UMCG dat het slachtoffer op dinsdag 8 april 2013 te 2:35 uur was overleden.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2014.04.08.012, d.d. 13 augustus 2014 opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als haar verklaring:

De overledene, [slachtoffer 1], is overleden in het UMC Groningen op 8 april 2014 omstreeks 2:35 uur.

Bij de sectie waren er tekenen van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch stomp en deels mogelijk kantig botsend geweld links op het gelaat, zoals bijvoorbeeld kan worden opgeleverd door (zich) stoten tegen een (min of meer) scherprandig/kantig voorwerp of geslagen worden bijvoorbeeld met een hand/vuist met bijvoorbeeld een ring/polshorloge. Er waren tekenen van een tweede bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het achterhoofd. De stipvormige huidbeschadigingen naast het grotere letsel vormen een aanwijzing dat dit letselcomplex opgeleverd was door impact van een hard en ruw oppervlak zoals bestrating, wegdek, stoep. Deze geweldsinwerking heeft geleid tot zeer ernstige inwendige letsels aan de schedel en hersenen. Het patroon van letselverdeling past beter bij letsels ontstaan ten gevolge van een val dan ten gevolge van uitsluitend een slag. De zeer uitgebreide breuken van schedel en schedelbasis en de uitgebreide hersenbeschadiging passen verder bij inwerking van grote krachten op deze structuren, die niet verklaarbaar zijn door een banale val. Dusdanig uitgebreide beschadigingen passen ook niet zondermeer bij een versnelde val op een vlakke, harde ondergrond, zoals dit het geval is bij een slag in het gelaat en een daarop volgende val achterover tegen een harde ondergrond (bijv. het wegdek). De mate van beschadiging van zowel de schedelbeenderen als de hersenen is dusdanig dat aangenomen moet worden dat er nog meerdere en andersoortige hevige geweldsinwerkingen betrokken waren om deze letsels te laten ontstaan, zoals bijvoorbeeld een stevige slag in het gelaat, een val op een uitstekende structuur, bijvoorbeeld een stoeprand, of een combinatie van deze twee. Verder zal de omvang van de letsels mogelijk ten nadele zijn beïnvloed doordat het slachtoffer zich mogelijk niet heeft kunnen opvangen tijdens de val omdat hij kisten droeg, waardoor de val geheel ongeremd was.

De gevonden letsels aan de hersenen en de schedelbreuken kunnen goed passen bij het scenario van een slag in het gezicht, een val achterover al dan niet op een stoeprand en al dan niet ongeremd.

Het overlijden van [slachtoffer 1] wordt verklaard door herseninklemming opgetreden ten gevolge van een zeer ernstig schedel-hersentrauma, al dan niet in combinatie met het eveneens daardoor opgetreden longoedeem.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast staat dat verdachte het slachtoffer, dat op dat moment in beide handen dozen droeg, met kracht in het gezicht heeft geslagen en dat het slachtoffer ten gevolge daarvan steil achterover op straat is gevallen, waardoor deze zodanig letsel heeft bekomen dat hij daaraan is overleden.

De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [getuige 1]. [getuige 1] is een onafhankelijke getuige die het incident op hooguit enkele meters afstand heeft zien gebeuren. Onmiddellijk nadat de politie ter plaatse kwam, heeft hij kort verklaard dat hij had gezien dat een lichtgetinte man 'uithaalde' naar het slachtoffer waarna deze op de grond viel (zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2014, p. 30 e.v. dossier). Ruim een uur na het incident is van hem een volledige verklaring opgenomen. De essentie van die verklaring is in stand gebleven tijdens zijn later afgelegde verklaringen, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. Uit die verklaringen blijkt zonder meer dat verdachte de man, het slachtoffer, een harde slag in het gezicht gaf met zijn rechterarm en dat het slachtoffer op dat moment in beide handen dozen droeg.

Deze lezing staat voorts niet op zichzelf, maar vindt bevestiging in ander bewijs. De getuigen [persoon 2], [getuige 4] en [getuige 3] hebben weliswaar niet gezien dat verdachte het slachtoffer sloeg, maar zij hebben wel allen een klap gehoord. De [getuige 1], [persoon 2] en [getuige 3] beschrijven ook dat zij het slachtoffer steil/recht achterover zagen vallen. Deze wijze van vallen past naar het oordeel van de rechtbank bij de lezing dat het slachtoffer op het moment dat hij de klap kreeg, nog steeds de dozen (naar later is gebleken een kistje en dozen) die hij bij zich droeg, met beide handen voor zijn lichaam hield. Immers, als men zijn handen niet vrij heeft, kan bij een onverhoedse klap de val niet opgevangen of gecorrigeerd worden. Dat het slachtoffer op dat moment op deze wijze droeg, verklaart [getuige 1]. De overige getuigen verklaren ook dat het slachtoffer de dozen op die wijze voor zich droeg, maar hebben dit niet gezien op het moment dat hij werd geslagen. De rechtbank gaat hier echter wel van uit, gelet op de verklaring van [getuige 1] en de daarbij passende valhouding, zoals beschreven door meerdere getuigen. Dat [getuige 1] dit niet goed heeft kunnen waarnemen, nu hij enkel zicht had op de linkerarm van het slachtoffer, acht de rechtbank niet aannemelijk. Als het slachtoffer de dozen onder zijn linkerarm had genomen op het moment dat hij en verdachte tegenover elkaar stonden, zoals verdachte heeft verklaard, had [getuige 1] dit juist goed kunnen zien.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen het geven van een enkele harde klap of vuistslag niet kan worden aangemerkt als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Immers, van het door de verdachte bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op dat letsel, kan onder normale omstandigheden niet worden gesproken.

Bij de beoordeling van de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, dient de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht te worden betrokken. De gedraging betreft in dit geval een harde vuistslag tegen het hoofd. Een dergelijke vuistslag kán zwaar lichamelijk letsel veroorzaken nu het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is. De omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht zijn aldus dat het slachtoffer stil stond tegenover verdachte, terwijl hij dozen in beide handen voor zijn lichaam droeg. In die houding kreeg het slachtoffer onverwacht een harde vuistslag in zijn gezicht, waardoor hij achterover viel. Onder deze omstandigheden bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Iemand die in deze houding onverhoeds een harde vuistslag in zijn gezicht krijgt, kan immers gemakkelijk achterover vallen en heeft niet de mogelijkheid die val op enigerlei wijze te corrigeren. Als een dergelijke val ook nog op een harde ondergrond plaatsvindt, zoals in dit geval een stoep, is de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk. Doordat verdachte desondanks heeft gehandeld zoals hij deed, heeft hij het risico bewust aanvaard.

Nu het letsel van het slachtoffer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, dit letsel is ontstaan door het handelen van verdachte, en de dood is ingetreden als gevolg van dit letsel, is er sprake van zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend.

Feit 2

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 maart 2014, opgenomen op p. 4 e.v. van dossier nummer 2014023085 d.d. 14 april 2014, van Politie Groningen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik was vanavond op stap met [persoon 1] en [slachtoffer 3]. Wij liepen in de [straat 1] ter hoogte van de kruising met de [straat 2]. Er ontstond onenigheid met een andere groep. Ik reageerde op een meisje dat boos was en werd vervolgens geslagen. Ik kreeg een vuistslag op mijn gezicht en voelde pijn. Door de klap viel ik met mijn hoofd op de grond. Ik ben geslagen door een dikke buitenlander, volgens mij een Turk met een groen poloshirt. Ik heb een opgezet oog, mijn lippen zijn open en ik mis een stuk van mijn rechterhoektand onder. Ik heb een bult op mijn hoofd.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 maart 2014, opgenomen op p. 46 e.v. voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3]:

Vannacht 2 maart 2014 omstreeks 1:00 uur ben ik samen met mijn vrienden [persoon 1] en [slachtoffer 2] naar het centrum van [pleegplaats] gegaan. Omstreeks 2:30 uur wilden we naar huis. We liepen op dat moment in de [straat 1]. Op een gegeven moment kwamen uit tegengestelde richting twee mannen en een vrouw. De man met het groene shirt kwam teruglopen en begon direct gewelddadig te worden tegen mijn vriend [slachtoffer 2]. Ik liep op deze man af en probeerde hem tot kalmte te brengen en kreeg direct een klap van hem. Hij deed dit met zijn linkervuist en sloeg mij hiermee op mijn kaak. Ik voelde daarna pijn. Terwijl ik nog met de man stond te praten, zag ik dat [slachtoffer 2] werd geslagen door waarschijnlijk de vriend van de man. Deze man sloeg [slachtoffer 2] tweemaal met zijn vuist op het gezicht. Ik zag dat [slachtoffer 2] hierna op de grond viel. Terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag, sloeg deze man hem vier maal hard op zijn hoofd. Ik heb de man van [slachtoffer 2] afgetrokken. Deze man sloeg mij op dezelfde wijze als de eerste keer dat hij mij sloeg.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 april 2014, opgenomen op p. 42 e.v. voornoemd dossier, inhoudende:

Ik, [verbalisant], heb camerabeelden bekeken van zondag 2 maart 2014. Verbalisant zag dat camera [straat 1] 28 beelden opgenomen had die gebruikt konden worden voor het onderzoek. Het incident waarvan verbalisant de beelden heeft bekeken begint op 2 maart 2014 om 2:18 uur. Op de beelden is een mishandeling te zien tussen twee verdachten en twee aangevers en een getuige.

Op de beelden is te zien dat verdachte [verdachte] een blanke man is die een groen shirt draagt. [verdachte] hield tijdens de mishandeling zijn jas vast. Op de beelden is te zien dat verdachte [persoon 2] een blanke man is met een lichtkleurig embleem op zijn linkermouw en hij heeft opgeschoren haar. Aangever 1 is een blanke man met een kaal hoofd. Hij draagt een donkere jas die hij geopend draagt. Aangever 2 is een blanke man met donkerkleurig haar en een strak getailleerde donkerkleurige jas.

Verbalisant ziet dat vanaf het [plein] verdachte [verdachte] aangelopen komt. Om 2:18:44 ziet verbalisant dat aangever 1 een klap krijgt van [persoon 2]. Verbalisant ziet dat [verdachte] een klap met zijn rechterarm geeft tegen het hoofd van aangever 1. Verbalisant ziet dat omstreeks 2:18:57 aangever 1 weg probeert te lopen. Verbalisant ziet dat aangever 1 valt en op de grond ligt. Hierop geeft verdachte [persoon 2] hem een klap en trap op het lichaam. [verdachte] loop achter [persoon 2] aan. Aangever 1 rent weg richting [plein]. Om 2:19:10 is te zien dat [verdachte] in contact is met aangever 2. Verbalisant ziet dat [verdachte] aangever 2 met kracht tegen zijn hoofd slaat. Op dat moment loopt aangever 1 richting [persoon 2] en [getuige 4]. [persoon 2] geeft aangever 1 een schop waarbij hij ten val komt. Vervolgens geeft [persoon 2] aangever 1 een klap en duw. Aangever 1 staat weer op en [verdachte] kom op hem aflopen. Om 2:19:17 ziet verbalisant dat [verdachte] aangever 1 in zijn gezicht slaat waardoor aangever 1 achteruit valt.

De door verdachte op de terechtzitting van 9 januari 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op de camerabeelden degene in het groene shirt, die omschreven wordt als de dikke Turk. Ik heb 1 of 2 klappen uitgedeeld.

Bewezenverklaring

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair

hij op 7 april 2014 te [pleegplaats], aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere breuken van het schedeldak en de schedelbasis en diverse hersenkneuzingen, waardoor herseninklemming en longoedeem is opgetreden) heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk met kracht met gebalde vuist tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] geslagen waardoor die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

2. primair

hij op 2 maart 2014 te [pleegplaats], met een ander, op de openbare weg, te weten de [straat 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het:

- meermalen slaan en/of stompen in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en

- het schoppen en/of trappen en/of duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen).

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. primair: zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

  2. primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is een beroep gedaan op putatief noodweer. Verdachte dwaalde immers verontschuldigbaar ten aanzien van de aanwezigheid van een noodweersituatie omdat hij dacht dat het slachtoffer een mes ging trekken nadat hij dreigende taal had geuit. Dat verdachte dit dacht, kan blijken uit de verklaringen van verschillende getuigen die gehoord hebben dat iemand iets over een mes riep. Het slachtoffer was ten tijde van de gebeurtenis waarschijnlijk onder invloed van middelen en hij had een psychische stoornis. Hij hoorde stemmen en kon agressief zijn in zijn taalgebruik. Verdachtes angst voor een mes was ingegeven doordat een vriend van hem een maand ervoor was doodgestoken en hij is ook zelf slachtoffer geweest van een steekincident. Dat speelde een rol bij de subjectieve beleving van verdachte. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een noodweersituatie geen sprake was. De lezing van verdachte dat het slachtoffer 'I will kill you' zei en daarbij een gebaar met zijn hand maakte richting een jas- of broekzak, wordt door geen enkel ander objectief bewijsmiddel ondersteund. De wel aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden hebben verdachte redelijkerwijze geen aanleiding kunnen geven om te veronderstellen dat hij werd aangevallen. Een vergissing als gevolg van de subjectieve inschatting van verdachte is ontoereikend. Van putatief noodweer is dan ook geen sprake.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft reeds bij de bewijsoverwegingen geoordeeld dat zij de lezing van de feiten zoals deze door verdachte naar voren zijn gebracht niet aannemelijk acht en daarbij aangegeven op grond waarvan zij tot deze conclusie is gekomen. Zoals hiervoor is overwogen blijkt uit de bewijsmiddelen dat het slachtoffer in beide handen dozen droeg, ook op het moment dat hij door verdachte werd geslagen. Van een beweging door het slachtoffer met een hand in of in de richting van zijn jas- of broekzak, is niet gebleken en dit ligt ook niet voor de hand gelet op het feit dat hij de dozen in zijn beide handen droeg. Gezien het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte in deze situatie in redelijkheid in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op putatief noodweer.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte buitensporig heeft gehandeld door het slachtoffer zonder aanleiding een vuistslag in het gezicht te geven, waaraan hij uiteindelijk is overleden. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op het grootste recht van een mens, het recht op leven. Het leed dat daarmee aan de nabestaanden is toegebracht, is aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is weggelopen bij het slachtoffer en het is aan zijn vrienden te danken dat hij snel kon worden aangehouden. Ook de openlijke geweldpleging toont aan dat verdachte in staat is zonder aanleiding buitensporig geweld te gebruiken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf die in duur gelijk is aan het voorarrest, een werkstraf en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Bij de oplegging van de straf dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden van deze zaak. Verdachte heeft de confrontatie niet gezocht, hij vreesde invoelbaar voor een aanval, en heeft zich verweerd met een noodlottig gevolg als resultaat. Niet alleen het slachtoffer, maar ook verdachte heeft in zekere zin pech gehad. Verdachte had zeker niet de wil om iemand te doden. Verdachte gaf ook onmiddellijk na het incident blijk van spijt en schrik en hoopte dat het mee zou vallen met de verwondingen van het slachtoffer. Toen bleek dat het slachtoffer was overleden, stortte zijn wereld in. Volgens de opgemaakte rapportages, die overwegend positief over verdachte zijn, is hij doordrongen van de ernst van de situatie en is hij er inmiddels in geslaagd zijn leven een positieve wending te geven.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een man die hij toevallig op straat tegen kwam zonder reden hard in het gezicht geslagen waardoor de man achterover met zijn hoofd op straat viel en uiteindelijk aan zijn verwondingen overleed. Verdachte heeft daarmee het grootste goed, het leven, van een ander afgenomen. Hoewel verdachte geen opzet had om het slachtoffer van zijn leven te beroven, is dit zeer ernstige incident wel het gevolg geweest van zijn handelen. Verdachte heeft de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Uit het feit dat verdachte zich een maand eerder ook al agressief gedroeg in het uitgaansleven door actief mee te doen aan een op straat ontstane vechtpartij, volgt dat hij blijkbaar snel geneigd is om geweld te gebruiken. Ook dit betreft een ernstig incident, waarbij hij inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van anderen. Voor dergelijke feiten, waarbij met name het eerste feit groot gewicht in de schaal legt, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank heeft bij de hoogte daarvan onder meer gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten en in zoverre dus als first offender kan worden aangemerkt. Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 primair bewezen verklaarde)

[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit £ 540,30 aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van £ 210,30 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van

£ 90,30 en dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu niet duidelijk is of de vervoerskosten van familieleden naar de zitting onder schade valt die is geleden ten gevolge van het handelen van verdachte.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade, met uitzondering van de post 'diesel', voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die voor wat betreft dit gedeelte onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank heeft dit bedrag, £ 210,30, in euro's omgerekend volgens de wisselkoers die gold op de dag van de zitting, 9 januari 2015.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Voor wat betreft de post 'diesel' is de rechtbank van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om deze post te kunnen beoordelen. Deze post is niet met stukken onderbouwd en door de verdediging betwist. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en spreekt verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 269,45 (zegge: tweehonderdnegenenzestig euro en vijfenveertig cent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 269,45 (zegge: tweehonderdnegenenzestig euro en vijfenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. A.F. Gerding en mr. T. Kortlang-de Vries, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2015.

Mr. Kortlang-de Vries is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.