Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2366

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
C-17-121011 - FA RK 12-1123
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

huwelijkse voorwaarden, finaal verrekenbeding, geen verzoek tot afwikkeling huwelijkse voorwaarden gedaan, methode waardering onderneming, deskundige bericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/121011 / FA RK 12-1123

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 25 maart 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. G.J.M. Gussenhoven, kantoorhoudende te Zeist,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. A.M. van der Maten, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procesverloop

1.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 november 2014, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd is de zaak in afwachting van het deskundigenbericht naar een nadere zitting verwezen, met opdracht aan partijen als in de beschikking is weergegeven.

1.2.

De rechtbank heeft nadien kennis genomen van:
- het rapport van de deskundige van 14 november 2014, ter griffie ontvangen op 19 november 2014;
- de akte van de zijde van de vrouw van 16 december 2014;

- de akte van de zijde van de man van 16 december 2014.

1.3.

Ter zitting van 11 maart 2015 is de zaak pro forma behandeld.

1.4.

De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de processtukken, waaronder de al gegeven beschikkingen, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

2. Het verzoek van de man tot verrekening van het bedrag van € 28.614,32 met de kapitaalinbreng van de vrouw.

2.1.

Bij brief van 28 november 2011 heeft de vrouw gesteld dat zij uit hoofde van haar eigen inbreng van kapitaal in de onderneming een vordering op de onderneming heeft van totaal € 40.654,-, op welk bedrag de man € 8.000,- heeft betaald, zodat voor de vrouw een vordering resteert van € 32.654,40. De man heeft in zijn akte van 18 april 2012 gesteld dat partijen het er over eens zijn dat de kapitaalinbreng op basis van het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Met het aandeel van de vrouw in de kapitaalinbreng dient, aldus de man, een bedrag van € 28.614,32 te worden verrekend, zijnde door de man ten behoeve van de vrouw gemaakte kosten.

2.2.

De vrouw heeft de stelling van de man dat de kapitaalinbreng op basis van het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld niet gemotiveerd betwist. Gelet op hetgeen de rechtbank hierna onder punt 4.17. nog zal overwegen over de kapitaalinbreng van de vrouw, laat de rechtbank de vraag of de kapitaalinbreng bij helfte dient te worden verdeeld thans onbesproken. De rechtbank zal thans wel een oordeel geven over de vraag welk bedrag de man kan verrekenen met hetgeen hij de vrouw dient te vergoeden.

2.3.

Bij beschikking van 12 februari 2014 heeft de rechtbank onder punt 2.1. t/m 2.5. reeds overwogen dat de vrouw het verzoek van de man tot verrekening tot een bedrag van € 13.589,13 heeft erkend alsmede dat de man een bedrag kan verrekenen van € 3.141,60 ter zake de kostenpost advieskosten [advieskantoor] en een bedrag van € 2.000,- ter zake door de man aan [verzekeraar] betaalde premies.

2.4.

Ter zake de kostenpost advocaatkosten [advocatenkantoor] van € 8.801,38 heeft de rechtbank partijen opgedragen zich uit te laten over de vraag welk deel van het bedrag betrekking heeft op de periode na 31 december 2010.

2.5.

Bij akte van 16 december 2014 heeft de vrouw onder overlegging van een drietal declaraties onbetwist gesteld dat er in de periode tot 31 december 2010 een bedrag van € 5.585,84 aan advocaatkosten is gemaakt. De door de man betaalde advocaatkosten ad € 8.801,38 hebben naar het oordeel van de rechtbank voor een bedrag van € 3.215,54 betrekking op de periode ná 31 december 2010. De rechtbank zal bepalen dat de man dit laatste bedrag kan verrekenen met hetgeen hij de vrouw dient te vergoeden.

2.6.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de man een bedrag van € 21.946,- mag verrekenen met de vordering van de vrouw op hem.

3 Overeenstemming tussen partijen

3.1.

Uit de beschikking van de rechtbank van 18 januari 2012 volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over:

-het beleggingsdepot [bank]

-de inboedel

-de verevening van het pensioen

-het door de man te betalen voorschot op de kapitaalsinbreng van de vrouw

-de in de stukken genoemde polissen van levens- en beleggingsverzekeringen.

3.2.

Uit de beschikking van de rechtbank van 22 augustus 2012 volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over:

-de studieverzekering voor zoon [minderjarige].

3.3.

Gelet op het voorafgaande resteren ter beoordeling door de rechtbank de verzoeken ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

4 De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden - de waardebepaling van de VOF.

De verzoeken ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

4.1.

De vrouw heeft bij verzoekschrift van 11 mei 2010 verzocht om partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van het huwelijksgoederen vermogen conform het bepaalde in de akte huwelijkse voorwaarden. Bij verweerschrift van 2 augustus 2010 heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw. Bij brief van 20 mei 2011 heeft de vrouw in aanvulling op het inleidend verzoekschrift verzocht over te gaan tot de benoeming van een deskundige teneinde de waarde van de onderneming vast te stellen.

4.2.

Tussen partijen gelden huwelijkse voorwaarden opgemaakt op 25 februari 1997. Voor zover thans relevant bevatten de huwelijkse voorwaarden de navolgende bepalingen:

Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

Afrekening aan het einde van het huwelijk

Artikel 8

1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden vindt er verrekening plaats, zo, dat ieder van hen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zouden zijn indien er algehele gemeenschap van goederen tussen hen had bestaan (..)

2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk. Alle nadien ontstane schulden en verkregen goederen worden niet in deze verrekening betrokken.

3. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1.

4. Op de beschrijving en de waardering van de goederen zijn de artikelen 671 tot en met 676 en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

4.3.

Tussen partijen geldt per 15 november 2001 een oprichtingsakte van de VOF [naam VOF]. In deze akte is, voor zover thans relevant bepaald:

Inleiding

De vennoten zijn met elkaar gehuwd met het maken van huwelijkse voorwaarden.

De vennoten zijn overeengekomen met ingang van negenentwintig oktober tweeduizendéén gezamenlijk en onder gemeenschappelijke naam een bedrijf in optiek uit te oefenen en zo tezamen vermogensrechtelijk voordeel te behalen. Voorts zijn zij overeengekomen in de vennootschap in te brengen, zoals hierna in artikel 15 en volgende is omschreven.

Ontbinding

Artikel 10

De vennootschap wordt ontbonden:

(..)

c. indien het huwelijk van de vennoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel de vordering daartoe wordt ingesteld;

Recht tot voortzetting

Artikel 11

1. Indien de vennootschaap ontbonden wordt door het uittreden van een vennoot in de gevallen als bedoeld in artikel 10 lid 2 tot en met 5, heeft de andere vennoot het recht tot overname van het vennootschapsaandeel van de uittredende vennoot en tot voortzetting van de zaken van de vennootschap (..)

4. Bij overname van het vennootschapsaandeel en voortzetting van de zaken van de vennootschap door een vennoot ingevolge het bepaalde in dit artikel, wordt het vermogen van de vennootschap toegedeeld aan de voortzettende vennoot voor zover het mede-eigendom is. Deze is dan verplicht om gelijktijdig alle schulden van de vennootschap voor zijn rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen, onder vrijwaring van de niet voortzettende vennoot.

Artikel 12

1. Bij de ontbinding van de vennootschap is iedere vennoot in het vermogen van de vennootschap gerechtigd voor het bedrag van zijn kapitaalrekening, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of in het verlies, gemaakt of geleden blijkens de balans en de winst- en verliesrekening die overeenkomstig artikel 7 wordt opgemaakt. Daarbij worden de activa opgenomen tegen de werkelijke waarde.

Bij overname van het vennootschapsaandeel en voortzetting van de zaken van de vennootschap door een vennoot als bedoeld in artikel 11 lid 4, worden ter berekening van het aandeel van de niet-voortzettende vennoot, ook immateriële activa zoals goodwill, het recht op de handelsnaam en de waarde van de huurrechten geactiveerd.

In geval dat artikel 10 lid 5 sub c toepassing vindt, zal worden geactiveerd het verschil tussen de waarde van de immateriële activa ten tijde van de ontbinding van de vennootschap en die ten tijde van de inbreng.

Uitsluitend voor de berekening van het verschil, stellen de vennoten de waarde van de immateriële activa ten tijde van de inbreng vast op een honderd vijftig duizend gulden (fl. 150.000,00) zulks conform de aan deze akte gehechte openingsbalans.

(..).

Inbreng

Artikel 15

De vennoten brengen hun volledige kennis, arbeid en vlijt in, alsmede gezamenlijke een bedrag in contanten ad een honderd vijftig duizend gulden (fl. 150.000,00), welk bedrag is gestort op een rekening van de vennootschap, zoals blijkt op de aan deze akte gehechte openingsbalans.

4.4.

Ter zitting van 21 december 2011 hebben partijen, in afwijking van de huwelijkse voorwaarden alsmede in afwijking van de wettelijke bepaling ter zake, de peildatum ten behoeve van de verrekening en verdeling bepaald op 31 december 2010.

4.5.

Bij beschikking van 30 mei 2012 heeft de rechtbank overwogen:

1.1. (..)

Artikel 10 lid 5 sub c jo. artikel 12 lid 1 van de oprichtingsakte van de VOF bevat een regeling hoe te handelen indien een van de vennoten middels opzegging de VOF wil ontbinden in het geval van de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw met gebruikmaking van artikel 10 lid 5 sub c heeft opgezegd en dat de VOF per 31 december 2010 is ontbonden waarbij de man de onderneming voortzet.

De rechtbank is van oordeel dat partijen vooreerst de VOF dienen af te wikkelen conform artikel 12 lid 1 van de oprichtingsakte. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is er-indien de VOF is afgewikkeld en de vrouw de waarde van haar aandeel in de VOF heeft ontvangen - geen aanleiding meer om de waarde van de VOF, en daarmee hetgeen de vrouw gaat ontvangen uit hoofde van de afwikkeling conform artikel 12 van de oprichtingsakte, ook nog eens in de afwikkeling van het finaal verrekenbeding te betrekken, dit zou immers leiden tot een dubbeltelling. Dit brengt mee dat de opdracht aan de te benoemen deskundige dient te zijn om vast te stellen welke aanspraak de vrouw heeft uit hoofde van het bepaalde in de VOF overeenkomst. Ter berekening van de waarde van het aandeel van de vrouw behoren ook immateriële activa zoals goodwill, het recht op de handelsnaam en de waarde van de huurrechten te worden geactiveerd, aldus artikel 12 lid 1 van de VOF overeenkomst.

4.6.

In zijn rapport van 7 maart 2013 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige drs. J. ter Reehorst RA op pagina 2 en 3 overwogen:

Verantwoording keuze van methode van berekenen aanspraak

Bij het bepalen van de aanspraak van de uittredende vennoot per 31 december 2010 is het van belang te zien of er sprake is van een overwaarde ten opzichte van de boekwaarden van de activa zoals deze op de balans zijn opgenomen. Een overwaarde in de activa kan bestaan uit een andere wijze van waarderen van de materiele en financiële activa zoals deze zijn verantwoord in de balans, hetgeen zou betekenen dat er sprake is van zogenaamde stille reserves in de activa. Daarnaast is het mogelijk dat er sprake is van niet materiële of financiële activa, immateriële activa, zoals goodwill. Hiervan lijkt bij de onderhavige onderneming inderdaad sprake te zijn.

Voor het berekenen van de hoogte van de immateriële activa, verder goodwill, bestaan verschillende methoden. Te noemen zijn de Discounted Cash Flow (DCF) methode, de rentabiliteitsmethode, rendementsmethode. Hoewel deze methoden verschillende uitgangspunten hanteren hebben zij wel gemeen dat het methoden zijn die veronderstellen dat de onderneming één geheel vormt en ook als één geheel vrijelijk over te dragen is. Aangezien de onderneming op basis van een franchiseovereenkomst wordt gedreven, met daarin opgenomen beperkende bepalingen ten aanzien van de vrije beschikking over de gehele onderneming, zijn genoemde waarderingsmethoden op die gronden niet geschikt voor de bepaling van de hoogte van de aanspraak van de uittredende vennoot.

In de franchiseovereenkomst zijn een aantal bepalingen opgenomen met betrekking tot het verkopen of overnemen van een aangesloten onderneming. Voor het bepalen van de waarde van de goodwill worden door de franchisegever rekenregels gehanteerd, welke niet te allen tijde vaststaan, maar door veranderende marktomstandigheden worden aangepast.

(..)

Prijsbepaling franchisegever

Het is op grond van het voorgaande reëel te veronderstellen dat de (..) de optie tot terugkoop uit artikel 18 van de franchiseovereenkomst ook zal lichten.

Desgevraagd heeft men mij geïnformeerd op welke wijze dan de prijs (waardebepaling) zal plaatshebben. de volgende aspecten zijn dan van belang:
1. De gemiddelde omzet (exclusief BTW) van de afgelopen 3 jaar;

2.De waarde van de 10-jaarlijkse verbouwingsverplichting;

3.De waarde van de aanwezige apparatuur is van betekenis.

Indien we deze aspecten per 31 december 2010 in ogenschouw nemen, dan geeft dat de volgende uitkomsten:

Gemiddelde omzet over de jaren 2008, 2009 en 2010 € 781.940,-

Waarde van de in 2006 gepleegde verbouwing € 78.947,-

Overname prijs te betalen door (..) o.b.v. de formule die wordt gehanteerd € 390.217,-

In het bovenstaande is een percentage van 60% van de gemiddelde omzet gehanteerd.

Aanspraak mevrouw

Op grond van de bovenstaande uitkomst is de aanspraak van mevrouw uit hoofde van de VOF-overeenkomst welke per 31 december 2010 is ontbonden:

Overname prijs van de onderneming € 390.217,-

Eigen vermogen van de VOF per 31 december 2010 € 62.879,-

Meeropbrengst ten opzichte van het eigen vermogen € 327.338,-

Aandeel van mevrouw in de meeropbrengst: 50% € 163.669,-

Berekening aanspraak

Aandeel in meeropbrengst € 163.669,-

saldo kapitaalrekening per 31 december 2010 € 40.654,-

€ 204.323,-

Af: in mindering te brengen conform art. 12 lid 1 van de VOF akte
(50% van fl. 150.000,-) € - 34.033,-

Aan mevrouw toekomend € 170.290,-

(..)

Conclusie

Indien door de man en de vrouw geen nadere afspraken zijn gemaakt omtrent de fiscale gevolgen van de uitbetaling van de aanspraak, dan bedraagt de hoogte van de aanspraak door de vrouw per 31 december 2010 € 170.290,-

Indien gekozen wordt door de doorschuifmogelijkheid (voor zover nog mogelijk) dan bedraagt haar aanspraak € 131.399,-

4.7.

Bij akte van 27 maart 2013 heeft de man verklaard dat hij zich kan vinden in het rapport van de deskundige. De man verzoekt de rechtbank om op grond van de conclusies van de deskundige te komen tot een oordeel over de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de VOF-overeenkomst.

4.8.

De vrouw heeft zich bij akte van 2 april 2013 op het standpunt gesteld dat het rapport van 7 maart 2013 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het rapport niet kan dienen als basis om tot een afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden te komen. De kern van het bezwaar van de vrouw tegen de bevindingen van de deskundige bestaat er uit dat de deskundige bij zijn waardering slechts is uitgegaan van de formule die de franchisegever hanteert voor de waardebepaling in het geval de franchisegever haar voorkeursrecht van koop inroept, dit terwijl andere waarderingsmethoden ook aan de orde zouden kunnen zijn.

4.9.

Op 30 september 2013 heeft er op verzoek van de vrouw een inlichtingencomparitie plaatsgevonden alwaar de deskundige aanwezig is geweest en mede door partijen is bevraagd. Na deze comparitie en na overlegging van nadere akten, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 februari 2014 overwogen dat het aan de hand van de gang van zaken rondom de overname door de man van het optiekbedrijf in 2001, geen absoluut vaststaand gegeven is dat bij een verkoop van een filiaal van de franchisegever, de waarde ervan enkel en alleen wordt vastgesteld aan de hand van de door de franchisegever gehanteerde waarderingsmethode. Voor de rechtbank is dit -mede op verzoek van partijen- aanleiding geweest om nog drie aanvullende vragen aan de deskundige te stellen, te weten

1. welke aanspraak heeft de vrouw uit hoofde van de VOF overeenkomst nu de VOF op 31 december 2010 is ontbonden op basis van de daartoe te hanteren Discount Cash Flow methode per datum verdeling 31 december 2010?
2. welke aanspraak heeft de vrouw uit hoofde van de VOF overeenkomst nu de VOF op 31 december 2010 is ontbonden op basis van de rendementsmethode per datum verdeling 31 december 2010?
3. kunt u de verschillen toelichten tussen de berekeningsmethode conform de Pearlformule en de thans toegepaste berekeningsmethode?

4.10.

In zijn aanvullend rapport van 14 november 2014 heeft de deskundige onder meer verklaard:

II. Discounted Cash Flow methode

(..)

Op basis van de uitkomsten van de DCF methode benadering komt aan mevrouw [verzoekster] toe:

Waarde van de onderneming € 378.260,-

50% aandeel mevrouw [verzoekster] € 189.130,-

Af: in mindering te brengen conform artikel 12 lid 1 van de VOF-akte

(50% van fl. 150.000,-) = goodwill bij aanvang onderneming € -34.033,-

Aan mevrouw [verzoekster] toekomend € 155.097,-

Bij de berekening van bovenstaande aanspraak is tevens geen rekening gehouden met de reeds aan haar sedert 31 december 2010 gedane betalingen.

(..)

III. Rendementsmethode

Goodwill berekend conform bijlage 2 € 124.986,-

Aandeel van mevrouw [verzoekster] in de meeropbrengst: 50% € 62.493,-

Berekening aanspraak:

Aandeel in Goodwill € 62.493,-

Saldo kapitaalrekening per 31 december 2010 € 40.654,-

€ 103.147,-

Af: in mindering te brengen conform artikel 12 lid 1 van de VOF-akte

(50% van fl. 150.000,-) € -34.033,-

Aan mevrouw [verzoekster] toekomend € 69.114,-

4.11.

Bij akte van 16 december 2014 heeft de man gesteld dat, nu de rechtbank zich niet heeft kunnen verenigen met het eerste advies van de deskundige, de te hanteren alternatieve berekenmethode de rendementsmethode dient te zijn.

4.12.

Bij akte van 16 december 2014 heeft de vrouw aangegeven dat zij primair van oordeel is dat de prijsbepaling van de franchisegever dient te worden toegepast en dat haar toekomt het door de deskundige genoemde bedrag van € 170.290,-.

4.13.

De stelling van de man in zijn akte van 16 december 2014 dat de rechtbank zich niet heeft kunnen verenigen met het eerste advies van de deskundige, berust op een onjuiste lezing van de beschikking van 12 februari 2014. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat zij zich niet kan verenigen met het deskundige rapport van 7 maart 2013 De rechtbank heeft, gehoord het commentaar van de vrouw op het deskundige rapport, enkel vastgesteld dat het geen absoluut vaststaand gegeven is dat bij een verkoop van een filiaal van de franchisegever, de waarde ervan enkel en alleen wordt vastgesteld aan de hand van de door de franchisegever gehanteerde waarderingsmethode. Dit oordeel omvat geen oordeel van de rechtbank over de vraag welke waarderingsmethode dient te worden gehanteerd.

4.14.

De rechtbank zal het rapport van de deskundige van 13 maart 2013 gelezen in samenhang met het aanvullend rapport van 14 november 2014 als uitgangspunt nemen bij het nemen van haar beslissing over de waarde van het aandeel van de vrouw in de VOF per 31 december 2010. In dat verband overweegt de rechtbank dat indien zij de zienswijze van de deskundige volgt, zij zijn beslissing in het algemeen niet verder zal hoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering haar overtuigend voorkomt. Wel zal de rechtbank moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen als deze een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (vgl. Hoge Raad 9 december 2011, CLI:NL:HR:2011:BT2921). Volgt de rechtbank de zienswijze van de deskundige niet, dan dient zij haar oordeel van een zodanige motivering te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

4.15.

De rechtbank zal als te hanteren waarderingsmethode uitgaan van de door de franchisegever gehanteerde waarderingsmethode. De rechtbank is van oordeel dat deze waarderingsmethode het meest toegespitst is op de branche specifieke (markt) omstandigheden waarbinnen de VOF tot 31 december 2010 haar bedrijfsmatige activiteiten heeft uitgevoerd. De door de deskundige gegeven motivering en de door hem becijferde uitkomst van de door de franchisegever gehanteerde waarderingsmethode komt de rechtbank overtuigend voor. Namens de man zijn geen specifieke bezwaren tegen het hanteren van deze waarderingsmethode aangevoerd noch tegen de uitkomst daarvan. De vrouw heeft in haar akte van 16 december 2014 - naar de rechtbank begrijpt, na wijziging van haar standpunt- primair gesteld dat de door de franchisegever gehanteerde waarderingsmethode dient te worden toegepast en dat haar toekomt € 170.290,-. Nu de vrouw dit gewijzigde standpunt heeft ingenomen zal de rechtbank reeds daarom de overige kritiek van de vrouw op de rapporten van 13 maart 2013 en 14 november 2014 onbesproken laten.

4.16.

De rechtbank stelt de waarde van het aandeel van de vrouw in de VOF op 31 december 2010 vast op € 170.290,-.

Kapitaalinbreng

4.17.

Uit het rapport van de deskundige van 7 maart 2013, pagina 3, zoals hierboven onder punt 4.6 is weergegeven, volgt dat in het berekende aandeel van de vrouw in de VOF per 31 december 2010 reeds rekening is gehouden met de toenmalige kapitaalinbreng van de vrouw, door haar bij brief van 28 november 2011 begroot op € 40.654,- . Voor een separate toewijzing van het verzoek van de vrouw ter zake de kapitaalinbreng is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen plaats.

De immateriële activa., fl. 150.000,- uit artikel 12 van de VOF akte

4.18.

Ter comparitie van 30 september 2013 heeft de deskundige verklaard dat het in artikel 12 van de VOF akte genoemde bedrag van fl. 150.000,- op basis van dat artikel wordt afgetrokken van het aandeel van de vertrekkende vennoot. De deskundige heeft aangegeven ter zake het in artikel 12 van de akte genoemde bedrag dezelfde methodiek te hebben gekozen als de fiscaal jurist van de vrouw, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken. De rechtbank stelt vast dat de partijen niet daadwerkelijk een bedrag van fl. 150.000,- hebben ingebracht. De in het artikel genoemde aftrek is naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend bedoeld om bij ontbinding van de VOF te komen tot een afrekening van de goodwill aangroei tijdens het bestaan van de VOF. Deze aangroei weerspiegelt de waarde van de overwinst ontstaan tijdens het bestaan van de VOF. Omdat het slechts een rekenmethodiek betreft om de aangroei van de goodwill vast te stellen en omdat de vrouw niet daadwerkelijk een (deel) van het bedrag van fl. 150.000,- heeft ingebracht, is er naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor een separate toewijzing van het verzoek van de vrouw op dit punt. Het bedrag lost zich op in het door de deskundige vastgestelde eindbedrag van € 170.290,- zoals ook de fiscaal jurist van de vrouw dat heeft gedaan.

Doorschuifmogelijkheid

4.19.

De man heeft de rechtbank bij akte van 27 maart 2013 verzocht om de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de VOF overeenkomst vast te stellen voor zowel het geval dat partijen geen afspraken maken omtrent de fiscale gevolgen van de uitbetaling van de aanspraak, als voor het geval partijen er voor kiezen gebruik te maken van de door de deskundige in zijn rapport van 13 maart 2013 genoemde "doorschuifmogelijkheid". De vrouw heeft geen gemotiveerd verweer tegen dit verzoek gevoerd. De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt evenwel afwijzen, omdat de rechtbank, mede gelet op de verrekening die nog dient te worden toegepast, niet kan vaststellen wat de aanspraak van de vrouw is bij gebruikmaking van de doorschuifmogelijkheid. Het is aan partijen zelf om te bezien of en zo ja welke afspraken er (nog) te maken zijn rondom de doorschuifmogelijkheid.

Wettelijke rente

4.20.

De vrouw heeft bij akte van 3 december 2013 haar verzoek vermeerderd aldus dat zij verzoekt haar vordering uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van het verzoek tot echtscheiding, zijnde 11 mei 2010, dan wel vanaf een nader door de rechtbank te bepalen datum. De vrouw beroept zich onder meer op het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2011, LJN:BU6591. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De kern van het verweer van de man bestaat uit de stelling dat hetgeen hij de vrouw dient te betalen niet voortkomt uit de afwikkeling van het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen finaal verrekenbeding. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

4.21.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht om partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van het huwelijksgoederen vermogen conform het bepaalde in de akte huwelijkse voorwaarden. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. In aanvulling op haar verzoek heeft de vrouw verzocht over te gaan tot de benoeming van een deskundige teneinde de waarde van de onderneming vast te stellen. Bij akte van 16 december 2014 heeft de vrouw gesteld - naar de rechtbank begrijpt verzocht- te bepalen dat haar een bedrag van € 170.290,- toekomt.

4.22.

Partijen hebben ter zake de huwelijksvoorwaarden geen concretere verzoeken geformuleerd. Met name heeft de vrouw niet verzocht de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden vast te stellen dan wel de wijze waarop dit dient te geschieden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hetgeen de man de vrouw dient te betalen primair voortkomt uit de afwikkeling tussen de vennoten van artikel 12 van de VOF akte. De vrouw heeft de man niet in gebreke gesteld en de rechtbank ziet voorts geen aan de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid ontleende gronden aanwezig om de man vanaf een eerdere datum dan de datum van onderhavige beschikking te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente.

4.23.

Bij beschikking van 18 januari 2012 is de man veroordeeld om voor 1 februari 2012 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 4.000,- bij wijze van voorschot op de uiteindelijke afrekening.

4.24.

De man kan met hetgeen hij de vrouw dient te betalen een bedrag van € 21.946,-verrekenen, rechtsoverweging 2.6.

4.25.

Per saldo dient de man de vrouw een bedrag te betalen van € 170.290,- minus € 4.000,- minus € 21.946,- = € 144.344,-. De rechtbank zal de man veroordelen tot betaling van dit bedrag.

4.26.

De rechtbank is van oordeel dat met de vaststelling van het bedrag dat de man de vrouw dient te betalen ter zake de afwikkeling van de VOF en met inachtneming van de door partijen reeds gemaakte afspraken, de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek om partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van het huwelijksgoederen vermogen conform het bepaalde in de akte huwelijkse voorwaarden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 144.344,- ter zake de afwikkeling per 31 december 2010 van de vennootschap onder firma [naam VOF], te verhogen met de wettelijke rente per 25 maart 2015;

5.2.

wijst af het meer of anders verzocht;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. F. Kleefmann, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 25 maart 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

(552)