Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:228

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2015
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
18.730260-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer eenmaal met een groot mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan zij is overleden. Dit is gebeurd tijdens een ruzie in de woning van het slachtoffer. Verdachte en het slachtoffer hadden een destructieve relatie. Zij gebruikten samen veel alcohol en hadden vaak ruzie.

De rechtbank is van oordeel dat het feit verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend in verband met zijn persoonlijkheidsstoornis en de daaruit voortvloeiende alcoholafhankelijkheid. Dat deze laatste ruzie een fatale afloop heeft gekend, lijkt echter in hoge mate het gevolg te zijn geweest van een bijzondere samenloop van omstandigheden. Daardoor heeft verdachtes persoonlijkheidsstoornis naar het oordeel van de rechtbank slechts een beperkte invloed op het recidivegevaar. De rechtbank acht de kans dat verdachte opnieuw een vergelijkbare afhankelijke en tegelijk destructieve relatie zal aangaan, daardoor in een vergelijkbare situatie terecht zal komen en vervolgens opnieuw een ernstig geweldsdelict zal plegen niet onaanvaardbaar groot. Daarom legt de rechtbank verdachte in afwijking van het advies van de psychiater en de vordering van de officier van justitie geen TBS-maatregel op. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar.

De rechtbank verklaart de schadevergoedingsvordering van de dochter van het slachtoffer niet-ontvankelijk omdat de wet nabestaanden niet de mogelijkheid biedt in het strafproces vergoeding te vorderen van door henzelf geleden immateriële schade en materiële schade in de vorm van reiskosten

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f, 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730260-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 januari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juni 2014 te [pleegplaats], opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes in de rug (ter hoogte van het hart en/of de linkerlong), in elk geval in het lichaam, gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van de ten laste gelegde voorbedachte raad;

- veroordeling voor de ten laste gelegde doodslag;

- oplegging van een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van voorarrest;

- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging, welke langer dan vier jaar mag duren;

- toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 20.963,32 onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met een vervangende hechtenis van 134 dagen;

- toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 5.100,00 onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met een vervangende hechtenis van 102 dagen.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak voorbedachte raad

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde voorbedachte raad en daarmee van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot de ten laste gelegde en door verdachte bekende doodslag de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 januari 2015;

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte deskundigenrapport van A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie (NFI), betreffende het "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood", zaaknummer 2014.06.27.112, d.d. 5 augustus 2014;

3. het in wettelijke vorm opgemaakte forensisch relaas proces-verbaal nr. 02CL114043-PARRY-FTO-02, d.d. 10 september 2014.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de ten laste gelegde opzet op het van het leven beroven van het slachtoffer overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard, volgt niet dat verdachte de uitdrukkelijke bedoeling heeft gehad om het slachtoffer om het leven te brengen. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte zogenoemd "vol" opzet had op de dood van het slachtoffer. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet had op haar dood.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de dood van het slachtoffer - is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Of in dit geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, naast de verklaringen van verdachte, eveneens afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer éénmaal met een groot mes in de rug heeft gestoken, dat daarbij haar hart en linker long zijn doorboord en dat zij ten gevolge daarvan is overleden. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat het lemmet van het mes ongeveer 20 cm lang, terwijl de steekwond ongeveer 19 cm diep was. Uit het gegeven dat verdachte het lemmet van het mes over vrijwel de gehele lengte in het lichaam van het slachtoffer heeft gestoken, leidt de rechtbank af dat hij daarbij de nodige kracht heeft gebruikt.

Naar algemene ervaringsregels roept het met kracht met een groot mes steken in de rug ter hoogte van het hart en de longen de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Het hart en de longen zijn vitale en kwetsbare lichaamsdelen en een verwonding daaraan kan gemakkelijk tot de dood leiden. De verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Door toch op zodanige wijze op het slachtoffer in te steken, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen de dood zou intreden bewust heeft aanvaard. Feiten of omstandigheden waaruit het tegendeel zou kunnen worden afgeleid zijn gesteld noch gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde doodslag bewezen, met dien verstande dat:

hij op 27 juni 2014 te [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de rug (ter hoogte van het hart en de linkerlong) gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Dit feit is strafbaar, nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en het slachtoffer hadden met elkaar een relatie, welke door de deskundigen als destructief wordt omschreven. Zij trokken elkaar aan en stootten elkaar af en gebruikten (samen) heel veel alcohol. Ook in de uren voor het noodlottige voorval hadden zij beiden een grote hoeveelheid alcoholische drank gedronken. Tijdens een ruzie in de woning van het slachtoffer heeft verdachte haar eenmaal met een groot mes in haar rug gestoken, ten gevolge waarvan zij is overleden.

Door zijn daad heeft verdachte het slachtoffer beroofd van haar kostbaarste bezit, namelijk haar leven. Dit heeft bij de dochters, ouders, zus, broer en andere nabestaanden van het slachtoffer groot en onherstelbaar verdriet teweeg gebracht. Zij zullen de rest van hun levens met het verlies van het slachtoffer moeten leven. Dit is ter zitting tot uitdrukking gebracht in de voorgedragen slachtofferverklaringen. Daarnaast geldt dat een feit als dit de rechtsorde ernstig schokt en zowel in de directe omgeving van het slachtoffer als daarbuiten gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van ernstige, langdurige alcoholafhankelijkheid en cocaïnemisbruik en een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis dan wel een gemengde persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk afhankelijke trekken met onderliggende borderlinestructuur. Tevens blijkt daaruit dat deze stoornissen ook reeds bestonden ten tijde van het delict. De psychiater acht het risico dat verdachte op korte of middellange termijn opnieuw een ernstig gewelddadig delict pleegt niet groot, maar hij acht de recidivekans op lange termijn hoog. Hij heeft daartoe opgemerkt dat de kans groot is dat verdachte - zonder behandeling - op langere termijn opnieuw in een situatie terecht komt (zoals het zich begeven in een prikkelrijke maar destructieve relatie), waarin hij weer de controle over zichzelf verliest en tot destructief handelen kan komen. De psycholoog acht het delictgevaar op de korte termijn laag en op de langere termijn hoger, wanneer verdachte doorgaat met de leefstijl die hij tot nu toe had. Als verdachte weer gaat drinken zal de neiging om weer een dergelijke destructieve relatie aan te gaan volgens de psycholoog groter zijn en is het recidivegevaar ook wat groter. Beide deskundigen achten het noodzakelijk dat verdachte voor zijn stoornissen klinisch wordt behandeld. De psychiater heeft geadviseerd deze behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een TBS met voorwaarden. De psychiater heeft daarbij overwogen dat een klinisch traject in het kader van een voorwaardelijk strafdeel waarschijnlijk niet mogelijk is gelet op de verwachte strafduur. De psycholoog heeft geadviseerd de behandeling als bijzondere voorwaarde te koppelen aan een voorwaardelijke gevangenisstraf. De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een klinische behandeling door de forensische verslavingszorg voor de duur van ten minste achttien maanden met een daarop volgend ambulant traject en een drugs- en alcoholverbod op te leggen. De psychiater, de psycholoog en de reclasseringsmedewerker hebben ter terechtzitting een toelichting gegeven op hun rapportages en hun adviezen.

Het wettelijke strafmaximum voor doodslag is een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar. De laatste jaren wordt voor doodslag gemiddeld een gevangenisstraf van rond de acht jaar opgelegd. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6185). Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank dit tot uitgangspunt.

De rechtbank is niet gebleken van strafverzwarende omstandigheden.

Als strafverminderende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat verdachte niet de intentie had het slachtoffer te doden. Verdachte is zwaar aangeslagen door haar dood, ook al is hij daarvoor zelf verantwoordelijk.

Voorts weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer ook een rol heeft gespeeld bij het ontstaan en laten escaleren van de heftige ruzie die zij en verdachte hadden op het moment dat zij werd gestoken door verdachte. Hoewel dit geenszins een rechtvaardiging is voor verdachtes handelen, werkt dit wel enigszins strafverminderend.

Ook weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat hij zich gedurende het onderzoek van de politie en de behandeling ter terechtzitting open, eerlijk en berouwvol heeft getoond.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of het handelen van verdachte verklaard kan worden uit een ziekelijke stoornis en/of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Op basis van de rapporten van de geraadpleegde deskundigen en de daarop door hen ter terechtzitting gegeven toelichting neemt de rechtbank aan dat aan verdachtes alcoholproblemen een persoonlijkheidsstoornis ten grondslag ligt, zoals in hun rapporten beschreven. Ook neemt de rechtbank de conclusie van de deskundigen over dat er een verband bestaat tussen deze persoonlijkheidsstoornis en de daaruit voortvloeiende alcoholafhankelijkheid en het plegen van het delict, in die zin dat die stoornis met name een rol heeft gespeeld in het ontstaan van de omstandigheden waaronder het incident met fatale en tragische afloop heeft plaatsgevonden. Duidelijk is dat verdachte ten tijde van dat incident onder steeds grotere spanning kwam te staan. De rechtbank ziet echter een minder sterk verband tussen de stoornis en het daadwerkelijk steken met een mes door verdachte dan de deskundigen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het feit verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend. Weliswaar werkt dit strafverminderend, doch in dit geval slechts in beperkte mate.

Deze persoonlijkheidsstoornis (en de daaruit voortkomende alcoholafhankelijkheid) is evenwel slechts één van de factoren die hebben geleid tot de fatale daad. De rechtbank is van oordeel dat de overige factoren die tot het delict hebben geleid (zoals de aard van de relatie tussen verdachte en het slachtoffer, de reden voor het ontstaan en de escalatie van de ruzie, de angst dat het slachtoffer de fysieke hulp in zou roepen van een vriend die veel sterker is dan hij en het toevallig voorhanden zijn van een groot mes) situationeel zijn bepaald. Verdachte en het slachtoffer hebben in de loop van hun relatie vele ruzies met elkaar gehad. Dat deze laatste ruzie een fatale afloop heeft gekend, lijkt derhalve in hoge mate het gevolg te zijn geweest van een bijzondere samenloop van omstandigheden. Daardoor heeft de persoonlijkheidsstoornis van verdachte naar het oordeel van de rechtbank slechts een beperkte invloed op het recidivegevaar. De rechtbank acht de kans dat verdachte opnieuw een vergelijkbare afhankelijke en tegelijk destructieve relatie zal aangaan, daardoor in een vergelijkbare situatie terecht zal komen en vervolgens opnieuw een ernstig geweldsdelict zal plegen niet onaanvaardbaar groot. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de deskundigen het delictgevaar op korte en middellange termijn niet groot achten en dat de psycholoog ook het delictgevaar op lange termijn niet groot (maar enkel groter) acht. Het oordeel van de psychiater dat de kans groot is dat verdachte op lange termijn levensomstandigheden zal ensceneren die kunnen leiden tot recidive heeft de rechtbank om voornoemde redenen niet overtuigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachte inmiddels 45 jaar oud is, hij niet eerder een vergelijkbare relatie heeft gehad en hij niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Het voorgaande brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank niet wordt voldaan aan het gevaarscriterium, neergelegd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom zal de rechtbank in zoverre afwijken van het advies van de psychiater en de vordering van de officier van justitie en geen TBS-maatregel aan verdachte opleggen.

Op grond van artikel 14a, tweede lid, Sr kan een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd in geval van veroordeling tot een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar. Naar het oordeel van de rechtbank doet een gevangenisstraf van vier jaar (waarvan een deel voorwaardelijk) geen recht aan de ernst van het feit. Daarom is het opleggen van een klinische behandeling als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geadviseerd door de psycholoog en de reclassering en bepleit door de verdediging, naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

De rechtbank is met de deskundigen wel van oordeel dat het zeer wenselijk is dat verdachte wordt behandeld voor zijn persoonlijkheidsstoornis en zijn alcoholprobleem. De rechtbank acht het echter (anders dan de deskundigen) niet noodzakelijk dat dit gebeurt in een strafrechtelijk kader. Daarbij merkt zij op dat te zijner tijd in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden bezien of behandeling onder die titel wenselijk is.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar passend en geboden en zal zij verdachte veroordelen tot deze straf met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

[benadeelde partij 1]

is een zus van het slachtoffer. Zij heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten. Deze bestaan uit de kosten van lijkbezorging, zoals bedoeld in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, gelezen in verband met artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer ten gevolge van het bewezenverklaarde feit is overleden. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde kosten van lijkbezorging en de betaling daarvan door de benadeelde partij voldoende aannemelijk zijn geworden. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat deze kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. De rechtbank acht de vordering, die - ook voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand (na wijziging vordering) - niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank merkt hierbij op dat deze maatregel niet kan worden opgelegd ter zake van kosten van rechtsbijstand.

[benadeelde partij 2]

is de minderjarige dochter van het slachtoffer. Haar wettelijke vertegenwoordiger heeft zich namens haar voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

[benadeelde partij 2] heeft haar vordering tot het opleggen aan verdachte van een verbod om het graf van het slachtoffer te bezoeken ter terechtzitting ingetrokken, nadat tussen de benadeelde partij en verdachte ter terechtzitting overeenstemming was bereikt over de invulling van dit verbod, welke overeenstemming door verdachte ten overstaan van de rechtbank is bevestigd.

[benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 5.000,00 ter vergoeding van de door haar ten gevolge van het feit geleden immateriële schade. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij door het misdrijf voor altijd haar moeder zal moeten missen. Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat het misdrijf een grove schending is van haar fundamentele mensenrechten, in het bijzonder het aan haar toekomende recht op family life met haar moeder. Er is sprake van een schending van artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit de omstandigheid dat nabestaanden de mogelijkheid hebben immateriële schade te claimen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven volgt dat het doel van de wetgever is dat immateriële schade ten gevolge van het overlijden van een naaste voor vergoeding in aanmerking behoort te komen. Bovendien ligt er inmiddels een wetsvoorstel ter consultatie waardoor, bij invoering van die wet, expliciet een wettelijke basis wordt gecreëerd om immateriële schade voor nabestaanden in het strafproces te vergoeden. Namens de benadeelde partij is verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BY4509) en een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:4444), waarbij aan nabestaanden vergoedingen voor immateriële schade zijn toegekend. Daarnaast vordert [benadeelde partij 2] een bedrag van € 100,00 aan reiskosten. Dit betreft de reiskosten die haar wettelijk vertegenwoordiger heeft gemaakt voor het namens haar voeren van gesprekken met de raadsman en de officier van justitie en het bijwonen van de zittingen, teneinde haar te kunnen vertellen wat er gebeurt tijdens de zittingen en hoe de zaak verloopt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de gehele vordering. Daartoe is aangevoerd dat alleen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit een vordering tot schadevergoeding kan indienen. In de wetsgeschiedenis is expliciet bepaald dat nabestaanden - buiten de in de wet geregelde gevallen - geen (immateriële) schadevergoeding kunnen claimen. Artikel 287 Sr beoogt bescherming te bieden aan degene die van het leven wordt beroofd en niet aan nabestaanden. Daaruit volgt dat nabestaanden bij overtreding van artikel 287 Sr geen rechtstreekse schade lijden. Voorts is aangevoerd dat het gerechtshof Amsterdam in een arrest van 26 april 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885) heeft geoordeeld dat artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering in de weg staat aan vergoeding in het strafproces van schade die is geleden door schending van het recht op family life.

De rechtbank overweegt in dit kader het volgende.

Op grond van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In de Memorie van Toelichting wordt als voorbeeld gewezen op artikel 287 Sr inzake doodslag dat bescherming beoogt te bieden aan degene die van het leven wordt beroofd, maar niet aan diens nabestaanden. De nabestaande van het slachtoffer beschikt niet over de bevoegdheid zich te voegen in het strafproces (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11 en 12).

In het tweede lid van artikel 51f Sv, gelezen in samenhang met artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de gevallen geregeld waarin nabestaanden zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. Deze bepaling geeft nabestaanden niet de mogelijkheid in het strafproces schadevergoeding te vorderen voor door henzelf geleden immateriële schade of namens hen gemaakte reiskosten.

De rechtbank begrijpt dat het overlijden van het slachtoffer voor de benadeelde partij groot en onherstelbaar verdriet met zich heeft gebracht. De rechtbank begrijpt ook dat zij de wens heeft een klein deel daarvan van verdachte vergoed te krijgen in de vorm van een immateriële schadevergoeding.

De rechtbank dient echter te beoordelen of de wet nabestaanden de mogelijkheid biedt in het strafproces vergoeding te vorderen van door henzelf geleden immateriële schade en materiële schade in de vorm van reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat uit de voormelde bepalingen en wetsgeschiedenis volgt dat de wet deze mogelijkheid niet biedt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de wetgever om deze mogelijkheid al dan niet alsnog te creëren. Zoals namens de benadeelde partij is aangevoerd, heeft de wetgever deze mogelijkheid momenteel in overweging. De rechtbank zou haar (rechtsprekende) bevoegdheid te buiten gaan als zij daarop zou anticiperen en deze mogelijkheid zelfstandig zou creëren. De vraag of bijzondere omstandigheden aanleiding dienen te zijn om in het licht van het IVRK of het EVRM af te wijken van de Nederlandse wet leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor beantwoording in het strafproces.

De rechtbank zal daarom bepalen dat [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de ten laste gelegde doodslag bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 20.963,32 (zegge: twintigduizend negenhonderd drieënzestig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten het moment waarop de facturen zijn betaald.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 19.632,32 (zegge: negentienduizend zeshonderd tweeëndertig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten het moment waarop de facturen zijn betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 133 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. L.G. Wijma en

mr. M. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2015.