Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:1785

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
18.850043-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De bewijsmiddelen, te weten het DNA-spoor op het tasje en de conclusies van de ganganalyse, leiden - ook in samenhang beschouwd- niet tot de conclusie dat verdachte de overvaller is. De ganganalyse is niet onderscheidend genoeg, terwijl voor het aantreffen van het tasje met DNA van verdachte alternatieve scenario’s denkbaar zijn. Ander bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval op [bedrijfsnaam] is niet aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/850043-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 april 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren [geboorteplaats],

wonende [woonplaats],

thans gedetineerd [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Pluijter, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 januari 2014 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente

Groningen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer], heeft gedwongen

tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten 1309,58 euro) en/of

(een) waardebon(nen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan het (winkel) bedrijf [bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

in/uit een winkel (gelegen aan of bij de [straat] aldaar) een

hoeveelheid geld (te weten 1309,58 euro) en/of (een) waardebon(nen), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf

[bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

door opzettelijk:

- zich naar voornoemde winkel te begeven en/of

- naar een kassa in die winkel te lopen en/of (vervolgens)

- een (vuur)wapen (althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp) tevoorschijn

te halen en/of op die [slachtoffer] te richten en/of (vervolgens) (daarbij)

- die [slachtoffer] (op dreigende toon) de woorden toe te voegen: “Dit is een

overval, haal de kassa leeg” en/of” Ik wil het muntgeld niet, geef mij

biljetten en/of "Die kassa ook" daarbij wijzend met zijn (vuur)wapen naar

kassa 6 en/of "Heb je niet meet geld", althans woorden van soortgelijke

aard en/of strekking en/of

- een hoeveelheid bankbiljetten en/of (een) waardebon(nen) vanaf de toonbank

te pakken.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst de officier van justitie op de aangifte van

[slachtoffer], de camerabeelden van de overval en het NFI rapport. In het NFI rapport wordt geconcludeerd dat het DNA dat is aangetroffen in de plastic tas die de dader voorafgaand aan de overval heeft laten vallen, naar alle waarschijnlijkheid afkomstig is van verdachte. De verklaring van verdachte dat het tasje hem bekend voor komt en dat hij die mogelijk over zijn fietszadel heeft gebruikt, wordt ontkracht door de foto van de fiets van verdachte waar geen tas over het zadel zit. Daarnaast acht de officier van justitie van belang dat verdachte kleding en schoenen heeft die overeenkomen met hetgeen de overvaller droeg. Voorts is uit de observatie gebleken dat verdachte net als de overvaller gebruik maakt van een schoudertas. Uit het pingedrag van verdachte kort voor de overval, in het bijzonder het feit dat hij een aantal keren achter elkaar zonder succes geprobeerd heeft om steeds kleinere geldbedragen op te nemen, leidt de officier van justitie af dat hij op 11 januari 2014 geld nodig had en daarmee een motief had om de overval te plegen.

Voorts wijst de officier van justitie op het rapport Forensische ganganalyse van [deskundige]. In het rapport wordt op basis van 8 kenmerken, terwijl 3 kenmerken al zouden hebben volstaan, geconcludeerd dat er sterk bewijs is dat de overvaller op de beelden verdachte is. Gelet op de uitgebreide motivering van het rapport kan het tot het bewijs worden gebezigd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en daarom moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het DNA-spoor van verdachte op het tasje kan worden verklaard doordat verdachte enige tijd geleden een soortgelijk tasje heeft gebruikt als dekje voor het fietszadel. Dit tasje is van hem gestolen of anderszins weggeraakt. Het is goed mogelijk dat de werkelijke overvaller het tasje kort voor de overval van het zadel heeft gehaald of van de grond heeft geraapt. De door de overvaller gedragen kleding en zijn schoeisel komen op geen enkele wijze overeen met hetgeen door verdachte wordt gedragen en bij hem is aangetroffen.

Het rapport betreffende de ganganalyse door [deskundige] kan niet aan het bewijs bijdragen nu de toelichting die [deskundige] ter terechtzitting heeft gegeven de conclusie van dat rapport niet ondersteunt.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Op 11 januari 2014 heeft er bij de [bedrijfsnaam] aan de [straat] te [pleegplaats] een overval plaatsgevonden. Een gemaskerde man heeft een baliemedewerkster door bedreiging met een vuurwapen gedwongen geld af te geven. De politie heeft op dezelfde dag de beelden van de bewakingscamera van de supermarkt bekeken en daarbij gezien dat de overvaller tijdens de overval een donkerkleurige tas verloor. De op het handvat van de tas aangetroffen DNA-sporen zijn veiliggesteld en opgestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI).

In het rapport van het NFI d.d. 11 maart 2014, opgemaakt door drs. C. van Kooten, wordt als conclusie weergegeven dat het DNA in het sporenmateriaal afkomstig kan zijn van [verdachte]. Voorts wordt in het rapport aangegeven dat de matchkans van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de overval evenwel ontkend. Verdachte heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn DNA op het tasje kan zijn veroorzaakt doordat hij een soortgelijk tasje in zijn bezit heeft gehad en als dekje voor het fietszadel heeft gebruikt. Het tasje kan van hem zijn gestolen of hij kan het op een andere manier zijn kwijtgeraakt. De mogelijkheid bestaat derhalve dat de dader het tasje voor de overval in zijn bezit heeft gekregen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het aangetroffen DNA worden aangenomen dat het tasje op enig moment in het bezit is geweest van verdachte, maar volgt daaruit niet noodzakelijkerwijs dat, nu de overvaller dit tasje in zijn bezit had, verdachte de overvaller is. Dat in het dossier de fiets van verdachte op een foto wordt afgebeeld zonder dat er een tas over het zadel was aangebracht doet daar niet aan af, reeds omdat deze foto na de overval is gemaakt en verdachte het tasje – van welk scenario ook wordt uitgegaan – op dat moment hoe dan ook niet meer in zijn bezit had. De verklaring van verdachte wordt derhalve niet door andere bewijsmiddelen weerlegd en is ook overigens niet op voorhand volstrekt ongeloofwaardig of onaannemelijk.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het enkele aangetroffen DNA-spoor niet met een voldoende mate van zekerheid vastgesteld kan worden dat verdachte aanwezig was op de plaats van het delict op 11 januari 2014.

Daarnaast bevindt zich in het dossier een rapport forensische ganganalyse, d.d. 2 oktober 2014, opgemaakt door [deskundige], raadgevend podiatrist en specialist in podiatrische chirurgie en ganganalyse.

De deskundige heeft in het rapport een vergelijking gemaakt tussen de gang (manier van lopen) van personen die zijn te zien op camerabeelden van de in de onderhavige zaak ten laste gelegde overval in de [bedrijfsnaam] op 11 januari 2014, een overval in [bedrijfsnaam 4] op 23 januari 2014 en verdachte. De deskundige concludeert onder meer dat er "sterk bewijs" is dat verdachte en de man die bij [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam 4] de overval heeft gepleegd dezelfde persoon is.

Op 1 december 2014 is door [deskundige] opnieuw een rapport opgemaakt, naar aanleiding van aanvullend beeldmateriaal waarin de conclusie ten aanzien van dit materiaal wordt geconcludeerd dat het bewijs dat verdachte en de doelpersoon een en dezelfde persoon zijn, matig is. Uitdrukkelijk wordt daarbij de eerdere conclusie in het rapport van 2 oktober 2014 ter zake ander beeldmateriaal gehandhaafd.

De deskundige [deskundige] heeft ter terechtzitting een toelichting gegeven op zijn rapporten. Daarin heeft hij onder meer aangegeven dat de door hem verrichte ganganalyse inhoudt dat hij, aan de hand van het aan hem verstrekte beeldmateriaal, onderzocht heeft welke specifieke kenmerken vast te stellen zijn in de gang van de personen die op die beelden te zien zijn. Vervolgens heeft hij deze kenmerken met elkaar vergeleken en bezien of en in hoeverre deze kenmerken met elkaar overeenstemmen. De deskundige heeft daarbij nadrukkelijk aangegeven dat een ganganalyse iets zegt over de mate waarin de gang van de onderzochte personen met elkaar in overeenstemming is, maar dat de vastgestelde kenmerken niet onderscheidend genoeg zijn om te kunnen leiden tot de herkenning van een individueel persoon.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een ganganalyse op zichzelf als bewijsmiddel bruikbaar is, maar dat bij de vraag naar de bewijswaarde wel rekening moet worden gehouden met de beperkingen zoals die door de deskundige zijn geschetst. De rechtbank neemt daarbij in dit geval nog in aanmerking dat de deskundige zijn bevindingen met betrekking tot de mate waarin bepaalde kenmerken gemiddeld in een bevolkingsgroep voorkomen, heeft gebaseerd op zijn eigen ervaringen als podiatrisch chirurg in het Verenigd Koninkrijk en op een database waarin de kenmerken van een aantal duizenden Britse personen zijn opgenomen. Hoewel de deskundige ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij niet verwacht dat er op dit punt significante verschillen zullen bestaan tussen (blanke) Britse en Nederlandse mannen, is dat bij gebreke aan nader Nederlands bevolkingsonderzoek met onvoldoende zekerheid vast te stellen. De rechtbank merkt tevens op dat de bewijswaarde van het verrichte onderzoek in dit geval verder wordt beperkt doordat het onderzoek zich nadrukkelijk heeft geconcentreerd op een vergelijking tussen de gang van de overvallers op de beelden van de [bedrijfsnaam] en de [bedrijfsnaam 4] en de gang van de (bij de deskundige als zodanig bekende) verdachte. Indien een vergelijking zou zijn gemaakt tussen de gang van de op de beelden van de overvallen zichtbare persoon of personen en de gang van een groter aantal personen, waaronder verdachte, waarna de deskundige de vraag had kunnen beantwoorden bij welk van deze laatstgenoemde personen de kenmerken van de overvaller het beste pasten, zou de bewijswaarde van de conclusies groter zijn geweest.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat de ganganalyse slechts een beperkte bewijswaarde heeft, die in samenhang moet worden bezien met andere voorhanden zijnde bewijsmiddelen. In het onderhavige geval kan niet meer worden geconcludeerd dan dat de persoon op de beelden van de overval op de [bedrijfsnaam] op een aantal punten dezelfde kenmerkende gang heeft als verdachte. Dat betekent dat op grond van de ganganalyse niet uitgesloten kan worden dat verdachte en de overvaller één dezelfde persoon zijn, maar tevens dat niet, althans niet met een voldoende mate van zekerheid, vast te stellen valt dat verdachte inderdaad de persoon is die op de beelden van de overval te zien is.

Ook in samenhang beschouwd leiden de beide bewijsmiddelen, het DNA-spoor op het tasje en de conclusies van de ganganalyse, niet onontkoombaar tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte de overvaller is. Daarvoor zijn, zoals gezegd, de bij de ganganalyse vastgestelde kenmerken niet onderscheidend genoeg, terwijl voor het aantreffen van het tasje met DNA van verdachte (op voorhand niet onaannemelijke) alternatieve scenario’s denkbaar zijn. Ander bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval op [bedrijfsnaam] is niet aanwezig, in ieder geval niet te vinden in de kleding, het schoeisel of de schoudertas van verdachte, die immers geen van alle hetzelfde zijn als die van de persoon op de beelden van de overval.

Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer], in haar vordering niet ontvankelijk wordt verklaard nu het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen is verklaard. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij [bedrijfsnaam 3] in zijn vordering eveneens niet ontvankelijk verklaren, nu het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan thans niet meer aan verdachte ten laste wordt gelegd.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk.

Verklaart de benadeelde partij [bedrijfsnaam 3] in de vordering niet-ontvankelijk.

Heft de voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door J. van Bruggen, voorzitter, M.J. Oostveen en J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. T.J. de Wind, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2015.

Mr. Jansen is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.