Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:1160

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
15-03-2015
Zaaknummer
C-17-130765 - FA RK 13-1977
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden, finaal verrekenbeding, negatief vermogen, geen verrekening,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/130765 / FA RK 13-1977 en 134586 / FA RK 14775 (verdelingsnummer)

Beschikking van 18 februari 2015

in de zaak van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. P. Sipma te Drachten,

tegen

[naam verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster,

advocaat mr. E.G. Harderwijk te Groningen.

1 De procedure

Na de mondelinge behandeling op 23 oktober 2014 heeft de rechtbank de volgende stukken van partijen ontvangen:

  • -

    de brief van 29 december 2014 van de zijde van de man

  • -

    de akte van 5 januari 2015 van de vrouw.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden getrouwd.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 5 november 2014 is de echtscheiding uitgesproken.

2.3.

De huwelijkse voorwaarden (HV) bevatten onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

en

Artikel 6

1. Inkomen

a. Onder inkomen wordt verstaan het begrip belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen en premieheffingsvolksverzekeringen, waarbij het inkomen dat wordt toegerekend aan één echtgenoot wordt geacht te behoren tot het inkomen van degene die het inkomen feitelijk heeft genoten.

b. Indien één der echtgenoten met zijn werk- of opdrachtgever is overeengekomen, dat de door hem te genieten inkomsten op een ongebruikelijke wijze zullen worden verminderd dan wel op een ongebruikelijke tijdstip zullen worden genoten, wordt hiermee voor de berekening van het inkomen geen rekening gehouden.

c. Niet als inkomen worden aangemerkt inkomsten, welke in de inkomstenbelasting worden belast naar een bijzonder tarief.

d. Voorts worden niet als inkomen aangemerkt de zuivere inkomsten uit vermogen.

en

Artikel 9

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.

en

Artikel 16

(…)

2. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding alsmede bij scheiding van tafel en bed zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, met inachtneming van hetgeen is bepaald ten aanzien van de pensioenrechten. Buiten de afrekening blijven echter alle aanbrengsten ten huwelijk, al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede wat klaarblijkelijk onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse verrekening werd verkregen.

3. De afrekening als in lid 1 bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde per datum van overlijden. De afrekening als in lid 2 bedoeld geschiedt naar de toestand en waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig werd gemaakt.

4. De afrekening blijft achterwege indien het vermogen van een van de echtgenoten of van beiden per saldo negatief is.

2.4.

Partijen hebben voorts diverse zaken in gemeenschappelijke eigendom, waaronder de onroerende zaken aan het [adres woning 1], aan het [adres woning 2] en aan het [adres woning 3].

3 De beoordeling

3.1.

Partijen twisten over de afwikkeling van hun vermogensrechtelijke relatie. De rechtbank zal hieronder op de diverse punten van geschil ingaan.

Peildatum

3.2.

Partijen zijn het met elkaar eens dat 1 januari 2013 de peildatum is voor de bepaling van de omvang en samenstelling en de waarde van de (fictieve) huwelijksgemeenschap. Partijen maken hierbij geen onderscheid tussen de goederen die gemeenschappelijk eigendom zijn (die verdeeld moeten worden), en de goederen die aan één van beide partijen in eigendom toebehoren (en die betrokken moeten worden bij de verrekening op de wijze van artikel 16 lid 2 HV).

3.3.

De rechtbank zal partijen hierin volgen. Dit betekent dat bij de verdeling van de zaken die in gemeenschappelijke eigendom toebehoren, in afwijking van de hoofdregel, niet van de waarde op het moment van de verdeling zal worden uitgegaan, doch van de waarde per 1 januari 2013.

De door de vrouw opgevoerde correcties A tot en met C

3.4.

De vrouw stelt dat op het saldo van het te verdelen/verrekenen vermogen bepaalde correcties dienen te worden toegepast. De rechtbank ziet aanleiding om eerst deze door de vrouw voorgestane correcties te behandelen.

Door de vrouw van haar werkgever ontvangen uitkeringen (correctie A)

3.5.

Partijen twisten over de vraag of de door de vrouw van haar werkgever op respectievelijk 1 en 9 juli 2010 ontvangen inkomsten ter hoogte van € 99.804,-- (netto) en € 36.169,44 (netto), in totaal derhalve € 135.973,44, als inkomen in de zin van artikel 6 lid 1 HV moeten worden beschouwd. Partijen zijn het bovendien niet met elkaar eens over het antwoord op de vraag of in dit geval, waarin niet jaarlijks is afgerekend, artikel 6 lid 1 sub c HV van toepassing is.

3.6.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat deze inkomsten niet als inkomen in de zin van artikel 6 lid 1 HV moeten worden beschouwd, omdat deze inkomsten overeenkomstig artikel 6 lid 1 sub c HV ten tijde van de totstandkoming van de HV zouden zijn belast met een bijzonder tarief. De vrouw betoogt voorts dat deze inkomsten die volgens haar op grond van artikel 9 HV niet verrekend hadden behoeven te worden, ook niet bij de te verdelen fictieve gemeenschap ex artikel 16 lid 2 HV betrokken behoeft te worden.

3.7.

De man stelt zich primair op het standpunt dat in artikel 16 HV expliciet en limitatief is opgenomen welke vermogensbestanddelen niet bij de verdeling van de fictieve gemeenschap betrokken dienen te worden en dat inkomsten onder een bijzonder tarief daartoe niet behoren. Subsidiair stelt de man dat op de betreffende inkomsten van de vrouw geen bijzonder tarief is toegepast.

3.8.

De rechtbank stelt voorop dat de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis. Eén en ander laat onverlet dat aan de taalkundige betekenis van de betreffende contractsbepalingen wel groot gewicht moet worden toegekend.

3.9.

Bij de mondelinge behandeling hebben partijen naar voren gebracht dat bij de totstandkoming van de HV de achtergrond van artikel 6 HV, en met name de vraag waarom inkomsten onder een bijzonder tarief buiten de verrekening uit hoofde van artikel 9 HV gelaten dienden te worden gelaten, niet inhoudelijk is besproken. Partijen hebben voorts gesteld dat deze bepaling niet op initiatief van één van hen in de HV is opgenomen, doch ongevraagd deel uitmaakte van de door de notaris opgestelde concept-HV.

3.10.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat partijen niet een bijzondere bedoeling met artikel 6 HV hebben gehad. Omdat zij ook geen omstandigheden hebben aangedragen die tot een van de taalkundige betekenis afwijkende interpretatie zouden moeten leiden, zal de rechtbank zich bij de uitleg van de betreffende bepalingen met name laten leiden door de bewoordingen van de betreffende bepalingen en door de regels van redelijkheid en billijkheid die contractspartners jegens elkaar in acht hebben te nemen.

3.11.

De rechtbank stelt vast dat artikel 16 lid 2 HV expliciet aangeeft welke vermogensbestanddelen buiten de afrekening dienen te blijven. Hierbij staan niet de inkomsten onder een bijzonder tarief vermeld. Aan de omstandigheid dat de finale afrekening ex artikel 16 lid 2 HV (doordat de inkomsten onder een bijzonder tarief tot de fictieve te verdelen gemeenschap worden gerekend) tot een andere uitkomst leidt dan in het geval partijen wel uit hoofde van artikel 9 HV periodiek zouden hebben verrekend (in welk geval inkomsten onder een bijzonder tarief buiten beschouwing zouden zijn gelaten) kent de rechtbank geen overwegende betekenis toe.

3.12.

De rechtbank kent voorts gewicht toe aan de omstandigheid dat de betreffende inkomsten - zoals de vrouw op de mondelinge behandeling heeft uitgelegd - het karakter hadden van nabetaald loon. De rechtbank acht het niet redelijk dat dit loon, indien het direct was uitbetaald, wel periodiek verrekend had moeten worden, doch in het geval van een nabetaling - enkel vanwege het feit dat hiervoor ten tijde van de totstandkoming van de HV een bijzonder belastingtarief gold - niet.

3.13.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de betreffende inkomsten - en derhalve ook hetgeen hiervoor in de plaats is gekomen - bij de afrekening uit hoofde van artikel 16 lid 2 HV betrokken dienen te worden.

Erfenis en huurinkomsten van de vrouw (correctie B)

3.14.

De vrouw stelt dat op grond van artikel 16 lid 2 HV buiten de afrekening dienen te blijven bedragen ter hoogte van € 98.788,--. Dit zijn de huurinkomsten die zij heeft ontvangen in verband met onroerende zaken die tot de nalatenschap van haar vader behoorden. Een bedrag van € 45.200,-- hiervan is aan de zus van de vrouw als mede-erfgenaam overgemaakt. Aan de vrouw komt toe het bedrag van € 45.200,--, vermeerderd met € 6.282,-- (als vergoeding voor diverse door de vrouw in verband met de onroerende zaken gemaakte kosten), in totaal derhalve (afgerond) € 51.500,--. Deze vordering op de fictieve gemeenschap lost zich op in een vordering op de man voor de helft van dit bedrag, dat is dus € 25.750,--.

3.15.

De man betwist deze vordering van de vrouw, waarbij hij aanvoert dat de vrouw niet heeft aangetoond dat deze bedragen aan de fictieve gemeenschap ten goede zijn gekomen. De man stelt voorts dat, indien dit wel het geval mocht zijn, de betreffende gelden zijn geconsumeerd.

3.16.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de door de vrouw gestelde bedragen op zichzelf op grond van artikel 16 lid 2 HV buiten de afrekening dienen te blijven.

3.17.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat de betreffende bedragen op gemeenschappelijke rekeningen van partijen zijn gestort.

3.18.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of het uitmaakt of de betreffende gelden inmiddels (gedeeltelijk) zijn besteed aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank overweegt terzake als volgt.

3.19.

De rechtbank stelt voorop dat partijen op grond van artikel 1 HV buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Dit betekent dat de door de vrouw in verband met de nalatenschap van haar vader ontvangen gelden niet in enige gemeenschap kunnen zijn gevallen. Dat de gelden op een bankrekening die op gemeenschappelijke naam stond, zijn ontvangen, maakt dit niet anders. Immers, de tenaamstelling van een bankrekening zegt niets over de interne (eigendoms-)verhoudingen van de tot die rekening gerechtigden.

3.20.

Ook de omstandigheid dat partijen op grond van artikel 16 lid 2 HV thans dienen af te rekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, betekent niet dat de betreffende gelden tijdens het huwelijk in een gemeenschap zijn gevallen.

3.21.

Uit het voorgaande volgt dat de door de vrouw gestelde vordering op de fictieve gemeenschap ten bedrage van € 51.500,-- die zich oplost in een vordering op de man van € 27.750,-- wegens gebrek aan een deugdelijke grondslag dient te worden afgewezen.

3.22.

Het bovenstaande wil nog niet zeggen dat de vrouw geen recht kan doen gelden op de door haar in verband met de nalatenschap van haar vader ontvangen gelden. Immers, op grond van artikel 16 lid 2 HV dient “al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen” buiten de afrekening van de fictieve gemeenschap te worden gehouden. Dit betekent dat deze gelden en wat hiervoor in de plaats is gekomen aan de vrouw toekomen. Echter hieruit volgt ook dat hetgeen de vrouw tijdens het huwelijk heeft geconsumeerd bij de afrekening buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.23.

De rechtbank kan uit de stellingen van de vrouw niet afleiden wat de omvang en samenstelling is van “al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen” op de peildatum. De rechtbank zal de vrouw de gelegenheid geven zich hierover uit te laten. De vrouw zal hierbij - deugdelijk onderbouwd - moeten aangeven welk gedeelte van de betreffende gelden op de peildatum op welke bankrekening stond gedeponeerd. De gelden die de vrouw na de peildatum heeft ontvangen dienen buiten beschouwing te blijven in die zin dat deze niet - als onderdeel van een correctiepost - van enig te verdelen saldo op de peildatum moeten worden afgetrokken.

verschil aangebrachte gelden (correctie C)

3.24.

De vrouw maakt voorts aanspraak op een vergoeding vanuit de fictieve gemeenschap als volgt:

  • -

    aanbreng vrouw f 70.000,--

  • -

    aanbreng man f 40.000,-- -

verschil: f 30.000,-- (€ 13.613,--)

De vrouw stelt recht te hebben op een vergoeding vanuit de fictieve gemeenschap van € 13.613,-- vermeerderd met een rente van 2,5 % over 17 jaar (de huwelijkse periode).

3.25.

De man betwist deze vordering van de vrouw, omdat de aanbrengsten op grond van artikel 16 lid 2 HV buiten de afrekening dienen te blijven. Volgens hem zijn de betreffende aanbrengsten verteerd of geconsumeerd, zodat de vrouw hier geen recht meer op kan doen gelden.

3.26.

De rechtbank is van oordeel dat voor de door de vrouw gestelde aanbrengsten in beginsel hetzelfde geldt als voor het hetgeen krachtens erfrecht is verkregen. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor sub 3.19 en 3.20 heeft overwogen.

3.27.

Bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat de aanbrengsten zijn aangewend om de gemeenschappelijke woning in te richten. De rechtbank leidt hieruit af dat deze inrichting - voorzover deze is aangeschaft met door de vrouw ingebrachte gelden - op grond van artikel 16 lid 2 HV buiten de afrekening dient te blijven, omdat de betreffende zaken aan de vrouw toekomen.

3.28.

De rechtbank zal de vrouw de gelegenheid geven zich ook op dit punt nader uit te laten.

De afrekening/verdeling van de fictieve gemeenschap en de gemeenschappelijke goederen

3.29.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de door de vrouw voorgestane correcties A tot en met C niet dienen te worden te worden toegepast, althans niet in die zin dat de vrouw recht heeft op een vergoeding vanuit de fictieve gemeenschap, voordat partijen tot verdeling overgaan. De rechtbank zal thans de af te rekenen fictieve gemeenschap, alsmede de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, behandelen. Omdat partijen geen onderscheid maken tussen de afrekening ex artikel 16 lid 2 HV (verdeling van een fictieve gemeenschap) en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, zal de rechtbank dat ook niet doen.

[adres woning 1]

3.30.

Partijen zijn het eens dat deze woning die partijen gemeenschappelijk in eigendom toebehoort, aan de vrouw zal worden toebedeeld, waarbij uitgegaan wordt van een waarde van € 220.000,-- en een hypothecaire geldlening van € 113.445,--. Omdat de overwaarde aldus € 106.555,-- bedraagt, heeft de man recht op een uitkering door de vrouw van € 52.277,50.

3.31.

Partijen zullen zich inspannen de bank te bewegen de man te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De hypothecaire lening zal voor rekening en risico van de vrouw komen.

[adres woning 2]

3.32.

Partijen zijn het erover eens dat deze gemeenschappelijke woning aan de vrouw zal worden toebedeeld. De man stelt dat de waarde van deze woning overeenkomstig de laatste WOZ-beschikking op € 403.000,-- gesteld moet worden, terwijl de vrouw de waarde op grond van de door haar overgelegde taxatie d.d. 25 november 2014 op € 390.000,-- stelt.

3.33.

De man betwist de door de vrouw gestelde waarde van € 390.000,--. Hij stelt onder meer dat deze getaxeerde waarde niet de waarde op de door partijen overeengekomen peildatum betreft.

3.34.

De rechtbank overweegt dat partijen niet alleen zijn overeengekomen 1 januari 2013 als peildatum voor de omvang van de (fictieve) gemeenschap te hanteren, maar ook voor de waardebepaling van de tot de te verdelen zaken. De rechtbank zal daarom uitgaan van een waarde van € 403.000,--.

3.35.

Partijen zijn het wel eens over de in verband met deze onroerende zaak gesloten hypothecaire geldlening van € 82.500,--. De rechtbank gaat daarom uit van een overwaarde van (€ 403.000,-- - € 82.500,-- =) € 320.500,--. De man heeft aldus recht op een vergoeding door de vrouw van € 160.250,--.

[adres woning 3]

3.36.

Partijen zijn het erover eens dat deze gemeenschappelijke onroerende zaak aan de vrouw zal worden toebedeeld, waarbij uitgegaan moet worden van een waarde van € 45.000,--. De vrouw dient daarom de man het bedrag van € 22.500,-- te betalen wegens overbedeling.

overige onroerende zaken

3.37.

Partijen zijn het er voorts over eens dat de panden aan de [adres woning 4], [adres woning 5] en [adres woning 6] buiten de te verdelen fictieve gemeenschap vallen, doch aan de vrouw toekomen in verband met de nalatenschap van haar vader.

bankrekeningen

3.38.

Partijen zijn het eens over de navolgende banksaldi die verdeeld/verrekend moeten worden per 1 januari 2013.

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 1.509,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] (profijtrekening) € 128.274,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 3,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 1.876,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] (spaar) € 25.421,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 5,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 62,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 4.453,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 2.118,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 831,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 1.949,--

  • -

    [naam bank] [rekeningnummer] € 5.000,-- +

€ 171.501,--

3.39.

Partijen zijn het voorts eens over de waarde van de volgende polissen/ beleggingen per 1 januari 2013:

- [naam bank] € 41.252,--

- aandelen [naam BV] € 17.937,--

- lijfrentepolis 1 (man) € 17.964,--

- lijfrentepolis 2 (man) € 12.442,--

- [naam bank] [polisnummer] € 18.268,--

- [naam bank] [polisnummer] € 17.772,-- +

€ 145.863,--

3.40.

Omdat uit hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen volgt dat de door de vrouw voorgestane correcties A tot en met C door de rechtbank niet (geheel) zullen worden gevolgd, gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw haar voorstel tot verdeling van de hierboven sub 3.38 en 3.39 genoemde vermogensbestanddelen zal willen aanpassen. De rechtbank geeft de vrouw de gelegenheid zich hierover uit te laten.

inboedel

3.41.

Partijen zijn overeengekomen dat aan de vrouw de inboedel van de voormalig echtelijke woning zal worden toebedeeld, echter met uitzondering van de volgende zaken die aan de man zullen worden toebedeeld:

  • -

    foto’s (partijen genoegzaam bekend)

  • -

    rode zonnebril

  • -

    gouden zakhorloge

  • -

    gouden dasspeld

  • -

    gouden manchetknopen

  • -

    onderwijzersbeeldje op houten voet

  • -

    “Rembrandt” (van zolder).

Diverse betalingen na de peildatum

3.42.

Partijen hebben na de peildatum ieder geldbedragen van (enkele van) de hierboven sub 3.38 aangegeven bankrekeningen overgemaakt. Partijen verschillen met betrekking tot diverse van deze betalingen van mening over het antwoord op de vraag ten wiens laste deze betalingen behoren te komen.

betalingen door de man

periode 1 januari 2013 tot 19 maart 2013

3.43.

De man stelt een bedrag van in totaal € 11.753,44 van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] (die op zijn naam staat) te hebben betaald. Volgens hem dienen deze betalingen ten laste te worden gebracht van de vrouw. Het betreft voor een groot gedeelte de betaling van lasten die voortvloeien uit de aan de vrouw toe te delen onroerende zaken.

3.44.

De vrouw betwist haar verschuldigdheid van deze bedragen, waarbij zij een onderscheid maakt in de kosten ad € 2.058,66 die de periode 1 januari 2013 tot 19 maart 2013 betreffen en de kosten die betrekking hebben op de periode daarna.

3.45.

Met betrekking tot de periode tot 19 maart 2013 stelt de vrouw dat partijen toen nog samenwoonden, zodat zij ook de gezamenlijke lasten over die periode dienen te delen. Omdat de vrouw zelf over deze periode ook de helft van de hypotheekrente ad € 250,-- en ieder de premie op de polis [naam bank] ten name van de ander ad € 45,38 heeft betaald, dienen deze bedragen volgens haar buiten de verrekening te blijven. Volgens de vrouw resteert er dan nog te verrekenen het bedrag van € 1.422,52. Zij is bereid de helft hiervan - dat is dus € 711,26 - aan de man te voldoen.

3.46.

De rechtbank acht deze stellingen van de vrouw voorshands niet onredelijk, doch zij zal de man de gelegenheid geven hierop te reageren.

periode 19 maart 2013 tot datum inschrijving echtscheiding

3.47.

De rechtbank neemt als uitgangspunt artikel 7 HV dat een regeling geeft voor de betaling van de kosten van de huishouding. Omdat de HV niet aangeven tot wanneer deze verplichting loopt, gaat de rechtbank er vanuit dat deze verplichting pas vervalt op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tot die dag gelden ook artikel 1:81 en 1:84 BW, op grond waarvan partijen elkaar het nodige dienen te verschaffen. De rechtbank overweegt voorts dat tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding ook de kosten behoren die echtgenoten - na het verbreken van de samenleving - ten behoeve van hun levensonderhoud en nieuwe eigen woonruimte maken.

3.48.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de man in beginsel geen recht heeft of terugbetaling van de door hem tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het kader van deze gemeenschappelijke huishouding gemaakte kosten. Tot deze kosten rekent de rechtbank de door hem opgevoerde hypotheekrente, kosten Essent, Vitens, gaswacht, etc. en OZB.

3.49.

Nu de vrouw zich echter bereid heeft verklaard de volgende door de man betaalde kosten aan hem terug te betalen, zal de rechtbank hierin meegaan en aldus beslissen:

  • -

    helft OZB

  • -

    Kabel Noord ([adres woning 2])

  • -

    helft Essent

  • -

    helft gaswacht

  • -

    helft Vitens

  • -

    helft UPC

  • -

    helft Hefpunt

  • -

    helft FBTO

  • -

    motorrijtuigenbelasting auto vrouw.

periode na datum inschrijving echtscheiding

3.50.

De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval, waarin partijen zijn overeengekomen om bij de verdeling uit te gaan van de waarde per 1 januari 2013, redelijk is dat iedere partij vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de lasten draagt die verbonden zijn aan de zaken die aan hem/haar worden toebedeeld.

Betalingen door de vrouw

3.51.

De vrouw vordert op haar beurt betaling door de man van door haar betaalde kosten. Voor deze kosten geldt hetzelfde als de rechtbank hierboven ten aanzien van de door de man betaalde lasten heeft overwogen. Hieruit volgt dat de rechtbank geen recht op vergoeding door de man aan de vrouw aanwezig acht ten aanzien van de kosten voor [naam minderjarige] (€ 467,34), diverse kosten nutsvoorzieningen (€ 3.037,96), en premies [naam bank]-polis.

3.52.

De rechtbank zal partijen de gelegenheid geven om op basis van hetgeen de rechtbank hierboven sub 3.47 tot en met 3.51 heeft overwogen nogmaals hun vordering op dit punt - deugdelijk gespecificeerd - te formuleren.

Verdere procedure

3.53.

Partijen krijgen de gelegenheid zich uit te laten over hetgeen de rechtbank hierboven sub 3.23, 3.28, 3.40 (vrouw), 3.46 (man) en 3.52 (beide partijen) heeft overwogen.

3.54.

De rechtbank geeft partijen voorts in overweging om zich op basis van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen in te spannen om een minnelijke regeling tot stand te brengen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verwijst de zaak naar de pro forma zitting van 31 maart 2015 teneinde partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten en stukken over te leggen overeenkomstig hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 3.53,

4.2.

gelast partijen een concept van het door hen in te dienen processtuk uiterlijk twee weken voor deze rolzitting, derhalve op 17 maart 2015, aan de andere partij te doen toekomen;

4.3.

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.R. Tjallema en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.1

1 fn: 432