Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:1078

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
18.830049-12 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwijzing ontnemingsvordering. Onduidelijk is of verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genoten terzake van hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/830049-12 (ontnemingsvordering)

Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 27 februari 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de GBA op het adres: [adres].

verdachte.

1 Gang van zaken

1.1.

De officier van justitie heeft een op 05 december 2014 gedateerde ontnemingsvordering ter terechtzitting aanhangig gemaakt die ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat aan deze verdachte de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel van

€ 4.800,00. De rechtbank verstaat dat de vordering is gebaseerd op lid 5 van voormeld artikel.

1.2.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015.

Verschenen zijn de raadsvrouw van verdachte mr.drs. L.S. Wachters en de officier van justitie mr. D. Homans - de Boer.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting haar vordering verminderd tot een te ontnemen bedrag van € 4.600,00.

1.3.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken met betrekking tot de ontnemingsvordering.

2 Overwegingen

2.1.

Verdachte is heden 27 februari 2015 door deze rechtbank veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet geven verbod, meermalen gepleegd.

2.2.

Op grond van voormelde veroordeling kan aan verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat verdachte door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten en andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzing bestaan dat zij door verdachte zijn begaan, heeft genoten.

2.3.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte weder-rechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezen verklaarde strafbare feiten en wel tot een bedrag van € 4.600,00. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op 4 maanden vergoeding á € 1200,-- per maand voor de huur van het pand in [pleegplaats], verminderd met € 200,-- inschrijvingskosten (4x €50,00 per maand) op het adres van Holtjer.

2.4.

De raadsvrouw van verdachte heeft gepleit om de ontnemingsvordering op nihil te stellen, nu verdachte geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

2.5.

De rechtbank zal de ontnemingsvordering afwijzen, nu op basis van de onderliggende stukken en het onderzoek ter terechtzitting niet duidelijk is geworden of verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

3. Beslissing

De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af.

Aldus gegeven door mr. J.G. de Bock, voorzitter,

en mr. H.H.A. Fransen en mr. E. Läkamp, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 27 februari 2015.