Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:979

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
C-17-127614 - HA ZA 13-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sleepbergingsbedrijf; hulpverlening; hulp loon; geredde waarde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
CMI87
S&S 2014/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/127614 / HA ZA 13-185

Vonnis van 26 februari 2014

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

V.O.F. [naam vennootschap],

gevestigd te [plaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. J. Smit te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

procesadvocaat mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden,

behandelend advocaat mr. O. Böhmer te Rotterdam.

Eisers zullen hierna [de vennootschap] , [eiser 2] , [eiser 3] en gezamenlijk [eisers] genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 september 2013;

  • -

    de brief van 5 november 2013 van de gemachtigde van [eisers] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 november 2013;

  • -

    de brief van 28 november 2013 van de gemachtigde van [eisers] ;

  • -

    de brieven van 2 en 4 december 2013 van de gemachtigde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[de vennootschap] is een sleep-, duik- en bergingsbedrijf .

2.2.

[gedaagde] was ten tijde in geding eigenaar van het motorschip [naam schip 1] een in 2007 gebouwd aluminium motorjacht met een lengte van 23 meter (hierna te noemen: het schip).

2.3.

Op vrijdag 21 augustus 2009 voer [gedaagde] samen met de heer [A] met het schip op het IJsselmeer van Elburg naar Stavoren.

2.4.

Tijdens de tocht constateerden [gedaagde] en [A] dat via het achterschip water het schip binnentrad door, naar later bleek, speling in de boutverbindingen van de hydrauliekmotoren met de spiegelklep van het schip.

2.5.

[gedaagde] heeft na de constatering dat water het schip binnentrad, contact opgenomen met de bouwer van het schip, die aangaf de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (hierna te noemen: KNRM) te zullen waarschuwen, en heeft vaart geminderd om de waterintred te verminderen.

2.6.

Naar aanleiding van een melding via het zogenaamde P2000-systeem omstreeks 18:30 uur dat het schip water maakte, zijn achtereenvolgens twee boten van [de vennootschap] , te weten de [naam boot 1] (vanaf het station Kornwerderzand) en de [naam boot 2] (vanaf het station Laaxum), bij het schip gearriveerd om hulp te verlenen.

2.7.

Vervolgens zijn tevens vier boten van de KNRM bij het schip gearriveerd om hulp te verlenen.

2.8.

[de vennootschap] en de KNRM hebben pompen aan boord van het schip gebracht om de machinekamer van het schip leeg te pompen.

2.9.

Nadat de machinekamer van het schip was leeggepompt, heeft [de vennootschap] met haar twee boten het schip naar Stavoren gesleept.

2.10.

In Stavoren is het schip uit voorzorg in de singels gehangen.

2.11.

[eiser 2] is daarna bij [gedaagde] aan boord van het schip gekomen, waarna [gedaagde] de door [eiser 2] aan hem voorgehouden sleep- en hulpverleningsovereenkomst heeft ondertekend. In de sleep- en hulpverleningsovereenkomst is de volgende omschrijving van de situatie gegeven:

"Melding via P2000 dat er een motorjacht van 23 meter water maakte tussen de Ketelbrug en Stavoren uitgevaren met [naam boot 1] ter plaatse prof hulp aangeboden en een pomp overgezet en even later [naam boot 2] ook ter plaatste ook pomp overgezet en begonnen met pompen omdat het water +- 1 meter hoog stond in de machinekamer en dat luchtfilter dicht bij het water kwam de motoren gestopt en verder gepompt en assisteren van watersport alida en annadorothea en met alle pompen en hulp weten te voorkomen dat het schip verloren zou gaan op sleep genomen naar Stavoren en samen met [naam boot 2] afgemeerd onder de kraan (…)"

2.12.

Touw Salvage Consultants (hierna te noemen: TSC) heeft op 16 december 2009 een rapport aan [eisers] uitgebracht en geconcludeerd dat een redelijke en billijke vergoeding (als hulploon) € 50.000,00 tot € 70.000,00 zou moeten bedragen. Daarbij is TSC uitgegaan van een waarde van het schip in beschadigde toestand van € 2.000.000,00 (inclusief BTW) en heeft TSC, gelet op de criteria als bedoeld in artikel 8:563 BW en de jurisprudentie, de vergoeding bepaald op een percentage van 2,5 tot 3,5 van die waarde als redelijk en billijk. Ter bepaling van de waarde van het schip heeft TSC verwezen naar een aan haar rapport gehechte advertentie van Elburg Yachting, waarin een [type naam schip] wordt aangeboden voor een bedrag van € 2.100.000,00 (exclusief BTW).

2.13.

In het reddingrapport van de KNRM-station Enkhuizen is - voor zover van belang - het volgende aangegeven:

"Uitgevaren op een melding van een 23 meter lang motorjacht die water maakte. Omdat het niet helemaal duidelijk was waar hij lag was ook Hindeloopen en Lemmer gealarmeerd. De [naam boot 1] en de [naam boot 2] waren ook onderweg en waren als eerste ter plaatse. Daarna de rien verloop, watersport, alida, Anna Dorothea en de Wouter Vaartjes. we hebben alle pompen over gezet. we hebben het schip droog gepompt en de [naam boot 1] heeft hem naar stavoren gesleept onder begeleiding van de alida."

2.14.

In het reddingrapport van de KNRM-station Lemmer is - voor zover van belang - het volgende aangegeven:

"Opgeroepen om half 7 boot maakt water een mijl of 5 voor Stavoren. Dus pompen aan boord en varen zo snel mogelijk. Van de kustwacht hoorden we dat Hindeloopen en Enkhuizen ook waren gealarmeerd. en 2 bergers uit Laaxum waren ook aanwezig. Enkhuizen had het OSC dus aangekomen bij het jacht hebben we gevraagd waar onze inzet nodig was. Daarna pompen overgezet en de anderen geholpen die ook al aan het pompen waren. De berger heeft hem richting Stavoren gesleept. Op een gegeven moment hadden we het schip droog en kwam er geen water meer in. Enkhuizen heeft het osc aan Hindeloopen overgedragen en is retour station gegaan. Na een half uur zijn wij ook retour station gegaan. Hindeloopen heeft het schip begeleid naar Stavoren waar het direct is droog gezet."

3 Het geschil

3.1.

[eisers] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 70.000,00 aan [eisers] ten titel van hulploon terzake van hulpverlening aan het motorjacht [type naam schip] op 21 augustus 2009, althans een zodanig hoger of lager bedrag als de rechtbank in goede justitie zal menen een billijk hulploon te zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2009, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten van partijen en de beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank merkt allereerst op dat zij kennis heeft genomen van de door partijen op het proces-verbaal van de gehouden comparitie gemaakte opmerkingen en dat deze opmerkingen geen invloed hebben op haar uiteindelijke oordeel in dezen.

4.2.

[eisers] heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat zij hulp heeft verleend aan het in gevaar verkerende schip van [gedaagde] . Volgens [eisers] was er sprake van zinkgevaar en is door haar vakkundig ingrijpen het schip niet gezonken. Omdat de hulpverlening succesvol is geweest en aan de factoren en criteria als genoemd in artikel 8:563 BW is voldaan, is [gedaagde] hulploon verschuldigd, aldus [eisers] Gelet op de geredde waarde van het schip, te weten een bedrag van € 2.000.000,00, en gelet op de jurisprudentie is een totale vergoeding voor het gepresteerde van 2,5% tot 3,5% van de geredde waarde redelijk en billijk, hetgeen neerkomt op een hulploon tussen de € 50.000,00 en € 70.000,00, aldus nog steeds [eisers] Omdat de voorkomen schade minimaal

€ 600.000,00 bedraagt, acht [eisers] het redelijk en billijk om van een hulploon van € 70.000,00 uit te gaan. [eisers] heeft ter onderbouwing van haar vordering verwezen naar het door haar overgelegde rapport van TSC van 16 december 2009.

4.3.

[gedaagde] heeft zich ten verwere primair op het standpunt gesteld dat [de vennootschap] geen hulp heeft verleend. Subsidiair heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat voor zover [de vennootschap] hulp zou hebben verleend, deze hulp een ondergeschikte rol heeft gespeeld ten opzichte van de door de KNRM verleende diensten en dat de hulp van [de vennootschap] slechts 15 minuten heeft geduurd zonder dat daarbij blijk is gegeven en/of gebruik is gemaakt van bijzonder materiaal, kunde en professionaliteit. Ter onderbouwing van zijn primaire verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat het schip niet in gevaar verkeerde, dat het leegpompen van het schip behulpzaam is geweest, maar dat dit niet kwalificeert als hulpverlening. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat de door hem ondertekende sleep- en hulpverleningsovereenkomst geen hulpverleningsovereenkomst, maar een verklaring is en dat uit de verklaring enkel kan worden afgeleid dat [de vennootschap] snel ter plaatse was, met toestemming van [gedaagde] aan boord is gekomen en dat het schip met toestemming van [gedaagde] met twee boten naar Stavoren is gesleept, nadat het was leeggepompt. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij met de ondertekening van de verklaring niet heeft willen instemmen met de daarin opgenomen beschrijving van de gebeurtenissen en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het [de vennootschap] erom ging dat hij over de gegevens van [gedaagde] beschikte. Ter onderbouwing van zijn tweede verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de geredde waarde ongeveer € 800.000,00 bedroeg, dat geen sprake is geweest van gevaar voor zinken of voor het milieu, dat geen schade voorkomen is ten bedrage van € 600.000,00, maar van hoogstens een bedrag van € 100.000,00 voor het reviseren van de motor, dat [de vennootschap] in dezen onprofessioneel heeft gehandeld en dat van hulpverlening in de zin van het Hulpverleningsverdrag geen sprake is geweest. Volgens [gedaagde] kwalificeert de door [de vennootschap] verleende dienst van het snel ter plaatse komen en, nadat de situatie onder controle was, naar Stavoren slepen van het schip als sleepassistentie, waarvoor geen vergoeding is afgesproken en waarvoor de wet of enig verdrag ook niet in een vergoeding voorziet. Voor zover [de vennootschap] recht heeft op een vergoeding voor de verleende sleepassistentie dan zou, gelet op het door [de vennootschap] ingezette personeel en materieel, een vergoeding van

€ 2.500,00 redelijk zijn. Als deze assistentie wordt gekwalificeerd als hulpverlening dan zou een verhoging van dit bedrag met 50% redelijk zijn, aldus nog steeds [gedaagde] .

4.4.

De vraag die allereerst beantwoord moet worden is of de door [de vennootschap] uitgevoerde werkzaamheden moeten worden gezien als hulpverlening (waarvoor overeenkomstig artikel 8:561 BW hulploon verschuldigd is, indien de hulp met gunstig gevolg is verleend), dat wil zeggen dat het ging om werkzaamheden die zijn verricht om hulp te verlenen aan een in bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak (artikel 8:551 BW). Van gevaar is ingevolge HR 9 februari 1996, NJ 1996, 667 sprake wanneer een toestand bestaat van dreigend verlies, althans van ernstig nadeel, waaruit het schip zich niet door eigen kracht, niet zonder hulp van buiten, kan redden. Ook een betrekkelijk geringe mate van gevaar kan voldoende zijn om het bestaan van gevaar aan te nemen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de aanwezigheid van gevaar dat de omstandigheid dat water het schip was binnengetreden en binnentrad door een op dat moment nog onbekende oorzaak op zichzelf al zodanig moet worden geacht dat gesproken kan worden van een reële dreiging voor het oplopen van schade, en mitsdien van gevaar. Vaststaat dat het schip water had gemaakt en dat zich een behoorlijke hoeveelheid water in de machinekamer van het schip bevond. [gedaagde] heeft daarover ter gelegenheid van de comparitie verklaard dat het water over 1/3 deel van het achterste deel van het schip ongeveer 10 centimeter boven de vloer stond en dat het water bij hem tot zijn knieën kwam. Voorts staat vast dat op het moment dat de medewerkers van [de vennootschap] aan boord kwamen, nog steeds water het schip binnentrad. [eiser 2] heeft ter gelegenheid van de comparitie verklaard dat door de inzet van de door hem aan boord van het schip gebrachte pompen het waterpeil in het schip zakte. [gedaagde] heeft ter zake van de inzet van de pompen van [de vennootschap] verklaard dat in zijn beleving de pompen van de KNRM en niet die van [de vennootschap] het schip hebben leeggepompt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze veronderstelling van [gedaagde] , mede in het licht van de door [gedaagde] ondertekende - en door hem als "verklaring" aangeduide - sleep- en hulpverleningsovereenkomst en de door [de vennootschap] overgelegde verklaringen van haar medewerkers, een onvoldoende betwisting van de stelling van [eiser 2] dat door de inzet van zijn pompen het waterpeil in het schip zakte.

4.5.

De volgende medewerkers van [de vennootschap] hebben als volgt verklaard:

  1. [eiser 2] heeft onder meer verklaard: "Snel de pompen klaar gemaakt om te pompen. Ik heb de slangen van beide pompen onder de motoren aangelegd. Verder is er niemand in de machinekamer geweest. (…) Beide pompen deden zijn werk prima, de tweede pomp heeft wel iets meer moeite gehad om te starten. (…) De eerste 15 a 20 minuten zijn het meest belangrijk geweest. In deze tijd hebben we de belangrijkste handelingen verricht."

  2. [B] heeft onder meer verklaard: "Met de pompen hebben we de machinekamer leeg gepompt."

  3. [C] heeft onder meer verklaard: " [voornaam eiser 2] heeft de slangen onder de motor aangebracht. Ik ben de pomp gaan starten, deze werkte na enige tijd. Ook de slangen van de pomp van de [naam boot 2] heeft [voornaam eiser 2] onder de motoren neergelegd. De pomp van de [naam boot 2] duurde wat langer dat hij werkte, maar uiteindelijk deed deze het ook. Het jacht is voor anker gegaan en een tijd later kwamen ook de schepen van de KNRM eraan (…). Ook de KNRM zetten pompen op het jacht (…)."

  4. [D] heeft onder meer verklaard "Daar aangekomen hebben we onze pomp snel aan boord gezet. Het duurde even voordat deze het deed, maar uiteindelijk ging hij pompen. (…) Het water stroomde heel hard naar binnen. De motoren werden gestopt. Wij zijn toen verder gegaan met pompen. Er zijn nog 4 schepen van de KNRM geweest om te helpen met pompen. Maar toen hun kwamen was het ergste al voorbij."

4.6.

In de sleep- en hulpverleningsovereenkomst is een omschrijving van de situatie ter zake van de hulpverlening aan het schip opgenomen, die in overeenstemming is met de verklaringen van de medewerkers van [de vennootschap] . In de sleep- en hulpverleningsovereenkomst is onder meer opgenomen dat door de [naam boot 1] en de [naam boot 2] pompen zijn overgezet en dat begonnen is met pompen. Dat, zoals door [gedaagde] gesteld, hij op het moment van invullen en ondertekenen van de sleep- en hulpverleningsovereenkomst dacht dat het [de vennootschap] enkel ging om zijn gegevens, dat hij niet heeft willen instemmen met de beschrijving van de gebeurtenissen door [eisers] en dat hij niet tot zich door heeft laten dringen waarvoor hij tekende, dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van [gedaagde] te komen. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de beschrijving van de situatie, zoals opgenomen in de de sleep- en hulpverleningsovereen-komst.

4.7.

Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat mede door de inzet van de pompen van [de vennootschap] het waterpeil in het schip zakte. De rechtbank vindt daarvoor bovendien ook steun in het door de KNRM-station Lemmer opgemaakte reddingrapport, waarin is aangegeven dat zij pompen heeft overgezet en anderen heeft geholpen die ook al aan het pompen waren, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat met 'anderen' mede bedoeld is [de vennootschap] . Nadat het schip was leeggepompt, hebben de medewerkers van [de vennootschap] het schip naar Stavoren gesleept. Het voorgaande en omdat onweersproken is en uit de feiten volgt dat de hulp met gunstig gevolg is verleend, is de rechtbank van oordeel dat [de vennootschap] hulp heeft verleend als bedoeld in artikel 8:551, aanhef en onder a BW en dat [gedaagde] ingevolge artikel 8:561 BW hulploon verschuldigd is aan [de vennootschap] .

4.8.

Uit de stellingen van partijen blijkt dat [de vennootschap] en [gedaagde] bij het sluiten van de sleep- en hulpverleningsovereenkomst geen bedrag aan hulploon zijn overeengekomen. Op grond van artikel 8:563 lid 1 BW wordt bij gebreke van een bij overeenkomst tussen partijen vastgesteld bedrag aan hulploon door de rechter het hulploon vastgesteld. Ingevolge artikel 8:563 lid 2 BW wordt het hulploon vastgesteld met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria, ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd:

a. de geredde waarde van het schip en de andere goederen;

b. de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;

c. de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;

d. de aard en ernst van het gevaar;

e. de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;

f. de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;

g. het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's;

h. de snelheid van de verleende diensten;

i. de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting;

j. de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners.

4.9.

Tussen partijen staat onder meer ter discussie van welke geredde waarde van het schip uitgegaan moet worden. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de geredde waarde van het schip van belang is ter bepaling van de bovengrens van hetgeen een redelijk hulploon is. De rechtbank overweegt dat [eisers] weliswaar heeft gesteld dat de geredde waarde van het schip € 2.000.000,00 bedraagt, daarbij verwijzend naar een verkoopbrochure en het rapport van TSC, maar dat zij - na de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] - heeft nagelaten een nadere onderbouwing te geven voor de door haar gestelde waarde van het schip. In dit verband overweegt de rechtbank dat, zoals door [gedaagde] aangevoerd - en door [eisers] niet betwist - het schip uiteindelijk voor een bedrag van € 800.000,00 is verkocht. De rechtbank ziet, nu een exacte waardebepaling van het schip in augustus 2009 niet kan worden gegeven, een in een verkoopbrochure genoemde waarde enkel een vraagprijs betreft en [eisers] de door hem gestelde waarde van het schip onvoldoende heeft onderbouwd, aanleiding om uit te gaan van een geredde waarde van € 800.000,00 ter bepaling van de bovengrens van hetgeen een redelijk hulploon is. In de omstandigheid dat het schip, als het was gezonken in het IJsselmeer, niet als geheel verloren kon worden beschouwd, en er voornamelijk schade zou zijn geweest aan de motor, ziet de rechtbank aanleiding om ter bepaling van een redelijk hulploon uit te gaan van de begrootte motorschade ten bedrage € 100.000,00.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de vennootschap] gezien het feit dat de door haar ingevolge de sleep- en hulpverleningsovereenkomst mede geboden hulp een gunstig resultaat heeft gehad, namelijk het leegpompen van het schip en het slepen van het schip naar Stavoren, in beginsel recht op een redelijk hulploon. Ter bepaling van dit bedrag heeft de rechtbank, naast het gunstige resultaat, mede in aanmerking genomen dat een zekere mate van gevaar aanwezig was. Immers, zoals hiervoor reeds is overwogen, was een behoorlijke hoeveelheid water in de machinekamer van het schip binnengetreden en trad dat, toen [de vennootschap] aan boord kwam, nog steeds binnen door een op dat moment nog onbekende oorzaak en kan deze omstandigheid op zichzelf al zodanig worden geacht dat gesproken kan worden van een reële dreiging voor het oplopen van schade, en mitsdien van gevaar. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de medewerkers van [de vennootschap] inspanningen hebben geleverd om het schip leeg te pompen en naar Stavoren te slepen. Dat geen inspanningen hoefden te worden betoond ter redding van mensenlevens en andere zaken, heeft de rechtbank eveneens in haar beoordeling betrokken. Wel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [de vennootschap] in dezen kosten heeft gemaakt en tijd heeft besteed. De rechtbank verwijst in dit verband naar de sleep- en hulpverleningsovereenkomst, waarin is aangegeven dat de totale tijdsduur van de hulpverlening, van het moment van uitvaren en terugkeer op het station, ongeveer 5 uren heeft geduurd. Daar komt bij dat de medewerkers van [de vennootschap] ongeveer 15 minuten alleen pompwerkzaamheden hebben verricht en het schip naar de haven van Stavoren hebben gesleept. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [de vennootschap] met twee rubberboten met een voor hulpverlening bestemde uitrusting hulp heeft verleend en dat deze boten gereed lagen om spoedig hulp te verlenen. De voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat [eisers] recht heeft op een redelijk hulploon. [eisers] heeft onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan de redelijkheid van (de hoogte van) het door haar bedoelde bedrag aan hulploon in rechte kan worden aangenomen, zodat er geen aanleiding bestaat om haar nog toe te laten bewijs bij te brengen door het horen van getuigen. De rechtbank zal het door [eisers] ter zake gedane bewijsaanbod dan ook passeren.

4.11.

Al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang, in acht nemende is de rechtbank van oordeel dat [eisers] recht heeft op een redelijk hulploon ten bedrage van € 10.000,00. Gelet op het reeds aan [eisers] betaalde bedrag van

€ 6.000,00, zal de rechtbank een bedrag van € 4.000,00, als nog door [gedaagde] aan [eisers] te betalen, toewijzen.

4.12.

Tegen de bij dagvaarding gevorderde wettelijke rente is geen specifiek verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze zal toewijzen over het in hoofdsom toe te wijzen bedrag.

4.13.

De rechtbank ziet in dezen aanleiding de kosten tussen de partijen te compenseren, zoals hierna nader aangegeven.

1. De rechtbank zal, nu [eisers] [gedaagde] terecht in rechte heeft betrokken ter verkrijging van hulploon voor door hem verrichte diensten, [gedaagde] veroordelen in de volgende kosten:

dagvaarding € 76,71

griffierecht € 1.836,00

Totaal € 1.912,71;

2. De proceskosten, bestaande uit het salaris gemachtigde, zal de rechtbank tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 21 augustus 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

compenseert tussen [eisers] en [gedaagde] de kosten, in dier voege dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding in dezen en het griffierecht, tot op heden aan de zijde van [eisers] vastgesteld op een bedrag van € 1.912,71, en dat voor het overige ieder zijn eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Smit en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1

1 type: coll: 613.