Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:760

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
KL-2380513 - CV EXPL 13-7589 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

afwikkeling samenlevingscontract conform (andere) financiële gang van zaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 2380513 \ CV EXPL 13-7589

vonnis van de kantonrechter d.d. 18 februari 2014

inzake

[A],

wonende te [woonplaats 1],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: R.T.M. Zee,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. W. Spijkstra.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2013

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2014.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengeleefd. In het kader van de samenleving hebben zij 19 mei 2010 een samenwooncontract gesloten. Hierin is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

1.

Begripsbepaling

(…)

b. Kosten van de huishouding

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder geval begrepen:

(…)

- de kosten van huisvesting, daaronder begrepen de huur en de rentelasten met betrekking tot de gezamenlijk bewoonde woning, de onroerende zaakbelasting en andere heffingen ter zake van het gebruik van de gezamenlijk bewoonde woning en de uitgaven voor dagelijks onderhoud en verzekering daarvan, ongeacht de eigendom van die woning;

(…)

2.

Draagplicht van de kosten van de huishouding

1.

de kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide partners worden betaald naar evenredigheid van hun inkomens. (…)

2.

Wanneer een van de partners meer heeft betaald dan waartoe deze volgens het in het vorige lid bepaalde verplicht was, ontstaat geen recht om het teveel betaalde terug te vorderen, tenzij schriftelijk anders bepaald.

(…)

6.

Woning in gemeenschappelijke eigendom

(…)

2.

Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de hoofdsom van de in lid 5 bedoelde hypothecaire lening, de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering), komen voor rekening van beide partners naar evenredigheid van hun aandeel in die woning, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of waardevermindering van die woning.

3.

Als de partners niet naar evenredigheid van hun aandeel in de gemeenschappelijk woning bijdragen in de hiervoor onder 2 bedoelde investeringen, kosten en lasten of als de partners voor de aanschaf van die woning niet in overeenstemming met deze verhouding uit eigen middelen bijdragen of hebben bijgedragen, ontstaat voor degene die meer bijdraagt dan waartoe hij op grond van zijn aandeel gehouden is, een vordering op de ander partner gelijk aan dat meerdere.

4.

De vordering bedoeld in lid 3 van dit artikel is opeisbaar bij:

(…)

- het einde van de samenwoning.

(…)

5.

a. Als voor de financiering van de gemeenschappelijke woning een hypothecaire lening wordt aangegaan, worden de rentelasten beschouwd als kosten van de gemeenschappelijke huishouding en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 1 gedragen.

(…)

10.

Einde overeenkomst

Deze overeenkomst is ontbonden:

(…)

d. als uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat de samenwoning is geëindigd.

2.2.

Aan de samenleving is 22 januari 2013 een einde gekomen. [B] heeft de gemeenschappelijke (koop)woning verlaten en [A] is daarin tot 1 juli 2013, de datum waarop de woning aan derden is geleverd, alleen blijven wonen.

in conventie

Het standpunt van [A]

2.3.

[A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enige voorziening [B] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting van [A] te betalen een bedrag van € 1.296,20, vermeerderd met de wettelijke rente (per 1 januari 2010) van 3% over de hoofdsom vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en [B] voorts veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris voor de gemachtigde van [A].

2.4.

[A] baseert zijn vordering op de hierboven vermelde vaststaande feiten en voorts op het volgende. Partijen zijn in de hoedanigheid van gezamenlijk eigenaar van de woning hoofdelijk aansprakelijk voor de woonlasten. [A] heeft de woonlasten over de periode 22 januari 2013 tot en met 1 juli 2010 volledig voldaan. [A] stelt op grond van artikel 6:12 lid 1 BW te zijn gesubrogeerd en vordert uit dien hoofde dat [B] de helft van de door [A] betaalde woonlasten aan hem vergoedt. Daarnaast stelt [A] dat partijen gezamenlijk een vliegticket hebben gekocht en dat [B] ook heeft toegezegd de helft aan [A] terug te zullen betalen.

Het standpunt van [B]

2.5.

[B] betwist de vordering deels en voert - samengevat - het volgende verweer. [B] erkent alleen de door [A] betaalde kosten voor het in stand houden van de woning (dat wil zeggen: de hypotheek, waterschapslasten, onroerendezaakbelasting en verzekering) aan hem verschuldigd te zijn, doch alleen indien deze kosten worden meegenomen in een door [A] aan [B] te betalen gebruiksvergoeding voor de woning. De overige (persoonlijke) kosten dienen voor rekening van [A] te blijven, nu deze aan hem als enig bewoner van de woning toekomen. Het beroep op artikel 6:10 BW gaat niet op, nu gesteld noch gebleken is dat [A] door derden tot betaling is aangesproken. Het vliegticket heeft [A] aan [B] cadeau gedaan.

De beoordeling van het geschil

2.6.

De bedragen die [B] erkent aan [A] verschuldigd te zijn liggen, mede gelet op hetgeen hierna in reconventie omtrent de gebruiksvergoeding zal worden beslist, voor toewijzing gereed. Het gaat om de navolgende bedragen:

- parapluverzekering Woongarant Schadeservice € 85,26

- onroerendzaakbelasting gemeente Opsterland € 115,94

- waterschapsbelasting Hefpunt € 23,66

- hypotheek maand februari 2013 € 197,00

totaal € 618,86

2.7.

Wat betreft de overige door [A] gevorderde bedragen oordeelt de kantonrechter als volgt. Het betreft hier geen kosten van de gemeenschappelijke woning, maar kosten van de huishouding. In het samenwooncontract hebben partijen over hun draagplicht van deze kosten afspraken gemaakt. Vaststaat dat aan de samenleving op 22 januari 2013 een einde is gekomen en dat [A] toen alleen in de woning is blijven wonen. Omdat er vanaf die datum geen sprake meer is van een gemeenschappelijke huishouding, komen de kosten van de huishouding sindsdien volledig voor rekening van [A]. De kosten die blijkens de door [A] overgelegde bijlagen betrekking hebben op de periode van samenleving dienen naar het oordeel van de kantonrechter ook voor zijn rekening te blijven. Hiertoe is het volgende redengevend. Partijen zijn het erover eens dat gedurende de samenleving de kosten van de huishouding niet conform artikel 2 lid 1 van het samenwooncontract naar evenredigheid van hun inkomen zijn gedeeld, maar dat [A] van zijn eigen rekening alle kosten voor de woning heeft betaald en dat [B] van haar eigen rekening onder andere de boodschappen, de autoverzekering, de wegenbelasting en de kosten voor Ziggo heeft betaald. Gelet op deze financiële gang van zaken stelt de kantonrechter vast dat er een andere invulling aan de draagplicht is gegeven, zodat de kosten van de huishouding over de laatste periode van de samenleving op dezelfde wijze zullen moeten worden verdeeld. Omdat [A] betaling vordert van kosten die hij tijdens de samenleving steeds heeft betaald, wijst de kantonrechter de overige gevorderde bedragen af. Bij voorgaand oordeel heeft de kantonrechter ook meegewogen dat het recht om het teveel betaalde van de ander terug te vorderen is uitgesloten in artikel 2 lid 2 van het samenwooncontract. Anders dan [A] heeft betoogd, heeft het feitelijk handelen van partijen niet zonder meer tot gevolg dat deze uitsluiting buiten toepassing moet worden gelaten. Daar zou slechts dan sprake van kunnen zijn indien deze uitsluiting in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, maar daarvoor heeft [A] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen.

2.8.

Wat betreft het vliegticket van [B] oordeelt de kantonrechter als volgt. [A] heeft voldoende met stukken aangetoond dat het ticket van [B] ongebruikt is gebleven. Vaststaat dat partijen deze vliegreis hebben geboekt om samen naar een trouwerij van familie van [A] te gaan. De kantonrechter wil daarom wel aannemen dat het hier om kosten van de huishouding gaat. Ter comparitie heeft [B] verklaard dat [A] de ticket betaald heeft omdat zij het geld er niet voor had en dat er waarschijnlijk op een later moment over de verdeling van de kosten zou zijn gesproken als zij mee was gegaan. Hieruit leidt de kantonrechter af dat als [B] het geld er toen wel voor zou hebben gehad, zij haar eigen ticket zou hebben betaald. Daarom oordeelt de kantonrechter dat [B] de kosten van de vliegticket ad € 265,46 aan [A] terug moet betalen. Het feit dat zij hier geen gebruik van heeft gemaakt, maakt het voorgaande niet anders.

2.9.

Samenvattend zal een totaalbedrag van (€ 618,86 + € 265,46 =) € 884,32 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
16 september 2013, tot aan de dag van algehele voldoening.

2.10.

Aangezien het geschil voortvloeit uit de samenleving van partijen en elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. In dit oordeel ligt besloten dat de (afzonderlijk) gevorderde deurwaarderskosten wegens raadpleging GBA en betekening aan [B] voor rekening van [A] zullen blijven.

3.in reconventie

Het standpunt van [B]

3.1.

[B] vordert dat de kantonrechter [A] veroordeelt om aan (de kantonrechter leest verbeterd:) [B] - ter zake schadevergoeding - tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 1.653,82 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2013 tot aan die der algehele voldoening met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.2.

[B] baseert haar vordering op de hierboven vermelde vaststaande feiten en voorts op het volgende. Allereerst stelt [B] dat zij gelet op vaste rechtspraak recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode dat [A] alleen in de woning heeft gewoond. [B] acht een vergoeding van € 250,-- per maand redelijk, uitgaande van haar deel in de kosten van de woning, oftewel € 1.250,-- in totaal. Ten tweede stelt [B] dat [A] de in de conclusie van antwoord genoemde roerende zaken van haar heeft vernield, beschadigd of meegenomen. De schade begroot zij op € 250,--. Ten derde stelt [B] dat zij kosten heeft betaald, die bij wijze van boedelverdeling geheel of gedeeltelijk aan [A] toekomen.

Het standpunt van [A]

3.3.

[A] betwist de vordering en voert - samengevat - het volgende verweer. Volgens [A] heeft [B] geen recht op een gebruiksvergoeding omdat zij de samenleving eenzijdig heeft beëindigd en uit eigen beweging de woning verlaten heeft en omdat de woning zonder het door [A] gepleegde onderhoud mogelijk minder zou hebben opgeleverd. [A] ontkent voorts dat hij roerende zaken van [B] heeft vernield, beschadigd of meegenomen. Ten slotte betwist [A] gehouden te zijn de door [B] gevorderde kosten terug te betalen, nu een onderbouwing hiervoor geheel ontbreekt.

De beoordeling van het geschil

3.4.

Vaststaat dat [A] van 22 januari tot 1 juli 2013 het exclusief gebruik en genot van de woning heeft gehad en dat [B] in die periode verstoken is geweest van het gebruik en genot van haar eigendomsaandeel in de woning. De vraag die thans voorligt is of [A] over deze vijf maanden een gebruiksvergoeding aan [B] verschuldigd is. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de kantonrechter het volgende voorop. Artikel 3:169 BW heeft mede tot strekking de deelgenoot die verstoken is van het gebruik en genot van een gemeenschappelijk goed, schadeloos te stellen bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (vergelijk HR 22 december 2000, NJ 2001, 59). Bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, voor welk bedrag een gebruiksvergoeding aan in dit geval [B] betaald moet worden, neemt de kantonrechter op de voet van het bepaalde in artikel 3:166
lid 3 BW de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen partijen beheerst tot maatstaf en betrekt zij alle omstandigheden van het geval bij haar beoordeling. Vanaf de dag van vertrek uit de woning heeft [B], anders dan [A], niet het gebruik en het genot van de woning gehad. Uit de stellingen van partijen blijkt (en uit de in conventie onder 2.6 genomen beslissing volgt) dat [B] in de onderhavige periode heeft bijgedragen in de kosten van de gezamenlijke woning. Alle omstandigheden van het geval in ogenschouw nemend, ziet de kantonrechter in deze zaak daarom aanleiding om [B] een gebruiksvergoeding toe te kennen. [A] heeft de berekening van [B] - waarin wordt uitgegaan van haar aandeel in de kosten van de woning - niet weersproken. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de door [B] gevorderde gebruiksvergoeding over de periode van 22 januari tot 1 juli 2013 ad € 1.250,-- toegewezen kan worden.

3.5.

De schadevordering wegens vernielde, beschadigde of meegenomen roerende zaken zal worden afgewezen. Het enkele feit dat [B] aangifte heeft gedaan acht de kantonrechter onvoldoende, temeer nu uit de door [A] overgelegde stukken blijkt dat er van strafvervolging is afgezien bij gebrek aan voldoende bewijs. Gezien de ontkenning van [A] had het daarom op de weg van [B] gelegen om meer feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat haar spullen door toedoen van [A] zijn verdwenen of stuk gegaan. Dat heeft zij echter nagelaten te doen, zodat aan bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen.

3.6.

Wat betreft de door [B] bij wijze van boedelscheiding gevorderde bedragen oordeelt de kantonrechter als volgt.

3.6.1.

De vordering ter zake van de volmacht aan Vellinga Wiersma zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat partijen gezamenlijk aan de notaris opdracht hebben gegeven in het kader van de verkoop van hun woning. Gelet op de betwisting door [A] had het op de weg van [B] gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan [A] gehouden is om voor de helft in de kosten bij te dragen. Zo had [B] bijvoorbeeld de volmacht of de nota van de notaris over kunnen leggen. Dat heeft zij evenwel nagelaten te doen, zodat voor nadere bewijslevering op dit punt geen plaats is.

3.6.2.

De vordering ter zake van kosten voor Ziggo zal worden toegewezen. Uit de door [B] overgelegde stukken blijkt dat er over de maanden februari en maart 2013 bedragen van haar rekening zijn afgeschreven. Uit hetgeen in conventie onder 2.7 is beslist volgt dat de kosten van de huishouding na het einde van de samenleving geheel voor rekening van [A] komen. [A] heeft ook niet betwist dat het abonnement bij Ziggo na het einde van de samenleving op zijn naam is gezet. [A] dient deze kosten ad € 80,31 geheel aan [B] terug te betalen.

3.6.3.

De vordering ter zake van de kosten van de RDW zullen worden afgewezen. Uit het door [B] overgelegde transactieoverzicht blijkt niet dat het de auto van [A] betreft. Gelet op de betwisting door [A] had het op de weg van [B] gelegen om nadere feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat zij kosten ten behoeve van [A] voldaan heeft. Dat heeft zij evenwel nagelaten, zodat aan nadere bewijslevering niet wordt toegekomen.

3.6.4.

De vordering ter zake van Hefpunt zal worden toegewezen. Uit de door [B] overgelegde transactieoverzichten blijkt dat het gaat om door haar betaalde waterschapsbelasting. [A] heeft niet betwist dat het gaat om belastingen ter zake van de woning, zodat hij op grond van artikel 3:172 BW gehouden is om in gelijke mate aan de kosten bij te dragen. [A] dient de gevorderde bedragen ad in totaal € 17,20 aan [B] te voldoen.

3.7.

Samenvattend zal een totaalbedrag van (€ 1.250,00 + € 80,31 + € 17,20 =) € 1.347,51 worden toegewezen. [B] heeft niet gesteld op welke datum het verzuim met betrekking tot de betaling van de openstaande facturen is ingetreden. De wettelijke rente zal daarom vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie, 22 oktober 2013, worden toegewezen.

3.8.

Aangezien het geschil voortvloeit uit de samenleving van partijen en elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

Beslissing

4.De kantonrechter:

in conventie

4.1. veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van een bedrag groot € 884,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2013, zijnde de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3. compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

4.5. veroordeelt [A] tot betaling aan [B] van een bedrag groot € 1.347,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2013, zijnde de dag waarop de eis in reconventie is ingesteld, tot aan de dag der algehele voldoening;

4.6. compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. M. Sanna, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 292

ml 244