Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:740

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
2417914 CV EXPL 13-13068
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

door UWV- werkvoorziening aan werknemer toegekend. Eigendom. Revindicatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie: Groningen

Zaak\rolnummer: 2417914 CV EXPL 13-13068

Vonnis d.d. 13 februari 2014

inzake

[naam],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

eiser, hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde: mr. D.J. Bornhof, advocaat ten kantore van Bornhof Van Uitert Advocaten te Drachten,

tegen

1 de besloten vennootschap [gedaagde 1],

gevestigd en kantoorhoudende te [plaatsnaam], [adres],

2. de besloten vennootschap [gedaagde 2],

gevestigd te [plaatsnaam], [adres],

gedaagden, hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te noemen,

gemachtigde: de heer [naam], directeur van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

PROCESGANG

De procesgang blijkt uit het volgende:

  • -

    dagvaarding;

  • -

    conclusie van antwoord;

  • -

    conclusie van repliek, tevens akte houdende wijziging van eis;

  • -

    conclusie van dupliek.

Partijen hebben producties in het geding gebracht.

Vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De vaststaande feiten

1.1

[A] is bestuurder van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2].

1.2

Op [datum] is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde 1] Per [datum] is het dienstverband bij [gedaagde 1] overgegaan op [gedaagde 2]. Sindsdien ontvangt [eiser] ook loonstroken van [gedaagde 2]. De door [eiser] te verrichten werkzaamheden, noch de arbeidsplaats is gewijzigd.

1.3

[eiser] heeft vanwege zijn arbeidshandicap op 28 april 2008 via zijn toenmalige werkgever [gedaagde 1] bij het UWV een vergoeding aangevraagd voor een elektrische pompkar voorzien van meerijdplatform als meeneembare werkvoorziening. Bij beschikking van 17 november 2008 heeft het UWV deze vergoeding definitief aan [eiser] toegekend. De vergoeding betreft een bedrag van € 8.535,00.

1.4

[gedaagde 1] heeft de pompkar in het najaar 2008 rechtstreeks bij [merk] aangekocht. Zij heeft daarvoor een bedrag van € 8.253,84 (€ 6.936,00 aanschafwaarde, vermeerderd met € 1.317,84 aan btw) betaald.

1.5

Op 28 januari 2009 heeft het UWV [gedaagde 1] schadeloos gesteld door betaling aan haar van een bedrag van € 8.160,54. Bij brief van 25 april 2013 heeft het UWV op verzoek van [eiser] ter zake het volgende verklaard:

Per beschikking van 17 november 2008 werd u in aanmerking gebracht voor vergoeding van een elektrische pompwagen, […], als meeneembare werkvoorziening.
Dit houdt in dat deze voorziening uw eigendom is geworden, vanaf het moment dat de betaling door UWV werd verricht.


In eerste instantie werd deze voorziening door uw werkgever gehuurd/aangeschaft, waarbij haar betalingen aan de leverancier van de pompwagen als een voorschotbetaling voor u moeten worden beschouwd.

UWV heeft uw werkgever, [gedaagde 1] te [plaatsnaam], op 28 januari 2009 schadeloos gesteld, door een betaling ad. 8.160,54 te doen op haar rekeningnummer […].

Dit bedrag bestaat uit de volgende onderdelen:


€. 6.936,00 = aanschafkosten, €. 434,20 = huur augustus 2008, € 538,90 = huur sept. 2008 en €. 251,44 = huur okt. 2008.

1.6

Sinds de aanschaf in 2008 maakt [eiser], aanvankelijk bij [gedaagde 1] en later bij [gedaagde 2]., bij zijn werkzaamheden gebruik van de pompkar.

1.7

Per 20 augustus 2013 heeft [gedaagde 2]., na verkrijging van een ontslagvergunning van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd. [eiser] heeft de pompkar niet meegekregen van [gedaagde 2]. bij het einde van het dienstverband.

1.8

Bij brief van 8 april 2013 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde 2]. aangeschreven met het verzoek tot afgifte van de pompkar. In reactie hierop heeft [gedaagde 2]. laten weten dat zij geen pompkar tot haar beschikking heeft die in eigendom toebehoort aan [eiser].

1.9

Op 26 augustus 2013 heeft [eiser] ten laste van [gedaagde 1], [gedaagde 2]. en [A] conservatoir beslag doen leggen tot afgifte van de pompkar met meerijdplatform. De kar is in gerechtelijke bewaring gegeven.

2 De vordering

2.1

[eiser] heeft (na wijziging van eis) gevorderd om gedaagden hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk te veroordelen tot:

  1. afgifte van de elektrische pompkar met meerijdplatvorm ([nummer]met serienummer [nummer]);

  2. betaling van € 462,00 aan door [eiser] gemaakte beslagkosten, inclusief de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht;

  3. betaling van de wettelijke rente;

  4. betaling van € 744,90 ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten;

  5. betaling van de proceskosten.

2.2

Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de vordering.

3 De standpunten van partijen

3.1

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de door het UWV vergoede meeneembare voorziening aan hem in eigendom toebehoort. Hij meent dan ook recht van revindicatie te hebben. [gedaagde 1] had de pompkar feitelijk onder zich ten tijde van het beslag, zodat zij primair als houder heeft te gelden. [eiser] verrichtte zijn werkzaamheden evenwel voor [gedaagde 2]., aan het adres van [gedaagde 1] [gedaagde 2]. laat namelijk werkzaamheden uitvoeren aan het adres van [gedaagde 1], de oud werkgever via welke [eiser] de voorziening heeft aangevraagd. Beide vennootschappen zijn volgens [eiser] daarom mogelijk als houder aan te merken. [eiser] heeft om die reden beide vennootschappen gedagvaard en gevorderd om hun hoofdelijk dan wel ieder afzonderlijk te veroordelen.

3.2

Gedaagden hebben als verweer gevoerd dat de leverancier van de pompkar, [merk], de factuur op naam heeft gezet van [gedaagde 1] en deze ook door dan wel namens [gedaagde 1] is betaald. [gedaagde 1] is dan ook eigenaar geworden van de pompkar. Met het UWV noch met [eiser] is overeengekomen dat [eiser] eigenaar zou worden. De omstandigheid dat [gedaagde 1] een bedrag van € 8.160,54 van het UWV heeft ontvangen, betekent niet dat de eigendom van de pompkar is overgegaan op [eiser]. Een dergelijke voorwaarde is niet gesteld aan de acceptatie van voormeld bedrag. Het UWV kan bovendien niet eenzijdig bepalen dat de eigendom van [gedaagde 1] op [eiser] overgaat. Daar komt bij dat het door het UWV ontvangen bedrag lager is dan het bedrag dat voor de pompkar is betaald. Ten slotte hebben gedaagden gesteld dat [eiser] niet bij [gedaagde 1] in dienst was en [gedaagde 1] daarom sowieso niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [eiser] ingestelde vorderingen.

4 De beoordeling

4.1

In essentie is aan de orde de vraag aan wie de eigendom toebehoort van de elektrische pompkar met meerijdplatform. De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt.

4.2

Vast staat dat het UWV bij beschikking van 17 november 2008 op aanvraag van [eiser] aan hem een vergoeding heeft toegekend voor de aanschaf van een elektrische pompkar voorzien van meerijdplatform als meeneembare werkvoorziening. In de beschikking is verder vermeld dat [eiser] de voorziening zelf moet regelen en dat het UWV de vergoeding daarvoor na ontvangst van de originele nota aan [eiser] zal overmaken.

4.3

Op grond van voormelde beschikking moet naar het oordeel van de kantonrechter worden geoordeeld dat [eiser], als aanvrager van de vergoeding, eigenaar is van de elektrische pompkar. De omstandigheid dat [gedaagde 1], en niet [eiser], de elektrische pompkar aanvankelijk heeft betaald, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het door [gedaagde 1] betaalde bedrag is immers op 28 januari 2009 door het UWV aan haar vergoed. Hieruit volgt - zoals het UWV ook verklaart in haar brief van 25 april 2013 - dat de betaling van [gedaagde 1] had te gelden als een voorschot ten behoeve van [eiser]. Een andere verklaring voor de ontvangst van het door het UWV aan [gedaagde 1] betaalde bedrag heeft [gedaagde 1] ook niet gegeven.

4.4

Aan de stelling van gedaagden dat het door het UWV aan [gedaagde 1] uitgekeerde bedrag lager is dan het aankoopbedrag van de pompkar, gaat de kantonrechter voorbij. Uit de verklaring van het UWV, als opgenomen in de brief van 25 april 2013, blijkt dat de aanschafwaarde van de pompkar exclusief btw aan [gedaagde 1] is overgemaakt. Door gedaagden is in dit verband erkend dat zij recht hebben op aftrek van voorbelasting met betrekking tot aan hen verrichte leveringen. Nu de factuur van de pompkar op naam van [gedaagde 1] is gesteld, heeft zij van voormeld recht gebruik kunnen maken.

4.5

Voorgaande rechtsoverwegingen leiden tot de conclusie dat [eiser] recht van revindicatie heeft. De vraag is evenwel jegens wie [eiser] dat recht kan uitoefenen. Gedaagden hebben immers gesteld dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de afgifte van de pompkar, omdat [eiser] bij [gedaagde 2]. in dienst was. De vraag bij wie [eiser] in dienst was doet echter niet ter zake. Het gaat er in deze zaak om wie de houder is van de pompkar. Vanwege de nauwe verwevenheid van beide (nog bestaande) vennootschappen en hun activiteiten, zoals blijkt uit de onweersproken stellingen van [eiser], bestaat hierover geen duidelijkheid. De kantonrechter acht beide vennootschappen daarom aansprakelijk en zal de vordering tot afgifte van de elektrische pompkar met meerijdplatvorm daarom hoofdelijk toewijzen.

4.6

Nu [eiser] recht heeft op afgifte van de pompkar, stond het hem vrij om daarop conservatoir beslag te doen leggen. Op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan [eiser] de kosten van het beslag van gedaagden terugvorderen. Dit deel van de vordering zal dan ook - eveneens hoofdelijk - worden toegewezen, inclusief de daarover gevorderde rente vanaf de dag der dagvaarding.

4.7

De vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat niet is gebleken van werkzaamheden anders dan ter voorbereiding van de processtukken en instructie van de zaak. De enkele brief van 8 april 2013 is onvoldoende om deze vordering te kunnen dragen.

4.8

Gedaagden zullen ten slotte als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot afgifte van de elektrische pompkar met meerijdplatvorm ([nummer] met serienummer [nummer]);

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 462,00 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2013 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 213,00 aan vastrecht, € 92,82 aan explootkosten en € 300,00 aan salaris van de gemachtigde.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- ontzegt voor zover nodig het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 13 februari 2014 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mb