Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:717

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
18.920334-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder dit feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 30 december 2013, waaruit blijkt dat zij eerder is veroordeeld ook terzake van mishandeling.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen en heeft de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging gevorderd.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling niet aan de orde kan zijn.

Nu de rechtbank komt tot de bewezenverklaring van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling is het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet mogelijk.

Mishandeling is een misdrijf, waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor ten hoogste drie jaren is gesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht artikel 285, geldigheid: 2014-02-13
Wetboek van Strafrecht artikel 300, geldigheid: 2014-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.920334-13

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 11 februari 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in F.P.C. Oldenkotte,

Kienvenneweg 18 te Rekken.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 28 januari 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. S. Burmeister, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

zij op of omstreeks 13 augustus 2013, te Beilen, althans in de gemeente Midden-Drenthe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die Van dalen, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hals en/of de/een arm en/of de borst en/of de rug heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat  

zij op of omstreeks 13 augustus 2013, te Beilen, althans in de gemeente Midden-Drenthe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die Van Dalen, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hals en/of de/een arm en/of de borst en/of de rug heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Beilen, althans in de gemeente Midden-Drenthe, opzettelijk mishandelend[benadeelde], meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hals en/of de/een arm en/of de borst en/of de rug heeft gestoken/geprikt, waardoor die [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Stahlmecke-Mook acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dat zij zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Verder vordert de officier van justitie de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vrijspraak

De verdachte dient van het haar zowel primair als subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit, evenals de verdachte en diens raadsman en anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een reële mogelijkheid dat het slachtoffer door toedoen van verdachtes handelen, te weten het zwaaien met een aardappelschilmesje in de richting van het slachtoffer, zou komen te overlijden of daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. De rechtbank baseert zich hierbij onder meer op het gebruikte aardappelschilmesje en op de foto’s uit het proces-verbaal van politie, waarop is te zien dat de verwondingen afweerletsels betreffen, bestaande onder meer uit oppervlakkige lange krassen op de arm van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat het mes zo scherp was dat daarmee de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel kon worden toegebracht door daarmee zwaaiende bewegingen te maken.

De rechtbank leidt uit de haar ter beschikking staande stukken af dat door verdachtes handelen geen vitale lichaamsdelen en organen van het slachtoffer zijn geraakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, gelet op het bovenstaande geen opzet, ook niet in voorwaardelijk zin, gehad op de dood van de verdachte dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Wel acht de rechtbank, net als de raadsman van verdachte de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling bewezen.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte, hetgeen de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren, niet heeft weersproken en nadien niet anders heeft verklaard en zij noch haar raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

1.

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2014.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Drenthe, District Zuidwest, Basiseenheid Hoogeveen/Midden-Drenthe, registratienummer: PL033V 2013058703 d.d. 15 augustus 2013 met bijlagen, onder meer inhoudende:

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van politie Drenthe, district Zuidwest, Basiseenheid Hoogeveen/Midden-Drenthe, proces-verbaalnummer PL033V 2013058703-1 d.d. 14 augustus 2013, houdende de verklaring van aangever[benadeelde] (pagina’s 17 en 18);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, CT Midden-Drenthe/Hoogeveen-Oost, Basiseenheid Midden-Drenthe/Hoogeveen-Oost, BVH-nummer 2013058703 d.d. 14 augustus 2013, houdende de verklaring van de getuige [getuige 1] (pagina’s 27 t/m 29);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, CT Midden-Drenthe/Hoogeveen-Oost, Basiseenheid Midden-Drenthe/Hoogeveen-Oost, BVH-nummer 2013058703 d.d. 14 augustus 2013, houdende de verklaring van de getuige [getuige 2] (pagina’s 30 en 31);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van politie Drenthe, district Zuidwest, Basiseenheid Hoogeveen/Midden-Drenthe, proces-verbaalnummer PL033V 2013058703-8 d.d. 14 augustus 2013, houdende de verklaring van de getuige [getuige 3] (pagina 33);

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het haar meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 13 augustus 2013 te Beilen opzettelijk mishandelend [benadeelde] met een mes in de hals en de arm en de borst heeft geprikt, waardoor die [benadeelde] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het haar meer subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het subsidiair bewezen geachte levert op:

Mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 23 december 2013, opgemaakt door mevr. drs. M. Drost, psychiater te Almelo en ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie, dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk een persoonlijkheidsstoornis.

Op grond hiervan adviseert de psychiater verdachte voor het ten laste gelegde

verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 13 december 2013, opgemaakt door mevr. drs. M. van Tongeren, GZ-psycholoog te Almelo en ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen, die tot dezelfde conclusie komt.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusies van de psychiater en de psycholoog en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder dit feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 30 december 2013, waaruit blijkt dat zij eerder is veroordeeld ook terzake van mishandeling.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen en heeft de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging gevorderd.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling niet aan de orde kan zijn.

Nu de rechtbank komt tot de bewezenverklaring van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling is het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet mogelijk.

Mishandeling is een misdrijf, waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor ten hoogste drie jaren is gesteld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval

het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is.

Verbeurdverklaring

De rechtbank acht het hierna te vermelden onder de verdachte in beslag genomen goed, waarvan niet is kunnen worden vastgesteld aan wie dat goed toebehoort, te weten een aardappelschilmesje, met blauw heft, vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien met behulp van dit voorwerp het bewezen verklaarde feit is begaan.

Benadeelde partij[benadeelde]

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting een vordering tot vergoeding van geleden (immateriële) schade ingediend ten bedrage van € 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot een bedrag van € 350,00 voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal het meer of anders gevorderde afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel[benadeelde]

Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot een bedrag van € 350,00 aansprakelijk voor de schade, die door dat strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de eventueel op te leggen gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd het navolgende in beslag genomen voorwerp, te weten

een aardappelschilmesje met blauw heft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde][benadeelde], van de som van € 350,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst af het meer of anders gevorderde.

De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de Staat, ten behoeve

van het slachtoffer[benadeelde][benadeelde][benadeelde], een bedrag van € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag, te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voor-meld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en mrs. O.J. Bosker en S. Zwerwer, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 11 februari 2014, zijnde mr. S. Zwerwer buiten staat dit vonnis binnen de daartoe door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.