Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:692

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
587717 \ CV EXPL 13-6003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wijziging bonnen, wijziging functie in strijd met gemaakte afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 587717 \ CV EXPL 13-6003

Vonnis d.d. 12 februari 2014

inzake

[naam],

wonende te [plaatsnaam], aan de [adres],

eiser, hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde mr. J.A.M.Staal-Olislaegers, advocaat te Winschoten,

tegen

de besloten vennootschap [naam],

gevestigd te [plaatsnaam], aan de [adres],

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde mr. M. Spaa, advocaat te Voorburg.

PROCESGANG

[eiser] heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag aan hoofdsom van € 2.671,78 te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging over dat bedrag en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ad € 626,10 (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde posten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[gedaagde] heeft de vorderingen betwist.

Bij vonnis van 19 juni 2013 is een comparitie van partijen bepaald. Die comparitie heeft plaatsgehad op 3 oktober 2013. Partijen zijn ter comparitie verschenen bijgestaan door hun raadslieden. Voor [gedaagde] is verschenen de heer [naam], controller.

Partijen hebben een nadere toelichting gegeven. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen en nader schriftelijk te concluderen.

Partijen hebben vervolgens nader geconcludeerd waarna vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 Feiten en omstandigheden

1.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende betwist alsmede gelet op de overgelegde producties voor zover niet betwist, staat tussen partijen het navolgende vast.

1.2

[eiser] is op 6 juni 1994 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van monteur. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is vermeld dat op de arbeidsverhouding de cao voor het elektrotechnisch bedrijf van toepassing is.

1.3

De eenmanszaak van [gedaagde] is op 1 mei 2010 overgenomen door [gedaagde]. [gedaagde] maakt deel uit van de besloten vennootschap [naam] BV.

[eiser] is door [gedaagde] van 1 oktober 2010 tot 1 maart 2012 gedetacheerd bij de besloten vennootschap [A], een zustervennootschap van [gedaagde], in de functie van fungerend bedrijfsleider/meewerkend voorman. Zijn salaris is daarbij verhoogd en gesteld op € 3.500,00 bruto per maand. Op de salarisspecificaties is onder meer vermeld "bedrijfsleider (algemeen)".

1.4

Bij e-mail van 13 februari 2012 heeft (de directeur van) [gedaagde] aan [eiser] onder meer het navolgende medegedeeld: "Ik zie dat het rustig is bij [A]. Bij [gedaagde] hebben we voldoende werk, mede doordat [naam] afwezig is en we de DAB orders aan het bouwen zijn wil ik jou voorstellen dat jij de komende tijd in [plaatsnaam] gaat werken."

1.5

Bij brief van 12 maart 2012 heeft (de directeur van) [gedaagde] aan [eiser] onder meer het navolgende bericht: "Zoals op 15 februari 2012 ten kantore van ons bedrijf [vestiging] [plaatsnaam] besproken bevestigen wij met dit schrijven de besproken zaken.

… ….

De afgelopen maanden hebben wij, ondergetekende en de laatste maanden de heer [B] meerdere malen met jou gesproken over het functioneren van jou als vestigingsleider bij [A].

… ….

In het gesprek met jou in ons bedrijf te Hoogeveen d.d. 10 januari 2012 in het bijzijn van ondergetekende en de heer [B] gaf jij meerdere malen duidelijk te kennen dat leidinggeven niet jouw sterkste kant is.

… ….. …

Wij hebben in het gesprek d.d. 15 februari 2012 met jou besproken dat jij je voormalige functie als monteur bij [vestiging] [plaatsnaam] weer oppakt met behoud van het basis bruto maandsalaris zoals genoten in functie bij [A]. Met ingang van 1 april 2012 wordt jouw salaris verwerkt in de loonadministratie van [vestiging] [plaatsnaam].

Opmerkende dat eventuele extra te maken effectieve door de vestigingsleider geaccordeerde werkuren met een maximum van 6 uren per werkweek onderdeel van het basissalaris zijn. Deze mogelijke overuren zullen wij per 2 maanden middelen/verwerken.

Alleen extra uren, welke door ons door gefactureerd kunnen worden aan de klant, zijn declarabele en worden via de loonadministratie uitbetaald.

…. …. ….

… …. ….

Mocht jij besluiten om terug te willen naar het salaris wat jij voorheen bij [gedaagde] genoot dan is de overeenkomst inzake de max. 6 overuren niet meer van toepassing. Wij laten dit besluit aan jou over.

…. ….

….. ….

Wij stellen het op prijs om binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven jouw keuze in de voortgang te ontvangen. "

1.6

[eiser] heeft vanaf 1 maart 2012 hervat in zijn oude werkzaamheden, de werkzaamheden van (eerste) monteur.

1.7

Op 24 juli 2012 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [gedaagde] en [eiser] omtrent het salaris van [eiser].

Bij brief van 3 augustus 2012 heeft (de sales en marketing manager van) [gedaagde] [eiser] onder meer het navolgende medegedeeld: "Omdat jij vanaf 1 april bent teruggekeerd bij ons bedrijf [vestiging] [plaatsnaam] BV in de functie van 1 e monteur, is het vanzelfsprekend dat e.e.a. omtrent de salariëring wordt vastgelegd.

In het salaris dat jij tot en met juli van dit jaar hebt genoten zitten 6 overuren per week in verwerkt. Hierdoor zullen wij de uren die jij vanaf februari van dit jaar te veel hebt opgenomen, verrekenen met het salaris van augustus 2012. Uiteraard ontvang jij van ons een specificatie van de verrekening.

Het handhaven van het huidige salaris is geen optie meer, omdat dit salaris is gekoppeld aan een andere, maar ook "zwaardere "functie.

Jouw salaris is volgens de cao indexering per 1 augustus bruto € 3.146,59 per maand. Door ondertekening van dit schrijven door beide partijen blijft het salaris ook aan het CAO gekoppeld. Eventuele overuren, op verzoek van de werkgever, worden uitbetaald conform de regeling zoals deze zijn opgenomen in het CAO. Met het ondertekenen van deze brief bevestig jij akkoord te gaan met het bovengenoemde voorstel."

1.8

[eiser] heeft de brief niet voor akkoord ondertekend. Bij schrijven van 27 augustus 2012 heeft (de gemachtigde van) [eiser] aan [gedaagde] medegedeeld dat [eiser] niet akkoord ging met die verlaging van zijn salaris en heeft tevens aangegeven dat de gewerkte overuren conform de cao dienen te worden betaald dan wel met vrije tijd dienen te worden gecompenseerd.

1.9

[gedaagde] heeft met ingang van 1 augustus 2012 het salaris van [gedaagde] op een bedrag van € 3.146,59 gesteld en betaald. Op de salarisspecificaties is daarbij als functie vermeld: "monteur (algemeen)".

1.10

[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 28 februari 2013.

2 Het standpunt van [eiser]

2.1

[eiser] heeft bij dagvaarding aangegeven dat hij op het moment van de overname in 2010 als bedrijfsleider/meewerkend voorman werkte. In de periode 1 oktober 2010 tot en met februari 2012 is hij in die functie werkzaam geweest bij [A]. Daarbij is zijn salaris verhoogd naar € 3.500,00. Mondeling is zelfs toegezegd dat zijn salaris in april 2011 zou worden verhoogd naar € 4.000,00 per maand doch die salarisverhoging is niet ingevuld.

2.2

In de arbeidsovereenkomst is geen eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen als bedoeld in artikel 7:613 BW. Hij heeft niet ingestemd met de in de brief van de 3 augustus 2012 voorgestelde salarisverlaging. Vanaf augustus 2012 tot en met februari 2013 is hem maandelijks in plaats van het overeengekomen bedrag van € 3.500,00 een bedrag van

€ 3.146,59, een verschil van € 353,41 bruto per maand, betaald.

Hij maakt aanspraak op een bedrag van (zeven maal € 353,41) € 2.473,87 bruto aan loon te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, een bedrag van € 197,91, uitmakend een bedrag van

€ 2.671,78. Tevens vordert hij 50% wettelijke verhoging over dat bedrag.

2.3

Bij repliek heeft [eiser] alsnog overgelegd een e-mail van 13 februari en een brief van 12 maart 2012 van [gedaagde] aan [eiser]. [eiser] heeft niet ingestemd met terugkeer naar zijn oude functie. In de e-mail is slechts voorgesteld dat hij de komende periode in [plaatsnaam] zou gaan werken omdat het op de locatie bij [A] rustig was.

Met de brief van 12 maart 2012 is bevestigd dat hij zijn voormalige functie als monteur zou oppakken bij [gedaagde] [plaatsnaam] met behoud van het basis bruto maandsalaris in de functie bij [A].

Hij heeft gekozen voor behoud van het salaris in de functie bij [A]. Dit blijkt ook wel uit het feit dat hij gedurende een periode van vijf maanden dat salaris nog heeft ontvangen. Onmiddellijk nadat zijn salaris werd verlaagd heeft hij daartegen bezwaar gemaakt.

3 Het standpunt van [gedaagde]

3.1

[eiser] was op het moment van overname werkzaam als eerste monteur bij [gedaagde]. Hij is vervolgens gedetacheerd waarbij zijn salaris tijdelijk is verhoogd naar € 3.500,00 bruto per maand. In augustus 2011 is geconstateerd dat [eiser] onvoldoende geschikt was voor die functie. Om die reden is hem begin 2012 voorgesteld terug te keren in zijn oude functie van eerste monteur. De (reden van die) functiewijziging stond ook tussen partijen niet ter discussie. Vanaf 1 maart 2012 heeft hij ook feitelijk de werkzaamheden van eerste monteur uitgeoefend.

3.2

In artikel 36 van de (algemeen verbindend verklaarde) cao Metaal en Techniek Technische Installatiebedrijven (opvolger van de cao voor het elektrotechnisch bedrijf) is in het derde lid bepaald: "De werknemer die een functie gaat vervullen welke in een lagere salarisgroep is ingedeeld, zal ten minste drie betalingsperioden nog het salaris blijven ontvangen dat hij in de vorige functie verdiende. Vervolgens kan hij al dan niet getemporiseerd in de nieuwe salarisgroep worden ingedeeld."

3.3

[eiser] is in maart 2012 zijn oude functie gaan vervullen. Eerst na vijf maanden is hij terecht en in overeenstemming met dat cao artikel ingedeeld in de salarisgroep van eerste monteur. [gedaagde] heeft dan ook naar maatstaven van redelijkheid in die salarisgroep kunnen indelen. Van [gedaagde] mocht niet verwacht worden dat [eiser] werd teruggeplaatst in de oude functie met behoud van het salaris van fungerend bedrijfsleider. Hij heeft er ook redelijkerwijs niet op mogen vertrouwen dat die terugplaatsing geen gevolgen had voor zijn arbeidsvoorwaarden.

3.4

Bij dupliek heeft [gedaagde] nader aangegeven dat in de e-mail van 13 februari 2012 op dat moment volstaan is met die toelichting. In de brief van 12 maart 2012 is echter een uitvoerige toelichting gegeven waaruit blijkt dat het tekortschieten in leidinggeven van [eiser] reden was om hem weer definitief naar [vestiging] [plaatsnaam] te halen.

[gedaagde] heeft [eiser] verzocht binnen 14 dagen een keus kenbaar te maken. Die keuze was of het behouden van het salaris dat hij verdiende bij [A], inclusief gemiddeld 6 overuren per week, of een terugkeer naar zijn oude salaris bij [gedaagde] [plaatsnaam].

[eiser] heeft echter geen keus kenbaar gemaakt. Omdat hij geen keus heeft gemaakt, heeft op 24 juli 2012 een bespreking met hem plaatsgehad, vastgelegd in de brief van 3 augustus 2012.

[gedaagde] heeft met toepassing van het bepaalde in artikel 36 derde lid cao enige tijd het salaris van € 3.500,00 bruto per maand doorbetaald en heeft hem vervolgens per 1 augustus 2012 ingedeeld in de salarisgroep van eerste monteur tegen een salaris van € 3.146,59. Door het uitblijven van een keuze door [eiser], mocht [gedaagde] er vanuit gaan dat dit een aanvaarding inhield van de toepassing van de arbeidsvoorwaarden in de oude functie en het lagere salaris. [eiser] heeft ook geen overuren meer gemaakt en stelt dat ook niet.

4 Beoordeling

4.1

Overwogen wordt als volgt. [eiser] heeft bij repliek niet meer, concreet, betwist dat hij voordat hij te werk werd gesteld bij [A], bij [vestiging] [plaatsnaam] werkzaam was als eerste monteur.

Bij de beoordeling wordt er dan ook van uitgegaan dat hij voor die detachering werkzaam was in de functie van eerste monteur en dat hij ingaande 1 maart 2012 wederom in zijn oude functie heeft hervat bij [gedaagde] [plaatsnaam].

4.2

Uit de brief van 12 maart 2012 valt voorts op te maken dat (de directeur van) [gedaagde] [eiser] heeft medegedeeld dat de reden voor de plaatsing in zijn voormalige functie met name was gelegen in zijn functioneren als vestigingsleider.

Tevens wordt vastgesteld dat [eiser] tegen de terugplaatsing in zijn oude functie van eerste monteur geen bezwaar heeft gemaakt, althans niet heeft aangegeven dat hij hervatting van het werk in de functie van vestigingsleider wilde.

4.3

[eiser] heeft bij dagvaarding gesteld dat in de arbeidsovereenkomst geen wijzigingsbeding is opgenomen. [eiser] heeft na het gestelde bij antwoord, niet meer betwist dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn de bepalingen van de cao Metaal en Techniek Technische Installatiebedrijven. In artikel 36 derde lid van die cao is een bevoegdheid voor de werkgever opgenomen voor aanpassing van het salaris indien een werknemer in een lagere salarisgroep is ingedeeld. Die salarisverlaging vloeit derhalve niet automatisch uit het artikel voort.

4.4

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] als werkgever op basis van artikel 36, derde lid van de cao het salaris kan verlagen dan wel dat op basis van de criteria van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008 (LJN BD1847, Stoof/Mammoet) [eiser] als werknemer gehouden is om het voorstel tot verlaging van het salaris te accepteren wegens een terugplaatsing in functie, doet zich de allereerst vraag voor of, en zo ja welke afspraken partijen hebben gemaakt over het salaris van [eiser] bij terugplaatsing in zijn oude functie.

4.5

In de brief van 12 maart 2012 (van de directeur) van [gedaagde] wordt bevestigd dat in het gesprek van 15 februari 2012 met [eiser] is besproken dat hij zijn voormalige functie weer oppakte met behoud van het basis bruto maandsalaris als genoten in de functie bij [A]. Tevens is vermeld dat het salaris met ingang van 1 april 2012 in de loonadministratie van [gedaagde] wordt verwerkt.

4.6

[gedaagde] heeft bij dupliek gesteld dat [eiser] binnen 14 dagen na die brief een keuze had dienen te maken als vermeld in die brief. Nu dat niet is gebeurd, mocht [gedaagde] op basis van het bepaalde in artikel 36 derde lid cao het salaris gaan betalen behorende bij de functie van eerste monteur. Omdat er geen overuren zijn gemaakt, hoefden die, aldus [gedaagde], ook niet te worden betaald.

4.7

Vooropgesteld wordt dat, mede gelet op de veelheid van andere onderwerpen in die brief, niet zonder meer duidelijk is wat bedoeld wordt met "jouw keuze in de voortgang te ontvangen."

Uitgaande van een te maken keuze als bij dupliek is aangegeven door [gedaagde], wordt vastgesteld dat in ieder geval in die brief niet is aangegeven wat het gevolg zou zijn indien [eiser] niet dan wel niet tijdig een keuze maakte. Zo is bij de opmerking over een eventuele terugkeer naar zijn oude basissalaris en de afrekening overuren slechts vermeld: "Wij laten dit besluit aan jou over."

4.8

Ter comparitie is gebleken dat de vertegenwoordiger en de raadsman van [gedaagde] niet op de hoogte waren van de inhoud van de brief (van de directeur) van [gedaagde] van 12 maart 2012. Het valt op dat in de brief van 3 augustus 2012 van (de sales en marketing manager van) [gedaagde] ook op geen enkele wijze wordt verwezen naar de brief van 12 maart 2012 en de gevolgen van het uitblijven van het maken van een keuze.

4.9

Op basis van het gestelde in de brief van 3 maart 2012 mocht en kon [gedaagde] er dan ook niet van uitgaan dat het uitblijven van een tijdige keus een terugkeer naar het oude basissalaris betekende. Daarbij komt dat [gedaagde] vanaf maart 2012 het salaris behorende bij de functie van vestigingsleider, een bruto maandsalaris van € 3.500,00 per maand, aan [eiser] is blijven betalen tot augustus 2012.

[eiser] mocht er van zijn kant op grond van de inhoud van de brief van 3 maart 2012 in combinatie met de gedane betalingen redelijkerwijs van uitgaan dat aan hem dat bruto maandsalaris van € 3.500,00 per maand zou worden doorbetaald.

4.10

[eiser] heeft nadat [gedaagde] hem bij schrijven van 3 augustus 2012 heeft voorgesteld het salaris te verlagen, aangegeven daarmee niet in te stemmen. Ook daaruit had [gedaagde] in moeten en kunnen afleiden dat [eiser] in ieder geval niet de keus maakte om terug te vallen op het voordien geldende salaris in de functie van eerste monteur doch koos voor behoud van het salaris in de voordien vervulde functie van vestigingsleider.

Kennelijk is vanaf maart 2012 in de functie van eerste monteur van het draaien van overuren ook geen sprake meer geweest.

4.11

Op grond van vorenstaande overwegingen wordt geoordeeld dat [gedaagde] ten onrechte namelijk in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken omtrent behoud van het salaris als vastgelegd in de brief van 3 maart 2012, ingaande augustus 2012 het salaris van [eiser] heeft verlaagd.

4.12

De loonvordering, zeven maanden maal het salarisverschil vermeerderd met de vakantietoeslag, is dan ook toewijsbaar, uitmakend een bedrag van € 2.671,78 bruto.

De vordering wettelijke verhoging is toewijsbaar zij het dat gelet op alle omstandigheden van het geval, de kantonrechter aanleiding ziet die verhoging te matigen tot 10% over voormeld bedrag. Tevens is toewijsbaar de wettelijke rente over voormelde bedragen.

4.13

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter het volgende.

De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De tarieven van het Besluit zijn voor niet-consumenten van regelend recht. Partijen kunnen hier in onderling overleg van afwijken. Nu hiervan niet is gebleken dienen de hoogte van de vergoeding te worden berekend op basis van het Besluit. De vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 555,36. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar.

5 Proceskosten

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld.

Beslissing:

De kantonrechter:

-veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van betaling aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 2.671,78 bruto vermeerderd met 10% wettelijke verhoging over dat bedrag en de wettelijke rente over die bedragen vanaf 1 maart 2013 alsmede een bedrag van € 555,36 aan buitengerechtelijke incassokosten;

-veroordeelt [gedaagde] tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 97,06 aan explootkosten, € 213,00 aan griffierecht en

€ 600,00 voor salaris van de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

-ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 12 februari 2014 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: BvdB

coll: