Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6878

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
LEE 14/1117 en 14/1118
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning biogasinstallatie. Uitleg omvang gezoneerd industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder. Nu de Klaas Nieboerweg niet binnen een aldus aangeduid terrein ligt, is de rechtbank van oordeel dat de Klaas Nieboerweg niet binnen een gezoneerd industrieterrein ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

zittingsplaats Groningen

Afdeling bestuursrecht

zaaknummers: LEE 14/117 en 14/1118

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats],

[eiseres]., te [plaats],

(gemachtigde: mr. A.H. Gaastra),

eisers

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen,

verweerder

(gemachtigden: J. Post, E. Halsema en A. Hofstee).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: M.J. de Cloet, te Foxhol.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van het realiseren van een biogasinstallatie geweigerd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2014. Namens [eiseres] zijn [naam] en [naam] verschenen. Namens AVEBE is [naam] verschenen, bijgestaan door genoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door genoemde gemachtigden. Derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 7 maart 2013 heeft [eiseres] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een biogasinstallatie op de locatie [adres] te [plaats]. In de periode van 10 juni 2013 tot en met 22 juli 2013 heeft het ontwerp-besluit tot vergunning-verlening ter inzage gelegen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft onderzoek plaatsgevonden naar het geluidsaspect en het geldende bestemmingsplan Spoorbaan - Gerrit Imbosstraat. In de periode van 3 oktober 2013 tot en met 13 november 2013 heeft het ontwerp-besluit tot weigering van de aanvraag ter inzage gelegen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag geweigerd. Verweerder heeft geconcludeerd dat de woningen aan de Klaas Nieboerweg sinds het vaststellen van het zonebesluit op 27 augustus 1991 in de zone zijn gelegen. Deze woningen vallen onder het beschermingsregime van de Wet geluidhinder (Wgh) omdat het bedrijventerrein waarop de woningen gelegen zijn en het bestemmingsplan van dit bedrijventerrein nooit onderdeel hebben uitgemaakt van het gezoneerde industrieterrein. Het feit dat hier sinds de vaststelling van het zonebesluit niet altijd naar gehandeld is maakt dit niet anders volgens verweerder. Verweerder heeft geconcludeerd dat gelet op het bepaalde in artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 2º, van de Wabo de gevraagde vergunning, vanwege strijd met de Wgh, niet kan worden verleend.

3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of het beschermingsregime van de Wgh van toepassing is op de woningen van de Klaas Nieboerweg. In dat kader dient de vraag te worden beantwoord of de Klaas Nieboerweg al dan niet in het gezoneerde industrieterrein ligt, zoals dat is vastgesteld in het zonebesluit van 27 augustus 1991.

3.1.

Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Wgh, zoals dat luidde op 27 augustus 1991, stelt de gemeenteraad, behoudens het bepaalde in artikel 64, binnen twee jaar na het tijdstip van in werking treden van dit hoofdstuk, zijnde 1 september 1982, voor elk binnen zijn gemeente gelegen terrein dat op dat tijdstip reeds een bestemming heeft, die de mogelijkheid van vestiging van inrichtingen, behorende tot een met toepassing van artikel 16, tweede lid, onder a, aangewezen categorie, insluit, een rond dat terrein gelegen zone vast, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Wgh, zoals dat luidde op 27 augustus 1991, zijn, in gevallen waarin de vaststelling van een zone krachtens artikel 53 niet deel uitmaakt van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, onverminderd de bepalingen van deze paragraaf, ter zake van de totstandkoming van het daartoe strekkende besluit de artikelen 23 t/m 28, 30, eerste en derde lid, en 31 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de Wgh, zoals dat luidde op 27 augustus 1991, wordt, ingeval een besluit van de gemeenteraad, houdende vaststelling van een zone, binnen de ingevolge artikel 53, eerste lid, geldende termijn of, bij toepassing van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, binnen de krachtens laatstgenoemd artikel geldende termijn, niet tot stand is gekomen, de zone door gedeputeerde staten vastgesteld.

Ingevolge artikel 59, van de Whg, zoals dat luidde op 27 augustus 1991, wordt, indien gedeputeerde staten nalaten toepassing te geven aan artikel 57 of aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening - ingeval die bepaling op grond van artikel 57, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is- daarin door de Kroon voorzien.

Ingevolge artikel 64, van de Whg, zoals dat luidde op 27 augustus 1991, wordt, in de gevallen waarin blijkens het onderzoek, bedoeld in artikel 62, het gebied rond een terrein als bedoeld in artikel 53, eerste lid, waarbinnen met inachtneming van de krachtens artikel 17 reeds verleende vergunningen en de daaraan verbonden voorschriften een hogere geluidsbelasting, vanwege het terrein, dan 50 dB(A) optreedt, gelegen is in het gebied van meer dan één gemeente, de zone, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 53 en 54, door provinciale staten vastgesteld. De artikelen 57, tweede lid, 58 en 59 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat op 1 september 1982 hoofdstuk V van de Wgh in werking is getreden. In dit hoofdstuk was een overgangsregeling opgenomen die regels bevatte voor de vaststelling van geluidszones rond industrieterreinen, die de bestemming industrieterrein al bezaten vanaf een tijdstip, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet. Hieronder vielen in ieder geval bestaande industrieterreinen, al dan niet voorkomend in een bestemmingsplan. De gemeenteraden konden, wanneer een bestemmingsplan waarin een bestaand industrieterrein was opgenomen, bij de inwerkingtreding van de wet juist in herziening was, de vaststelling van de geluidszone onderdeel maken van de herziening van het bestemmingsplan. Ook kon een gemeenteraad bij de inwerkingtreding van deze wet besluiten dat een bestemmingsplan, waarin een industrieterrein was opgenomen, zou worden herzien. Indien bij de inwerkingtreding van deze wet niet een herziening van het betrokken bestemmingsplan aan de orde was, werd de gemeente niet verplicht dat bestemmingsplan te herzien. De overgangsregeling schreef in dat geval voor dat de gemeenteraden verplicht waren, binnen een bepaalde termijn een geluidszone rond de daarvoor in aanmerking komende industrieterreinen vast te stellen, en wel bij een afzonderlijk besluit.

3.3.

In het onderhavige geval is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een apart zonebesluit te nemen, omdat destijds een herziening van de geldende bestemmingsplannen niet aan de orde was. Gelet op het feit dat het gebied dat in de ontwerp-zone van de betreffende industrieterreinen is begrepen in meerdere gemeenten gelegen is, diende gedeputeerde staten het zonebesluit vast te stellen. Deze vaststelling behoorde plaats te vinden voor 1 september 1984. Nu gedeputeerde staten niet binnen deze wettelijke termijn tot vaststelling van een zonebesluit is overgegaan, is, met toepassing van artikel 59 van de Wgh, het zonebesluit bij Koninklijk besluit vastgesteld op 27 augustus 1991.

3.3.1.

In dit zonebesluit is een geluidszone vastgesteld rond de industrieterreinen "Hoogezand-Waterhuizen", "Hoogezand-West", "Foxhol", "Hoogezand Noord-West en Plan Zuid" en "Martenshoek". De ligging van de zonegrenzen is, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting (TK 1975-1976, 13639, nr. 3, p. 91), het resultaat van een afwegingsproces waarbij enerzijds rekening kan worden gehouden met de gevolgen van zonering voor in de omgeving van het industrieterrein aanwezige of geplande geluidsgevoelige objecten en anderzijds rekening kan worden gehouden met de in het kader van de zonering aan de industrie toe te kennen geluidsemissieruimte. Gelet op het bepaalde in artikel 53, eerste lid van de Wgh, dient het bevoegd gezag te onderzoeken welke binnen de betreffende gemeente(n) gelegen terreinen ten tijde van het onderzoek reeds een bestemming hebben, die de mogelijkheid van vestiging van inrichtingen, behorende tot een met toepassing van artikel 16, tweede lid, onder a, aangewezen categorie, insluit. Het betreft hier inrichtingen die in een belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Rond deze terreinen dient vervolgens een zone vastgesteld te worden, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Het bevoegd gezag heeft derhalve voorafgaand aan de vaststelling van het onderhavige zonebesluit een planologische beoordeling gemaakt waarbij is vastgesteld welke zogenoemde grote lawaaimakers op de betreffende terreinen gevestigd konden worden.

3.3.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 145 van de Wgh, zoals dat luidde op 27 augustus 1991, kon tegen een besluit krachtens artikel 56, eerste lid, van deze wet, jo artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beroep worden ingesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 29 van die wet.

3.3.3.

Het voorgaande betekent dat de planologische beoordeling die destijds door het bevoegd gezag is gemaakt niet meer in rechte is aan te tasten. Dit heeft tot gevolg dat de afweging die ten aanzien van de inhoud van het zonebesluit heeft plaatsgevonden nu niet beoordeeld kan worden. Ook de door eisers opgeworpen discussie omtrent de betekenis van het begrip 'industrie' zoals opgenomen in het destijds geldende bestemmingsplan voor het industrieterrein, waarbinnen de Klaas Nieboerweg lag, kan niet leiden tot aantasting van deze planologische beoordeling.

3.3.4.

Hieruit volgt, zoals door partijen ter zitting is onderkend, dat bepalend voor de vraag of de Klaas Nieboerweg al dan niet in het gezoneerd industrieterrein ligt, de betrokken kaart en de daaraan ten grondslag liggende besluiten bepalend zijn.

3.4.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat het industrieterrein waarin de Klaas Nieboerweg ligt niet is genoemd in de zonebesluiten, terwijl alle andere betrokken terreinen wel genoemd zijn. In zoverre slaagt het betoog van eisers, dat de opsomming van de betreffende terreinen zowel in het zonebesluit als op de kaart onduidelijk, is niet.

3.4.1.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat op de bij het zonebesluit behorende kaart twee soorten aanduidingen van terreinen zijn aangetroffen, waarvan verweerder stelt dat de ene aanduiding lichtpaars is en de andere aanduiding donkerpaars is op de originele kaart. Nu verweerder de originele kaart niet heeft kunnen overleggen, beschikt de rechtbank enkel over een kopie van deze kaart, waarop de kleuren lichtgrijs en donkergrijs te onderscheiden zijn.

3.4.2.

De rechtbank stelt verder vast dat in de legenda maar één kaartsymbool met een kleuraanduiding is opgenomen. Dit betreft een donkergrijs vakje met een zwarte rand er omheen. De rechtbank constateert dat deze donkere grijstint met zwarte omranding wordt aangeduid met ‘industrieterrein (volgens bestemmingsplan)’. Nu boven de kaartsymbolen is aangegeven dat op de kaart de geluidscontouren zijn aangegeven van industrieterreinen waarop categorie A-inrichtingen zijn toegestaan, begrijpt de rechtbank de legenda aldus dat de donkergrijze gebieden met de zwarte omranding zijn aangemerkt als industrieterrein waarop grote lawaaimakers zijn toegestaan.

3.4.3.

Nu de Klaas Nieboerweg niet binnen een aldus aangeduid terrein ligt, is de rechtbank van oordeel dat de Klaas Nieboerweg niet binnen een gezoneerd industrieterrein ligt. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat de lichtgrijze gebieden onder meer water (het kanaal) omvatten en dat het niet waarschijnlijk is dat de gemeentelijke planwetgever bedoeld heeft daarop grote lawaaimakers mogelijk te maken. Voorts vloeit uit de wijze waarop de verschillende geluidscontouren zijn ingetekend voort dat het gezoneerd industrieterrein is afgegrensd op de wijze waarop het met behulp van de donkere grijstint met zwarte rand op de kaart is ingetekend.

3.4.4.

Het is de rechtbank niet gebleken dat deze zones op een later moment door middel van een planologische besluit zijn gewijzigd, zodat geconcludeerd moet worden dat de Klaas Nieboerweg niet tot het gezoneerd industrieterrein behoort.

3.4.5.

Het feit dat verweerder gedurende langere tijd in de veronderstelling verkeerde dat de Klaas Nieboerweg wel tot het gezoneerd industrieterrein behoorde en in die veronderstelling ook, naar achteraf blijkt, onjuiste besluiten heeft genomen, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze conclusie af. Het betoog van eisers slaagt op dit punt dan ook niet.

3.4.6.

Voor zover de stellingen van eisers moeten worden begrepen als een beroep op het vertrouwensbeginsel merkt de rechtbank op dat wat er ook zij van de vraag of er gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, het honoreren van deze verwachtingen direct zou worden gestuit vanwege de bescherming die de bewoners van de Klaas Nieboerweg mogen ontlenen aan het zonebesluit.

3.5.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat verweerder, gelet op artikel 2.14, eerste lid, sub c, onder 2º, van de Wabo, de aangevraagde omgevings-vergunning terecht heeft geweigerd nu is gebleken dat de grenswaarden van de Wgh voor de betreffende woningen aan de Klaas Nieboerweg worden overschreden indien de biogasinstallatie wordt gerealiseerd.

4. De beroepen van eisers zijn ongegrond.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift aan partijen verzonden op: