Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6844

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
2691584 CV EXPL 14-630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Teneinde de vraag te beantwoorden of de werknemer door deel te nemen aan hardloopwedstrijden en werkzaamheden te verrichten aan zijn woning zijn re-integratie heeft belemmerd, is naar het oordeel van de kantonrechter een medisch oordeel van een deskundige noodzakelijk. De werkgever heeft zonder overleg met de bedrijfsarts de conclusie getrokken dat de hardloopactiviteiten van zijn werknemer en de kluswerkzaamheden aan zijn woning zijn re-integratie hebben belemmerd en ertoe hebben geleid dat hij langer arbeidsongeschikt is gebleven. Het is aan het UWV of de bedrijfsarts om te beoordelen in welke mate een werknemer arbeidsongeschikt is en waartoe hij in staat is. Indien de bedrijfsarts had geoordeeld dat de werknemer deze activiteiten niet mocht verrichten en hij er desondanks mee zou zijn doorgegaan, was sprake van een wezenlijk andere situatie dan nu en was mogelijk wel sprake van grove veronachtzaming van op de werknemer rustende verplichtingen.

Gelet op het ingrijpende karakter van ontslag had het op de weg van de werkgever gelegen eerst in overleg te treden met de bedrijfsarts. De werkgever beschikte over geen enkel medisch oordeel c.q. bewijs dat de hardloopactiviteiten, dan wel de werkzaamheden rondom zijn woning aan de re-integratie van de werknemer in de weg stonden. Pas na een beoordeling door de bedrijfsarts had een eventuele sanctie kunnen volgen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0335
AR 2015/571
JAR 2015/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 2691584 CV EXPL 14-630

Vonnis d.d. 18 december 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [adres],

eiser, hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde mr. M. van de Wetering, rechtshulpverlener CNV Vakmensen,

tegen

de besloten vennootschap Technisch Centrum Jansen B.V.,

gevestigd te (9981 GD) Uithuizen, Hoogelandsterstraat 1,

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde mr. L.H. Haarsma.

PROCESGANG

De bij vonnis van 20 maart 2014 gelaste comparitie is gehouden op 19 augustus 2014. Partijen ([gedaagde] deugdelijk vertegenwoordigd door de heer [naam]) zijn ter zitting verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigden. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

Vonnis is (nader) bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

In conventie en in reconventie

1 De vaststaande feiten

1.1

[eiser] (geboren 12 oktober 1957) is op 1 oktober 2007 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van magazijnmedewerker/ hulpbezorger tegen een salaris van laatstelijk

€ 1.747,75 bruto per maand exclusief vakantiegeld en emolumenten.

1.2

[gedaagde] is een installatiebedrijf voor elektra-, gas-, water- en cv installaties voor particulier, woningbouw en utiliteitswerken.

1.3

Op het dienstverband is van toepassing de CAO Metaal en Techniek technisch installatiebedrijf.

1.4

[eiser] is sinds 8 maart 2012 arbeidsongeschikt.

1.5

In de toepasselijke cao staat onder meer het volgende vermeld.

GENEZING NIET BELEMMEREN

De werknemer dient zich tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zodanig te gedragen, dat zijn genezing niet wordt belemmerd (bijvoorbeeld tijdig onder behandeling stellen van een huisarts).

Sanctie

Indien de bedrijfsarts vaststelt dat de werknemer zich in zodanige mate gedraagt of heeft gedragen dat de genezing in ernstige mate wordt belemmerd kan het salaris worden beperkt tot 70%, maar ten minste het wettelijk minimumloon.

(…)

INFORMATIE

Met inachtneming van de Arbowet dient een werkgever een gecertificeerde Arbodienst in te schakelen voor onder andere individuele ziekteverzuimbegeleiding en een arbeidsgezondheidsdeskundig spreekuur. Deze Arbodienst zal onder andere een bedrijfsarts of verzekeringsdeskundige in dienst hebben die de werkgever onder meer zal bijstaan met een werkhervattingsadvies en advisering omtrent verdere reïntegratiemogelijkheden.

De werknemer stelt, desgevraagd door de arts van de Arbodienst, die arts op de hoogte van de aard van de ziekte en verstrekt hem desgevraagd verdere informatie die noodzakelijk is voor het werkhervattingsadvies en de individuele ziekteverzuimbegeleiding. De Arbodienst mag niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de werknemer gegevens van medische aard betreffende die werknemer, aan de werkgever verstrekken. De werknemer is voorts niet verplicht gegevens betreffende de aard van zijn ziekte aan de werkgever te verstrekken, tenzij er sprake is van zwangerschap.

De werkgever is verplicht een reïntegratieplan te maken. De werknemer is verplicht die informatie te verstrekken die de werkgever nodig heeft om het reïntegratieplan op te stellen.

1.6

Op 11 september 2012 is door de [bedrijfsarts] een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Op basis van deze FML is op 10 oktober 2012 door de arbeidsdeskundige van Elabo –[naam]- een advies uitgebracht met als conclusie dat [eiser] ongeschikt is voor het uitoefenen van zijn eigen werk, dat er onvoldoende tot weinig passend werk bij de eigen werkgever is en dat re-integratie tweede spoor geïndiceerd is. Met deze re-integratie tweede spoor, met als doel passend werk vinden bij een andere werkgever, is op 25 oktober 2012 een start gemaakt.

1.7

Op 23 januari 2013 bericht het UWV – naar aanleiding van een door [gedaagde] op 20 december 2012 aangevraagd deskundigenoordeel – dat de door [gedaagde] uitgevoerde re-integratie-inspanningen voldoende en adequaat zijn.

1.8

Op 3 juli 2013 heeft [eiser] een gesprek gehad met de heer [naam], mede-directeur van [gedaagde]. Van dit gesprek is door [gedaagde] voornoemd een verslag opgemaakt. Vervolgens is [eiser] uitgenodigd om op 4 juli 2013 wederom ten kantore van zijn werkgeefster te verschijnen. Tijdens dit gesprek is [eiser] op staande voet ontslagen omdat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen zou voldoen. Daarbij is aangekondigd dat een en ander nog schriftelijk zou worden vastgelegd.

1.9

Bij brief van 4 juli 2013 heeft de gemachtigde van [gedaagde] het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd en gemotiveerd. Kort samengevat is [eiser] op staande voet ontslagen wegens een dringende reden bestaande uit schending van de re-integratieverplichting en de mededelingsplicht. [gedaagde] heeft [eiser] met name verweten dat hij ondanks pogingen om hem te re-integreren heeft deelgenomen aan hardloopwedstrijden waaronder een marathon en aan zijn woning heeft gewerkt (waaronder het vervangen van dakgoten). Ook verwijt [gedaagde] aan [eiser] dat hij haar geen toestemming heeft gevraagd voor deelname aan hardloopwedstrijden en voor klusactiviteiten.

1.10

Op 5 juli 2013 heeft [eiser] schriftelijk geprotesteerd tegen zijn ontslag en de nietigheid daarvan ingeroepen.

1.11

Bij e-mailbericht van 6 juli 2013 schrijft [bedrijfsarts] aan [gedaagde], bedrijfsarts:

Er is een verschil tussen 2 keer in de week ‘wat hardlopen’, zoals hij het mij heeft aangegeven en het in mijn aantekeningen staat, of ongeveer iedere 2 weken een marathon, of 20 of 10 kilometer in een behoorlijk tempo. Dat is een groot verschil en is absoluut niet met toestemming van mij. Totdat ik via Verzuimsupport circa 2 weken geleden op de hoogte werd gebracht van de mate van hardloopactiviteiten, was ik in de veronderstelling dat er sprake was van 2 keer in de week een stukje hardlopen, echter niet in dit tempo en in deze mate. Hij heeft mij nooit op de hoogte gebracht van de mate van sprotbeoefening zoals betrokkene kennelijke doet, want anders had dit onmiddellijk gevolgen gehad voor het door mij gegeven advies met betrekking tot de inzetbaarheid. Dit zal ik maandag ook met hem bespreken.

In hoeverre betrokkene als inzetbaar te beschouwen is, zal ik maandag aansluitend op het spreekuur formuleren en vastleggen. (…)

1.12

Op 7 juli 2013 heeft [gedaagde] onder andere aangegeven dat het geplande onderzoek op 8 juli 2013 geen doorgang zal vinden vanwege het ontslag op staande voet.

1.13

Op 9 juli 2013 heeft [gedaagde] aangegeven te persisteren bij het gegeven ontslag op staande voet.

1.14

Op 16 juli 2013 heeft de gemachtigde van [eiser] nogmaals geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. [gedaagde] wordt gesommeerd de re-integratie voort te zetten en het loon te voldoen. [gedaagde] is niet ingegaan op de verzoeken van [eiser].

1.15

[eiser] heeft daarop een kort geding procedure opgestart. [gedaagde] heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend. Bij vonnis van 20 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen de vordering van [eiser] tot tewerkstelling in een passende functie dan wel voortzetting van het re-integratietraject tweede spoor en tot hervatting van de loonbetalingen afgewezen. Bij beschikking van dezelfde datum is het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [gedaagde] toegewezen. Het dienstverband is voorwaardelijk ontbonden per 1 oktober 2013 zonder vergoeding.

2 De vordering

2.1

[eiser] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot:

1. voldoening van € 5.243,25 bruto ten titel van loon;

2. voldoening van € 559,22 bruto ten titel van vakantiegeld;

3. voldoening van € 2.271,51 ten titel van niet-genoten vakantiedagen;

4. voldoening van de wettelijke verhoging ex artikel 7:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over het sub 1 t/m 3 gevorderde bedrag;

5. afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie over de onder sub 1 t/m 4 genoemde bedragen;

6. voldoening van de wettelijke rente over de onder sub 1, 2 en 4 gevorderde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

7. voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrag van € 779;

8. betaling van de kosten van het geding, inclusief het salaris van de gemachtigde.

2.2

[gedaagde] heeft in reconventie gevorderd de veroordeling van [eiser] tot:

1. een bedrag van € 14.681,84 als schadevergoeding voor de door [gedaagde] gemaakte juridische kosten als gevolg van het aan de schuld van [eiser] te wijten aan hem gegeven ontslag op staande voet;

2. een bedrag van € 7.086,80 in verband met de aan [gedaagde] toe te schrijven forse premieverhoging;

3. een bedrag van € 3.736,95 in verband met voor [gedaagde] aan rekening gebleven re-integratiekosten;

4. een bedrag van € 3.161,00 in verband met gemaakte kosten ten behoeve van verzuimsupport;

5. een bedrag van € 28.100,00 in verband met gemaakte loonkosten en bestede arbeidskosten door medewerkers voor begeleiding van de nodeloos gebleken re-integratie van [eiser];

6. een bedrag van € 29.395,66 voor het geval de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [gedaagde] tot terugvordering van voormeld bedrag mocht overgaan;

Met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3 Het standpunt van [eiser]

3.1

stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet nietig is. Hij vordert op grond van de arbeidsovereenkomst tussen partijen en artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek loon tot 1 oktober 2013. [eiser] is van mening dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan schending van zijn re-integratieverplichting waaronder zijn mededelingsverplichting.

3.2

Hij heeft daartoe aangevoerd –samengevat- dat hij bij de bedrijfsarts heeft verteld dat hij hardloopt. Het op de weg van de bedrijfsarts gelegen om hierover door te vragen. [eiser] had in dezen geen mededelingsverplichting. Ook [gedaagde] was op de hoogte van de hardloophobby van [eiser]. [eiser] kan er dan ook niet van worden beschuldigd dat hij de norm van het verstrekken van informatie heeft geschonden.

3.3

De stelling van [gedaagde] dat [eiser] door deel te nemen aan hardloopwedstrijden en door werkzaamheden te verrichten aan zijn woning zijn re-integratie heeft belemmerd, is een medisch oordeel en is slechts voorbehouden aan een deskundig arts. De bedrijfsarts heeft in zijn e-mail van 8 juli 2013 aangegeven dat hij [eiser] eerst wilde zien om de mate van inzetbaarheid te beoordelen. [gedaagde] heeft er echter voor gekozen om de op 8 juli 2013 geplande afspraak met de bedrijfsarts niet door te laten gaan.

3.4

Gelet op de aard van de klachten en het feit dat [eiser] al jarenlang deelneemt aan hardloopwedstrijden gaat [eiser] ervan uit dat in medische zin zijn deelname aan hardloopwedstrijden niet schadelijk is voor zijn gezondheid, maar dat wellicht eerder zal worden gezegd dat bewegen juist goed voor hem is.

3.5

[eiser] ontkent niet dat hij werkzaamheden aan zijn woning heeft verricht, doch in tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] stelt heeft hij het zware werk aan anderen overgelaten. Hij heeft rekening gehouden met zijn beperkingen en heeft geen grenzen overschreden.

3.6

Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet, gelet op zijn leeftijd en beperkingen, grote gevolgen voor hem heeft.

3.7

Voorts stelt [eiser] zich op het standpunt dat door [gedaagde] niet is voldaan aan de eis van onverwijld opzeggen ex artikel 7:677 lid 1 BW.

4 Het standpunt van [gedaagde]

4.1

Als dringende reden verwijt [gedaagde] [eiser] dat hij lichamelijk zwaar belastende activiteiten (te weten frequente deelname aan hardloopwedstrijden, waaronder hele en halve marathons en verbouwingswerkzaamheden aan zijn woning) niet heeft gemeld en daarvoor geen toestemming heeft gevraagd aan haar of de bedrijfsarts, terwijl hij daartoe krachtens wet en cao verplicht was.

Ook stelt [gedaagde] dat [eiser] aldus het re-integratieproces, waartoe zij zich als werkgeefster veel inspanningen en investeringen had getroost, heeft belemmerd.

4.2

[eiser] heeft bij de bedrijfsarts ten onrechte de indruk gewekt dat hij incidenteel zo af en toe wat jogde, doch in werkelijkheid deed hij mee aan allerlei hardloopwedstrijden, waaronder (halve) marathons. Hij had moeten melden dat hij frequent intensief hardloopt.

Ten aanzien van de klusactiviteiten aan zijn woning heeft [eiser] toegegeven dat hij hieromtrent helemaal niets heeft gemeld, terwijl ook dit op zijn weg had gelegen.

4.3

Uiterst subsidiair merkt [gedaagde] op dat wanneer geen dringende reden wordt aangenomen op grond van de cao schorsing tot 70% van het laatstelijk verdiende loon dient plaats te vinden, indien vastgesteld wordt dat de werknemer zich zodanig heeft gedragen dat diens genezing in ernstige mate wordt belemmerd.

4.4

Als gevolg van het door [eiser] door opzet of schuld veroorzaakte schadeplichtig ontslag is [gedaagde] geconfronteerd met aanzienlijke kosten van juridische bijstand. Daarnaast is de verzuimverzekering van [gedaagde] verhoogd, heeft [gedaagde] re-integratiekosten gemaakt en heeft [gedaagde] declarabele tijd en loonkosten zien weglekken, doordat medewerkers veel tijd aan de re-integratie van [eiser] hebben moeten besteden. [eiser] is gehouden de aan de zijde van [gedaagde] ontstane schade te vergoeden.

Ook is nog niet duidelijk of de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar over zal gaan tot terugvordering van het uitgekeerde ziekengeld. [gedaagde] dient ter zake hiervan een voorwaardelijke vordering in.

5. De beoordeling

In conventie

5.1

De kern van het geschil betreft de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

5.2

Maatstaf bij de beoordeling is dat een werkgever ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW juncto artikel 7:678 BW bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden indien sprake is van een situatie die zo ernstig van aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van een zodanige dringende reden sprake is moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

5.3

De kantonrechter verwerpt allereerst de stelling van [eiser] dat het ontslag op staande voet niet onverwijld zou zijn gegeven. [gedaagde] heeft gesteld dat haar kort voor 3 juli 2013 was gebleken dat [eiser] op internet stond vermeld als actieve wedstrijdloper van diverse tochten en dat hij aan een marathon had deelgenomen. Daarnaast had hij eind juni 2013 geconstateerd dat [eiser] op een steiger werkzaamheden aan zijn woning verrichtte, waaronder het vervangen van dakgoten. Het ontslag is mondeling gegeven en schriftelijk door [gedaagde] bevestigd op 4 juli 2013. Aldus is het ontslag naar het oordeel van de kantonrechter onverwijld gegeven.

5.4

[gedaagde] heeft als dringende reden aangevoerd dat [eiser] zijn re-integratieverplichting heeft belemmerd door frequent deel te nemen aan hardloopwedstrijden en werkzaamheden te verrichten aan zijn woning. [gedaagde] is van mening dat de beperkingen van [eiser] niet samengaan met de eerder besproken activiteiten van [eiser]. Tevens wordt [eiser] verweten zijn mededelingsverplichting te hebben geschonden door geen melding te maken van de mate van zijn hardloopactiviteiten. [eiser] heeft een en ander gemotiveerd betwist. Hij heeft niet ontkend dat hij de afgelopen periode zeer regelmatig heeft deelgenomen aan hardloopwedstrijden, waaronder (halve) marathons. Evenmin heeft hij ontkend dat hij werkzaamheden aan zijn woning heeft verricht. [eiser] betwist echter dat deze activiteiten zijn re-integratie hebben belemmerd. [eiser] stelt dat het hardlopen juist een positieve uitwerking op zijn gezondheid heeft en dat hij bij de werkzaamheden aan zijn woning niet over de grenzen van zijn belastbaarheid zou zijn gegaan.

5.5

Teneinde de vraag te beantwoorden of [eiser] door deel te nemen aan hardloopwedstrijden en werkzaamheden te verrichten aan zijn woning zijn re-integratie heeft belemmerd, is naar het oordeel van de kantonrechter een medisch oordeel van een deskundige noodzakelijk. [gedaagde] heeft zonder overleg met de bedrijfsarts de conclusie getrokken dat de hardloopactiviteiten van [eiser] en de kluswerkzaamheden aan zijn woning zijn re-integratie hebben belemmerd en ertoe hebben geleid dat hij langer arbeidsongeschikt is gebleven. Het is aan het UWV of de bedrijfsarts om te beoordelen in welke mate een werknemer arbeidsongeschikt is en waartoe hij in staat is. Indien de bedrijfsarts had geoordeeld dat [eiser] deze activiteiten niet mocht verrichten en hij er desondanks mee zou zijn doorgegaan, was sprake van een wezenlijk andere situatie dan nu en was mogelijk wel sprake van grove veronachtzaming van op de werknemer rustende verplichtingen.

Gelet op het ingrijpende karakter van ontslag had het op de weg van [gedaagde] gelegen eerst in overleg te treden met de bedrijfsarts. [gedaagde] beschikte over geen enkel medisch oordeel c.q. bewijs dat de hardloopactiviteiten, dan wel de werkzaamheden rondom zijn woning aan de re-integratie van [eiser] in de weg stonden. Pas na een beoordeling door de bedrijfsarts had een eventuele sanctie kunnen volgen.

5.6

Als er al een verplichting voor [eiser] zou bestaan om zijn activiteiten bij de bedrijfsarts te melden, en hij, door dit na te laten, deze verplichting heeft geschonden, zou een dergelijke schending evenmin een grond opleveren voor een ontslag op staande voet. Het niet verstrekken van inlichtingen door de werknemer levert niet een dringende reden op in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW, omdat blijkens de totstandkoming van deze wetsbepaling het de bedoeling van de wetgever is geweest daaraan slechts de sanctie van opschorting van het loon te verbinden. Van een dringende reden in de zin van voorgenoemd artikel kan bij de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden wel sprake zijn (Hoge Raad 8 oktober 2004, LJN-nummer AO9549). Deze bijkomende omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

5.7

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft zich gelet op het voorgaande geen dringende reden voorgedaan die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. De vordering van [eiser] strekkende tot loon(door)betaling tot 1 oktober 2013 zal derhalve worden toegewezen, evenals de hierover gevorderde wettelijke rente. Aan het standpunt van [gedaagde] dat dit zou moeten worden beperkt tot 70% zal voorbij worden gegaan, nu niet is komen vast te staan dat [eiser] zich zodanig heeft gedragen dat diens genezing in ernstige mate is belemmerd.

5.8

De vordering ten aanzien van de vakantietoeslag en niet genoten vakantiedagen heeft [gedaagde] onweersproken gelaten en ligt eveneens voor toewijzing gereed. Dat geldt ook voor de over de vakantietoeslag gevorderde wettelijke rente.

5.9

Gelet op de omstandigheden van het geval acht de kantonrechter termen aanwezig om de verschuldigde wettelijke verhoging over het achterstallige loon, vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen te beperken tot 25%. In zoverre is de betreffende vordering toewijsbaar. Ten slotte is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.

5.10

[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat [eiser] georganiseerd is bij een vakorganisatie en op basis van zijn lidmaatschap wordt bijgestaan leidt niet tot een ander oordeel.

5.11

Gelet op de beslissing in conventie wijst de kantonrechter de vorderingen van [gedaagde] in reconventie af. Daarnaast zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie

a. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen

€ 5.243,25 bruto ter zake van loon;

b. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen

€ 559,22 bruto ter zake van vakantiegeld;

c. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen

€ 2.271,51 ter zake van niet genoten vakantiedagen;

d. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de tot 25 % beperkte wettelijke verhoging over de onder sub a tot en met c gevorderde bedragen;

e. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van een deugdelijke specificatie over de onder a tot en met d genoemde bedragen;

f. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de onder sub a, b en d gevorderde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

g. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van

€ 779,-;

In reconventie

wijst het gevorderde af;

In conventie en in reconventie

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 93,80 aan dagvaardingskosten, € 219,00 aan griffierechten en € 500,00 aan salaris van de gemachtigde

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af – voor zoveel nodig- het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort, kantonrechter, en op 18 december 2014 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: md

coll: