Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6724

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
18.730339-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 december 2014 een man veroordeeld voor het samen met een ander plegen van afpersing en het opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en beroofd houden. De man is op 24 juli 2014 samen met zijn jongere broer en een kennis (de mededader) naar de woning van het slachtoffer gegaan, om daar verhaal te halen voor het feit dat het slachtoffer eerder die dag met die (nog minderjarige) broer seksueel contact zou hebben gehad. Daarbij is het slachtoffer uitgescholden en mishandeld. Op een zeker moment hebben de mannen besloten dat zij van de angst van het slachtoffer misbruik konden maken door hem te dwingen geld af te staan. Uiteindelijk heeft het slachtoffer onder bedreiging een bedrag van € 1.000,-aan de mannen gegeven. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. Tevens zijn er bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke straf opgelegd, onder meer inhoudende reclasseringscontact en een behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 282, 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730339-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met voormeld oogmerk, opzettelijk

- zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft/hebben begeven en/of (vervolgens) de woning is/zijn binnengegaan en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of aan het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of geduwd en/of in de rug heeft/hebben geschopt/getrapt en/of een knietje tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of geduwd en/of in de rug heeft/hebben geschopt/getrapt en/of een knietje tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gegeven en/of die [slachtoffer] met een elektrische vliegenmepper tegen de benen, althans tegen het lichaam en/of in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] heeft/hebben gemaand op de bank te gaan en blijven zitten en/of (vervolgens)

- in de woning heeft/hebben gezocht naar waardevolle spullen, althans gezocht naar goederen van zijn /hun gading en/of (vervolgens)

- op/in de laptop van die [slachtoffer] heeft/hebben gezocht en gekeken naar bankrekeningoverzicht(en) van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- van die [slachtoffer], met zijn identiteitskaart naast zijn hoofd, (een) foto('s) heeft/hebben gemaakt en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] (meermalen) de woorden heeft/hebben toegevoegd -zakelijk weergegeven- dat wanneer die [slachtoffer] niet zou betalen hij zou worden doodgemaakt en/of in de kofferbak van een auto naar Duitsland zou worden gebracht, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- terwijl die [slachtoffer] te kennen had gegeven dat hij zijn pinpas niet had en dat deze moest worden gebracht, in die woning heeft/hebben gewacht tot die [slachtoffer] (weer) over zijn pinpas kon beschikken en die [slachtoffer] de woorden heeft/hebben toegevoegd -zakelijk weergegeven- dat hij binnen twee minuten bij hem/hun in de auto moest zitten en wanneer hij niet meeging een zak over zijn hoofd zou krijgen en in de kofferbak van de auto naar Duitsland zou worden gebracht, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- met die [slachtoffer] in de/een auto naar een pinautomaat is/zijn gereden en die [slachtoffer] gezegd dat hij 1.000 euro moest pinnen waarna die [slachtoffer] is uitgestapt en voornoemd geldbedrag heeft gepind en dit geldbedrag aan verdachte en/of aan een van verdachtes mededader(s) heeft overhandigd en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven- dat ze de volgende maand terug zouden komen om (nog) 200 euro te halen en daarna af en toe 50 euro (extra) zouden komen halen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer], in diens woning, vastgepakt en/of aan het lichaam getrokken en/of geduwd en/of tegen het lichaam geschopt/getrapt en/of een knietje gegeven (vervolgens)

- die [slachtoffer] gemaand op de bank te gaan en blijven zitten en/of (vervolgens)

- in de woning van die [slachtoffer] is gaan zoeken naar (een) goeder(en) van zijn hun gading en/of (vervolgens)

- enige tijd in de woning hebben gewacht totdat die [slachtoffer] de beschikking had over zijn pinpas en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] hebben meegevoerd in een auto naar een pinautomaat en die [slachtoffer] gezegd dat hij 1.000 euro, althans geld, moest pinnen waarna die [slachtoffer] is uitgestapt en voornoemd geldbedrag heeft gepind en dit geldbedrag aan verdachte en/of aan een van verdachtes mededader(s) heeft overhandigd;

3.

hij op of omstreeks 25 augustus 2014 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en/of (vervolgens) heeft

aangebeld en/of (vervolgens) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd -zakelijk weergegeven- dat hij hem iets wilde laten zien en/of dat hij later terug zou komen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest;

- oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Reclassering Nederland en de verplichting zich te laten diagnosticeren en vervolgens te laten behandelen bij de poli forensische psychiatrie van de Geestelijke Gezondheidszorg ( GGZ) te Leeuwarden of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.240,--, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor voornoemd bedrag;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de ING Bank N.V. voor een bedrag van € 1.000,--.

Beoordeling van het bewijs

Op grond van de hieronder nader te noemen bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast.

Op 23 juli 2014 is [persoon 1] (de broer van verdachte [verdachte]) via een internetsite in contact gekomen met aangever [slachtoffer], waarna zij een afspraak hebben gemaakt om elkaar te ontmoeten, met de bedoeling om samen seksueel contact te hebben.

In de namiddag van 24 juli 2014 heeft [slachtoffer] [persoon 1] opgehaald van de plaats waar zij met elkaar hadden afgesproken. Onderweg naar de woning van [slachtoffer] zijn zij verdachte [medeverdachte] tegengekomen, een bekende van de familie [verdachte]. [medeverdachte] heeft vervolgens gebeld met [verdachte] en hem verteld dat hij zijn broer had gezien achterop de fiets bij een oudere man.

[slachtoffer] en [persoon 1] hebben in de woning van [slachtoffer] seksueel contact met elkaar gehad, waarna [persoon 1] weer naar huis is gegaan. Daar werd hij door zijn moeder en zijn broer [verdachte] om uitleg gevraagd. Omdat [verdachte] deze uitleg niet accepteerde, is besloten om gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer] toe te gaan en daar verhaal te halen. [medeverdachte] trad daarbij op als chauffeur.

Bij de woning van [slachtoffer] aangekomen hebben [medeverdachte] en [verdachte] [slachtoffer] aangesproken. Eenmaal binnen heeft [medeverdachte] [slachtoffer] een knietje gegeven, waardoor deze op de grond viel. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte] tegen [slachtoffer] gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen. Ook hebben beide verdachten de woning doorzocht, op zoek naar goederen van waarde. Nadat zij via de computer van [slachtoffer] het saldo van diens betaalrekening bij ING hadden gecontroleerd, is door hen aan [slachtoffer] voorgehouden dat hij een bedrag van € 1.000,-- meteen diende te betalen en dat een resterend bedrag van € 200,-- een maand later zou moeten worden voldaan. Daarbij heeft [medeverdachte] [slachtoffer] bedreigd met de opmerking dat als hij niet zou betalen, hij in de kofferbak zou worden gestopt en naar Duitsland zou worden gereden dan wel dat hij zou worden doodgemaakt. Tevens heeft [medeverdachte] met zijn telefoon foto’s en een filmopname gemaakt, onder andere van [slachtoffer] terwijl deze zijn identiteitskaart naast zijn gezicht moest houden.

[slachtoffer] heeft daarop een kennis gebeld, aan wie hij zijn pinpas had uitgeleend. Nadat hij deze weer had teruggekregen, zijn [persoon 1], de verdachten en [slachtoffer] in de auto van [medeverdachte] naar een pinautomaat van ING in de wijk [pleegplaats] gereden. [slachtoffer] heeft daar het bedrag van € 1.000,-- gepind en aan [medeverdachte] gegeven. Dit bedrag is vervolgens verdeeld onder de beide verdachten, waarbij ieder de helft kreeg. [slachtoffer] is na dit alles teruggebracht naar zijn woning, waar hij uiteindelijk de politie heeft gebeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden aangenomen dat de verdachten niet naar de woning van [slachtoffer] zijn gereden met de bedoeling om hem af te persen, maar veeleer om hun vermoedens te bevestigen dat er tussen [slachtoffer] en [persoon 1] (homo)seksuele contacten hadden plaatsgevonden. Het is ook aannemelijk dat het (fysieke en verbale) geweld dat beide verdachten kort na binnenkomst in de woning tegen [slachtoffer] hebben gepleegd, voortvloeide uit hun boosheid hierover.

Niettemin kan uit de hierna te noemen bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen die de beide verdachten zelf bij de politie hebben afgelegd, ook worden afgeleid dat zij op een zeker moment wel degelijk het plan hebben opgevat om [slachtoffer] geld afhandig te maken. Dat [slachtoffer] hen uit vrije wil zou hebben aangeboden om geld te betalen, zoals de verdachten ook wel hebben verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarbij past niet dat er tegen [slachtoffer] ernstige bedreigingen zijn geuit, noch dat de verdachten de woning hebben doorzocht. Uit het gegeven dat de beide verdachten het geld onderling hebben verdeeld en aan allerlei privé-doeleinden hebben besteed, volgt bovendien dat er geen ander motief bij verdachten zal zijn geweest dan het uit hebzucht misbruik maken van de angst die [slachtoffer] voor hen had.

Het voorgaande betekent dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachten gezamenlijk en met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen [slachtoffer] hebben gedwongen tot de afgifte van het geldbedrag van € 1.000,--, zoals onder feit 1 aan hen is ten laste gelegd.

De rechtbank stelt verder vast dat van expliciete vrijheidsberoving geen sprake is geweest. Zo is bijvoorbeeld de toegang tot de woning niet door verdachten afgesloten, noch hebben zij [slachtoffer] meegedeeld dat hij niet mocht vertrekken. Wel hebben beide verdachten door hun optreden richting [slachtoffer], waarbij fysiek en verbaal geweld is gebruikt en waarbij zij vervolgens langere tijd in de woning van [slachtoffer] hebben gewacht op diens pinpas, een situatie in het leven geroepen waarin hij zich – zowel in zijn woning als daarna in de auto – redelijkerwijs van zijn vrijheid beroofd kon voelen. Als al zou moeten worden aangenomen dat dit niet de intentie van verdachten was, moet in ieder geval worden vastgesteld dat zij de aanmerkelijke kans daarop bewust hebben aanvaard.

Ook het onder feit 2 aan verdachten tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank zal er bij het bepalen van de strafmaat overigens wel rekening mee houden dat de gedragingen die tot de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 aanleiding geven, in hoge mate met elkaar samenvallen.

De rechtbank is tot slot met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder 3. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1. en 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 16 december 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 24 juli 2014 ben ik samen met mijn broertje [persoon 1] en mijn vriend [medeverdachte] naar de woning van een man in [pleegplaats] gegaan. Ik heb later vernomen dat deze man is genaamd [slachtoffer]. Wij werden door de man binnengelaten. De laptop van de man stond aan en ik heb op de laptop gekeken. Ik zag allerlei foto's en ik werd erg boos. Ik heb tegen de man geschreeuwd. Ik heb gezien dat [medeverdachte] ook boos was en geweld tegen de man heeft gebruikt. [medeverdachte] heeft de man vastgepakt en heeft zijn shirt gescheurd. Ook heeft hij de man op de grond geduwd en toen de man op de grond lag heeft hij de man een knietje in de rug gegeven. De man is op de bank gaan zitten. [medeverdachte] heeft toen foto's van de man gemaakt, terwijl de man zijn identiteitskaart naast zijn hoofd liet zien. Ik zag dat de man erg verdrietig werd en dat hij begon te huilen. Er is toen over geld gesproken. Er is door [medeverdachte] onderhandeld over de hoogte van het bedrag dat de man ons moest betalen. Ik stond hierbij. Tijdens deze onderhandelingen heeft de man via zijn laptop ingelogd op zijn internetbankieren, zodat wij zijn saldo op de bankrekeningoverzichten konden bekijken. Ik heb op de overzichten gezien dat het banksaldo van de man ongeveer 1.200 euro was. Er is toen afgesproken dat de man ons 1.200 euro zou betalen. Eerst een bedrag van 1.000 euro en een maand later nog eens 200 euro. We zouden dit bedrag dan ophalen. De man had geen geld of een pinpas in huis. We hebben vervolgens gewacht totdat iemand de pinpas van de man kwam brengen. Toen de pinpas werd afgegeven zaten wij in de woonkamer van de man. We hebben met de telefoon ook nog een filmpje van een gesprek met de man gemaakt. Toen de man de pinpas had ontvangen ben ik met [persoon 1] en [medeverdachte] naar de auto gelopen. De man kwam even later ook naar de auto. We zijn in de auto gestapt. [medeverdachte] was de chauffeur, [persoon 1] zat naast [medeverdachte] en ik zat met de man achterin de auto. We zijn naar een pinautomaat van de ING Bank in [pleegplaats] gereden en hebben daar de auto op de parkeerplaats geparkeerd. De man is toen naar de pinautomaat toegelopen en heeft 1.000 euro voor ons gepind. Wij zijn in de auto blijven zitten. Nadat de man had gepind heeft hij het geld aan [medeverdachte] gegeven en heeft hij weer plaatsgenomen in de auto. Wij hebben hem vervolgens naar zijn woning gebracht. [medeverdachte] en ik hebben het geldbedrag dat wij van de man hadden ontvangen fifty-fifty verdeeld. We hebben elk 500 euro gehad.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL0200-2014079826, gesloten op 24 oktober 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-45, d.d. 2 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Na het kijken van de foto's vroeg [medeverdachte] aan mij of ik even bij hem wilde komen. [medeverdachte] zei toen dat we ook gewoon geld van de man konden afpakken. Toen is [medeverdachte] met de man gaan praten over geld. [medeverdachte] vroeg aan de man hoeveel geld de man in huis had, contant. Toen sprak [medeverdachte] met hem over contant geld in huis of spullen, laptops of telefoons. In ieder geval wat van waarde. De man zei eerst dat hij niets van waarde had en ook geen contant geld had. Toen zei [medeverdachte] tegen de man: "Laat je internet bankieren zien". Toen is op de laptop gekeken.

Toen zei [medeverdachte]: "1.200 euro, maar 200 euro komen we volgende maand ophalen". De man ging eerst niet akkoord en daarom bleven we discussiëren maar uiteindelijk ging hij akkoord. De man had zijn pinpas niet bij zich. De man heeft die persoon gebeld en die kwam de pinpas brengen.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-59, d.d. 2 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

[medeverdachte] is in alle kamers in de woning van de man geweest om te zoeken naar waardevolle spullen. We wilden eerst ook de laptop van die man meenemen.

Die vriend of kennis van de man zou om ongeveer 19.30 uur die pinpas brengen. Het was ongeveer 18.30 uur, toen die man ons dit vertelde. We hebben al die tijd gewacht. Toen die vriend of kennis er om 19.30 uur nog niet was, moest hij van ons die vriend of kennis bellen. Het duurde ongeveer 15 tot 20 minuten, voordat die vriend of kennis eraan kwam. Deze persoon is niet binnen geweest, hij heeft de pinpas aan de deur afgegeven aan die man. Die persoon mocht van ons niet binnenkomen. Dit hadden we tegen die man gezegd. We zijn hierna naar de auto gegaan. We gingen eerst met zijn drieën, de man is kort daarna bij de auto gekomen. We hadden tegen hem gezegd: "Wij gaan eerst naar de auto en jij komt 1 à 2 minuten later".

[medeverdachte] was agressief die avond.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02CD-2014079826-1, d.d. 25 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Ik woon te [pleegplaats]. Omstreeks 18.30 uur stond mijn voordeur open. Ik zag dat er drie mannen bij de voordeur stonden. Ze waren boos. Een trok mij aan het shirt. Het shirt ging hierdoor stuk. Hierdoor viel ik op de grond. De andere trapte een keer hard in mijn rug. Dit deed pijn. Ik raakte in paniek. Een van de mannen ging op mijn laptop kijken. Hij heeft ook gekeken naar mijn rekeningoverzichten. Ik moest van hun op de bank gaan zitten. Ik kon hun afkopen door hun geld te betalen. Ik wilde dit niet, maar ik was zo bang dat ik het wel heb gedaan. Zij wilden eerst 1.200 euro hebben. Ik had mijn pinpas niet in huis. Ze hebben gedreigd om mij in de kofferbak van de auto mee te nemen naar Duitsland. Ik heb gebeld met [persoon 2]. Ik had mijn pinpas aan hem uitgeleend. Terwijl de mannen nog bij mij waren kwam [persoon 2] aan de deur. Hij heeft mij mijn pinpas terugegeven. Ze hebben mijn woning nog doorzocht op zoek naar waardevolle spullen. Ze hebben alle kasten en laden opengetrokken. Ze zijn ongeveer tot 19.40 uur in de woning gebleven. Ze hebben tegen mij gezegd dat ik binnen twee minuten bij hun in de auto moest zitten. Toen zijn ze weggegaan. Ik vond dit erg bedreigend. Ze hadden mij namelijk gezegd dat als ik niet mee ging, ik een zak over mijn hoofd zou krijgen en in de kofferbak van de auto naar Duitsland zou worden gebracht. Dit maakte mij zeer angstig. Ik had intussen in mijn broek geplast en dit was zichtbaar. Ik heb gevraagd of ik een schone broek mocht aantrekken. Dit was goed, maar ik moest binnen twee minuten bij hun in de auto zitten. Ik was zo bang dat ik naar de auto ben gelopen en ben ingestapt. Ik ben achterin gaan zitten. We gingen rijden. De auto is gestopt bij de kerk in de parkeervakken. Ze zeiden tegen mij dat ik 1.000 euro moest pinnen. Ik voelde mij gedwongen om geld te pinnen voor de mannen. Ik ben uitgestapt op de parkeerplaats en ik liep naar de pinautomaat. Ik heb met mijn bankpas 1.000 euro gepind. Ik liep met het geld naar de auto. Ik moest het geld door het raam van de bijrijder aan de chauffeur geven. Ik heb het geld aan de chauffeur gegeven.

Ik had het geld nooit aan hem gegeven als ik niet zo bang was geweest. Door hun bedreigingen voelde ik mij gedwongen om het geld af te geven. Ik moest weer achterin stappen. Vervolgens hebben ze mij thuis gebracht. Ze hebben nog tegen mij gezegd dat ze volgende maand nog 200 euro wilden hebben. Het was ongeveer 20.10 uur toen ik weer thuis was. Terwijl ik dit zelf niet wilde ben ik van mijn vrijheid beroofd en ingestapt achter in de auto en meegegaan. Dit was omdat ik bang was. Ik voel mij afgeperst. De chauffeur had eigenlijk constant het woord. De andere man heeft mijn woning wel doorzocht naar spullen maar weinig gesproken.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-23, d.d. 30 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Tijdens de bedreiging werd ik door een van de mannen op de foto gezet. Ik moest mijn identiteitsbewijs naast mijn hoofd houden. Dat deed de chauffeur, de forse man. Hij had de regie over het geheel. Hij deed ook voornamelijk het woord. De chauffeur heeft ook foto's gemaakt van mijn rekeningoverzicht op de internetsite van de ING Bank. Er werden ook foto's gemaakt van mijn memobord in de woonkamer, waarop mijn afspraken staan. Ik werd met de dood bedreigd. Dat deed de chauffeur. Hij zei dat ik moest betalen of dat ik anders dood moest. Hij dreigde ook mij te willen meenemen in de kofferbak van de auto en dat ze naar Duitsland zouden rijden als ik niet zou betalen. Ik was echt bang dat ze dat zouden doen.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-52, d.d. 2 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 1]:

(V = vraag verbalisanten, A = antwoord)

Ik ben samen met [verdachte] en [medeverdachte] in de auto naar [slachtoffer] gegaan. [medeverdachte] en [verdachte] waren boos op [slachtoffer]. We liepen daar met ons drieën heen. De deur was open. Er werd gepraat en we gingen naar binnen. [medeverdachte] heeft hem een knietje gegeven. [slachtoffer] viel op de grond en bleef liggen. Hij had best veel pijn want dat hoorde en zag ik. Er werd ineens over geld gepraat door [medeverdachte] en [verdachte]. [medeverdachte] wilde geld zien. [slachtoffer] bood eerst 100 euro en daarna 500 euro. [medeverdachte] vond dat niet genoeg. Hij wilde een groter bedrag. De computer van [slachtoffer] stond aan en [medeverdachte] heeft op de bankrekening van [slachtoffer] gekeken hoeveel erop stond. [medeverdachte] wilde 500 euro, daarna 600 euro en dat ging verder naar 1.000 euro. [medeverdachte] zei tegen [slachtoffer]: “Als je niet betaalt dan neem ik je in de kofferbak mee naar Duitsland. Ik heb daar familie en ik woon zelf ook in Duitsland. Als ze er achter komen dan brengen ze je om.” [slachtoffer] werd bang. Hij zei: "Nee, nee ik doe alles". [slachtoffer] had geen bankpas. [slachtoffer] belde iemand en die zou de bankpas brengen. Die bracht de bankpas. We zijn in de woonkamer gebleven toen er werd aangebeld. [slachtoffer] deed de deur zelf open. [slachtoffer] kwam daarna terug in de woonkamer met de bankpas. [slachtoffer] wilde eerst een andere broek aandoen. Hij kreeg die tijd en wij wachtten met ons drieën in de auto en toen kwam [slachtoffer] er ook aan.

V: Was hij zo bang dat hij toch naar jullie toekwam?

A: Ja, volgens mij wel.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-57, d.d. 2 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 1]:

(V = vraag verbalisanten, A = antwoord)

We reden naar de pinautomaat. Ik zat voorin samen met [medeverdachte]. [verdachte] en [slachtoffer] zaten achterin de auto. In de auto hadden [verdachte] en [medeverdachte] discussie over het wel of niet naar huis brengen van [slachtoffer]. Bij de pinautomaat aangekomen stapte [slachtoffer] alleen uit. [medeverdachte] had thuis al gezegd dat [slachtoffer] 1.000 euro moest pinnen en dat zei hij ook nog een keer in de auto. [slachtoffer] liep alleen naar de pinautomaat. Hij pinde daar geld en kwam daarna terug. Hij gaf het geld aan [medeverdachte]. Dat zag ik.

V: Hoe kwam het dat het shirt van [slachtoffer] kapot ging?

A: Daar heeft [medeverdachte] aan getrokken.

In de woning heeft [medeverdachte] foto's gemaakt van naaktfoto's op de computer van [slachtoffer]. [verdachte] heeft een audiogesprek gemaakt van [slachtoffer]. [verdachte] maakte het filmpje en [medeverdachte] sprak tegen [slachtoffer].

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-53, d.d. 3 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte]:

(V = vraag verbalisanten, A = antwoord)

V: Wie heeft de woning doorzocht?

A: Wij allemaal. We zochten naar iets waardevols, maar dat was er niet. Ik zei tegen die man: "Hoeveel heb je op jouw bankrekening?" Die man moest van ons inloggen op zijn internetbankieren. Wij konden toen zien hoeveel geld de man op zijn rekening had staan.

V: Vind je niet dat die man zich bedreigd voelde en door jullie gedwongen voelde?

A: Zeker, zeker, zeker weten.

V: Hoe is het geld nu verdeeld?

A: Vijfhonderd, vijfhonderd. [verdachte] en ik.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R2-2014079826-63, d.d. 3 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte]:

Ik trok die man op een gegeven moment naar de grond. Ik heb hem toen met mijn linkerknie een knietje in zijn rug gegeven. Ik heb wel gehoord dat die man "au" riep. Dit knietje was vrij kort nadat we in de woning waren.

Ik heb gedreigd tegen de man. Ik heb toen Duitsland genoemd. Ik ben degene die over de laptop is begonnen. Ik heb ook foto's bekeken op de laptop. Ik heb deze foto's ook gefotografeerd met mijn telefoon. Die man heeft eerst volgens mij uit hemzelf gebeld om zijn pinpas, omdat hij snel van ons af wilde. Later heb ik tegen die man gezegd dat hij nog maar een keer moest bellen. In de auto zat ik achter het stuur. [persoon 1] zat naast mij, [verdachte] zat achterin naast die man.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen hierna bewezen zal worden verklaard en de rechtbank heeft op grond daarvan de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 juli 2014 te [pleegplaats] in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met zijn mededader, met voormeld oogmerk, opzettelijk

- die [slachtoffer] heeft gemaand op de bank te gaan zitten en

- in de woning heeft gezocht naar waardevolle spullen en

- op de laptop van die [slachtoffer] heeft gekeken naar bankrekeningoverzichten van die [slachtoffer] en

- van die [slachtoffer], met zijn identiteitskaart naast zijn hoofd, een foto heeft gemaakt en

- die [slachtoffer], meermalen, de woorden heeft toegevoegd -zakelijk weergegeven- dat wanneer die [slachtoffer] niet zou betalen hij zou worden doodgemaakt en in de kofferbak van een auto naar Duitsland zou worden gebracht, althans woorden van gelijke bedreigende aard en strekking en

- terwijl die [slachtoffer] te kennen had gegeven dat hij zijn pinpas niet had en dat deze moest worden gebracht, in die woning heeft gewacht tot die [slachtoffer] over zijn pinpas kon beschikken en die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd -zakelijk weergegeven- dat hij binnen twee minuten bij hun in de auto moest zitten en wanneer hij niet meeging een zak over zijn hoofd zou krijgen en in de kofferbak van de auto naar Duitsland zou worden gebracht en vervolgens

- met die [slachtoffer] in de auto naar een pinautomaat is gereden en die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij 1.000 euro moest pinnen waarna die [slachtoffer] is uitgestapt en voornoemd geldbedrag heeft gepind en dit geldbedrag aan verdachtes mededader heeft overhandigd en vervolgens

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd -zakelijk weergegeven- dat ze de volgende maand terug zouden komen om nog 200 euro te halen, althans woorden van gelijke aard en strekking;

2.

hij op 24 juli 2014 te [pleegplaats] in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet

- die [slachtoffer], in diens woning, vastgepakt en aan het lichaam getrokken of geduwd en een knietje gegeven en vervolgens

- die [slachtoffer] gemaand op de bank te gaan zitten en

- in de woning van die [slachtoffer] gezocht naar goederen van hun gading en vervolgens

- enige tijd in de woning gewacht totdat die [slachtoffer] de beschikking had over zijn pinpas en vervolgens

- die [slachtoffer] meegevoerd in een auto naar een pinautomaat en die [slachtoffer] gezegd dat hij 1.000 euro moest pinnen waarna die [slachtoffer] is uitgestapt en voornoemd geldbedrag heeft gepind en dit geldbedrag aan verdachtes mededader heeft overhandigd.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het trajectconsult van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland van

11 december 2014 en het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 24 juli 2014 samen met zijn jongere broer en een kennis (medeverdachte in deze zaak) naar de woning van het slachtoffer gegaan, om daar verhaal te halen voor het feit dat het slachtoffer eerder die dag met die (nog minderjarige) broer seksueel contact zou hebben gehad. Daarbij is het slachtoffer uitgescholden en mishandeld. Op een zeker moment hebben verdachten besloten dat zij van de angst van het slachtoffer misbruik konden maken door hem te dwingen geld af te staan. Uiteindelijk heeft het slachtoffer onder bedreiging een bedrag van € 1.000,-- aan verdachten gegeven, die het geld daarna onderling hebben verdeeld. Daarmee hebben verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Van een motief anders dan hebzucht, zoals verdachte en zijn medeverdachte wel hebben willen doen geloven, is de rechtbank niet gebleken. Het geld is immers niet als een vorm van genoegdoening (voor zover daar al sprake van zou moeten zijn) aan de broer van verdachte gegeven, maar is door verdachten zelf gehouden en opgemaakt.

Het gaat al met al om ernstige strafbare feiten, die in beginsel dienen te worden bestraft met een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal enigszins van dit uitgangspunt, en van de eis van de officier van justitie, afwijken, omdat zij – wellicht meer dan de officier van justitie – rekening wil houden met de nog jeugdige leeftijd van de verdachten en het gegeven dat het idee om het slachtoffer geld afhandig te maken min of meer spontaan lijkt te zijn ontstaan.

Dat neemt niet weg dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wel het belangrijkste bestanddeel van de bestraffing zal moeten blijven vormen, niet in het minst omdat verdachte in het verleden, zij het toen nog als minderjarige, eerder voor vermogens- en geweldsdelicten is veroordeeld.

Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering en die tot doel hebben om ervoor te zorgen dat verdachte zijn gedrag blijvend gaat veranderen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde feit niet bewezen. De schade van de benadeelde partij ten aanzien van de hotelovernachting is naar het oordeel van de rechtbank uit dit feit ontstaan. De benadeelde partij zal derhalve met betrekking tot dit deel niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de overige gestelde schade, te weten de kosten voor een nieuw bankpasje en het smartengeld, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die voor wat deze posten betreft onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, in zoverre derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar. Deze schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2014.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals wel is gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). De benadeelde partij is in dit onderdeel van de vordering niet ontvankelijk.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Door de officier van justitie is daarnaast gevorderd dat aan verdachte de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag € 1.000,- ten behoeve van de ING Bank N.V.

De rechtbank heeft op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid om de verplichting op te leggen tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de stukken blijkt dat de ING Bank N.V. het slachtoffer het bedrag dat hij onder dwang heeft moeten pinnen, te weten € 1.000,--, heeft vergoed. De schaderegeling in het strafrecht ziet op slachtoffers die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit. Van rechtstreekse schade is sprake wanneer iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde-belanghebbenden. De ING Bank N.V. kan derhalve in dit geval niet als het slachtoffer van de bewezenverklaarde afpersing worden aangemerkt.

Dit maakt dat oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de ING Bank N.V. niet mogelijk is. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de ING Bank N.V. als professionele organisatie de middelen en kennis heeft om zelf haar schade op verdachte te verhalen en de rechtbank acht ook geen termen aanwezig om -zonder dat dit is gevorderd- een schadevergoeding ten behoeve van de ING Bank N.V. op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal laten diagnosticeren en vervolgens onder behandeling zal stellen van de poli forensische psychiatrie van de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) te Leeuwarden of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.132,50 (zegge: éénduizend honderdtweeëndertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 1.132,50 (zegge: éénduizend honderdtweeëndertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 7,50 aan materiële schade en € 1.125,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M. Haisma en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 december 2014.

Mr. J. van Bruggen, mr. M. Haisma en G.T. Zandstra-Alkema zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Sikkema

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730339-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 16 december 2014

Tegenwoordig:

mr. J. van Bruggen, voorzitter,

mr. M. Haisma en mr. W.S. Sikkema, rechters, en

G.T. Zandstra-Alkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. R.G. de Graaf.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden.

……………………

De officier van justitie deelt tijdens zijn requisitoir mede, dat indien niet de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.000,-- ten behoeve van de ING Bank N.V., voornemens te zijn een vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

……………………

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte met onmiddellijke ingang op te heffen, nu er in haar visie geen ernstige bezwaren (meer) zijn en de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich thans voordoet.

De rechtbank trekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De voorzitter deelt -zakelijk weergegeven mede:

De rechtbank heeft zich beraden over het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte. De rechtbank acht het een lastige zaak waarin door partijen uitgebreid is gepleit. De rechtbank heeft voor de beraadslaging meer tijd nodig en acht thans geen termen aanwezig om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen en hem in vrijheid te stellen.

Indien de rechtbank bij de beraadslaging tot de beslissing komt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde dan wel dat de op te leggen straf minder dient te zijn dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dan zal de rechtbank vervroegd uitspraak doen.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van dinsdag 30 december 2014 te 13:00 uur, dan wel eerder indien de beraadslaging daartoe aanleiding geeft.

Verdachte doet afstand van zijn recht bij de uitspraak van het vonnis aanwezig te zijn.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de oudste rechter en de griffier.