Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6722

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
18.730367-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 december 2014 een man veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een scooter. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat dit feit door verdachte door bedreiging met geweld is gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730367-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2014 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Leeuwarden, op de openbare weg [straat], in ieder geval op een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een scooter/bromfiets (van het merk Gilera, type Runner) en/of een (bijbehorend) kentekenbewijs, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen,

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik koop jouw scooter, je vriendin alles. Ik heb kilo's drugs en nu ga ik jou vertellen wat er gaat gebeuren" en/of (vervolgens)

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tevoorschijn heeft gehaald en/of (vervolgens) dat pistool, althans een/dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, op die [slachtoffer 2] heeft gericht en/of dat pistool, althans een/dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft getoond en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Jullie moeten hard gaan rennen";

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 20 september 2014 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Leeuwarden, op de openbare weg [straat], in ieder geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter/bromfiets (van het merk Gilera, type Runner) en/of een (bijbehorend) kentekenbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen,

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik koop jouw scooter, je vriendin alles. Ik heb kilo's drugs en nu ga ik jou vertellen wat er gaat gebeuren" en/of (vervolgens)

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp, tevoorschijn heeft gehaald en/of (vervolgens) dat pistool, althans een/dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, op die [slachtoffer 2] heeft gericht en/of dat pistool, althans een/dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft getoond en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Jullie moeten hard gaan rennen".

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van de onder primair ten laste gelegde afpersing en veroordeling voor de onder subsidiair ten laste gelegde diefstal met geweld;

- oplegging van 18 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van voorarrest;

- oplegging van reclasseringstoezicht, met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, de gedragsinterventie GI-GGZ Leefstijltraining, een ambulante behandelverplichting en een alcoholverbod.

Beoordeling van het bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat met betrekking tot het ten laste gelegde geen sprake is geweest van medeplegen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierna op te nemen bewijsmiddelen het volgende kan worden vastgesteld.

[medeverdachte] had een vordering op [slachtoffer 2] omdat hij door hem ‘geript’ zou zijn. Verdachte wist daarvan. Op 20 september 2014 heeft [slachtoffer 2], de vriend van aangeefster [slachtoffer 1], de scooter van [slachtoffer 1] via een whatsapp-bericht te koop aangeboden aan medeverdachte. De medeverdachte is een neef (oomzegger) van verdachte.

Medeverdachte heeft hierop via whatsapp gereageerd en aangegeven dat hij de scooter wel wilde kopen en heeft over de scooter contact opgenomen met de verdachte waarop verdachte rechtstreeks telefonisch contact had met [slachtoffer 2] over de definitieve koopprijs. Vervolgens heeft medeverdachte met aangeefster en haar vriend afgesproken dat zij naar [pleegplaats] zouden komen en dat de scooter zou worden afgeleverd op [straat], in de nabijheid van de woning van medeverdachte.

Wanneer aangeefster [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter plekke komen treffen zij niet alleen medeverdachte aan maar ook verdachte, die aan hen wordt voorgesteld als de oom uit Rotterdam die de koopprijs zou betalen. Verdachte bekijkt de scooter door er omheen te lopen en vraagt om de bijbehorende papieren, welke hij uit handen van [slachtoffer 1] ontvangt. Medeverdachte staat dan op een afstand van ongeveer twee meter van aangeefster, haar vriend en verdachte. Verdachte confronteert [slachtoffer 2] ermee dat hij medeverdachte geript had. Verdachte richt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 2], waarop [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zonder geld te hebben ontvangen en met achterlating van de scooter weglopen.

Verdachte zegt tegen medeverdachte dat hij de scooter mee moet nemen. Ook heeft verdachte geroepen tegen [slachtoffer 2] dat ze verder zouden praten als hij zijn neefje zou respecteren. Medeverdachte heeft dat ook gehoord. Vervolgens heeft medeverdachte de scooter gepakt en is daarop weggereden, met verdachte als passagier.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van afpersing, niet bewezen is, nu op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de scooter en het kentekenbewijs onder dwang zijn afgegeven door [slachtoffer 1].

Naar het oordeel van de rechtbank is er tussen verdachte en medeverdachte sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering voor wat betreft de wederrechtelijke toe-eigening van de scooter, zodat kan worden gesproken van medeplegen.

Medeverdachte heeft weliswaar gesteld dat zijn opzet niet op de wederrechtelijke toe-eigening van de scooter was gericht, maar de rechtbank acht dat opzet wel bewezen. Het aandeel van de medeverdachte bestaat hierin dat hij de scooter heeft meegenomen – en daarmee de daadwerkelijke wegnemingshandeling heeft verricht – terwijl hij wist dat daarvoor niet was betaald. Naar het oordeel van de rechtbank kan het namelijk niet anders dan dat medeverdachte, gelet op hetgeen verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd over de ripdeal en het hebben van respect voor zijn neefje, op het moment dat hij de scooter pakte wist dat verdachte niet voor de scooter had betaald.

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of er voldoende bewijs voorhanden is voor medeplegen van de ten laste gelegde bedreiging met geweld als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde mondelinge bedreigingen op grond van het ontbreken van voldoende bewijsmiddelen niet kunnen worden vastgesteld. Aangeefster [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren daaromtrent niet gelijkluidend en er zijn geen andere bewijsmiddelen voorhanden die dat deel van de tenlastelegging kunnen ondersteunen. Verdachte zal dan ook van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Op grond van de hierna op te nemen bewijsmiddelen staat voldoende vast dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 2] heeft gericht. Medeverdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat verdachte een dergelijk voorwerp bij zich droeg. Medeverdachte stond met de rug naar verdachte toe en deze heeft niet gezien of begrepen dat verdachte het vuurwapen op [slachtoffer 2] heeft gericht. De rechtbank stelt vast dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit zou kunnen blijken dat medeverdachte wist dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich had, of dat hij heeft gezien of begrepen dat verdachte dat voorwerp op [slachtoffer 2] heeft gericht. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging met geweld, bestaande in het richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, niet kan worden bewezen dat verdachte en medeverdachte ook daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt, zodat dat deel van de tenlastelegging alleen ten aanzien van verdachte bewezen verklaard kan worden en hij van het medeplegen in zoverre dient te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank overweegt met betrekking tot hetgeen subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd het volgende.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014104319, gesloten op 21 oktober 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0200-2014104319-2, d.d. 20 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1] (blz. 66, 67):

Ik doe aangifte van diefstal middels geweldpleging van mijn scooter, merk Gilera Runner, Deze bromfiets is mijn eigendom. Vandaag 20 september 2014 heeft mijn vriend [slachtoffer 2] via WhatsApp mijn bromfiets te koop aangeboden.

Hierop werd gereageerd door een jongen die wij kennen als [medeverdachte]. Hij woont op [straat] te [pleegplaats]. [medeverdachte] belde vandaag omstreeks 20.00 uur. Hij zei dat bij de scooter wilde kopen.

[slachtoffer 2] maakte met [medeverdachte] de afspraak om de scooter af te leveren op [straat] te [pleegplaats]. [medeverdachte] zei dat bij met zijn oom onderweg was naar [pleegplaats]. Ik was samen met [slachtoffer 2] al op [straat]. [medeverdachte] belde omstreeks 21.30 uur weer en vroeg of ik met de scooter naar de woning van [medeverdachte] kon komen om daar de koop en aflevering te doen plaatsvinden. Wij kwamen daar omstreeks 21.35 uur aan. Ik zag dat [medeverdachte] en een man daar lopend aan kwamen. Deze man was [medeverdachte]’s oom, althans dat zei [medeverdachte]. [medeverdachte] had eerder gezegd dat zijn oom de scooter voor hem zou betalen.Wij stopten daar. Er werd over en weer wat over de scooter gesproken.

Plotseling trok die oom een pistool vanuit de voorzijde van zijn broeksband. Die oom richtte het pistool op [slachtoffer 2]. Ik zag dat [slachtoffer 2] weg liep. Ik bleef eerst staan. [slachtoffer 2] riep tegen mij dat ik mee moest komen. Vervolgens reden [medeverdachte] en zijn oom weg op de scooter. [medeverdachte] was de bestuurder. Zowel [medeverdachte] als die oom hadden niet het recht mijn scooter weg te nemen en deze zich toe te eigenen.

1.2.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0200-2014104319-6, d.d. 21 september 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2] (blz. 69 - 71):

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben 20 september 2014, omstreeks 20.30 uur, door iemand bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Ik bevond mij toen op de openbare weg [straat], ter hoogte van [perceel] te [pleegplaats]. Ik was daar samen met mijn vriendin [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1] en ik hadden afgesproken met een man genaamd [medeverdachte], wonende [straat] te [pleegplaats]. [slachtoffer 1] had via whatsapp haar scooter, merk Gilera Runner, te koop aangeboden. [medeverdachte] had daarop gereageerd.

Via zijn whatsapp liet hij weten dat hij de scooter van [slachtoffer 1] wilde kopen en dat zijn oom een deel van het geld wilde voorschieten en dat hij, [medeverdachte], de rest maandag a.s. zou komen betalen.

Ik ben toen met [slachtoffer 1] naar de afgesproken plek op [straat] gereden. Dit was ter hoogte van de woning van [medeverdachte]. [slachtoffer 1] en ik kwamen op haar scooter over [straat] aanrijden en ik zag toen [medeverdachte] op een paaltje zitten. Ik zag dat [medeverdachte] in zijn linkerhand een helm had.

Ook zag ik een andere Antilliaanse man in de directe omgeving van [medeverdachte] lopen. [medeverdachte] vertelde ons dat dit zijn oom uit Rotterdam was. Wij zijn met de scooter bij [medeverdachte] gestopt. Ik zag toen dat de oom van [medeverdachte] rondom de scooter liep. Ik hoorde de oom zeggen waar de papieren van de scooter waren. Ik zag verder dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp van onder zijn shirt vandaan haalde. Ik zag namelijk dat hij een vuurwapen pakte. Ik zag dat hij dit vuurwapen op mij richtte en gericht hield. Ik was bang dat hij mij zou neerschieten. Ik vreesde voor mijn leven. Ik heb toen tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Kom we gaan”. We zijn toen weggelopen. Ik zag toen dat [medeverdachte] op de scooter van [slachtoffer 1] wegreed en dat zijn oom die mij zojuist had bedreigd met een vuurwapen achterop de scooter zat.

1.3.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 02CL114054-KOLEOS-NOOD!/02CL114054-1, d.d. 22 september 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van

[medeverdachte] (blz. 93 - 95):

V: Kun je zeggen wat er gisteren gebeurd is?

A: Ik krijg nog geld van [slachtoffer 2]. Ik vraag al langere tijd aan hem om mij dat geld te betalen. Tot nu toe heeft hij mij niet betaald. Ik had dope aan hem verkocht. Dat moet hij nog betalen.

V: Wat gebeurde er toen jij en [slachtoffer 2] elkaar troffen zaterdagavond.

A: [slachtoffer 2] kwam samen met zijn vriendin [slachtoffer 1] op een scooter naar [straat].

Ik was samen met een vriend. Ik zag hem samen met zijn vriendin [slachtoffer 1] aankomen op een scooter. Ik zou die scooter kopen. Ik zag dat [slachtoffer 2] en zijn vriendin wegliepen. Mijn vriend zei toen dat ik de scooter moest pakken en wegrijden. Ik heb geen geld betaald.

V: Heeft je vriend geld betaald voor de scooter?

A: Ik denk het niet.

1.4.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 02CL114054-KOLEOS-NOOD!/02CL114054-2, d.d. 23 september 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte] (blz. 96 - 99):

V: Wij weten dat de oom van jouw is genaamd [verdachte], wonende te [woonplaats]. Klopt dat?

A: Dat klopt. Ik noem hem [bijnaam].

V: [bijnaam] was dus met je meegelopen naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] die daar met de scooter waren.

A: [bijnaam] was zeker op de hoogte van de problemen die ik met [slachtoffer 2] heb. Ik kreeg nog geld van hem. [bijnaam] hoorde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op de scooter aankomen rijden. [bijnaam] sprak [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan. Ik bleef op een paar meter afstand staan. Ik hoorde ook dat mijn oom tegen [slachtoffer 2] zei dat hij mij geript had. [bijnaam] zei tegen mij dat ik de bromfiets mee moest nemen. Ik heb de scooter gepakt en ben samen met [bijnaam] weggereden op de scooter. Vlak voordat we wegreden hoorde ik [bijnaam] tegen [slachtoffer 2] roepen: "Als je mijn neefje respecteert, praten we verder".

1.5.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 02CL114054-KOLEOS/02CL114054-5, d.d. 30 september 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte (blz. 106 - 109):

Ik ben naar [pleegplaats] gekomen en ik kreeg van mijn neefje een telefoonnummer van die man. Ik heb die man toen gebeld. We hebben toen even gepraat en we maakten een afspraak om elkaar te ontmoeten. Bij die ontmoeting waren mijn neefje [medeverdachte] en die man en vrouw. Het was 20 september 2014. Wij ontmoeten elkaar. We waren dus met 4 personen. Ik zei tegen die jongen dat hij mijn neef moest betalen anders nam ik zijn scooter mee.

1.6.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 02CL114054-KOLEOS/02CL114054-6, d.d. 1 oktober 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte (blz. 111 - 113):

V: Er zijn drie personen die het over een wapen hebben. De twee aangevers en ook je neefje [medeverdachte] schrijft via de whatsapp dat er een wapen was.

A: Het was een speelgoed wapen.

V: Hoe zag dat wapen er uit?

A: Het was een zilverkleurig wapen.

V: Toen je het wapen in je hand nam wat zei je toen tegen de aangevers?

A: Ik zei toen dat ik de scooter mee zou nemen. Ik had het pistool in mijn rechterhand.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 20 september 2014 te [pleegplaats], in de gemeente Leeuwarden, op de openbare weg [straat], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter van het merk Gilera, type Runner, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte, alleen,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn heeft gehaald en vervolgens dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 2] heeft gericht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Subsidiair: Diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit is voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte voorlichtingsrapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een scooter. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat dit feit in vereniging en door bedreiging met geweld is gepleegd.

De onderhavige scooter werd verdachtes medeverdachte te koop aangeboden. Nadat verdachte en zijn medeverdachte op de afgesproken plaats waren gekomen waar de koop zou worden afgerond, heeft verdachte aangeefster deze scooter afhandig gemaakt, waarbij hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op haar vriend heeft gericht en er daarna samen met zijn medeverdachte zonder te betalen vandoor is gegaan op de scooter.

Verdachte heeft door het bewezen verklaarde feit aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander en het dreigen met geweld jegens personen om die goederen in handen te krijgen daarbij niet te schuwen.

Blijkens de reclasseringsrapportage is verdachte eerder wegens geweldsdelicten op Bonaire veroordeeld. Verdachte heeft dit ter terechtzitting ook bevestigd. Deze veroordelingen, hebben verdachte er niet van weerhouden wederom een geweldsdelict te plegen.

De reclassering vermoed dat er sprake is van psychische problematiek, maar de diagnostiek hieromtrent ontbreekt. Daarnaast spelen volgens de reclassering het gebruik van alcohol, verdachtes houding en vaardigheden en antisociale gedragingen een rol. De reclassering acht diagnostiek wenselijk, gelet op de delictgeschiedenis, de opstelling in het huidig delict en om de draagkracht/draaglast van verdachte te bepalen. De reclassering schat het recidiverisico hoog-gemiddeld in.

Geadviseerd wordt om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een gedragsinterventie, het ondergaan van een ambulante behandeling en een alcoholverbod.

De rechtbank zal dit advies opvolgen en verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met de genoemde bijzondere voorwaarden opleggen, met dien verstande dat zij het alcoholverbod zal beperken tot de eerste 6 maanden van de proeftijd.

Gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en met in achtneming van de landelijke oriëntatiepunten, daarbij rekening houdend met een verhoging vanwege recidive, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Voorts zal de rechtbank aan verdachte de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twee maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 5 werkdagen na zijn invrijheidstelling meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21, 9727 KB Groningen.

Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een Leefstijltraining, aangeboden door GI-GGZ, of een soortgelijke instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven.

3. dat veroordeelde zijn medewerking zal verlenen aan een intakegesprek bij de AFPN en indien nader geïndiceerd zich onder behandeling zal stellen bij de AFPN of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling/behandelaar aan te geven, en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, een en ander in overleg met de reclassering.

4. dat veroordeelde zich gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd van drie jaren zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2014.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Vlietstra

locatie Leeuwarden,

Van Dijk

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730367-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 11 december 2014

Tegenwoordig:

mr. A.H.M. Dölle, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. N.A. Vlietstra, rechters, en

A. van Dijk, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. H.J. Mous.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De voorzitter belast de jongste rechter met de leiding van het onderzoek.

Het onderzoek vindt plaats met bijstand van W.E.A. van Windt, wonende te Harlingen, tolk Papiamento, nu verdachte heeft aangegeven de Nederlandse taal onvoldoende te beheersen. De tolk verklaart te zijn ingeschreven in het register van beëdigde tolken en vertalers en beëdigd te zijn.

Het ter terechtzitting gesprokene is vertolkt.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de jongste rechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

…………………….

De jongste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 23 december 2014 te 13:00 uur.

Verdachte doet afstand van zijn recht bij de uitspraak van het vonnis aanwezig te zijn.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.