Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6721

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
18.920226-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een verplichte klinische opname,

terzake van poging tot zware mishandeling, beschadiging en het voorhanden hebben van een ploertendoder.

Verdachte heeft het slachtoffer (deels) met het bovenlichaam over de balustrade van een overloop vanaf de 3e etage geduwd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 302, 350, geldigheid: 2015-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer 18/920226-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], thans [verblijfplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 16 december 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J. Kroeze, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 18 oktober 2014, in de gemeente Meppel, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten

[slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet, met kracht met zijn, verdachtes, arm(en) en/of

hand(en) die [slachtoffer] bij de keel en/of hals heeft gegrepen en/of gepakt

en/of de keel en/of de hals van die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgedrukt

en/of dichtgedrukt gehouden en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (deels) met

haar (bovenlichaam) over de balustrade van een trap/overloop (vanaf de 3e

etage) heeft geduwd, althans heeft getracht te duwen, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2014, in de gemeente Meppel,

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer] de woorden

toegevoegd: "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking;

3.

hij op of omstreeks 18 oktober 2014, in de gemeente Meppel, opzettelijk en

wederrechtelijk een deur, van een woning gelegen aan de [adres], in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 18 oktober 2014 te [pleegplaats] een of meer wapens van categorie

I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. H. Supèr acht hetgeen onder 1 (impliciet subsidiair), 2, 3 en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een klinische opname (maximaal 1 jaar) en mogelijk een ambulant vervolgtraject. Dadelijke uitvoerbaarheid van de te stellen voorwaarden;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], ten bedrage van € 3.000,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht -anders dan de officier van justitie en de raadsman van verdachte- niet bewezen, dat aan het bewijsminimum is voldaan. In het dossier blijkt van twee op verschillende tijdstippen gedane bedreigingen van aangeefster. Voor elke bedreiging is telkens maar één bewijsmiddel in het dossier aanwezig.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank onder 1, 3 en 4 bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer]1;

- de verklaring van [verbalisant]2;

- de verklaring van [getuige 1]3;

- de verklaring van [getuige 2]4;

  • -

    een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant];

  • -

    de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 oktober 2014, in de gemeente Meppel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met zijn handen die [slachtoffer] bij de keel heeft gegrepen en vervolgens die [slachtoffer] (deels) met haar bovenlichaam over de balustrade van een overloop vanaf de 3e etage heeft geduwd, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 18 oktober 2014, in de gemeente Meppel, opzettelijk en wederrechtelijk een deur, van een woning gelegen aan de [adres], toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd;

4.

hij op 8 oktober 2014 te [pleegplaats] een wapen van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1, 3 en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 45 in verbinding met artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer], beschadiging van haar woningdeur en het voorhanden hebben van een ploertendoder.

De rechtbank acht met name de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] een zeer ernstig feit. Verdachte heeft het slachtoffer bij haar keel gegrepen en heeft haar daarna deels over de balustrade bij haar flatwoning geduwd. Het slachtoffer heeft hierbij doodsangsten uitgestaan en ondervindt nog steeds psychische gevolgen -zoals ook blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring- van het door verdachte uitgeoefende geweld.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met voormelde eis van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman van verdachte. Zowel de officier van justitie als de raadsman achten een klinische behandeling van verdachte verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel aangewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de behandeling na een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden dient plaats te vinden. De raadsman acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de reeds ondergane preventieve hechtenis aangewezen, zodat verdachte op 18 december 2014 ter behandeling in de FPK kan worden opgenomen.

De rechtbank houdt tevens rekening met de inhoud de reclasseringsrapportages en het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 november 2014, waaruit blijkt dat verdachte reeds meerdere malen eerder terzake van geweldsmisdrijven -onder andere tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen- is veroordeeld.

Vanwege voormelde ernst van de bewezen verklaarde delicten en verdachtes justitiële documentatie is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden dient te worden opgelegd. De door de raadsman bepleite onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet geen recht aan de ernst van met name het onder 1. bewezen verklaarde feit is samenhang bezien met het strafblad. De rechtbank zal tevens 5 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Daarnaast zal aan dit strafdeel, ter voorkoming van recidive, als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldplicht, een klinische behandeling en een mogelijk ambulante vervolgbehandeling worden verbonden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zal de rechtbank, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit onder 1 en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot een bedrag van € 500,00 voldoende aannemelijk gemaakt. De vordering is dan ook gegrond en tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het meer gevorderde onvoldoende aannemelijk is gemaakt en zal dat deel van de vordering afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 27, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan een gedeelte groot 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het wetboek van strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich binnen 14 dagen na het uitspreken van dit vonnis (telefonisch) meldt bij de reclassering van de VNN, Overcingellaan 19 te Assen, en zich hierna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen en afspraken die in dit kader opgesteld worden;

  • -

    wordt verplicht om zich klinisch te laten opnemen in de FPK te Assen of soortgelijke instelling, voor een termijn van maximaal 1 jaar, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven.

  • -

    dient -indien geïndiceerd- mee te werken aan een door de reclassering te bepalen ambulant vervolgtraject, gericht op zijn agressieregulatie- en/of verslavingsproblematiek.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot toezicht op de naleving van

de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden overeenkomstig artikel

14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de op grond van artikel 14c Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2014 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst het overige deel van de vordering af.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2014 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag, bij gebreke van betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter,

en mr. C. Brouwer en mr. M. van der Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 december 2014,

zijnde mrs. Brouwer en van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 op pagina 13 van het proces-verbaal van politie Noord-Nederland, registratienummer: PL0100-2014120698 (het PV)

2 op pagina 18/19 van het PV

3 op pagina 24/25 van het PV

4 op pagina 26/27 van het PV