Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6713

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
18.840059-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen zware mishandeling en openlijk geweld. Strafmaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77, 141, 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/840059-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

18 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 december 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.F. Severs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] (meermalen) in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] met een ander of anderen, op of aan, althans zichtbaar vanaf, de openbare weg(en), de [weg], in elk geval op of aan, althans zichtbaar vanaf, een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het (meermalen) schoppen/trappen en/of stompen en/of slaan in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen van die [slachtoffer 1], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt en/of geslagen, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk (meermalen) in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen te schoppen/trappen en/of stompen en/of slaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] met een ander of anderen, op of aan, althans zichtbaar vanaf, de openbare weg(en), de [weg], in elk geval op of aan, althans zichtbaar vanaf, een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het (meermalen) schoppen/trappen en/of stompen en/of slaan in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen van die [slachtoffer 1], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt en/of geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] (meermalen) in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] (meermalen) in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 augustus 2014 te [pleegplaats] met een ander of anderen, op of aan, althans zichtbaar vanaf, de openbare weg(en), de [weg], in elk geval op of aan, althans zichtbaar vanaf, een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het (meermalen) schoppen/trappen en/of stompen en/of slaan in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen van die [slachtoffer 2], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 2] in het gezicht, althans

tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt en/of geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde, het medeplegen van een poging tot doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte beide aangevers tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt. Iemand tegen het hoofd schoppen levert een poging tot doodslag op. Bewezen kan worden dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte heeft gezien dat zijn medeverdachte ook geweld pleegde tegen de aangevers en verdachte heeft zich daar niet aan onttrokken. Dat één en ander van tevoren niet nauwkeurig was gepland, brengt niet mee dat er geen sprake kan zijn van nauwe en bewuste samenwerking.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 1 meest subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de [getuigen] niet betrouwbaar geacht kunnen worden wegens innerlijke tegenstrijdigheden en daarom niet mee mogen werken aan het bewijs.

De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat - wanneer de rechtbank de verklaringen van de getuigen wel betrouwbaar acht- er een veroordeling kan volgen voor het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde

Op grond van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte eenmaal op/tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 1] heeft getrapt. Gezien de kwetsbaarheid van het hoofd en de kracht die doorgaans bij een trap vrijkomt, is dat een handeling die in beginsel een aanmerkelijk risico op het overlijden van het slachtoffer meebrengt.

De rechtbank stelt echter ook vast dat aangever zijn hoofd met zijn armen beschermde op het moment dat hij tegen zijn hoofd werd geschopt. Onder die omstandigheden kan niet zonder meer van een aanmerkelijke kans op de dood worden gesproken. De rechtbank neemt daarbij in dit geval in aanmerking dat uit de letselverklaring en de foto's van aangevers verwondingen slechts blijkt van relatief beperkt letsel in het gezicht. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Op grond van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte en zijn medeverdachte geweld hebben gepleegd tegen aangever. Wie van hen beiden verantwoordelijk is geweest voor het geweld dat de beenbreuk heeft veroorzaakt, kan echter niet worden vastgesteld. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat het door aangever opgelopen zwaar lichamelijk letsel het gevolg is van het door verdachte gepleegde geweld zoals aan hem is ten laste gelegd, zodat de rechtbank verdachte tevens zal vrijspreken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de stukken in het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 2] heeft geschopt. Evenmin acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes medeverdachte de aangever tegen het hoofd heeft geschopt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het onder 2 subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.

Op basis van de verklaringen van aangever en verdachte, noch op basis van de verklaringen van de getuigen is naar het oordeel van de rechtbank vast te stellen dat het door verdachte/en of zijn medeverdachte op aangever uitgeoefende geweld met voldoende intensiteit is geschied om een poging tot zware mishandeling op te leveren. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus 2014, opgenomen op pagina 112 e.v. van dossier nummer PL0100-2014105285 d.d. 24 september 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Op 14 augustus 2014 omstreeks 21:45 uur ging ik naar [discotheek] in [pleegplaats]. Rond 00:50 uur ben ik naar buiten gegaan. Ik werd achtervolgd door [persoon 1] en [persoon 2] en door meer, maar wie precies weet ik niet. Vervolgens zag ik dat zij begonnen te rennen. Ik zag dat [slachtoffer 3] flink op zijn hoofd werd geslagen door een paar jongens die ik niet ken. Ik merkte dat ik onderuit ging, vermoedelijk werd ik onderuit getrapt. Toen lag ik op de grond en heb ik mijn armen over mijn hoofd gedaan. Hierna werd er flink op mij ingetrapt. Ik voelde veel trappen tegen mijn lichaam.

Een overig schriftelijk bescheid, zijnde een geneeskundige verklaring betreffende

[slachtoffer 1] d.d. 15 augustus 2014, opgenomen op pagina 120 van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gebroken dijbeen. Geschatte duur van de genezing: 6 maanden.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus 2014, opgenomen op pagina 131 e.v. van dossier nummer PL0100-2014105285 d.d. 24 september 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], zakelijk weergegeven:

Vrijdag 15 augustus 2014, omstreeks 01:00 uur, liep ik met [slachtoffer 1] bij [discotheek] in [pleegplaats] naar buiten. De groep begon mij en [slachtoffer 1] wat te duwen. Terwijl [slachtoffer 1] en ik wegliepen voelde ik op een gegeven moment dat ik op de linkerzijde van mijn gezicht een klap kreeg. Ik voelde ook een klap langs mijn neus. Ik weet niet of dit één keer gebeurde of dat ik twee keer een klap kreeg. Ik viel door de klap(pen) tegen de deur of muur aan.

Een proces-verbaal d.d. 15 augustus 2014, opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 15 augustus liep ik samen met mijn [vriend] de [discotheek] uit. Ik zag [verdachte] en [persoon 1] achter [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] aan rennen. [verdachte] en [persoon 1] renden achter [slachtoffer 3] aan. [slachtoffer 3] zat daar bij een grote witte garagedeur. Ik zag dat [slachtoffer 3] zijn armen om zijn hoofd deed. [verdachte] trapte [slachtoffer 3] met zijn rechterbeen in de buik, tegen zijn been en tegen zijn ribben. [persoon 1] heeft [slachtoffer 3] 5 à 6 keer geslagen. Ik haalde [verdachte] en [persoon 1] van [slachtoffer 3] af.

Een proces-verbaal d.d. 18 augustus 2014, opgenomen op pagina 178 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik zag toen dat [persoon 1] achter [slachtoffer 1] aan was gegaan. [slachtoffer 1] stond toen stil, toen [persoon 1] bij hem aan kwam. [persoon 1] schopte tegen [slachtoffer 1] aan. Ik zag dat [slachtoffer 1] meteen door deze trap op de grond viel. Ik zag dat [persoon 1] ongeveer vier keer met volle vaart tegen de buik/maag van [slachtoffer 1] schopte. Sebas heeft [verdachte] bij [slachtoffer 3] weggeduwd. [verdachte] rende toen door naar [persoon 1] en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] lag toen al op de grond en [persoon 1] schopte [slachtoffer 1]. Ik zag dat [verdachte] een aanloop nam en tegen het gezicht van [slachtoffer 1] trapte.

Een proces-verbaal d.d. 27 augustus 2014, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Ik had ruzie met een jongen. Ik wilde zijn telefoon afpakken. Ik ben achter de jongen aangerend en ik trapte hem onderuit. Er kwam een tweede jongen aan en die wilde mij een trap geven. Ik heb [slachtoffer 3] een paar keer getrapt terwijl hij op de grond lag.

Een proces-verbaal d.d. 26 augustus 2014, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2], zakelijk weergegeven:

Ik zag [persoon 1] er heen rennen en ook [verdachte]. Ik keek achterom en ik zag dat [verdachte] de jongen die ik in zijn gezicht had geslagen in elkaar trapte. De jongen lag toen op de grond. Ik zag dat [verdachte] die jongen trapte op zijn heupbeen. [verdachte] heeft een hard schot met voetbal en hij schopte er vol op in, 'boem boem boem'. Ik heb [persoon 1] 1 keer zien trappen tegen de kuit van die tweede jongen.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2014, opgenomen op pagina 150 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van [verbalisanten], zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 15 augustus 2014 om 01:15 uur kregen wij de melding om met spoed te gaan naar [discotheek] te [pleegplaats], omdat een grote groep personen iemand in elkaar zou slaan. Aanrijdend zagen wij op de kruising [weg] een groep jeugdigen staan en we zagen één persoon op de grond liggen.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen elkaar op cruciale punten ondersteunen. De verschillen tussen deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank dusdanig gering, dat daaraan geen argument kan worden ontleend om ze als onbetrouwbaar aan te merken.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte samen met kracht hebben staan inschoppen op aangever. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door samen met zijn medeverdachte meerdere malen met kracht tegen het been van aangever te trappen, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zwaar lichamelijk letsel aan zijn been zou oplopen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het letsel dat aangever heeft opgelopen, een gebroken dijbeen waaraan aangever moest worden geopereerd en waarvan wordt geschat dat het herstel maanden zal duren, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd.

Dat niet is komen vast te staan wie van beide verdachten de trap heeft uitgedeeld die tot het zwaar lichamelijk letsel heeft geleid, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake, nu beide verdachten geweldshandelingen hebben verricht die tot het zwaar lichamelijk letsel zouden hebben kunnen leiden. Op grond hiervan kan medeplegen bewezen worden verklaard. De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde

De door de rechtbank voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen ondersteunen elkaar op cruciale punten. De verschillen tussen deze verschillende verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank dusdanig gering, dat daaraan geen argument kan worden ontleend om ze als onbetrouwbaar aan te merken. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1 meer subsidiair

hij op 15 augustus 2014 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een ander aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen tegen de benen te schoppen/trappen.

2 meer subsidiair

hij op 15 augustus 2014 te Stadskanaal met een ander, op de openbare weg, de [weg], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meermalen schoppen/trappen en/of slaan in het gezicht en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen van die [slachtoffer 2].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 meer subsidiair: medeplegen van zware mishandeling

2 meer subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 201 dagen met aftrek, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft hij aangegeven dat een poging doodslag in beginsel met een onvoorwaardelijke jeugddetentie dient te worden afgedaan, echter het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor langere duur dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de positieve ontwikkeling van verdachte die sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in gang is gezet, doorkruisen.

Aan het voorwaardelijke deel van de straf moet de bijzondere voorwaarde van (het reeds ingezette) toezicht door de jeugdreclassering met ITB-Criem worden verbonden. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie gelet op de ernst van de feiten. Aan de andere kant heeft de officier van justitie heel zwaar laten wegen dat verdachte niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld en dat hij erg jong is. Daarnaast heeft de officier van justitie het opleggen van een taakstraf voor de duur van 150 uren en een leerstraf voor de duur van 35 uren gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, gepleit voor jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, voortzetting van ITB-Criem gekoppeld aan een voorwaardelijke straf en een leerstraf in de vorm van TACT.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] door hem meerdere malen hard tegen zijn been te trappen. [slachtoffer 1] heeft geen enkele aanleiding gegeven tot dit gewelddadig optreden. Als gevolg van het geweld heeft hij een gebroken dijbeen opgelopen waaraan hij moest worden geopereerd. Het is nog onduidelijk in hoeverre hij volledig zal herstellen.

Hoe ingrijpend de gevolgen voor aangever en zijn familie zijn is gebleken uit de namens hem ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Aangever is tot op de dag vandaag aan het revalideren en in november 2014 is hij voor de tweede keer aan zijn dijbeen geopereerd. Daarnaast is aangever onder professionele behandeling in verband met de angstgevoelens die hij aan het strafbare feit heeft overgehouden.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld in vereniging tegen een tweede slachtoffer. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. De vrienden van aangevers en andere personen die die nacht uit [discotheek] kwamen, zijn ongewild getuige geweest van voornoemde twee incidenten. Ook in zijn algemeenheid draagt het plegen van geweld onder de ogen van derden bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank overweegt dat voor de bewezenverklaarde feiten, gezien de ernst daarvan, in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is.

Mede gelet op de rapportage van Bureau Jeugdzorg/jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming en hetgeen namens deze instellingen ter zitting naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat er ingezet moet worden op de ontwikkeling van verdachte. De rechtbank heeft in dat oordeel mede betrokken dat verdachte zich na de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, waaronder deelname aan het traject ITB-Criem. Tot slot heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Ondanks dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde, zal zij verdachte dezelfde straf opleggen als door de officier van justitie gevorderd is. Een lagere straf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

De rechtbank zal aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te noemen duur opleggen. Enerzijds doet de rechtbank dit om te voorkomen dat verdachte wederom dergelijke strafbare feiten zal plegen. Anderzijds legt de rechtbank een voorwaardelijke straf op om daaraan noodzakelijk geachte bijzondere voorwaarden te verbinden. De rechtbank acht de voortzetting van de reeds ingezette begeleiding door de jeugdreclassering gedeeltelijk in het kader van ITB-Criem wenselijk.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een taakstraf en een leerstraf van na te noemen duur opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 7.300,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade geheel kan worden toegewezen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Er is nog niets bekend over de eindsituatie van de benadeelde partij. Het aanhouden van de zaak om de uiteindelijke hoogte van de schade aan te tonen zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Het gaat om tot op heden geleden schade. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en zijn raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2014.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank bepaalt dat verdachte niet tot vergoeding van de schade dan wel de proceskosten is gehouden voor zover deze reeds door zijn mededader zijn voldaan.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade geheel kan worden toegewezen. De immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 500,=.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en zijn raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

15 augustus 2014.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank bepaalt dat verdachte niet tot vergoeding van de schade dan wel de proceskosten is gehouden voor zover deze reeds door zijn mededader zijn voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en

2 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Jeugddetentie voor de duur van 201 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige jeugddetentie doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal melden bij zijn begeleider van Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem door of namens voornoemde instelling zullen worden gegeven en hij gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd (het reeds ingezette traject) ITB Criem zal volgen.

Draagt genoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Een taakstraf voor de duur van 150 uren.

De taakstraf moet binnen 12 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Een leerstraf voor de duur van 35 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 17 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat de leerstraf bestaat uit de gedragsinterventie TACT (individueel).

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 1 meer subsidiair)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 7.320,72 (zegge: zevenduizend driehonderd twintig euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 7.320,72 (zegge: zevenduizend driehonderd twintig euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 2.320,72 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 2 meer subsidiair)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.193,47 (zegge: duizend honderd drieënnegentig euro en zevenenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 1.193,47 (zegge: duizend honderd drieënnegentig euro en zevenenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 193,47 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mrs. A.F. Gerding en

J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2014.