Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6709

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
18.720073-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging zware mishandeling. Inrijden met een auto op een persoon.

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat een poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Immers om tot een bewezen verklaring te komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachtes (voorwaardelijke) opzet gericht was op het beroven van aangever van zijn leven. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze opzet niet afgeleid worden uit de gedragingen van verdachte in combinatie met de concrete omstandigheden. In dit verband overweegt de rechtbank dat omtrent de snelheid waarmee verdachte op aangever inreed onvoldoende duidelijkheid bestaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 63, geldigheid: 2015-01-08
Wegenverkeerswet 1994 179A, geldigheid: 2015-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720073-14 en vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 18/17/880309-12.

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 september 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 12 augustus 2013, te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, (althans) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door verdachte bestuurde (personen)auto met hoge en onverminderde snelheid is ingereden op of toegereden naar, althans is gereden in de richting van, die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 12 augustus 2013, te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door verdachte bestuurde (personen)auto met hoge en onverminderde snelheid ingereden op of toegereden naar, althans gereden in de richting van, die [slachtoffer 1];

2.

verdachte op of omstreeks 20 april 2013, te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 2]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet vanaf korte afstand een (ijzeren) staaf of een tafelpoot, in elk geval een hard en/of stevig voorwerp, naar of in de richting van die [slachtoffer 2] heeft gegooid of geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 20 april 2013, te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een (ijzeren) staaf of een tafelpoot, in elk geval een hard en/of stevig voorwerp, in diens gezicht en/of tegen diens lichaam, althans enig(e) lichaamsde(e)l(en) te gooien of te werpen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak voor het onder 2. primair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1. primair en 2. subsidiair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: 1. een meldplicht bij de reclassering, 2. een contactverbod met de familie [slachtoffer 1] en 3. een locatieverbod voor het [gebied];

- ten aanzien van de bijzondere voorwaarden bepalen dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn;

- een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden;

- tenuitvoerlegging van de op 8 juli 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van

€ 300,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 9 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op de avond van 12 augustus 2013 in Leeuwarden gereden in de Volvo voorzien van het [kenteken]. Ik heb deze auto geparkeerd op de [straat 2] in Leeuwarden.

2. De door getuige [slachtoffer 1] op de terechtzitting van 9 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Verdachte is op 12 augustus 2013 in [pleegplaats] op de [straat 1] op mij ingereden. Hij kwam vanaf de [weg] en reed in een Volvo. Verdachte naderde mij dusdanig hard in zijn auto dat ik aan de kant moest springen om een aanrijding te voorkomen.

Ik heb verdachte herkend aan de Volvo waarin hij altijd reed en ik heb hem goed kunnen zien toen hij zo goed als stil naast mij stond, nadat hij had geprobeerd op mij in te rijden.

3. De door [getuige 1] op de terechtzitting van 9 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag op 12 augustus 2013 dat een persoon in een oude Volvo een man probeerde aan te rijden op de [straat 1] door recht op hem af te rijden. De man kon net op tijd voor de auto wegspringen.

4. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02GL 2013102020, gesloten op 11 september 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

4.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL 2013089371-16, d.d. 14 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van relaas van [verbalisant]:

Op 14 augustus 2013 werd een getuige gehoord welke had gezien dat een manspersoon een voertuig, een Volvo 940, groen van kleur, voorzien van het [kenteken], voor zijn woning aan de [straat 2] parkeerde. De getuige verklaarde dat de man deze auto op maandagavond omstreeks 23:00 uur voor zijn woning parkeerde.

De getuige gaf hierbij een signalement op van de persoon die de bestuurder van deze

auto was.

Hij gaf aan:

- dat het een blanke man betrof;

- dat hij hem tussen de 190 en 195 centimeter schatte;

- dat de man een slank tot normaal postuur had;

- dat de man kaal danwel zeer kort haar had;

De getuige had niet op de kleding van de man gelet. Het was getuige niet opgevallen of de man gezichtsbeharing had. Het opgegeven signalement door getuige komt overeen met het signalement van [verdachte]. Volgens het systeem van politie HKS is de lengte van [verdachte] 188 centimeter.

Overweging rechtbank

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1. ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe onder meer betoogd dat niet vast is komen te staan dat de Volvo waarmee op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) is ingereden ook de Volvo is die verdachte op 12 augustus 2013 in gebruik had. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat het verdachte was die de Volvo bestuurde die op 12 augustus 2013 op [slachtoffer 1] inreed. De verklaring van [slachtoffer 1] dat hij verdachte achter het stuur zag zitten wordt immers door geen enkele andere getuige bevestigd. Voorts zijn de getuigenverklaringen zo uiteenlopend dat niet te construeren is wat er nu precies gebeurd is tijdens die bewuste avond van 12 augustus 2013, aldus de raadsman van verdachte. Ook is niet bekend wat de intentie was van de bestuurder van de Volvo toen deze op [slachtoffer 1] afreed. Tot slot betrof het een oude en zware auto, zonder stuurbekrachtiging die juist de hoek omkwam en volgens zeggen van [slachtoffer 1] naast [slachtoffer 1] tot stilstand kwam, waardoor wel duidelijk is dat de snelheid niet bijzonder hoog geweest kan zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] betrouwbaar. Het enkele feit dat in deze verklaringen op enkele punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of door tijdsverloop. Het gaat om de indruk die de verklaringen als geheel maken en om de wijze waarop deze zijn afgelegd.

De rechtbank neemt deze verklaringen dan ook als uitgangspunt.

De rechtbank stelt op grond van het volgende vast dat het verdachte was die op de bewuste avond van 12 augustus 2013 de Volvo bestuurde die op [slachtoffer 1] afreed.

[slachtoffer 1] heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij verdachte achter het stuur zag zitten. Verschillende getuigen hebben verklaard dat de auto die met te hoge snelheid door de wijk reed een donkere Volvo van een oud model was. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij ten tijde van 12 augustus 2013 over een dergelijke Volvo beschikte. Dat blijkt ook uit een aangifte die hij zelf enkele dagen eerder bij de politie heeft gedaan ter zake vernieling van deze Volvo. De politie heeft de Volvo waarover verdachte beschikte op 13 augustus 2013 aangetroffen op de [straat 2]. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat een Volvo omstreeks 23.00 uur werd geparkeerd op de [straat 2] te [pleegplaats] door een slanke, blanke, lange man, met heel kort haar. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de avond van 12 augustus 2013 met de Volvo heeft gereden: hij is er eerst mee naar de supermarkt geweest en heeft later op de avond de auto verplaatst naar de [straat 2].

Aan de verklaring van verdachte dat hij de auto op een eerder tijdstip dan 23:00 uur heeft verplaatst en dat mogelijk een andere persoon in de Volvo heeft gereden, omdat verschillende andere personen een sleutel van deze auto hebben en ook gebruik maken van deze auto, acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de voorgaande verklaringen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 1] en het signalement dat [getuige 2] heeft gegeven komt overeen met verdachte.

Daarmee staat voor de rechtbank wel vast dat het verdachte was die de Volvo in de late avond van 12 augustus 2013 bestuurde.

Onder 1. primair wordt verdachte onder meer verweten dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door met de auto op hem in te rijden.

De rechtbank is van oordeel dat een poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Immers om tot een bewezen verklaring te komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachtes (voorwaardelijke) opzet gericht was op het beroven van [slachtoffer 1] van zijn leven. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze opzet niet afgeleid worden uit de gedragingen van verdachte in combinatie met de concrete omstandigheden. In dit verband overweegt de rechtbank dat omtrent de snelheid waarmee verdachte op [slachtoffer 1] inreed onvoldoende duidelijkheid bestaat.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze snelheid niet onbeperkt hoog geweest kan zijn omdat het een oude zware auto betreft die vanaf de [weg] een scherpe bocht moest maken en de auto volgens aangever [slachtoffer 1] naast hem tot stilstand is gekomen. Daarnaast is door de knik in de [straat 1] het zicht in de [straat 1] beperkt op het moment dat men de [straat 1] vanaf de [weg] inrijdt. Ook dit maakt dat de bestuurder van een auto gedwongen wordt zijn snelheid te matigen.

Onder 1. primair wordt verdachte tevens verweten dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door op hem in te rijden. Om tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde te komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] was gericht. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarbij speelt een rol de kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte is ingereden op [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat verdachte recht op hem afreed en dat hij ternauwernood aan de kant kon springen en zijn hond aan de riem kon wegtrekken. [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de auto recht op [slachtoffer 1] afreed en dat deze met zijn hondje moest wegspringen om niet geraakt te worden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een aanrijding tussen een personenauto en een persoon hoe beperkt de snelheid ook is, tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. De rechtbank acht derhalve bewezen dat er bij verdachte sprake was van op zijn minst voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1]. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Onder 2. primair wordt verdachte verweten dat hij heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] toe te brengen door op korte afstand een ijzeren staaf naar hem te gooien.

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte een hard en stevig voorwerp naar aangever [slachtoffer 2] heeft gegooid. Dat heeft verdachte ter zitting ook erkend. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden op welke afstand [slachtoffer 2] zich op dat moment van verdachte bevond en van welk materiaal het voorwerp was gemaakt. De verklaringen van aangever en verdachte zijn op deze punten tegenstrijdig. Of de gedragingen van verdachte zodanig waren dat daarin besloten ligt het (voorwaardelijk) opzet om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het onder 2. primair ten laste gelegde dan ook, net als de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat voor haar niet vast is komen te staan of en waar [slachtoffer 2] is geraakt door dat voorwerp. De rechtbank wijst in dat verband erop dat aangever [slachtoffer 2] daags na het incident aangeeft dat hij een verwonding heeft opgelopen aan zijn gezicht, boven zijn oog en over zijn gehele rechter wang. Twee dagen later verklaart aangever dat hij pijn aan zijn linkerknie, aan de gewrichten van zijn knieën en op de linkerzijde van zijn bovenlichaam had en dat verdachte deze verwondingen heeft toegebracht door hem met een ijzeren staaf te slaan en deze naar hem toe te gooien. Nu deze verklaringen van een en dezelfde aangever innerlijk tegenstrijdig zijn, gaat de rechtbank aan deze verklaringen voorbij. Aangezien zich in het dossier geen andere bewijsmiddelen bevinden die aantonen welk letsel aangever bekomen heeft als gevolg van het gooien met de staaf zal de rechtbank verdachte ook van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 12 augustus 2013, te [pleegplaats], in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door verdachte bestuurde personenauto is ingereden op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages door Reclassering Nederland d.d. 13 augustus 2014, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is, nadat hij met te hoge snelheid door een woonwijk heeft gereden, op [slachtoffer 1] ingereden. Dit heeft niet alleen grote schrik aangejaagd bij [slachtoffer 1] maar ook bij de mensen die toevallig hiervan getuige waren. Een en ander had heel anders af kunnen lopen als [slachtoffer 1] niet de tegenwoordigheid van geest had gehad om snel weg te springen en zijn hondje voor de wielen van de Volvo van verdachte weg te trekken.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte al meermalen is veroordeeld, waarbij relevant is dat verdachte ook meermalen is veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Kort voor onderhavig feit is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht is opgelegd.

Het reclasseringsrapport van 13 augustus 2014 geeft aan dat verdachte de laatste jaren in mindere mate met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorts wordt genoemd dat verdachte is gestopt met het gebruik van harddrugs en alcohol en dat verdachte afstand lijkt te hebben genomen van negatieve en risicovolle personen. De reclassering concludeert tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf onder de bijzondere voorwaarde van de meldplicht. Ter zitting heeft verdachte de keer ten goede bevestigd en in dat verband verklaard dat een detentie een grote impact op hem zal hebben omdat hij dan geen invulling kan geven aan de zorg van zijn minderjarige zoon in de weekenden. Ter voorkoming van een detentie is verdachte bereid de contacten met de reclassering te continueren.

De rechtbank neemt voorts in overweging dat het ten laste gelegde voortvloeit uit een reeds langlopend conflict met de familie [slachtoffer 1]. Daarbij heeft de rechtbank oog voor de rol die ook de familie [slachtoffer 1] in het conflict zal hebben. Dit doet echter niet af aan de omstandigheid dat zolang dat conflict blijft bestaan, niet uit te sluiten is dat zich nieuwe incidenten zullen voordoen.

De rechtbank acht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gezien de recente ontwikkelingen aangaande de persoon van de verdachte niet wenselijk en zal een werkstraf van 180 uren opleggen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het advies van de reclassering volgen en tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van twee maanden met een proeftijd van drie jaren. Op deze wijze kan de positieve ontwikkeling die verdachte door lijkt te maken geborgd worden. De rechtbank hecht eraan dat verdachte in contact blijft met de reclassering en de instructies van de reclassering opvolgt. Als bijzondere voorwaarde zal dan ook de meldplicht opgelegd worden.

Nu de conflictsituatie met de familie [slachtoffer 1] de oorzaak is geweest van het te laste gelegde feit, zal ook een contactverbod met de familie [slachtoffer 1] opgelegd worden. Het gevorderde straatverbod zal de rechtbank beperken tot de [weg], zijnde de straat waar de familie [slachtoffer 1] woont.

De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, nu het conflict nog steeds aanwezig is.

Tot slot zal de rechtbank verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 maanden opleggen, aangezien hij het feit heeft begaan met zijn personenauto en deelnemend aan het verkeer.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat de gestelde geleden schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. De benadeelde partij en verdachte hebben immers al gedurende een langere periode ruzie, waaronder beide partijen

-zoals zij beide stellen- lijden.

De rechtbank is aldus van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 8 juli 2013, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 juli 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 21 augustus 2014 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor onder 1. primair bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 8 juli 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 22c, 22d, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. primair en 2. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

1. dat veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], en [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 3], beide wonende te [weg], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en met uitzondering van een eventueel te voeren bemiddelingsgesprek;

2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van 3 jaren niet zal bevinden op de [weg], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. dat veroordeelde zich binnen 5 dagen na de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van feit 1. primair voorts ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 4 (vier) maanden

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

17/880309-12:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 8 juli 2013, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Dölle, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 september 2014.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Wijma

locatie Leeuwarden,

De Vries-Haitsma

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720073-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 9 september 2014

Tegenwoordig:

mr. I.M. Dölle, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. L.G. Wijma, rechters, en

mr. E. de Vries-Haitsma, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. P.F. Hoekstra.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

De bode deelt mee dat de getuigen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [getuige 1] zich in de hal bevinden.

… …

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 23 september 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.