Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6708

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
17.885400-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben.

Betrouwbaarheid verklaringen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht, geldigheid: 2015-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885400-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 november 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte in of omstreeks de periode van 28 februari 2011 tot en met 4 april 2011,

te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Opsterland, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [benadeelde partij], die bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, op 28 februari 2011 in staat van faillissement was verklaard, tezamen en in vereniging met anderen of anderen, althans alleen, ter bedrieglijke bedriegelijke verkorting van de rechten van de schuldeisers ((nagenoeg) de gehele) kantoorinventaris en/of ((nagenoeg) de gehele)

werkplaatsinventaris en/of ((nagenoeg) de gehele) winkelinventaris en/of ((nagenoeg) de gehele) winkelvoorraad, in elk geval enig(e) goed(eren), aan de boedel onttrokken heeft,

immers heeft verdachte en/of (één of meer van) verdachtes mededaders ((nagenoeg) de gehele) kantoorinventaris en/of ((nagenoeg) de gehele) werkplaatsinventaris en/of ((nagenoeg) de gehele) winkelinventaris en/of ((nagenoeg) de gehele) winkelvoorraad,

verkocht en/of de opbrengst van die verkochte kantoorinventaris en/of werkplaatsinventaris en/of winkelinventaris en/of winkelvoorraad, althans dat/die goed(eren), niet in de kas van die rechtspersoon en/of op een (bank)rekening van die rechtspersoon gestort, in elk geval niet afgedragen aan de curator, en in elk geval enig vermogensbestanddeel voortkomende uit de verkoop van dat/die goederen niet ten goede doen of laten komen aan de boedel

en/of (de resterende) kantoorinventaris en/of werkplaatsinventaris en/of winkelinventaris en/of winkelvoorraad, in elk geval dat/die (resterend(e) goed(eren), (over)gebracht of doen of laten overbrengen, naar een (of meer) plaats(en) onbekend aan de curator, en aldus/althans (telkens) buiten het bereik en beheer van de curator gebracht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij] tot een bedrag van € 36.353,71, voor het overige niet-ontvankelijk verklaring van de vordering.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

De verklaring van [persoon 1] acht de officier van justitie geloofwaardig, nu deze verklaring niet alleen het meest waarschijnlijk is maar ook wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Dat verdachte het feit ontkent en ogenschijnlijk geen financieel motief heeft, doet daar niet aan af. Verdachte heeft blijkbaar op dat moment een grote behoefte gehad aan de opbrengst van de verkoop van de goederen en onvoldoende rekening gehouden met de consequenties daarvan, aldus de officier van justitie.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat [persoon 1] de hele inboedel van de winkel heeft verkocht. Het bewijs dat verdachte hiertoe opdracht heeft gegeven komt slechts uit één bron, namelijk die van [persoon 1]. Voor zover steunbewijs zou kunnen worden gevonden in de verklaringen van [persoon 2], kan niet uitgesloten worden dat [persoon 1] en [persoon 2] elkaar hebben beïnvloed. Bovendien zijn de verklaringen van [persoon 1] niet betrouwbaar: [persoon 1] heeft aantoonbaar gelogen in zijn verklaringen en daarom moeten deze verklaringen worden uitgesloten van het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Vaststaande feiten

Op grond van wettige bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Op 28 februari 2011 is [benadeelde partij] bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden in staat van faillissement verklaard. Verdachte was de bestuurder van deze rechtspersoon.

Op 11 maart 2011 is de winkel door de curator in aanwezigheid van verdachte gesloten. Verdachte heeft toen sleutels van de winkel aan de curator overhandigd.

Op 29 maart 2011 is de curator terug gegaan naar de winkel en constateerde hij dat de gehele winkel, op een aantal goederen na, zoals stellingen en een heftruck, leeg was.

De curator zag vervolgens op 31 maart 2011 dat de heftruck was weggenomen en op 4 april 2011 dat ook de stellingen weg waren.

Beoordeling

[persoon 1] heeft -kort samengevat- verklaard dat hij in opdracht van verdachte gedurende ongeveer drie weken goederen van het bedrijf [benadeelde partij] heeft verkocht vanuit de winkel van het bedrijf in [pleegplaats]. De goederen die niet verkocht waren, heeft hij bij het ontruimen van het pand elders opgeslagen. [persoon 1] heeft niet alleen een deel van de opbrengst afgedragen aan verdachte, maar ook zelf een deel van de opbrengst gehouden, aldus [persoon 1].

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door [persoon 1] afgelegde verklaringen stelt de rechtbank voorop dat zijn verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals hierna wordt overwogen. Daar komt bij dat [persoon 1] niet alleen verdachte, maar ook zichzelf belast. Dat [persoon 1] niet geheel gelijkluidende verklaringen heeft afgelegd, maakt niet dat al zijn verklaringen onbetrouwbaar moeten worden geacht. Dit is immers te verklaren door zijn gewijzigde proceshouding tijdens het vierde politieverhoor op 8 maart 2012. De verklaringen die hij vanaf dat moment heeft afgelegd zijn consistent. De rechtbank acht de verklaringen die [persoon 1] vanaf het vierde politieverhoor op 8 maart 2012 heeft afgelegd betrouwbaar en verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in onderhavige zaak de verklaringen van [persoon 1] dat hij opdracht had gekregen van verdachte om de goederen van verdachtes bedrijf te verkopen, steun vinden in andere wettige bewijsmiddelen, zoals hieronder bij de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Het gaat dan met name om de verklaring van [persoon 2] over het bezoek van verdachte, waarbij verdachte hem heeft gezegd dat hij te weinig voor de heftruck had betaald en de vele telefoongesprekken die in de periode rond de leegverkoop van de winkel hebben plaatsgevonden tussen [persoon 1] en verdachte.

De enkele omstandigheid dat de getuige [persoon 2] een rol heeft gehad bij de uitvoering van de verkoop van de goederen, maakt niet dat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn.

Verdachte heeft eerst ter zitting verklaard dat het klopt dat hij bij [persoon 2] geweest is om te zeggen dat hij te weinig had betaald voor de heftruck, en wel omdat hij op dat moment in overleg met de curator voor de belangen van de boedel opkwam. Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig, reeds omdat verdachte eerder consequent heeft betwist iets dergelijks tegen [persoon 2] gezegd te hebben. De door verdachte gegeven verklaring over het grote aantal telefoongesprekken dat hij in de periode rond de verkoop van de goederen met [persoon 1] heeft gevoerd of heeft geprobeerd te voeren, acht de rechtbank eveneens niet aannemelijk. De rechtbank vermag niet in te zien dat verdachte zoveel belang zou hebben bij een door [persoon 1] aan hem te leveren lease auto dat hij daar tot wel 140 telefoongesprekken aan zou wijden, waarvan het overgrote deel onbeantwoorde telefoontjes zouden zijn geweest.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervoor veroordelen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 november 2014:

Op 28 februari 2011 is het bedrijf [benadeelde partij] in staat van faillissement verklaard. Ik was de bestuurder van deze rechtspersoon. Er zijn na het faillissement goederen uit deze B.V. verkocht, zonder dat de opbrengst hiervan is afgedragen aan de [curator].

Ik heb in het voorjaar van 2011 wel 140 telefonische contacten gehad of geprobeerd te hebben met [persoon 1].

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2011038357, gesloten op 27 maart 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal aangifte, nummer 2011038357-1, d.d. 15 april 2011 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [aangever] namens [benadeelde partij]:

Ik ben als curator gerechtigd om aangifte te doen van diefstal van goederen en winkelinventaris uit het pand van [benadeelde partij] in [pleegplaats] aan [adres]. Op 11 maart 2011 is na overleg met [verdachte], directeur van [benadeelde partij] te [pleegplaats], de winkel aan [adres] gesloten. Samen met [verdachte] heb ik toen de winkel afgesloten en [verdachte] heeft mij de sleutels van de winkel overhandigd.

Op 29 maart 2011 ben ik naar de winkel aan [adres] te [pleegplaats] gegaan. Toen ik bij de winkel aankwam zag ik dat de hele winkel leeg was.

Alleen was er achter in de winkel nog een gedeelte van ongeveer 3 bij 3 meter waar artikelen in de stelling stonden.

Ik zag dat de stellingen en schappen nog wel in de winkel aanwezig waren, maar dat de goederen er dus uit waren gehaald. Ik zag dat een heftruck nog in de opslagruimte aanwezig was.

Op grond van de fiscale regels was de opbrengst van de inventaris voor de boedel, dit is de curator.

Op donderdag 31 maart 2011 ging ik weer bij het pand aan [adres] te [pleegplaats] kijken. Ik zag toen dat de vorkheftruck ook weggenomen was. Ook zag ik dat de pc's uit de kantoorruimte waren weggenomen en dat de werkplaatsinventaris helemaal weg was. Op 4 april 2011 ging ik weer in de winkel kijken. Ik zag toen dat de stellingen ook uit de winkel aan [adres] te [pleegplaats] waren weggenomen.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal verhoor verdachte, nummer 2011038357-40, d.d. 8 maart 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 1]:

Voordat u mij vragen stelt, wil ik u zelf iets verklaren. Ik heb zelf dingen gedaan die 'niet in de haak waren'. Ik heb daar spijt van. Ik heb dit in opdracht gedaan van de gefailleerde van [benadeelde partij] te [pleegplaats]. Ik bedoel hiermee [verdachte].

O: Verbalisanten tonen [persoon 1] een aantal geschreven nota's welke door [persoon 2]

[persoon 2] aan de curator zijn gegeven. De curator heeft deze aan verbalisanten overhandigd.

V: [persoon 2] heeft hierover verklaard dat deze nota's door u zijn geschreven en

dat deze goederen op verschillende locaties opslagen stonden. Wat kunt u hierover verklaren?

A: Ik heb deze nota's geschreven. Deze goederen komen uit de boedel van [benadeelde partij] te [pleegplaats]. De goederen die hierop staan vermeld, heb ik naar verschillende locaties gebracht. Ik heb geprobeerd deze aan de man te brengen. Dat is niet gelukt, hierop heb ik alle goederen weer overgedragen aan [verdachte]. Ik heb de goederen voor een groot deel bij [verdachte] thuis in [plaats] gebracht.

Omdat [verdachte] niet alles kwijt kon, heb ik tot op de dag van vandaag ook nog een gedeelte in opslag in de boerderij op [adres 2] te [plaats 2]. Dit is de boerderij van [persoon 3].

V: [persoon 2] heeft verklaard dat hij aanwezig was toen u de stellingen uit de winkel van [benadeelde partij] [benadeelde partij] aan [persoon 4] heeft verkocht.

A: Dit klopt. Ik heb de stellingen inderdaad aan een man verkocht. Later hoorde ik dat dit [persoon 4] was. Ik heb geloof ik rond de 2000 euro voor deze stellingen in ontvangst genomen.

V:Wij hebben u eerder gevraagd over de telefonische contacten tussen u en [verdachte]. [verdachte] erkent dat er veelvuldig, wel 80 keer, telefonisch contact tussen u beiden is geweest. Waar gingen deze gesprekken over?

A: Hoe snel het ging. Ik bedoel hiermee met de verkoop. [verdachte] belde mij dan en zei: "hoe lijkt het" en "het schiet niet op" of woorden van gelijke strekking. Als [verdachte] zegt dat dit over de koop van een auto ging dan klopt dit gedeeltelijk. Hij belde omdat hij geld nodig had voor een auto, niet omdat ik een auto voor hem zou regelen. Hij had volgens mij al een optie op een auto, een Landrover Freelander geloof ik. Dat is dus niet doorgegaan omdat het met de verkoop van de goederen niet opschoot

V: Hoe is het eigenlijk ontstaan dat [verdachte] u heeft gevraagd de boel te verkopen?

A: We hadden al eerder contact gehad in verband met mijn vleeslevering. Op een gegeven moment ben ik dus met [persoon 5] in de zaak [benadeelde partij] geweest.

Enkele weken later had ik weer contact met [verdachte], ik was bij hem thuis en we bespraken de zaak [benadeelde partij]. [verdachte] verklaarde mij dat zijn dochter de zaak eerst wilde overnemen maar dat hij nog niet wist of dat wel door kon gaan. Hij vroeg mij, dat wanneer de overname door zijn dochter niet door zou gaan, of ik de boel leeg wilde halen. Ik ben hiermee akkoord gegaan. Dit is mondeling gegaan. Wij hebben geen schriftelijke overeenstemming ondertekend of zo. Ongeveer twee weken later heeft [verdachte] mij te kennen gegeven dat ik de zaak wel leeg kon halen. Ik weet niet wat de status van de winkel toen was. Ik weet dus niet of de zaak toen al failliet was. Ik weet wel dat er toen al minder goederen in de winkel stonden dan toen ik er met [persoon 5] was. Ik ben ongeveer drie weken met het leegruimen bezig geweest.

Ergens in deze drie weken, ongeveer in het midden, kwam er een persoon bij mij die mij verklaarde een apparaat op te halen. Hij had gehoord dat de zaak failliet was gegaan en hij wilde dus zijn apparaat terug. Op dit moment gingen bij mij de ogen ook open. Ik kreeg toen in de gaten dat het niet helemaal zuivere koffie was, wat ik aan het doen was. Maar ja, ik was toen al bezig en ben door gegaan. Dat is mijn fout geweest.

Kort samengevat verklaar ik dat [verdachte] mij gevraagd heeft de boedel uit zijn winkel te halen en proberen te verkopen. Ik heb dit niet aangeboden, [verdachte] heeft mij dit gevraagd. Ik heb hiermee wel ingestemd. Ik had toen nog niet door dat wat ik deed, niet pluis was.

Pas halverwege het leegruimen, ik denk dat ik toen zo’n anderhalve week bezig was, kreeg ik in de gaten dat het niet klopte. Omdat ik al bezig was, ben ik toch maar gewoon door gegaan.

U vraagt mij hoeveel ik uiteindelijk hieraan heb verdiend. Ik schat dat ik zo'n 5000 a 6000 euro in totaal heb ontvangen. Hiervan moesten nog de kosten af voor mijn brandstof en dergelijke. Ik schat dat ik ongeveer 2000 euro aan [verdachte] heb afgedragen.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal verhoor verdachte, nummer 2011038357-18, d.d. 5 maart 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 2]:

Ik heb zelf contact gelegd met de [curator]. Dit omdat er eens een manspersoon bij mij op de zaak binnen kwam lopen en naar een heftruck vroeg die ik gekocht had bij het pand van [benadeelde partij]. Ik heb de man toen nog gevraagd wat hij daar nou precies mee te maken had. Deze man vertelde toen dat hij [verdachte] was en dat [benadeelde partij] zijn zaak was en dat ik te weinig had betaald voor de heftruck aan de man waarvan ik hem weer had gekocht. Ik vond dit allemaal maar een vreemde gang van zaken. Ik kreeg toen het idee dat het niet allemaal klopte bij de verkoop van [benadeelde partij]. Ik heb toen op internet gegoogled en zag toen dat [benadeelde partij] failliet was gegaan. Ook zag ik de naam van een curator staan, namelijk [curator]. Ik heb hem toen opgebeld. [curator] was blij dat ik contact met hem op nam en dat er eindelijk iemand belde om de situatie wat op te helderen.

Ik weet niet meer precies wanneer dit geweest is, maar wanneer u zegt dat dit op 06 juni 2011 is, dan kan dit best kloppen.

V: U heeft verklaard tegenover de curator en de Rechter-Commissaris dat u een heftruck heeft gekocht bij [benadeelde partij] in [pleegplaats]. Hoe kwam u hierbij en van wie heeft u deze heftruck gekocht?

A: Ik hoorde via een kennis, genaamd [persoon 6], dat er een heftruck te koop was bij het pand van [benadeelde partij] te [pleegplaats]. Hij had dit ook weer via via gehoord. Dezelfde avond dat [persoon 6] mij belde, ben ik vanuit [plaats 3] naar [pleegplaats] gereden. Ter plaatse in [pleegplaats] zag ik een grote drukte. Er brandden allemaal lichten en er was allemaal volk. Ik denk dat het intussen al 21.00 uur was. [persoon 6] was er toevallig ook om iets te kopen. Hij wees mij een manspersoon aan die alle zaken daar regelt. Hij wees een kleine man aan. De kleine man stelde zich voor als [persoon 1].

Ik heb [persoon 1] verteld dat ik de heftruck, dit betrof een gele Fiat, die daar in het pand van [benadeelde partij] stond, wel wilde kopen. Wij hebben toen onderhandeld over de prijs. [persoon 1] vroeg volgens mij in eerste instantie iets van 1000 euro, uiteindelijk hebben wij iets van 800 afgesproken. Deze prijs vond ik wel redelijk.

V: U zou ook nog wat andere apparaten hebben gekocht. Wat voor apparaten waren dit?

A: Ik heb nog oud spul uit de werkplaats gekocht. Onder andere een brug, een werkbank, en kasten. Ik heb van alles nog wel een bon. Per stuk werd er afgesproken wat de prijs was en dit heb ik toen contant betaald. Deze spullen heb ik allemaal van [persoon 1] gekocht. De man waarvan ik de goederen kocht heeft zich voorgesteld als [persoon 1].

V: Wat weet u van de failliete winkel [benadeelde partij] te [pleegplaats]?

A: De avond waarover ik eerder verklaarde, was het erg druk met allerlei mensen. Het praat ging daar dat het bedrijf leeg moest omdat het verkocht was en schoon opgeleverd moest worden. Dit vertelde [persoon 1] mij daar. Dit vond ik een heel aannemelijk verhaal. [persoon 1] vertelde mij later dat hij in opdracht van de oude eigenaar van het pand, ene [verdachte], de goederen moest verkopen. De opbrengst moest [persoon 1] dus aan [verdachte], later bleek dit [verdachte], afstaan.

V: Uit de verklaring van [persoon 1] bij de civiele Rechter-Commissaris blijkt dat u goederen in opslag heeft gehad uit de failliete boedel van [benadeelde partij]. Wat is hiervan de aanleiding geweest?

A: [persoon 1] vertelde mij dat het pand van [benadeelde partij] voor zaterdag leeg moest. Zo kwam het uiteindelijk dat ik aanbood ook wat spul op te slaan. Ik heb pallets vol spul waaronder grasmachines, rollen gaas, inventaris spul en rolsteigers in opslag gehad. Dit was een vrachtwagen vol. Uit deze opslag heb ik wat spullen gekregen als vergoeding.

De spullen hebben ongeveer twee a drie weken bij mij gestaan. Ik wilde er toen wel weer vanaf. Ik heb toen contact met [persoon 1] gelegd en hem gevraagd de goederen op te halen. [persoon 1] heeft mij toen gevraagd de spullen naar een pand aan [locatie] te brengen. Dit is een boerderij. Vervolgens zijn we, hiermee bedoel ik [persoon 1] en ik, ook nog naar een oplegger geweest. Deze stond achter [locatie]. Tot slot zijn we nog naar [locatie 2] geweest.

V:Hoe lang heeft deze handel tussen u en [persoon 1] geduurd?

A: ik denk dat het in totaal zo’n drie, hooguit vier weken heeft geduurd.

V: Heeft u [persoon 1] ook wel in de bus van [benadeelde partij] zien rijden?

A: Ja, dat heb ik. [persoon 1] is meerdere malen met de bus van [benadeelde partij] bij mij geweest. Dit was een Citroen, mogelijk een Jumper. Er stond iets van [benadeelde partij] of [naam] op deze bus, het was voor mij 100% duidelijk dat dit een auto van het [benadeelde partij] bedrijf was.

V: Heeft hij toen ook met een aanhangwagen hierachter rondgereden? Zo ja, wat voor

aanhangwagen en van wie was deze?

A: Ja, dat heeft hij. Dit betrof een tandemmaster met een opdruk van [benadeelde partij] er op. Hier vervoerde [persoon 1] grasmaaiers mee, volgens mij stonden er zo'n 11 grasmaaiers op. [persoon 1] bracht deze spullen bij mij zodat ik ze kon proberen te verkopen.

V: Hoe vaak is [verdachte] bij u geweest?

A: [verdachte] is eenmaal bij mij geweest.

Dit was toen hij verhaal kwam halen over de heftruck die ik van [persoon 1] had gekocht. Ik heb hier reeds eerder over verklaard. Ik vermoed dat [verdachte] enkele dagen later nogmaals bij mij is geweest omdat de sleutel uit de heftruck weg waren. De heftruck stond buiten, de sleutels zaten met een tie-rap aan de heftruck vast. Toch waren ze weg, dit moet dus moedwillig zijn gebeurd. Hierop heb ik [persoon 1] gebeld, ik heb gebluft dat ik een camera had hangen waarop te zien was dat [verdachte] de sleutel mee nam. [persoon 1] heeft toen uiteindelijk de sleutel weer opgehaald bij [verdachte] en hij heeft mij toen de sleutel weer terug gegeven. Hierbij heeft [persoon 1] mij ook verteld dat [verdachte] de sleutel uit de heftruck gehaald had.

V: Op een zaterdag in maart 2011 bent u door enkele getuigen bij het pand van [benadeelde partij] gezien. Door deze getuigen is gezien dat u goederen aan het laden was.

Wat kunt u hierover verklaren?

A: Ja dit klopt. Ik heb toen mijn vrachtwagentje vol stellingen geladen. Deze heb ik gekocht van [persoon 1]. De vrijdag voor deze zaterdag is er nog een container geplaatst om oud ijzer af te voeren. Ik heb dit geregeld.

V: Hoeveel tijd heeft er tussen de koop van de heftruck en het bezoek van [verdachte] aan u gezeten?

A: Hier heeft wel een tijdje tussen gezeten, misschien wel twee maanden er na. Het was in ieder geval kort voor het gesprek met de [curator]. U vertelt mij dat dit gesprek 06 juni 2011 is geweest, dat zou best kunnen kloppen.

De laatste zaterdag, dus de dag waarop de winkel leeg moest, zouden de stellingen die nog in de zaak aanwezig waren in de oud ijzer container worden geladen. Op het laatste moment kwam er nog een belangstellende die de stellingen wel wilde kopen. Volgens mij was dit een man met een hondje, misschien was hier ook nog een jongere jongen bij met rood haar. Ik geloof dat deze man en jongen wel belangstelling hadden voor de stellingen omdat zij daar in de buurt een timmerbedrijf hadden en hierbij een winkel wilden beginnen ofzo. U zegt mij de naam [persoon 4]. Dit is inderdaad de persoon die ik bedoel. Deze [persoon 4] heeft de stellingen gekocht en betaald bij mij of [persoon 1]. Dat weet ik niet meer.

De prijs was rond de 2000 euro, ik weet het niet meer precies. Deze stellingen zijn dezelfde ochtend nog door deze [persoon 4] en een paar anderen opgehaald.

V: U heeft bij de civiele Rechter-Commissaris verklaard dat u bij telefoongesprekken tussen [persoon 1] en [verdachte] bent geweest. Waaruit kon u dit opmaken en wat werd er gezegd?

A: Meestal ging het erom dat hij centen af moest dragen aan [verdachte]. Met hij bedoel ik [persoon 1]. [persoon 1] was dan bij mij op de zaak in [plaats 4] en belde dan met een persoon. Ik heb hem horen zeggen: "Ja [verdachte], ik kom er zo aan" en "O, dat is die [verdachte] weer". Hij zei dan tegen mij: "Hij zit maar te mekkeren over de centen". [persoon 1] vertelde mij dat hij het geld af moest dragen aan [verdachte], dat dit de grote baas was. Hierdoor was het voor mij duidelijk dat [persoon 1] de opbrengst van de verkoop moest afstaan aan [verdachte]. U vraagt mij bij hoeveel gesprekken tussen [persoon 1] en [verdachte] ik ben geweest. Ik denk dat ik bij zo'n 6 of 7 keer wel bij een gesprek geweest. Elke keer als [persoon 1] bij mij was, belde [verdachte] bijna wel. Of andersom.

2.4

een ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, nummer 2011038357-12, d.d. 31 januari 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 4]:

Ik ben eigenaar van [bedrijfsnaam] te [pleegplaats]. Mijn zaak staat niet ver van het pand van [benadeelde partij]. Vorig jaar passeerde ik bij toeval het pand van [benadeelde partij]. Ik wist dat deze winkel failliet was gegaan. Ik zag toen een grote oud ijzerbak staan op het terrein van [benadeelde partij].

Omdat ik wel interesse had in oud ijzer, besloot ik het terrein op te gaan. Ik zag daar een man staan die druk aan het bellen was. Hierdoor kreeg ik de indruk dat de man alles aan het regelen was. Ik vroeg de man of de stellingen welke nog opgesteld in het pand stonden ook te koop waren. De man vertelde mij dat de stellingen al verkocht waren. Uiteindelijk gaf hij aan dat de nieuwe eigenaar de stellingen wel wilde doorverkopen aan mij. Ik moest hiervoor 2.500 euro betalen. Ik ben hiermee akkoord gegaan. Ik heb gelijk contant het geld betaald.

De man zei dat ik de stellingen nog dezelfde dag uit het pand moest halen. Ik heb wat vrienden gebeld en toen hebben wij gezamenlijk die stellingen allemaal verwijderd. Voordat wij alle stellingen afbraken, heb ik nog foto's gemaakt zodat ik een idee had hoe ik de boel weer moest opbouwen. Zoals u in het fotobestand op mijn computer kunt zien, zijn deze foto's genomen op 2 april 2011.

2.5.

Een schriftelijk bescheid, te weten de beschikking van de Rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht d.d. 28 februari 2011, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De rechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, verklaart [benadeelde partij], gevestigd te [pleegplaats], [adres] in staat van faillissement.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

verdachte in de periode van 28 februari 2011 tot en met 4 april 2011, te [pleegplaats], in de gemeente Opsterland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [benadeelde partij], die bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, op 28 februari 2011 in staat van faillissement was verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers goederen, aan de boedel onttrokken heeft, immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader goederen verkocht en de opbrengst van die verkochte goederen, niet afgedragen aan de curator, en goederen overgebracht of doen of laten overbrengen, naar plaatsen onbekend aan de curator, en aldus telkens buiten het bereik en beheer van de curator gebracht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages van Reclassering Nederland d.d.

18 september 2014, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.

Verdachte heeft goederen die tot de failliete boedel behoorden laten verkopen en laten opslaan op voor de curator onbekende plaatsen.

Ook heeft verdachte de verkoopopbrengst niet aan de curator afgedragen. Aldoende heeft verdachte de afwikkeling van het faillissement ernstig bemoeilijkt en financiële schade toegebracht aan de gezamenlijke schuldeisers.

De exacte verkorting van de rechten van de schuldeisers kan aan de hand van de stukken niet worden vastgesteld, maar het bedrag ligt tussen € 70.000,- tot € 125.000,-. Volgens de oriëntatiepunten van de rechtbanken geldt bij een dergelijk benadelingsbedrag als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf tot negen maanden of als daar aanleiding voor is een onvoorwaardelijke taakstraf met daaraan gekoppeld een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Uitgangspunt is dat de zaak in eerste aanleg met een eindvonnis is afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf het moment dat verdachte op 7 maart 2012 door de politie in verzekering is gesteld en is verhoord. Het opsporingsproces-verbaal van de strafzaak is op 27 maart 2012 gesloten en naar het openbaar ministerie gestuurd. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding niet de strafmodaliteit van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf toe te passen, maar die van de werkstraf.

De rechtbank acht de rol van verdachte ten opzichte van zijn mededader [persoon 1] strafverhogend: verdachte nam het initiatief tot het plegen van onderhavige delict door de mededader opdracht te geven goederen te verkopen en op te slaan.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de mededader [persoon 1] bij vonnis van 18/730223-14 17 oktober 2014 is veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur.

De rechtbank zal volstaan met oplegging van een werkstraf, en zal deze beperken tot 200 uren, gelet op het voorgaande.

Benadeelde partij

[curator] heeft in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [benadeelde partij] zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Alhoewel de rechtbank de curator bevoegd acht om deze vordering in te dienen - de opbrengst van de inventaris van de boedel is op grond van fiscale regels immers voor de curator en een machtiging van rechter-commissaris is voor het voegen in een strafzaak niet vereist - is de rechtbank van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te onderbouwen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 47 en 343 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 200 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [curator], curator in het faillissement van [benadeelde partij] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en

mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2014.

w.g.

Vlietstra

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Wijma

locatie Leeuwarden,

de Vries-Haitsma

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885400-12

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 25 november 2014

Tegenwoordig:

mr. N.A. Vlietstra, voorzitter,

mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.G. Wijma, rechters, en

mr. E. de Vries-Haitsma, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. R. de Graaf.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

……

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 9 december 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.