Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6679

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
C-17-126969 - HA ZA 13-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadebperkingsplicht; niet aanwenden rechtsmiddelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/126969 / HA ZA 13-136

Vonnis van 31 december 2014

in de zaak van

[A],

wonende te[woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.H. van der Wal te Leeuwarden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMELAND,

zetelend te Ballum,

gedaagde,

advocaat mr. J. Werle te (thans) Sneek.

Partijen zullen hierna [A] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 augustus 2014 (verder: het tussenvonnis)

  • -

    de akte van [A]

  • -

    de antwoordakte van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank - samengevat - overwogen en beslist dat de gemeente (in beginsel) aansprakelijk is voor de schade, die [A] lijdt als gevolg van de omstandigheid dat de raad van de gemeente het bestemmingsplan “Recreatieterrein Nes-Buren 2007” heeft vastgesteld, als gevolg waarvan in de nabijheid van zijn woning de bouw van een recreatiewoning mogelijk is gemaakt, en aan welk plandeel nadien door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) goedkeuring is onthouden. Naar aanleiding van het beroep van de gemeente op art. 6:101 BW (vanwege de omstandigheid dat [A] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de verlening van de bouwvergunning voor een recreatiewoning, die hangende de beroepsprocedure tegen de goedkeuringsbeslissing van het bestemmingsplan is aangevraagd en verleend) heeft de rechtbank partijen opgedragen om bij akte in te gaan op de vraag of het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de goedkeuringsbeslissing van het bestemmingsplan (in combinatie met een bezwaarschrift tegen de bouwvergunning) volgens hen een redelijke kans van slagen zou hebben gehad. In rechtsoverweging 4.5.2. heeft de rechtbank overwogen dat het achterwege laten van zo’n verzoek ertoe kan leiden dat de schade volledig door de burger moet worden gedragen.

2.2.

[A] heeft in zijn akte uiteengezet dat de werkzaamheden van zijn advocaat zich hebben beperkt tot de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan. Nadat hij had geconstateerd dat er op het perceel naast hem bouwwerkzaamheden plaatsvonden, heeft hij zich tot zijn advocaat gewend, maar de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de bouwvergunning (en daarmee dus ook voor het indien van een verzoek om voorlopige voorziening tegen de goedkeuringsbeslissing van het bestemmingsplan) was op dat moment al verstreken. Verder heeft [A] naar voren gebracht dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening volgens hem geen redelijke kans van slagen zou hebben gehad. Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 blijkt dat het goedkeuringsbesluit is vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. De Voorzitter van de Afdeling zou naar alle waarschijnlijkheid (voorlopig) hebben geoordeeld dat dit gebrek gemakkelijk te repareren zou zijn en daarom niet tot schorsing zijn overgegaan. Overigens zou het - aldus nog steeds [A] - niet terecht zijn dat de vordering afstuit op art. 6:101 BW nu hij een leek is op dit gebied en de gemeente - alhoewel daartoe geen verplichting bestaat - hem niet heeft gewezen op de verlening van de bouwvergunning.

2.3.

De gemeente heeft allereerst - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad over verruimde mogelijkheden voor de rechter om terug te komen op bindende eindbeslissingen in tussenvonnissen - betoogd dat de rechtbank moet terugkomen op rechtsoverweging 4.2.1. van het tussenvonnis. Hierin is kort gezegd overwogen dat met de vernietiging van de goedkeuringsbeslissing ook de onrechtmatigheid van het vaststellingsbesluit door de raad is gegeven. Volgens de gemeente is dit oordeel onjuist, in de eerste plaats vanwege de omstandigheid dat de bouwvergunning voor de recreatiewoning naast de woning van [A] als het schadeveroorzakende besluit moet worden aangemerkt en dit besluit door de civiele rechter voor rechtmatig moet worden gehouden. Daarnaast is dit oordeel onjuist omdat de aansprakelijkheid afstuit op het relativiteitsvereiste en het ontbreken van causaal verband. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

2.3.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN8521) het volgende overwogen. De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie (HR 4 mei 1984, nr. 12141, LJN AG4805, NJ 1985/3). Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, nr. C06/250, LJN BC2800, NJ 2008/553).

2.3.2.

De rechtbank constateert dat de gemeente haar eerdere verweer ten aanzien van de schadeoorzaak in de akte herhaalt. Dit verweer is door de rechtbank besproken in rechtsoverweging 4.2.1. en 4.3 van het tussenvonnis en vervolgens gemotiveerd verworpen. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze beslissing onjuist zou zijn.

2.3.3.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat de gemeente in de antwoordakte voor het eerst een beroep doet op het relativiteitsbeginsel. Het betreft hier derhalve een nieuw verweer van de gemeente. De rechtbank is van oordeel dat, wat er verder ook zij van dat verweer, dit als tardief moet worden beschouwd nu de aktewisseling na het tussenvonnis uitsluitend nog plaatsvond met het oog op het verweer van de gemeente dat de vordering op de schadebeperkingsplicht moet afstuiten. Terzijde wordt overwogen dat het - anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004 (“Duwbak Linda”) - hier gaat om de vernietiging van een bestemmingsplan, welk plan mede de strekking heeft om rechtszekerheid te verschaffen aan belanghebbenden in en nabij het plangebied.

2.3.4.

Ook voor wat betreft het (ontbreken van) causaal verband moet worden vastgesteld dat het om een nieuw verweer gaat, althans voor zover de gemeente thans aanvoert dat als een gebrekkig besluit door middel van het nemen van een nieuw te nemen besluit gerepareerd kan worden, volgens jurisprudentie van de Afdeling in beginsel geen causaal verband wordt aangenomen indien het rechtmatige besluit tot dezelfde schade leidt. Volgens de gemeente had de raad destijds terdege mogelijkheden om het motiveringsgebrek te herstellen. De rechtbank is onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging van oordeel dat ook dit verweer niet te maken heeft met het leerstuk inzake het terugkomen op een bindende eindbeslissing, maar een nieuw verweer betreft dat bij de huidige stand van de procedure als tardief moet worden beschouwd. Overigens moet worden vastgesteld dat gedeputeerde staten (die, zoals in het tussenvonnis is overwogen, in de procedures over de goedkeuringsbeslissingen nauw optrokken met de raad) er niet in zijn geslaagd om het motiveringsgebrek van de eerste goedkeuringsbeslissing van 16 december 2008 te repareren, getuige de beslissing van de Afdeling van 25 april 2010 om zelf in de zaak te voorzien en goedkeuring te onthouden aan onder meer het plandeel met de aanduiding “Nieuwbouw recreatiewoning toegestaan” naast het perceel van [A]. De rechtbank kan de gemeente dan ook niet volgen in haar stelling dat “de Raad van haar Gemeente destijds terdege mogelijkheden had om het motiveringsgebrek te herstellen.” Dit standpunt van de gemeente staat overigens ook haaks op hetgeen zij onder randnummer 30 en verder van haar antwoordakte in het kader van de schadebeperkingsplicht door [A] aanvoert (zie ook hierna).

2.4.

Het vorenstaande brengt mee dat er geen termen aanwezig zijn om thans anders te oordelen over de aansprakelijkheid van de gemeente. Enkel dient nog beoordeeld te worden of de vordering dient af te stuiten op art. 6:101 BW. De gemeente heeft in haar antwoordakte naar voren gebracht dat zij er van uitgaat dat een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de goedkeuringsbeslissing een redelijke kans van slagen zou hebben gehad. Uit jurisprudentie blijkt dat de Voorzitter van de Afdeling in gevallen als de onderhavige meer belang lijkt te hechten aan het voorkomen van onomkeerbare situaties, dan aan de voorlopige rechtmatigheidstoets. Maar ook indien vooral de rechtmatigheid van de goedkeuringsbeslissing door de Voorzitter zou zijn beoordeeld, was de kans op schorsing groot geweest. In de bodemprocedure heeft de raad immers niet aannemelijk weten te maken dat het motiveringsgebrek voor wat betreft het bestreden plandeel eenvoudig te repareren was. Indien dat anders was geweest, dan zou door de Afdeling wel toepassing zijn gegeven aan de “bestuurlijke lus”, aldus nog steeds de gemeente.

2.4.1.

De rechtbank kan de gemeente volgen in haar verweer dat een verzoek om voorlopige voorziening een redelijke kans van slagen zou hebben gehad, op de gronden zoals door de gemeente uiteengezet. [A] heeft dan ook, door geen gebruik te maken van rechtsmiddelen (bezwaar tegen de bouwvergunning in combinatie met een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de goedkeuringsbeslissing hangende de beroepsprocedure die hij wel was begonnen) nagelaten om zijn schade te beperken. De rechtbank begrijpt op grond van de akte van [A] dat hij kennelijk pas zijn advocaat heeft benaderd op het moment dat de bouwwerkzaamheden waren begonnen. Op dat moment was de bezwaartermijn tegen de verlening van de bouwvergunning echter al verstreken. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis (rechtsoverweging 4.5.5.) heeft overwogen kon van [A] in redelijkheid worden gevergd om na te gaan wat zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden waren toen de bouwvergunning werd verleend. Nu hij dat niet (tijdig) heeft gedaan, heeft hij niet voldaan aan zijn verplichting om de schade te beperken. Dit geldt temeer omdat [A] geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat hij niet in actie is gekomen op het moment dat de bouwvergunning is verleend. [A] heeft hierover bij repliek (randnummer 8) opgemerkt dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij er op grond van de rechtsmiddelenclausule bij de goedkeuringsbeslissing van GS van uitging dat het aanvragen van een voorlopige voorziening na afloop van de beroepstermijn niet zou kunnen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis al overwogen dat in redelijkheid van [A] gevergd kon worden dat hij na zou gaan wat zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden waren toen de bouwvergunning werd verleend. Vastgesteld moet worden dat hij hierover pas informatie heeft ingewonnen toen de bezwarentermijn was voltooid. Overigens begrijpt de rechtbank dat [A] kennelijk wel op de hoogte was van de verlening van de vergunning, getuige de inhoud van de conclusie van repliek zoals hiervoor weergegeven. Uit hetgeen hij hieromtrent in zijn akte heeft aangevoerd zou evenwel ook kunnen worden afgeleid dat dit destijds juist niet het geval was, nu [A] zich in de akte erover beklaagt dat de gemeente - hoewel daartoe niet verplicht - hem niet van het verlenen van de bouwvergunning op de hoogte heeft gesteld. Deze standpunten zijn niet met elkaar verenigbaar. Wat daar verder ook van zij, ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [A] feitelijk niet wist van de verlening van de bouwvergunning, dan geeft dat geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. [A] wist immers (of moest dat redelijkerwijs weten) dat hangende de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan de destijds geldende bestemming de bouw van een recreatiewoning mogelijk maakte. Het was dan ook in de eerste plaats aan [A] om scherp te zijn op de verlening van eventuele bouwvergunningen in de nabijheid van zijn eigen woning en openbare bekendmakingen hieromtrent te volgen. Hij of zijn advocaat had in dat verband ook aan de gemeente kunnen vragen om hem van ontwikkelingen met betrekking tot het plandeel op de hoogte te houden. Weliswaar was het daarnaast voorstelbaar geweest dat de gemeente hem spontaan op de hoogte had gesteld van de verlening van de vergunning, maar de omstandigheid dat dit niet is gebeurd kan er gelet op het vorenstaande niet toe leiden dat het beroep op de schadebeperkingsplicht moet falen.

2.5.

Het vorenstaande, in samenhang beschouwd met rechtsoverweging 4.5.2. van het tussenvonnis, leidt de rechtbank tot de slotsom dat [A] de schade volledig zelf dient te dragen. De vordering zal daarom worden afgewezen. [A] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, voor zover die tot op heden zijn gevallen. De kosten van de gemeente worden vastgesteld op:

- EUR 589,00 griffierecht

- EUR 1.130,00 salaris advocaat (2,5 punt in tarief II)

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [A] in de kosten van het geding, aan de zijde van de gemeente tot op heden vastgesteld op een totaalbedrag van EUR 1.719,00;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.1

1 +fn 85