Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6658

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/1641
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetebesluit voor Wwb in werking getreden op 1 juli 2014. Boete wordt beoordeeld aan de hand van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb en de criteria gegeven in de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 (2014:3754). Hoewel het Boetebesluit in de onderhavige zaak niet van toepassing is, zoekt de rechtbank voor de beoordeling van de verwijtbaarheid aansluiting bij de criteria van artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit. Opzet en grove schuld zijn niet aangetoond. Van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake zodat de boete wordt vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag met afronding naar boven op een veelvoud van € 10,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/32

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 14/1641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], wonende te[plaats], eiser

gemachtigde: mr. U. van Ophoven

en

het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Groningen, verweerder

gemachtigde: mr. F.H. Grommers.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb), met ingang van 1 mei 2013 ingetrokken en een bedrag van € 3.157,38 bruto teruggevorderd.

Bij besluit van 8 januari 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 3.157,38.

Bij besluiten van 28 maart 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de door eiser gemaakte bezwaren van 3 december 2013 (gericht tegen het primaire besluit I) en van 21 januari 2014 (gericht tegen het primaire besluit II) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1.De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser ontving vanaf 16 maart 2011 een uitkering op grond van de Wwb naar de norm voor een alleenstaande. Eiser heeft aangegeven te wonen op het adres [adres] te[plaats].

1.2.

De broer van eiser heeft in september 2013 bij verweerder een beroep gedaan op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) en daarbij aangegeven (eveneens) op het adres [adres] te [plaats] woonachtig te zijn. Ter beoordeling van de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkering heeft er vervolgens op 5 september 2013 op genoemd adres een huisbezoek plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft de broer van eiser verklaard dat eiser en hij sinds 1 mei 2013 van woning hebben geruild en eiser dus sindsdien niet meer in[plaats], maar in [plaats] woonachtig is. Desgevraagd heeft de broer van eiser een overeenkomstige verklaring ondertekend. Op 5 september 2013 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 12 september 2013. Eiser is verschenen en heeft bij die gelegenheid een door hem op 12 september 2013 ondertekende verklaring overgelegd waarin staat dat zijn woonsituatie per 1 mei 2013 is gewijzigd en zijn nieuwe adres [adres] te [plaats] is. Omdat eiser tijdens het gesprek van

12 september 2013 verklaarde dat hij pas in augustus 2013 uit [plaats] is vertrokken, heeft verweerder hem vervolgens in de gelegenheid gesteld door middel van pintransacties aan te tonen dat hij tussen mei en augustus 2013 in [plaats] verbleef. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.


1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij besluit van 22 oktober 2013 (het primaire besluit I) de bijstandsuitkering van eiser vanaf 1 mei 2013 in te trekken op de grond dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft. Hierdoor kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld. Verweerder vordert de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode 1 mei 2013 tot en met 31 augustus 2013 ten bedrage van € 3.157,38 bruto van eiser terug.

1.4.

Bij brief van 22 oktober 2013 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt hem een boete gelijk aan het navorderingbedrag op te leggen wegens schending van zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb. Op 31 oktober 2013 heeft eiser op dit voornemen gereageerd. Verweerder heeft in deze reactie geen aanleiding gezien het boetebedrag te verlagen wegens verminderde verwijtbaarheid en eiser vervolgens bij besluit van 8 januari 2014 (het primaire besluit II) een boete van € 3.157,38 opgelegd.

1.5.

Eiser heeft zowel tegen de intrekking en de terugvordering als tegen de opgelegde boete bezwaar gemaakt. Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegenover de adviescommissie voor de bezwaarschriften (de commissie) mondeling toe te lichten op de hoorzitting van 18 maart 2014, van welke gelegenheid hij in het bijzijn van zijn gemachtigde gebruik heeft gemaakt.

2. In de bestreden besluiten heeft verweerder vervolgens de bezwaren van eiser ongegrond verklaard, onder de overweging - samengevat - dat uit het onderzoek duidelijk naar voren is gekomen dat eiser sinds 1 mei 2013 niet langer hoofdverblijf in [plaats], maar in [plaats] had. Zowel eiser als zijn broer hebben een daartoe strekkende verklaring ondertekend. Er is geen reden eiser niet aan deze verklaring te houden. Dat zijn verblijf in [plaats] mogelijk tijdelijk zou zijn doet er niet aan af dat hij sinds 1 mei 2013 niet langer feitelijk in [plaats] zijn hoofdverblijf had en dus niet langer recht op een uitkering had. De boete is op goede gronden gelijkgesteld aan de hoogte van het (netto) terug te vorderen bedrag omdat uit de door eiser aangevoerde omstandigheden niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid. Eiser had kunnen weten dat hij zijn verandering van hoofdverblijf had moeten doorgeven.

3. Eiser heeft ter zitting te kennen gegeven het besluit tot intrekking van zijn uitkering en het terugvorderingsbesluit niet langer te betwisten. Hiermee trekt eiser zijn beroep gericht tegen de intrekking en de terugvordering, in. Hij is het echter, op deels dezelfde gronden als hij in zijn gronden gericht tegen de intrekking en de terugvordering heeft aangevoerd, niet eens met de aan hem opgelegde boete. Eiser oriënteerde zich in de periode in geding op een nieuwe studie; hij wilde echter zijn woning in[plaats] nog niet definitief opzeggen. Het verblijf in [plaats] was niet anders dan een tijdelijke oplossing en mede het gevolg van de mishandeling van de broer van eiser in [plaats]. Eiser verkeerde door de spanningen rondom de mishandeling van zijn broer in onvoorziene en ongewenste omstandigheden. Daar komt bij dat eiser in juli 2013 informatie heeft gevraagd aan verweerder en er toen uitleg is gegeven over het begrip hoofdverblijf. Er is volgens eiser sprake van sterk verminderde verwijtbaarheid.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Wwb, zoals dit door de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving sinds 1 januari 2013 luidt en voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb.

Op grond van het tweede lid wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

Op grond van het zevende lid kan het college:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van het negende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

4.2.

Verweerder heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boete toepassing gegeven aan het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (het Boetebesluit) en de hoogte van de boete vastgesteld op het benadelingsbedrag.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het Boetebesluit niet van toepassing is in deze zaak. In artikel 6b van het Boetebesluit is bepaald dat dit Besluit mede is gebaseerd op artikel 18a, negende lid van de Wwb. Dit artikel 6b van het Boetebesluit is evenwel niet in werking getreden op 1 januari 2013, maar eerst op 1 juli 2014 (artikel 13, onderdeel C. Remigratiebesluit, Stb. 2014, 99 en inwerkingstredingsbesluit, Stb. 2014, 156) (vergelijk Rechtbank Midden-Nederland 26 augustus 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:3785). De omstandigheid dat in artikel 1 van het Boetebesluit bij de definiëring van de begrippen bestuurlijke boete en inlichtingenplicht wel wordt verwezen naar de artikelen 18, negende lid en 17, eerste lid, van de Wwb kan daar niet aan afdoen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat artikel 18, negende lid, van de Wwb ook wordt genoemd in de aanhef van het Besluit van 13 oktober, Stb. 2012, Stb. 484 (Besluit aanscherping). Het lex-certabeginsel verzet zich, in een situatie waarin de wetgever onduidelijkheid heeft gecreëerd, tegen een extensieve lezing van het geheel aan bepalingen omtrent de inwerkingtreding van een wettelijke regeling die sancties op overtredingen verhoogt.

4.3.

Mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754), betekent dit dat de aan eiser opgelegde boete volledig moet worden getoetst met inachtneming van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4.

De CRvB heeft in de in 4.3 genoemde uitspraak tevens criteria gegeven voor de toetsing van vanaf 1 januari 2013 in het sociale zekerheidsrecht opgelegde boetes aan het evenredigheidsbeginsel. In gevallen waarin geen sprake is van opzet of grove schuld, is naar het oordeel van de CRvB 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. Bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid zal voorts moeten worden bezien of, en zo ja, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 21 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dat in het geval van eiser het Boetebesluit sociale zekerheidswetten niet van toepassing is, is, zo overweegt de rechtbank, geen aanleiding om bij de beoordeling van de verwijtbaarheid niet aansluiting te zoeken bij deze criteria.

4.5.

Op grond van artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit leiden de volgende criteria in ieder geval tot verminderde verwijtbaarheid:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

4.6.

Zoals gezegd zoekt de rechtbank voor de beoordeling van de verwijtbaarheid aansluiting bij deze criteria, waarbij er ook nog andere omstandigheden kunnen zijn om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Voorts moeten de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de overtreder, bij de beoordeling worden betrokken.

4.7.

De rechtbank overweegt allereerst dat opzet en grove schuld niet zijn aangetoond. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de door eiser ervaren spanningen geen gerechtvaardigde reden zijn geweest om verweerder niet op de hoogte te stellen van zijn veranderingen in zijn woonsituatie. Van een emotioneel zodanig ontwrichtende situatie dan wel van een zodanige geestelijke toestand dat hij verweerder niet volledig en juist heeft kunnen inlichten over zijn woonsituatie, is geen sprake. Evenmin heeft eiser spontaan melding gemaakt van zijn woonsituatie voordat verweerder de overtreding constateerde. Dat eiser met verweerder contact heeft gehad over het volgen van een studie elders, kan hier niet onder worden begrepen. Ook van andere redenen om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen is geen sprake. De omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of de persoonlijke omstandigheden van eiser, geven geen aanleiding tot matiging van de boete.

4.8.

Het in 4.2 tot en met 4.7 overwogene leidt ertoe dat de boete dient te worden vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, te weten een bedrag van € 1.580,- (afgerond op een veelvoud van € 10,-).

4.9.

Dit betekent dat het beroep van eiser gegrond is en het bestreden besluit, voor wat betreft de aan eiser opgelegde boete, wegens strijd met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb wordt vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal een boete worden opgelegd van € 1.580,-.

5. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, alsmede in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.948,- als kosten voor door een derde verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank met een waarde per punt van € 487,-, en de wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45,- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 maart 2014 dat betrekking heeft op het opleggen van de boete;

- legt eiser een boete op van € 1.580,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op: