Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6495

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
C-17-137808 - FJ RK 14-1098
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder met kinderen naar Marokko vertrokken. Bevoegdheid Nederlandse rechter ontleend aan Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

clusternummer: 8550

zaak-/rekestnummer: C/17/137808 / FJ RK 14-1098

beschikking van de kinderrechter d.d. 19 december 2014

verlenging ondertoezichtstelling

inzake

het verzoekschrift van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, verder te noemen: de uitvoerder,

met betrekking tot

de minderjarigen:

[A], geboren op [geboortedatum A] in de gemeente [gemeente A],

[B], geboren op [geboortedatum B] in de gemeente [gemeente B],

[C], geboren op [geboortedatum C] in de gemeente [gemeente C],

[D], geboren op [geboortedatum D] in de gemeente [gemeente D],

[E], geboren op [geboortedatum E] in de gemeente [gemeente E] en

[F], geboren [geboortedatum F] in de gemeente [gemeente F].

De kinderrechter merkt naast de minderjarigen als belanghebbende aan:

moeder: [moeder].

1 Het procesverloop

1.1.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 december 2013 de ondertoezichtstelling verlengd ingaande 29 december 2013 tot 29 december 2014.

1.2.

De uitvoerder heeft op de in zijn verzoekschriften gestelde gronden een verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht. Daarbij heeft hij overgelegd het plan van aanpak en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling. De verzoekschriften zijn op 22 oktober 2014 bij de rechtbank binnengekomen.

1.3.

Op 12 december 2014 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is daarbij:

namens de uitvoerder: de heer [X].

1.4.

Moeder en de minderjarigen [F], [E], [D] en [C] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Het gezag over de minderjarigen berust bij de moeder. De minderjarige [F] woont zelfstandig met haar oudere zus in de voormalige woning van moeder. Moeder is begin 2014 onverwacht met de jongste vijf kinderen uit Nederland vertrokken.

3 De standpunten en de beoordeling daarvan

3.1.

Gelet op de inhoud van het dossier en wat ter zitting is besproken, overweegt de kinderrechter het volgende.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter

3.2.

De kinderrechter overweegt ambtshalve dat beoordeeld dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de verzoeken om de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen te verlengen, nu de moeder sinds begin 2014 met de minderjarigen, behoudens de minderjarige [F], in [het buitenland] verblijft. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

3.3.

Nu [het land waar moeder nu verblijft] evenals Nederland is aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (hierna: het Verdrag) dient aan de hand van de regels van het Verdrag bezien te worden of de Nederlands rechter in deze rechtsmacht toekomt. Krachtens artikel 5 lid 1 van het Verdrag zijn bevoegd de autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.

Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een kind moet aldus worden uitgelegd dat naast de fysieke aanwezigheid van een kind in een lidstaat andere factoren moeten aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.

Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De kinderrechter overweegt hierbij dat de ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Bepalend hierbij is de datum van indiening van het verzoekschrift.

3.4.

De kinderrechter overweegt dat uit de stukken en uit de ter zitting verkregen inlichtingen is gebleken dat de zeventienjarige [F] zelfstandig in Nederland verblijft, hier wil blijven wonen en hier naar school gaat. Haar gewone verblijfplaats ligt dan ook in Nederland, zodat de kinderrechter bevoegd is van het verzoek aangaande [F] kennis te nemen.

3.5.

Ten aanzien van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen [E], [D], [C], [B] en [A] overweegt de kinderrechter als volgt. Moeder verbleef reeds voor de geboorte van voornoemde minderjarigen in Nederland (meer dan vijftien jaar geleden) en alle minderjarigen zijn hier geboren. De minderjarigen zijn hier vervolgens opgegroeid en zijn hier naar school gegaan. Aangenomen kan worden dat de minderjarigen de Nederlandse taal spreken. Daarbij komt dat zij in Nederland hun familiale en sociale banden hebben, nu zij hier samen met moeder en hun broertjes en zusjes verbleven en op school en in het dorp waar zij woonden eveneens sociale banden hebben. Niet is gebleken dat moeder zich definitief met de minderjarigen wil gaan vestigen in [het land waar moeder nu verblijft]. Moeder is immers eerst met de kinderen naar [een ander land] gereisd en heeft de kinderen nu bij familie ondergebracht in [het land waar moeder nu verblijft]. De moeder heeft geen eigen woning voor haar en de kinderen gezocht en de kinderen gaan in [het land waar moeder nu verblijft] niet naar school. Uit de stukken is bovendien gebleken dat moeder heeft aangegeven naar Nederland terug te willen keren als de ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt beëindigd. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het verblijf in [het land waar moeder nu verblijft] moet worden gezien als een tijdelijk verblijf en dat de gewone verblijfplaats van de kinderen nog steeds in Nederland ligt. Ten aanzien van voornoemde minderjarigen [E], [D], [C], [B] en [A] verklaart de Nederlandse rechter zich daarom eveneens bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling

De beoordeling van de verzoeken

3.6.

Ter zitting is gebleken dat de kinderen veel hebben meegemaakt. Hun leven speelt zich af in twee culturen en is zeer instabiel te noemen, wat het leven voor hen ingewikkeld en moeilijk maakt. Daar komt bij dat hun vader, nadat hij gedwongen Nederland heeft moeten verlaten, recent is overleden. Vervolgens is moeder geheel onverwacht met hen naar [een ander land] en daarna naar [het land waar moeder nu verblijft] vertrokken. In [het land waar moeder nu verblijft] hebben de kinderen geen stabiele opvoedingssituatie. Zij verblijven bij familie en gaan niet naar school, zo blijkt uit de stukken. Hoewel op dit moment onduidelijk is hoe het met de kinderen gaat en in hoeverre zij door alles wat zij hebben meegemaakt in hun ontwikkeling zijn beschadigd, is de kinderrechter van oordeel dat aan de gronden van de verzoeken tot ondertoezichtstelling is voldaan, nu moeder hen geen stabiele opvoedingssituatie kan bieden en het hen aan onderwijs en mogelijk ook aan noodzakelijke hulpverlening ontbreekt. De verzoeken ten aanzien van de minderjarigen [E], [D], [C], [B] en [A] zullen daarom worden verlengd voor de duur van een jaar.

3.7

De kinderrechter zal het verzoek ten aanzien van de minderjarige [F] toewijzen tot de dag waarop zij meerderjarig wordt, te weten tot [datum], nu de gronden hiervoor nog aanwezig zijn. Ook [F] heeft in haar leven heel veel meegemaakt, waaronder huiselijk geweld en verschillende opvoedingssituaties. Zij probeert zich zonder haar moeder en haar broertjes en zusjes, die in [het buitenland] verblijven, staande te houden en hier een leven op te bouwen. De kinderrechter is van oordeel dat daarbij de ondersteunende rol van de gezinsvoogd aangewezen is.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarigen

[A], geboren op [geboortedatum A] in de gemeente [gemeente A],

[B], geboren op [geboortedatum B] in de gemeente [gemeente B],

[C], geboren op [geboortedatum C] in de gemeente [gemeente C],

[D], geboren op [geboortedatum D] in de gemeente [gemeente D] en

[E], geboren op [geboortedatum E] in de gemeente [gemeente E]

ingaande 29 december 2014 tot 29 december 2015 en

verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige

[F], geboren [geboortedatum F] in de gemeente [gemeente F]

ingaande 29 december 2014 tot 30 januari 2015;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jukema-Teertstra, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 315)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier,