Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6381

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
LEE 14/826
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Binnenvaartwet / bestuurlijke boete / overtreding voorschrift bemanningssterkte / uitleg werkgeversbegrip.

De rechtbank stelt vast dat de definitie in de Binnenvaartwet van het begrip werkgever afkomstig is uit de Wet vaartuigen en bemanningssterkte binnenvaart en dat in die wet bij de definitie is aangesloten bij de omschrijving zoals is neergelegd in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze definitie is geïntroduceerd in de Arbeidsomstandighedenwet 1980. In de memorie van antwoord bij het betreffende wetsvoorstel staat dat voor deze zeer algemene formulering is gekozen in verband met het feit dat het in de Arbeidsomstandighedenwet 1980 ging om het bevorderen van gunstige omstandigheden overal waar mensen arbeid verrichten in afhankelijkheid van een ander. Beoogd werd dat ook personen onder het bereik van de Arbeidsomstandighedenwet werden gebracht die, ongeacht de rechtsverhouding tussen degene die het gezag uitoefent en degene die de arbeid verricht, feitelijk arbeid onder het gezag van een ander doen verrichten van wie zij wat hun veiligheid, gezondheid en welzijn betreft afhankelijk zijn. (Tweede Kamer 1977– 1978, 14 497, nr. 5, p. 48). In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser onder zijn gezag gezagvoerder [naam] arbeid heeft doen verrichten – in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 3º, van de BVW – indien gezagvoerder [naam] voor wat betreft de mogelijkheid om te voldoen aan de bepalingen op grond van de BVW afhankelijk was van eiser, in die zin dat gezagvoerder [naam] de instructies en aanwijzingen van eiser daaromtrent diende te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/826

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. K.E. Wielenga),

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. N.C. Koops-Troost en R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ingevolge de Binnenvaartwet (BVW) een bestuurlijke boete ten bedrage van € 700,- opgelegd.

Bij besluit van 21 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Volgens het op ambtsbelofte opgemaakt boeterapport van 23 juli 2013 heeft op 14 mei 2013 (omstreeks 20:30 uur) op het binnenwater genaamd de Lek (ter hoogte van kilometerraai 971,000, ter plaatse gelegen in de gemeente Schoonhoven) een controle plaatsgevonden op een binnenschip met de scheepsgegevens [sleepboot]. Op het moment van de controle vormde het binnenschip een hecht samenstel met ponton ‘E 509’ en werd het binnenschip geëxploiteerd volgens de exploitatiewijze A1. Op het moment van de controle waren een schipper ([naam]) en een deksman ([naam]) op het binnenschip aanwezig.
Bij die controle is een overtreding in het minimum aantal bemanningsleden geconstateerd, te weten een tekort van 1 volmatroos (feitcode BVW 3.3.129 R; als werkgever nalaten om tijdens de vaart voortdurend de minimum bemanning aan boord te hebben op duwboten duwstellen, gekoppelde samenstellen en andere hechte samenstellen.)

In het boeterapport is opgenomen dat gezagvoerder [naam] tijdens die controle het volgende heeft verklaard:

“Ik ben door [eiser], eigenaar van de sleepboot[sleepboot] gevraagd of ik op of omstreeks 14 mei 2013 met deze sleepboot het ponton “E509” van Lemmer naar Schiedam wil varen. Op het ponton is constructie geladen. Ik heb hiermee ingestemd en ben gaan varen. Ik werk als zelfstandige maar sta niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.”

Op de vraag van de rapporteur op welke wijze de gezagvoerder betaald kreeg voor zijn werkzaamheden, gaf de gezagvoerder geen antwoord.

Op 27 juni 2013 heeft de rapporteur eiser verhoord. Nadat hem de cautie is gegeven, heeft eiser tijdens dat verhoor verklaard dat:

“Ik ben de enigste eigenaar van de sleepboot “[sleepboot]”. Ik heb geen eigendomsbewijs. Ongeveer 25 jaar geleden heb ik de boot als schroot gekocht van ene [naam] uit [plaats]. In de loop van de jaren heb ik hem helemaal opgeknapt en volledig gecertificeerd. Hoe ik de boot betaald heb weet ik niet meer. Misschien heb ik hem toen wel verruild.

(…)

Met betrekking tot het vervoer van lading en de exploitatie verklaar ik het volgende. Op of omstreeks 14 mei 2013 heb ik een transport verzorgd met de “[sleepboot]” met daarvoor gekoppeld het ponton “E509”. De lading op het ponton bestond uit vier balken. De heer [naam] uit [plaats], eigenaar van een ijzerhandel, heeft mij gevraagd om de balken te vervoeren naar Schiedam. Wij hebben de afspraak gemaakt dat ik die balken zou vervoeren en als vergoeding hiervoor 20 ton ijzer krijg. Zo gaat het altijd in deze handel. Ik ben de eigenaar, vervoerder en exploitant van de lading en verder niemand. Ik heb de heer
[naam] en [naam] gevraagd of zij met de sleepboot “[sleepboot]” het ponton met daarop geladen de constructie van Lemmer naar Schiedam wilden brengen. Ik ken deze mensen al jaren. Maar heb ze niet op de loondienst staan. Het is een wederdienst. Ik doe wat voor hun en zij doen iets voor mij. Zij ontvangen geen geldelijke vergoeding. Ik ben niet hun werkgever. Ik wist niet dat er als bemanning aan boord tenminste een schipper en een volmatroos aanwezig moeten zijn. De mannen die aan boord zijn kunnen goed varen. Ik wil alle medewerking verlenen aan dit onderzoek en heb niets te verbergen.”

Op 30 juli 2013 heeft verweerder eiser bericht dat hij voornemens is eiser een bestuurlijke boete ten bedrage van € 700,- op te leggen vanwege overtreding van artikel 22, negende lid, van de BVW in samenhang met artikel 22, zevende lid, aanhef en onder a, van de BVW, in samenhang met artikel 1.9 van de Binnenvaartregeling, in samenhang met artikel 2.02, eerste lid, van het Reglement betreffende scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP), in samenhang met artikel 3.16 van het RSP.

Inzake dit voornemen heeft eiser geen zienswijze ingediend.

Bij primair besluit van 6 september 2013 heeft verweerder eiser ingevolge de BVW een bestuurlijke boete ten bedrage van € 700,- opgelegd.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser terecht als werkgever een boete is opgelegd voor het onderbemand varen.

Verweerder heeft – samengevat – overwogen dat gelet op de verklaringen van de gezagvoerder en van eiser, sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 3, van de BVW. Verweerder heeft overwogen dat een geldelijke vergoeding geen vereiste is om te spreken van ‘onder zijn gezag arbeid doen verrichten’; evenmin is een vereiste dat de gezagvoerder en de deksman bij eiser in loondienst zijn. De gezagvoerder en deksman vervoerden in eisers opdracht eisers producten op eisers schip op een door eiser aangegeven tijdstip van Lemmer naar Schiedam, aldus verweerder. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gezagvoerder en de deksman dus arbeid voor eiser verrichtten; van belang is dat zij onder eisers gezag arbeid hebben verricht.

Verweerder heeft overwogen dat eiser er dan ook voor had moeten zorgen dat de bemanningssterkte aan de wettelijke vereisten voldeed. Door het vervoer te laten verrichten door een schipper en een deksman, terwijl dit een schipper en een volmatroos had moeten zijn, heeft eiser de bepalingen uit de BVW niet nageleefd, aldus verweerder. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser verantwoordelijkheid voor die situatie draagt; eiser had kunnen bepalen wie er aan boord zou varen van het schip en had gezag voor het vervoer (en dus de arbeid) en de lading.

3.1.

In het beroepschrift voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte een boete heeft opgelegd. Eiser verzoekt zijn bezwaarschrift van 11 juni 2013 als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser voert – samengevat – aan dat verweerder inhoudelijk in het geheel niet op zijn bezwaargronden heeft gereageerd. Eiser meent dat hij niet als werkgever kan worden aangemerkt. Hij heeft met de gezagvoerder geen arbeidsovereenkomst gesloten en er is geen sprake van een publiekrechtelijke aanstelling. Ook is de gezagvoerder niet aan hem ter beschikking gesteld voor het verrichten van werk, aldus eiser.

Daarnaast meent eiser dat verweerder in het geheel niet heeft gereageerd op zijn stelling dat hij geen gezag heeft uitgeoefend, althans dat de gezagvoerder niet onder zijn gezag werkzaamheden heeft verricht. Behoudens dat hij de gezagvoerder en de deksman heeft verzocht om met de ‘[sleepboot]’ een transport te verzorgen van Lemmer naar Schiedam zonder tegenprestatie, heeft hij geen enkele zeggenschap gehad over bijvoorbeeld de vaartijden, de vaarroute en in het algemeen op de feitelijke gang van zaken tijdens het transport, aldus eiser.

3.2.

In het verweerschrift heeft verweerder – samengevat – aangevoerd dat hij zijn standpunt uit het bestreden besluit handhaaft. Verweerder heeft aangevoerd dat eisers stelling dat hij geen enkele zeggenschap had over de vaartijden, de vaarroute en in het algemeen over de feitelijke gang van zaken tijdens het transport, op geen enkele wijze door eiser is onderbouwd en daarmee niet valt te verifiëren. Uit alles blijkt dat er onder gezag van eiser arbeid is verricht, aldus verweerder. Duidelijk is dat eiser opdracht had gegeven om op of omstreeks 14 mei 2013 het vervoer te verrichten van Lemmer naar Schiedam.

4. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef onder 3º, van de BVW kan worden aangemerkt.

4.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de BVW wordt in de BVW onder ‘werkgever’ verstaan:

1º. degene jegens wie de gezagvoerder krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die gezagvoerder aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2º. degene aan wie de gezagvoerder ter beschikking is gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1º; of

3º. degene die zonder werkgever als bedoeld onder 1º of 2º te zijn, de gezagvoerder onder zijn gezag arbeid doet verrichten.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de definitie in de BVW van het begrip werkgever afkomstig is uit de Wet vaartuigen en bemanningssterkte binnenvaart (Tweede Kamer, 2005-2006, 30523, nr. 3, p. 30) en dat in die wet bij de definitie is aangesloten bij de omschrijving zoals is neergelegd in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (Tweede Kamer 1991-1992, 22494, nr. 3, pagina 10). Deze definitie is geïntroduceerd in de Arbeidsomstandighedenwet 1980 (Tweede Kamer 1976-1977, 14497, nr. 3, p. 20). In de memorie van antwoord bij het betreffende wetsvoorstel staat dat voor deze zeer algemene formulering is gekozen in verband met het feit dat het in de Arbeidsomstandighedenwet 1980 ging om het bevorderen van gunstige omstandigheden overal waar mensen arbeid verrichten in afhankelijkheid van een ander. Beoogd werd dat ook personen onder het bereik van de Arbeidsomstandighedenwet werden gebracht die, ongeacht de rechtsverhouding tussen degene die het gezag uitoefent en degene die de arbeid verricht, feitelijk arbeid onder het gezag van een ander doen verrichten van wie zij wat hun veiligheid, gezondheid en welzijn betreft afhankelijk zijn. (Tweede Kamer 1977– 1978, 14 497, nr. 5, p. 48).

In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser onder zijn gezag gezagvoerder[naam] arbeid heeft doen verrichten – in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 3º, van de BVW – indien gezagvoerder [naam] voor wat betreft de mogelijkheid om te voldoen aan de bepalingen op grond van de BVW afhankelijk was van eiser, in die zin dat gezagvoerder [naam] de instructies en aanwijzingen van eiser daaromtrent diende te volgen.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Vaststaat dat eiser eigenaar is van de sleepboot “[sleepboot]”, dat hij vervoerder en exploitant van de lading was en dat hij gezagvoerder [naam]en deksman [naam] heeft gevraagd om op of omstreeks 14 mei 2013 met de duwboot en het ponton “E509” van Lemmer naar Schiedam te varen voor het vervoer van de lading. Aldus was gezagvoerder [naam] afhankelijk van eiser voor het voldoen aan de bepalingen van de BVW. In het bijzonder acht de rechtbank van belang dat eiser aanwijzingen en instructies kon geven over degenen die het vervoer zouden verrichten. Eiser kon bepalen en heeft bepaald dat het vervoer door [naam] en [naam] zou worden verricht, waardoor gezagvoerder [naam]daarmee afhankelijk werd van eiser voor het voldoen aan de (in dit geval overtreden) wettelijke vereisten ten aanzien van de bemanningssterkte.

In eisers enkele stelling dat hij geen zeggenschap had om bepaalde andere aanwijzingen inzake het vervoer te geven (zoals aanwijzingen over de vaartijden, de vaarroute en de feitelijke gang van zaken tijdens het vervoer), ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. De rechtbank overweegt dat uit het feit dat eiser heeft bepaald wanneer het vervoer moest plaatsvinden, wat moest worden vervoerd en welke eindbestemming moest worden aangedaan, volgt dat eiser wel het gezag had dergelijke andere aanwijzingen aan gezagvoerder [naam] te geven. Dat eiser feitelijk dergelijke andere aanwijzingen niet heeft gegeven, betekent niet dat gezagvoerder [naam] niet onder eisers gezag arbeid heeft verricht.

4.4.

Nu eiser in dit geval werkgever was in de zin van de BVW, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was eiser een boete op grond van de BVW op te leggen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.