Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:638

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
C-19-101066 - HA ZA 13-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BW 7:905. Ontbinding vaststellingsovereenkomst. De EO belicht in een uitzending van haar programma “De Vijfde Dag” ernstige problemen in de behandelcultuur op een afdeling van Lentis in Zuidlaren. Daarbij wordt aandacht gegeven aan de rol die een psychiater in die problemen zou hebben gespeeld. Lentis reageert in die uitzending, terwijl een vaststellingsovereenkomst die zij met die psychiater had gesloten ter beëindiging van zijn dienstverband, haar daarvan had moeten weerhouden. Kan de psychiater op die grond de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden en, zo ja, wat zijn dan de rechtsgevolgen van die ontbinding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0197
NJF 2014/197

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/101066 / HA ZA 13-253

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[Eiser] ,

die woont in[woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.W. Brouwer, die kantoor houdt in Groningen,

tegen

de stichting

STICHTING LENTIS MAATSCHAPPELIJKE ONDERNEMING,

die is gevestigd in Zuidlaren,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. de Nooij, die kantoor houdt in Groningen.

Partijen worden hierna [eiser] en Lentis genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. het vonnis van de kantonrechter van 3 september 2013 onder zaak-/rolnummer

364115 / VC EXPL 13-342;

2. het pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken van 14 januari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn weersproken.

2.2.

[eiser] is psychiater. Lentis betreft een zorgorganisatie.

2.3.

Op 1 maart 1998 is [eiser] op grond van een daartoe gesloten arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Lentis, aanvankelijk in de functie van arts-assistent. In de loop van de jaren is [eiser] doorgegroeid naar de functie van psychiater en manager inhoudelijke zaken. Vanaf 1 januari 2011 is [eiser] werkzaam geweest als psychiater en behandelcoördinator op de afdeling Intensieve Zorg Zuidlaren, locaties [A] en [B].

2.4.

Op 29 maart 2012 heeft [eiser] het initiatief genomen om tot beëindiging van zijn dienstverband te komen. Het voorstel tot beëindiging is door Lentis geaccepteerd.

2.5.

Partijen hebben ter beëindiging van het dienstverband een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten die zij hebben neergelegd in de daarvan door hen op 16 april 2012 opgemaakte akte. Uit die akte blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat het dienstverband van [eiser] zal eindigen op 1 juni 2012. In de akte is verder opgenomen, voor zover van belang:

Communicatie en geheimhouding

13. Partijen onthouden zich nu en in de toekomst van negatieve uitlatingen over elkaar richting derden. Voorts onthouden zij zich, behoudens een wettelijke verplichting daartoe, aan derden verklaringen af te leggen, of anderszins uitlatingen te doen die de belangen van partijen kunnen schaden, een en ander in de ruimste zin des woords.

14. (…) Bij communicatie over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verwijzen partijen naar de redenen zoals vermeld in deze vaststellingsovereenkomst.

2.6.

Op of omstreeks 24 april 2012 is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen tussen [eiser] en GGZ Friesland. Uit de akte waarin die arbeidsovereenkomst is neergelegd, blijkt dat [eiser] met ingang van 4 juni 2012 bij GGZ Friesland in dienst zal treden als psychiater.

2.7.

Op 23 mei 2012 heeft [eiser] een brief ontvangen van de Evangelische Omroep

(hierna: de EO), waarin wordt aangekondigd dat deze omroep in haar programma

"De Vijfde Dag" aandacht zal besteden aan misstanden binnen een afdeling waar [eiser]

werkt en dat hij in dat programma een grote rol zal gaan spelen.

2.8.

De EO heeft [eiser] en Lentis in staat gesteld om het programma

“De Vijfde Dag” op 12 juni 2012 te bekijken voordat het zou worden uitgezonden en om op die “vooruitzending” een reactie te geven.

2.9.

Op 13 juni 2012 heeft (de toenmalige advocaat van) [eiser] een e-mail van de

EO ontvangen. Daarin is opgenomen, voor zover van belang:

Tevens melden we u dat Lentis inmiddels bij monde van dhr.[X], voorzitter van de Raad van Bestuur, heeft gereageerd op de uitzending die zij gisteren hebben gezien. Zij geven onder meer aan dat het onderzoek - waarvan de uitkomsten ook in onze reportage zitten - de tekortkomingen aan het licht hebben gebracht die ook in ons programma naar voren komen. Tevens geven zij aan dat uw cliënt, dhr. [eiser], van zijn functie als behandel coördinator van de afdeling [A] is ontheven in juli 2011, gezien zijn grote rol bij de problematiek. Ook geven zij aan dat hij in december 2011 volledig ontheven is van al zijn taken.

2.10.

Op 14 juni 2012 heeft de EO het eerder aangekondigde programma uitgezonden. In die uitzending wordt een op 13 juni 2012 gedateerde brief van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Lentis, de heer [X], getoond, terwijl passages uit die brief worden voorgelezen.

2.11.

De problematiek die in de beelden naar voren komt, zo wordt de kijker van het programma getoond en voorgelezen,

is mij in juni 2011 schriftelijk gemeld door mevrouw [Y]. Ik heb haar daarop uitgenodigd en haar signalen zeer serieus genomen door opdracht te geven tot een onderzoek door extern deskundigen. Ik heb mevrouw [Y] op de hoogte gehouden middels de rapporten van dit onderzoek. Het onderzoek heeft de tekortkomingen aan het licht gebracht die in uw programma naar voren komen. Naar aanleiding van het onderzoek is een verbetertraject gestart dat momenteel loopt op de betreffende afdeling.

Wat de heer [eiser] betreft kan ik u meedelen dat ik en de directie van de betreffende afdeling hem gezien zijn grote rol bij de problematiek, in juli 2011 hebben ontheven van zijn functie als behandelcoördinator op de afdeling [A] en hem in december 2011 volledig hebben ontheven van al zijn taken. Per 1 juni 2012 is hij uit dienst.

2.12.

Op 18 juni 2012 heeft GGZ Friesland aan [eiser] een door hem ontvangen brief verzonden. Daarin is opgenomen, voor zover van belang:

Onder verwijzing naar artikel 3 van uw arbeidsovereenkomst en artikel 7:652 BW jo. artikel 7:676 BW, berichten wij u hierbij dat wij de tussen u en Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Friesland (GGZ Friesland) geldende arbeidsovereenkomst per 19 juni 2012 door middel van opzegging beëindigen (proeftijdontslag).

Hieraan ligt ten grondslag, dat wij voorafgaand aan en tijdens uw dienstverband met GGZ Friesland onvolledig door u zijn geïnformeerd over het arbeidsconflict tussen u en uw voormalige werkgever Lentis en de daarmee verband houdende vrijstelling van werkzaamheden.

Met het oog op het voorgaande, ontbreekt bij ons het vertrouwen in een vruchtbare toekomstige samenwerking.

2.13.

Op 5 juli 2012 heeft de huidige advocaat van [eiser] aan Lentis een door laatstgenoemde ontvangen brief verzonden. Daarin is opgenomen, voor zover van belang:

Met uw brief van 13 juni 2012 aan de EO-redactie De Vijfde Dag en uw op het intranet gepubliceerde reactie op het EO-programma van 15 juni 2012 heeft u deze artikelen [art. 13 en 14, rb.] geschonden. U bent daardoor jegens cliënt toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Op grond van deze tekortkoming ontbindt cliënt bij dezen, derhalve langs buitengerechtelijke weg, de hierboven aangeduide vaststellingsovereenkomst.

2.14.

Op 8 oktober 2012 heeft de toenmalige rechtbank Groningen, sector kanton, een beschikking gegeven waarmee voor zover er tussen partijen op dat moment nog een arbeidsovereenkomst bestaat, die arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2012 onder toekenning van een vergoeding aan [eiser], wordt ontbonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank voor recht verklaart dat de vaststellingsovereenkomst die hij met Lentis heeft gesloten, is ontbonden en dat zijn arbeidsovereenkomst met Lentis is hersteld, voortgezet of is herleefd. [eiser] vordert verder veroordeling van Lentis tot - als de beschikking van 8 oktober 2012 waarmee per 1 november 2012 het dienstverband is ontbonden effect sorteert - betaling van loon, vermeerderd met wettelijke verhogingen en rente, tot 1 november 2012 of - wanneer die beschikking geen effect sorteert - betaling van loon, vermeerderd met wettelijke verhogingen en rente tot de datum waarop [eiser] de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet is hersteld, voortgezet of is herleefd, vordert [eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat Lentis tekort is geschoten in haar uit de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenis en - voor zover de beschikking van 8 oktober 2012 effect zou hebben gehad - een schadevergoeding ter grootte van het loon dat aan [eiser] zou toekomen tot 1 november 2012, vermeerderd met de wettelijke verhogingen en rente en betaling van de in de beschikking begrote ontbindingsvergoeding ter grootte van
€ 273.341,19. Voor het geval de ontbindingsbeschikking geen effect zou hebben gesorteerd, vordert [eiser] betaling van een schadevergoeding ter grootte van dat loon tot aan de datum waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd zal bereiken.

3.2.

Daartoe stelt [eiser], samengevat weergegeven, dat zijn dienstverband met Lentis is beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. [eiser] stelt dat hij die vaststellingsovereenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan door Lentis buitengerechtelijk heeft ontbonden. [eiser] stelt dat zijn arbeidsovereenkomst met Lentis daarom is herleefd, althans dat Lentis gehouden was aan herstel van die arbeidsovereenkomst mee te werken, maar dat Lentis dat laatste ondanks sommatie daartoe niet heeft gedaan. [eiser] grondt zijn vordering tot betaling van (aanvullende) schadevergoeding verder op de stelling dat Lentis onder de gegeven omstandigheden in strijd heeft gehandeld met wat van een behoorlijk werkgever mocht worden verwacht en/of op grond van onrechtmatige daad en de reputatieschade die [eiser] stelt te lijden als gevolg van dat handelen en/of die door Lentis gepleegde onrechtmatige daad.

3.3.

Lentis voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], althans tot afwijzing van zijn vordering. Daartoe betwist Lentis de door [eiser] gestelde tekortkomingen, de door hem aangenomen mogelijkheid om een vaststellingsovereenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden en dat, wanneer Lentis tekort zou zijn geschoten, er sprake is van een tekortkoming in de nakoming die ontbinding van de (gehele) vaststellingsovereenkomst rechtvaardigt. Lentis voert tot haar verweer bovendien aan, samengevat weergegeven, dat de eventuele ontbinding van de vaststellingsovereenkomst niet het rechtsgevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst "herleeft" of dat voor Lentis een verplichting ontstaat om aan het herstel van die arbeidsovereenkomst mee te werken. Lentis voert tot haar verweer verder aan dat [eiser] pretendeert dat hij schade lijdt. Die schade kan volgens Lentis echter niet worden toegerekend aan een tekortkoming van Lentis. Lentis stelt dat die schade evenmin kan zijn veroorzaakt doordat de vaststellingsovereenkomst is ontbonden.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak, met het oog op een doelmatige bespreking samengevat weergegeven, om het volgende. Partijen hebben de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd en zij hebben hun rechtsverhouding met betrekking tot die beëindiging geregeld met een vaststellingsovereenkomst. Met die vaststellingsovereenkomst hebben partijen onder meer geregeld welke informatie aan derden mag worden gegeven met betrekking tot de beëindiging van die arbeidsovereenkomst. Partijen zijn overeengekomen dat zij daarbij over en weer met elkaars belangen "in de ruimste zin des woords" rekening zullen houden. Tussen partijen is in geschil of en in hoeverre Lentis in strijd met de hierop gerichte bepalingen van de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld, en, als komt vast te staan dat Lentis daarmee in strijd heeft gehandeld, welke rechtsgevolgen dat heeft. Ten aanzien van de tegen deze achtergrond tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

De rechtbank leidt uit de over en weer door partijen betrokken stellingen en de producties die zij ter onderbouwing van die stellingen in het geding hebben gebracht, af dat vanaf maart 2012 de verhouding tussen Lentis als werkgeefster enerzijds en [eiser] als werknemer anderzijds, ernstig verstoord is geraakt. Dit heeft ertoe geleid dat [eiser] het vertrouwen in een verdere, vruchtbare, samenwerking met Lentis is kwijtgeraakt en dat hij een door Lentis aangeboden andere functie, niet heeft willen accepteren. [eiser] heeft in plaats van acceptatie van die andere functie met succes bij GGZ Friesland gesolliciteerd op een vacature voor psychiater.

4.3.

[eiser] heeft vervolgens het initiatief genomen om tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met Lentis te komen. Hoewel volstaan had kunnen worden met het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de toepasselijke opzegtermijn, heeft Lentis het initiatief genomen om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst te regelen en, zoals ter gelegenheid van het pleidooi door Lentis werd bevestigd, heeft Lentis het concept voor die vaststellingsovereenkomst opgesteld.

4.4.

Die vaststellingsovereenkomst bindt ieder van partijen om aan derden geen informatie te verstrekken die de belangen van de andere partij zou kunnen schaden. Daarbij hadden beide partijen belang. De verstoorde arbeidsverhouding kan niet los worden gezien van de ernstige problemen in de behandelcultuur op de afdeling [A] in Zuidlaren, de afdeling waar [eiser] als psychiater en behandelcoördinator werkte, zoals die problemen in de media zijn belicht, aanleiding hebben gegeven tot een intern onderzoek en tot een onderzoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspectie). De Inspectie constateerde op grond van diverse bronnen, zo meldt de Inspectie in haar brief van 25 juli 2013 waarin een samenvattende terugblik wordt gegeven op de aanleiding voor het onderzoek en de resultaten van dat onderzoek door de Inspectie,

(media, verkregen informatie op geleide van meldingen, informatie van voormalig werkgever en (lopend) onderzoek bij GGZ-instelling Lentis) dat er de laatste 2 jaar, vanaf 2010, op de afdeling [A] te Zuidlaren ernstige problemen waren in de behandelcultuur).

De problemen zijn naar het oordeel van de Inspectie voor een deel veroorzaakt door organisatie- en systeemfactoren. Dit is onderkend door Lentis. Er is door hen een intensief verbetertraject gestart. De inspectie volgt dit traject nauwlettend en toetst de voortgang - ook onaangekondigd - periodiek bij Lentis.

Daarnaast heeft u naar het oordeel van de inspectie ook een (beperkte) rol gehad in de ontstane problematiek op uw voormalige werkplek. Het betrof hierbij met name uw wijze van communiceren en uw bejegening.

Ter toelichting wil ik op uw verzoek nog het volgende vermelden: wat betreft het oordeel van de Inspectie inzake de problemen in de behandelcultuur, moet dit onderscheiden worden van de individuele behandeling van patiënten. U droeg in organisatorisch opzicht geen verantwoordelijkheid voor de behandelcultuur.

(…)

Gezien uw rol in de totale problematiek achtte de inspectie het opleggen van enige maatregel niet aan de orde.

(…)

De inspectie herkent op basis van het onderzoek de berichtgeving van de Evangelische Omroep (EO) in juni 2012 niet. In een uitzending van "De Vijfde Dag" wordt over misstanden gesproken, in casu: machtsmisbruik, een cultuur van angst en intimidatie, vernederend gedrag naar patiënten, het buitensluiten van familieleden van patiënten, het niet serieus nemen van patiënten en onnodige separeren, sederen en opsluiten van patiënten. Volgens de EO zou u verantwoordelijk zijn voor deze gedragingen. De Inspectie heeft geen bevindingen aangetroffen die hierop zouden kunnen wijzen. De Inspectie heeft evenmin vastgesteld dat u in uw beroepsuitoefening afweek van geldende wettelijke regels, zoals bij voorbeeld wanneer er sprake was van separeren.

4.5.

De rechtbank herkent in het door partijen geproduceerde materiaal - in het bijzonder de door Lentis in het geding gebrachte en de in haar opdracht tot stand gekomen rapporten van Cordis van 22 november 2011 en 12 maart 2012 - de samenvattende terugblik die de Inspectie geeft in de brief van 25 juli 2012.

4.6.

De vaststellingsovereenkomst had Lentis ervan moeten weerhouden om ten aanzien van [eiser] in het programma van de EO "De Vijfde Dag" te reageren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. Lentis heeft een reactie gegeven die erop neerkomt dat zij zich aansluit bij de wijze waarop de EO de problemen in de behandelcultuur in beeld brengt. De reactie is door Lentis bovendien zo opgesteld dat bij een gemiddelde kijker van de uitzending gemakkelijk de indruk kan ontstaan dat Lentis de door de EO vooronderstelde rol van [eiser] in de problemen in de behandelcultuur onderschrijft, en dat [eiser] vanwege die rol aanvankelijk uit zijn functie is ontheven en uiteindelijk ook niet meer binnen Lentis werkzaam is. Door die reactie te geven, is Lentis (toerekenbaar) tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

4.7.

Het is, gelet op het daarop gerichte verweer van Lentis, vervolgens de vraag of dit tekortschieten met zich heeft gebracht dat [eiser] bevoegd werd de vaststellingsovereenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden.

4.8.

Als een partij tekortschiet in de nakoming van een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis dan maakt dit haar wederpartij, in beginsel, bevoegd om die overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is niet anders wanneer die overeenkomst een vaststellingsovereenkomst betreft in de zin van artikel 7:900 BW, omdat de gewone regels ten aanzien van obligatoire en wederkerige overeenkomsten op de vaststellingsovereenkomst van toepassing zijn, tenzij daarvan in titel 15 van Boek 7 uitdrukkelijk wordt afgeweken. Voor zover Lentis tot haar verweer aanvoert dat een vaststellingsovereenkomst hoe dan ook niet kan worden ontbonden, berust dat verweer daarom op een onjuiste rechtsopvatting.

4.9.

Lentis voert tot haar verweer verder aan dat gelet op wat artikel 7:905 BW bepaalt, de vaststellingsovereenkomst in ieder geval niet door [eiser] buitengerechtelijk kon worden ontbonden.

4.10.

Artikel 7:905 BW bepaalt dat een vaststellingsovereenkomst niet buitengerechtelijk kan worden ontbonden, als daardoor een reeds tot stand gekomen aan een partij of een derde opgedragen, beslissing door de ontbinding wordt getroffen. Het artikel heeft betrekking op de beslissing die tot stand komt op grond van een vaststellingsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever heeft gewild dat wanneer een op grond van een vaststellingsovereenkomst genomen beslissing méér is dan een beslissing die partijen samen nemen, omdat die beslissing, kort gezegd, lijkt op een arbitrale of rechterlijke uitspraak, nadere eisen moeten worden gesteld aan de mogelijkheid om tot ontbinding te komen. Artikel 7:905 BW regelt dat een dergelijke vaststellingsovereenkomst alleen door tussenkomst van de rechter kan worden ontbonden (vgl. MvT, Kamerstukken II 1982/83,

17 779, nr, 3, p. 41 e.v.).

4.11.

Lentis stelt echter geen feiten waaruit volgt dat gelet op de vaststellingsovereenkomst zoals partijen die met elkaar hebben gesloten de toepassing van artikel 7:905 BW met zich brengt dat de vaststellingsovereenkomst alleen door rechterlijke tussenkomst kan worden ontbonden.

4.12.

Eén en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat een vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk kan worden ontbonden.

4.13.

Het komt vervolgens erop aan of de door [eiser] gestelde tekortkoming [eiser] bevoegd maakte de vaststellingsovereenkomst te ontbinden, in die zin dat de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Lentis heeft zich jegens [eiser] verbonden om aan derden geen informatie te geven over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [eiser], maar heeft dat wel gedaan. Lentis heeft zich bovendien verbonden om rekening te houden met de belangen van [eiser]

“in de ruimste zin des woord”. Dat heeft Lentis niet gedaan.

4.14.

Lentis wist of kon weten dat haar reactie op de “vooruitzending” van het programma “De Vijfde Dag” in de uiteindelijke uitzending zou worden verwerkt en Lentis begreep of behoorde te begrijpen dat die reactie bij een gemiddelde kijker van het programma het door de EO van [eiser] geschetste beeld zou kunnen bevestigen.

[eiser] wordt in de uitzending geportretteerd als een ernstig disfunctionerende psychiater, die niet in staat is tot een normale bejegening en communicatie met patiënten, familieleden van patiënten en collega’s en die zich als psychiater aan de rechten van zijn patiënten weinig gelegen laat liggen.

4.15.

Hiervoor kan geen steun worden gevonden in het in deze procedure beschikbaar gekomen feitenmateriaal. De afdeling als geheel heeft uitstekend gefunctioneerd, zo stelt Lentis zelf in een als productie 3 aan de conclusie van antwoord gehecht verslag dat zij van het functioneren van [eiser] heeft gemaakt,

en [eiser] [[eiser], rb.] heeft ook dit jaar daarin een belangrijke bijdrage gehad.

4.16.

Vanuit de directie, zo neemt Lentis op in het als productie 2 aan de conclusie van antwoord opgenomen verslag over het functioneren van [eiser],

complimenten voor de positieve en constructieve wijze waarop [eiser] de afgelopen periode met hen heeft samengewerkt en gezocht heeft naar een nieuwe invulling van zijn rol. Vanuit de directie hiervoor waardering.

4.17.

Ook de resultaten van het onderzoek door de Inspectie, hiervoor onder rov. 4.5. weergegeven, geven geen steun voor het met het programma “De Vijfde Dag” van [eiser] geschetste beeld.

4.18.

Gelet op het voorgaande behoeft het geen nader betoog dat Lentis in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst op een zodanige wijze dat dit een (toerekenbare) tekortkoming betreft die [eiser] bevoegd maakte om de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. Dat heeft [eiser] met zijn brief aan Lentis van

5 juli 2012 gedaan. De rechtbank zal de gevorderde, hierop gerichte, verklaring voor recht geven.

4.19.

Tussen partijen is ook in geschil welke rechtsgevolgen die ontbinding heeft. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten wordt als volgt overwogen.

4.20.

De ontbinding van een (vaststellings)overeenkomst bevrijdt partijen voor de toekomst van alle uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen (artikel 6:271 BW). Het ontwerp gaat, evenals het geldende wetboek, zo luidt de toelichting Meijers op dit punt (T.M., Parl. Gesch. 6, p.1003),

uit van de gedachte dat na de ontbinding partijen elkaar zo goed als praktisch doenlijk is, in de vorige toestand moeten terugbrengen, (…).

4.21.

De ontbinding van een (vaststellings)overeenkomst heeft niet als rechtsgevolg dat ervan moet worden uitgegaan dat er nooit een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De ontbinding heeft immers geen terugwerkende kracht. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van de ontbonden vaststellingsovereenkomst niet met de ontbinding van die overeenkomst ongedaan worden gemaakt.

4.22.

Uit het wettelijke stelsel vloeit voort dat de rechtsgevolgen van de ontbonden overeenkomst in stand blijven, met dien verstande partijen voor de toekomst zijn bevrijd van de verplichting om op grond van de ontbonden overeenkomst te presteren en partijen gehouden zijn om voor zoveel mogelijk elkaar terug te brengen in de “vorige toestand”, dat wil zeggen in de toestand waarin zij verkeerden op het moment dat de ontbonden overeenkomst tot stand kwam.

4.23.

Het komt daarom erop aan vast te stellen waaruit in deze concrete zaak de “vorige toestand” bestond.

4.24.

Uit de in rov. 2.4. en 2.5. als vaststaand aangenomen feiten volgt dat die “vorige toestand” hieruit bestond dat [eiser] al had besloten zijn dienstverband met Lentis te beëindigen, hij dit aan Lentis had meegedeeld, Lentis met die beëindiging had ingestemd en dat ook aan [eiser] kenbaar had gemaakt, toen partijen besloten de beëindiging van dat dienstverband met een vaststellingsovereenkomst te regelen.

4.25.

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat door de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst niet is herleefd, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst partijen ertoe verplichtte die arbeidsovereenkomst te herstellen.

4.26.

Dit brengt met zich dat de vorderingen van [eiser], voor zover die zijn gestoeld op de gedachte dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat of dat Lentis gehouden was aan het herstel van die arbeidsovereenkomst mee te werken, zullen moeten worden afgewezen.

4.27.

Eén en ander doet er niet aan af dat [eiser] als gevolg van de (toerekenbare) tekortkoming door Lentis mogelijk schade heeft geleden. Die schade laat zich niet begroten aan de hand van de door [eiser] betrokken stellingen, omdat die zijn gestoeld op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, dan wel een gehoudenheid van Lentis om aan het herstel van die arbeidsovereenkomst mee te werken en voor het overige - mede gelet op het daarop gerichte verweer van Lentis - onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. Het is daarom voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of en, zo ja, welke schade [eiser] als gevolg van de hiervoor bedoelde tekortkoming heeft geleden.

4.28.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 juni 1981, NJ 1981/185 uitdrukkelijk overwogen dat de schadestaatprocedure er mede toe kan strekken om vast te stellen dat de eisende partij schade heeft geleden. De Hoge Raad acht bovendien voor een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende dat de mogelijkheid van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschieten of onrechtmatige daad is geleden aannemelijk is gemaakt (zie: HR 17 oktober 1997, NJ 1998/241; HR 27 november 1998, NJ 1999/197 en HR 8 april 2005, NJ 2005/371). Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de mogelijkheid van schade toereikend aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal daarom een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.

4.29.

Gelet op het voorgaande rest bij partijen geen belang bij een bespreking van de andere grondslagen die [eiser] aan zijn vordering tot schadevergoeding heeft gegeven.

4.30.

Lentis zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding €  92,82

- griffierecht 274,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten x tarief € 452,00)

- salaris gemachtigde 60,00 (2,0 punten × tarief € 30,00)

Totaal €  1.330,82.

BESLISSING

De rechtbank

3. verklaart voor recht dat de tussen partijen op 16 april 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst op 5 juli 2012 buitengerechtelijk is ontbonden,

4. veroordeelt Lentis tot vergoeding van de nader bij staat te begroten schade van [eiser],

5. veroordeelt Lentis in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.330,82,

6. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 2. en 3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp, mr. S. Dijkstra en mr. W. Huizing en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.1

1 type: L.B. coll: Zaaktypering: 2e niveau: 11 2e niveau: 19