Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6349

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
18.730324-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn vrouw door met zijn auto in haar richting te rijden en vervolgens tegen haar auto te botsen, alwaar zij naast stond. Verdachte is vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling omdat de rechtbank van oordeel is dat de gedraging van verdachte onder de onderhavige omstandigheden ongeschikt was om tot voltooiing te kunnen komen en voorts dat verdachte wetenschap had van de ongeschiktheid van zijn gedraging. Een poging acht de rechtbank daarmee niet bewezen. Verdachte is voorts veroordeeld voor mishandeling van zijn vrouw.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285, 300, 304, geldigheid: 2014-12-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730324-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 november 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 augustus 2014 te [pleegplaats], althans in de gemeente

Dantumadiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

(zijn echtgenote) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge en/of verhoogde snelheid en/of (hard) accelererend, in de richting van die [slachtoffer], die toen aldaar naast/bij een op/aan [adres] geparkeerde auto (merk: BMW) stond, is gereden en/of (vervolgens) tegen genoemde auto, waar die [slachtoffer] (op het moment van de botsing/ aanrijding naast/bij stond), is aangereden/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 augustus 2014 te [pleegplaats], althans in de gemeente Dantumadiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (zijn echtgenote) [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge en/of verhoogde snelheid en/of (hard) accelererend, in de richting van die [slachtoffer], die toen aldaar naast/bij een op/aan [adres] geparkeerde auto (merk: BMW) stond, is gereden en/of (vervolgens) tegen genoemde auto,

waar die [slachtoffer] (op het moment van de botsing/ aanrijding naast/bij stond) is aangereden/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 augustus 2014, te [pleegplaats], althans in de gemeente Dantumadiel,(zijn echtgenote) [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge en/of verhoogde snelheid en/of (hard) accelererend, in de richting van die [slachtoffer], die toen aldaar naast/bij een op/aan [adres] geparkeerde auto (merk: BMW) stond, gereden en/of (vervolgens) tegen genoemde auto, waar die [slachtoffer] (op het moment van de botsing/aanrijding naast/bij stond), aangereden/gebotst;

2.

hij op of omstreeks 17 augustus 2014, te [pleegplaats], althans in de gemeente Dantumadiel, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- oplegging van de algemene voorwaarde van reclasseringstoezicht;

- oplegging van de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met [slachtoffer], een meldplicht en een ambulante behandelverplichting en indien nodig een klinische opname.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering

1. De door verdachte op de terechtzitting van 27 november 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op 17 augustus 2014 te [pleegplaats] met mijn auto in de richting van mijn vrouw [slachtoffer] gereden. Toen ik haar zag stond mijn vrouw vanuit mijn rijrichting bekeken achter de BMW op de stoep, ter hoogte van de voorkant van de auto. Ik ben vervolgens met mijn auto tegen haar BMW gebotst.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL0200-2014090277, gesloten op 16 september 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD-2014090277-20, d.d. 19 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

V: Hoe stond de auto?

A: De auto stond met de voorzijde richting het doodlopende stuk geparkeerd en dit in een parkeervak tegenover de woning van [adres].

V: Waar stond jij op het moment dat [verdachte] tegen de BMW aanreed?

A: Ik stond toen aan de zijde van de bijrijderskant van de BMW.

V: Voelde je je bedreigd op dat moment?

A: Het was mij heel duidelijk dat [verdachte] mij moest hebben. Ik ben toen ook heel snel weggelopen, want ik wist gewoon dat het verkeerd zou aflopen.

V: Wat bedoel je met verkeerd aflopen?

A: Ik was bang dat [verdachte] mij zou vermoorden.

2.2

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD-2014090277-22, d.d. 19 augustus 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Op het moment dat ik haar zag heb ik gas bijgegeven.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2014;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD-2014090277-1, d.d. 18 augustus 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de [pleegplaatsen] zijn gelegen in de gemeente Dantumadiel.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de feitelijke situatie aangaande het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen als volgt.

Aangeefster heeft verklaard dat zij, op straat aan de bestuurderszijde van de BMW stond, op het moment dat zij de auto met daarin verdachte hoorde en zag aankomen. Zij is teneinde zichzelf in veiligheid te brengen, voor de auto langs gelopen en is ter hoogte van de voorkant van de auto op de stoep gaan staan. Daar stond zij op het moment dat verdachte met zijn auto, tegen de auto van aangeefster botste.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster voor het eerst zag toen zij op de stoep, vanuit zijn rijrichting bekeken, achter de BMW stond, ter hoogte van de voorkant van de auto.

De verklaring van verdachte sluit niet uit dat aangeefster op enig moment aan de bestuurderszijde van de BMW heeft gestaan, zoals zij heeft verklaard. Evenwel kan niet vastgesteld worden dat verdachte haar al zag op het moment dat zij aan de bestuurderszijde stond. De rechtbank gaat er daarom bij de feitelijke vaststelling, met de officier van justitie en de raadsman, vanuit dat verdachte aangeefster zag op het moment dat zij reeds achter de auto stond, terwijl de geparkeerde BMW zich bevond tussen aangeefster en de aanrijdende auto van verdachte.

De officier van justitie en de raadsman hebben, gezien deze feitelijke vaststelling, geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde nu zij van mening zijn dat de handelwijze van verdachte nooit tot de dood, dan wel tot zwaar lichamelijk letsel van aangeefster heeft kunnen leiden, gelet op de positie van de geparkeerde BMW.

Verdachte heeft ter zitting ontkend dat hij door zijn handelwijze aangeefster van het leven wilde beroven dan wel haar zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onder 1 primair is poging tot doodslag ten laste gelegde. Onder 1 subsidiair poging zware mishandeling.

Blijkens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van een poging noodzakelijk dat sprake is van een begin van uitvoering van een voorgenomen misdrijf.

Gedragingen zijn als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf aan te merken als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en de daaruit afgeleide feitelijke vaststelling, tot het oordeel dat de gedraging van verdachte in deze omstandigheden ongeschikt was om aangeefster van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, nu aangeefster werd afgeschermd door haar BMW.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft bij de politie meermalen verklaard dat hij zijn vrouw wilde doodrijden. Niettemin acht de rechtbank deze uitspraken door emoties ingegeven en niet een wens die hij ten tijde van de aanrijding daadwerkelijk tot uitvoering wilde brengen, zoals verdachte ter zitting ook heeft verklaard. Voorts hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat verdachte heeft geweten dat zijn gedraging nimmer tot de dood dan wel tot zwaar lichamelijk letsel zou kunnen leiden, aangezien hij heeft verklaard dat hij aangeefster voor het eerst zag toen zij reeds achter haar BMW stond. Hij heeft de positie van aangeefster ten opzichte van de BMW dus waargenomen. Ter terechtzitting heeft verdachte in dat verband -zakelijk weergegeven- verklaard: "Ik wilde haar niet dood hebben. Dat kon ook niet want ze stond achter de auto".

De verklaring van verdachte zoals hij die bij de politie heeft afgelegd alsmede zijn gedraging kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geplaatst in het kader van een concreet voornemen op dat specifieke moment, maar moet worden begrepen als een meer algemene uiting van woede en onmacht jegens zijn vrouw nu zij van hem wilde scheiden, wat verdachte niet kon accepteren.

Nu de gedraging van verdachte ongeschikt was om de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken en verdachte wetenschap heeft gehad van deze ongeschiktheid, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake was van een begin van uitvoering van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft een ernstige dreiging uit doen gaan in de richting van zijn vrouw, door bewust in te rijden op een auto die stond geparkeerd in de onmiddellijke nabijheid van aangeefster.

Deze bedreiging kon gelet op de aard daarvan en de context waarin deze werd gedaan, te weten als uitvloeisel van heftige relatieproblematiek en kort na het plaatsvinden van de bewezenverklaarde mishandeling van zijn vrouw eerder die avond, bij zijn vrouw de redelijke vrees doen ontstaan dat zij van het leven zou kunnen worden beroofd.

De omstandigheid dat de bedreiging werd geuit op het moment dat verdachte deze niet ten uitvoer kon brengen staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de strafbaarheid van deze bedreiging in de weg. (HR NJ 2008/598)

De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. meer subsidiair

hij op 17 augustus 2014, te [pleegplaats], in de gemeente Dantumadiel, (zijn echtgenote) [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto met verhoogde snelheid, in de richting van die [slachtoffer], die toen aldaar naast een aan [adres] geparkeerde auto (merk: BMW) stond, gereden en vervolgens tegen genoemde auto, waar die [slachtoffer] op het moment van de botsing naast stond, aangereden;

2.

hij op 17 augustus 2014, te [pleegplaats], in de gemeente Dantumadiel, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote [slachtoffer], heeft geslagen en geschopt, waardoor die Heikamp pijn heeft ondervonden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. meer subsidiair Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2. Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het rapport van Reclassering Nederland, het psychiatrisch - en psychologisch rapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van zijn vrouw. Hij is tot zijn daden gekomen nadat zijn vrouw hem had verteld van hem te willen scheiden, met welke situatie hij niet kon omgaan en een gevoel van machteloze woede bij hem veroorzaakte. Verdachte heeft door zijn daden niet alleen bij zijn vrouw angst en pijn doen ontstaan, maar ook bij zijn kinderen, die van de mishandeling van hun moeder getuige moesten zijn, iets dat zij waarschijnlijk nooit weer zullen vergeten.

Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de delicten sprake was van een ziekelijke stoornis, te weten een depressieve stoornis tot uiting komend in somberheid waarbij onder meer sprake was van gevoelens van waardeloosheid en een aanhoudende doodswens. Verder is er sprake van een laag gemiddelde intelligentie die de rigiditeit, structuurbehoeften en behoefte aan controle en overzicht goed kunnen verklaren. De sociale vaardigheden zijn gebrekkig zodat verdachte de signalen van onvrede bij zijn echtgenote niet heeft gesignaleerd. De dreigende verlating maakte verdachte erg boos en door een combinatie van een opeenstapeling van opgekropte gevoelens waarbij hij zich verlaten en vernederd voelde, kwam hij tot de ten laste gelegde delicten. Verdachte wordt door de psychiater verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Deze bevindingen komen in grote lijnen overeen met die van de psycholoog, die daarnaast nog melding maakt van afhankelijke en borderline kenmerken, waarbij verdachte zich afhankelijk opstelt van zijn vrouw.

De psycholoog acht gevaar voor herhaling aanwezig en de psychiater acht dat gevaar groot.

De rechtbank deelt de bevindingen en conclusies van beide deskundigen en neemt deze over.

De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte nog altijd moeilijk kan berusten in het feit dat het huwelijk met aangeefster voorbij is. Ook de rechtbank heeft deze indruk gekregen tijdens de behandeling ter terechtzitting. De reclassering adviseert aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met aangeefster en een ambulante behandeling bij de polikliniek voor forensische psychiatrie. De reclassering heeft daarbij aangegeven dat een klinische behandeling voor de maximale duur van zeven weken kan plaatsvinden binnen dit ambulante behandeltraject, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

De officier van justitie heeft overeenkomstig dit advies geëist.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf zal de rechtbank uitgaan van de verminderde toerekeningsvatbaarheid en ten einde voor de toekomst het gevaar voor herhaling te verminderen, zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden gekoppeld zullen worden, waaronder die van een contactverbod met [slachtoffer], een en ander zoals hierna in het dictum te bepalen. De rechtbank zal niet overgaan tot het bepalen dat de reclassering de mogelijkheid heeft verdachte klinisch te laten opnemen, nu het naar vaste jurisprudentie enkel aan de rechtbank is voorgehouden om een vrijheid beperkende maatregel op te leggen.

Gelet op het gevaar voor herhaling zal de rechtbank de op te leggen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 189 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaar op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], of zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat veroordeelde zich binnen 7 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem.

3. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van 3 jaar onder behandeling zal stellen van een polikliniek forensische psychiatrie op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor emotionele problematiek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. A. Postma, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2014.

Mr. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Troost

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730324-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 27 november 2014

Tegenwoordig:

mr. A.H.M. Dölle, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. A. Postma, rechters, en

mr. E.M. Troost, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. P.F. Hoekstra.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[naam],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden.

De raadsman verzoekt dat de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven zulks gezien het bepaalde in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank trekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De voorzitter deelt mee dat het verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

……..

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 11 december 2014 te 13:00 uur.

Verdachte doet afstand van zijn recht bij de uitspraak van het vonnis aanwezig te zijn.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.