Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6343

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
18.670634-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onttrekking van een minderjarige aan het wettelijk gezag.

Rechtsmachtverweer verworpen. Bewijsoverweging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 279, geldigheid: 2014-12-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/670634-06

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

11 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 april 2007, 6 september 2007, 7 februari 2008, 22 juli 2010, 21 maart 2011,

1 februari 2013 en 27 november 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.J. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 2 september 2006 tot en met 18 december 2006, in de gemeente Vlagtwedde en/of Delfzijl, althans in en/of buiten Nederland, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [naam minderjarige], heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (aan de moeder van genoemde minderjarige) of aan het opzicht van degene die dat gezag

desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte er niet voor zorg gedragen dat het uitreisverbod voor genoemde minderjarige, zoals uitgevaardigd bij beslissing van de eerste Islamitische Sharia-rechter van Damascus te Syrie van 2 april 2006, werd opgeheven, waardoor genoemde minderjarige niet vrijelijk van Syrie naar Nederland kon afreizen en/of waardoor de moeder (in Nederland) het wettig gezag over genoemde minderjarige niet (vrijelijk) kon uitoefenen.

De voorvragen

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen rechtsmacht toekomt voor zover het ten laste gelegde is gepleegd in Syrië. Daartoe heeft zij onder andere aangevoerd dat de Nederlandse Ambassade in Damascus heeft geschreven dat naar Syrisch recht een vader zich nimmer schuldig kan maken aan onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag. Het wettig gezag berust namelijk bij de vader en niet bij een ander. Er is derhalve ook geen sprake van een dubbele strafbaarheid.

Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Voor de vraag of het strafbare feit in Nederland heeft plaatsgevonden, is niet alleen van belang waar de dader het zijne heeft gedaan. Het feit is ook in Nederland gepleegd als het gevolg van het handelen van de dader daar intreedt (vergelijk HR 7 mei 1996, LJN AB9821, NJ 1997, 7). Voorts geldt dat, indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, op grond van artikel 2 Sr vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk is, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vergelijk HR

2 februari 2010, LJN BK6328, NJ 2010, 89).

Als rechtsmacht is gegeven op grond van het territorialiteitsbeginsel ex artikel 2 Sr komt de rechter niet toe aan vragen rond de uitbreiding van die rechtsmacht op grond van het in artikel 5 lid 1 sub 2 Sr neergelegde actieve personaliteitsbeginsel en de daarmee samenhangende eisen. Dubbele strafbaarheid is derhalve niet vereist (vergelijk HR 8 mei 2011, LJN ZD2669). (Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2012, nr.

S 11/01343, met bijbehorende conclusie van mr. Knigge).

De rechtbank verwerpt het verweer.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in de ten laste gelegde periode gedetineerd zat in Nederland en daarom niet in staat was om de rechtbank in Syrië om opheffing van het uitreisverbod van zijn zoon te verzoeken. Er is geen sprake van onttrekken nu het het voorgenomen plan van verdachte en zijn echtgenote was om met hun zoon [naam minderjarige] naar Syrië af te reizen en daar te gaan wonen.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juli 2006, opgenomen op pagina 10 e.v. van dossier nummer PL01ME/06-010190 d.d. 18 januari 2007, inhoudende de verklaring van [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van het onttrekken van mijn minderjarige zoon [naam minderjarige]

[naam minderjarige] door mijn ex-echtgenoot [naam]

[naam]. Op 1 maart 2006 zijn wij naar Syrië gegaan voor vakantie. Op 18 maart 2006 is mijn man zonder iets te zeggen weer naar Nederland vertrokken. Hij heeft daarbij het Nederlandse paspoort van onze zoon meegenomen. Toen hij in Syrië was heeft mijn man bij de Islamitische Sharia rechter van Damascus een uitreisverbod voor onze zoon aangevraagd. Dat uitreisverbod is daar op 2 april 2006 uitgesproken. Mijn zoon is op dit moment bij mijn ouders in Syrië. Een uitreisverbod kan door mijn man of zijn broer weer worden opgeheven.

Ik heb in Nederland de echtscheiding aangevraagd. De uitspraak van de voorlopige voorziening was op 30 mei 2006. In die voorlopige voorziening is onze zoon [naam minderjarige] aan mij toevertrouwd en is aan mijn ex bevolen dat hij het kind afgeeft aan mij.

De uitspraak van het vonnis van 29 juni 2006 luidt dat de rechtbank mijn man beveelt binnen een maand na betekening het uitreisverbod van onze zoon op te heffen.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 december 2006, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Mijn zoon [naam minderjarige] is nog steeds in Syrië bij mijn moeder. Het uitreisverbod dat mijn ex-man heeft ingesteld, is nog steeds geldig.

Een overig schriftelijk bescheid, zijnde een beschikking van de rechtbank Groningen, sector civiel recht, d.d. 30 mei 2006, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

De rechtbank bepaalt dat voor de duur van het geding tussen de echtgenoten de volgende voorlopige voorziening zal gelden. Het minderjarige kind van partijen, [naam minderjarige]

[naam minderjarige] in de gemeente Groningen, wordt aan de vrouw toevertrouwd met bevel tot afgifte van die minderjarige aan de vrouw.

Een overig schriftelijk bescheid, zijnde een vonnis van de rechtbank Groningen, sector civiel recht, d.d. 29 juni 2006, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

De voorzieningenrechter bepaalt dat de man er zorg voor dient te dragen -en zulks aan de vrouw dient aan te tonen- dat binnen een maand na betekening van dit vonnis het uitreisverbod voor [naam minderjarige]- zoals uitgevaardigd bij beslissing van de eerste Islamitische Sharia-rechter van Damascus van

2 april 2006- zal zijn opgeheven, zodat [naam minderjarige] vrijelijk naar Nederland kan reizen.

Een proces-verbaal d.d. 18 december 2006, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Het uitreisverbod voor [naam minderjarige] geldt nog steeds. Ik heb het uitreisverbod niet opgeheven.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Het verweer dat verdachte het uitreisverbod voor zijn zoon destijds niet heeft opgeheven omdat hij daartoe niet in staat was, verwerpt de rechtbank. De rechtbank overweegt daartoe dat zij het niet aannemelijk acht dat verdachte - ondanks dat hij in Nederland gedetineerd was- hiertoe geen pogingen kon ondernemen. Zo heeft verdachte tijdens zijn detentie niet laten weten hiertoe niet in staat te zijn. Ook tijdens zijn verhoor bij de politie op

18 december 2006 heeft verdachte niets verklaard over de onmogelijkheid van het opheffen van het uitreisverbod. Hij heeft daarentegen steeds aangegeven het uitreisverbod bewust aangevraagd te hebben en het niet te willen opheffen.

De rechtbank merkt daarbij op dat ook overigens niet uit de stukken (waaronder de rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut d.d. 9 december 2011) is gebleken dat het onmogelijk voor verdachte was om het uitreisverbod op te heffen.

Voor zover betoogd is dat het de bedoeling van zijn echtgenote was om zich met hun zoon in Syrië te vestigen, kan dat verweer verdachte in casu, gelet op de ten laste gelegde periode, in onderhavige zaak niet baten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 2 september 2006 tot en met 18 december 2006, in en buiten Nederland, telkens opzettelijk een minderjarige, te wete

[naam minderjarige], heeft onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (aan de moeder van genoemde minderjarige), immers heeft verdachte er niet voor zorg gedragen dat het uitreisverbod voor genoemde minderjarige, zoals uitgevaardigd bij beslissing van de eerste Islamitische Sharia-rechter van Damascus te Syrië van 2 april 2006, werd opgeheven, waardoor genoemde minderjarige niet vrijelijk van Syrië naar Nederland kon afreizen en waardoor de moeder (in Nederland) het wettig gezag over genoemde minderjarige niet vrijelijk kon uitoefenen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met een proeftijd van twee jaar. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit. Verdachte heeft in het verleden de Nederlandse rechtsorde niet geaccepteerd en dat is onacceptabel. Voorts heeft verdachte door geen uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank in kort geding d.d. 30 mei 2006 tegengehouden dat aangeefster een band met haar zoon op kon bouwen. Hierdoor is de zoon van verdachte en aangeefster gedurende lange tijd verstoken geweest van zijn moeder, hetgeen zijn ontwikkeling heeft beïnvloed. Verdachte heeft voor dit alles geen verantwoordelijkheid genomen. De officier van justitie heeft er tevens rekening mee gehouden dat verdachte eerder in verband met de onttrekking aan het gezag van [naam minderjarige] is veroordeeld. Aan de andere kant heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat het gaat om een oud feit.

Een voorwaardelijke straf moet verdachte ervan weerhouden om in de toekomst opnieuw een dergelijk feit te plegen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het gaat om een gedateerd feit en zij heeft gewezen op de gevolgen voor verdachte. Hij ziet zijn zoon thans niet meer, terwijl hij hem terug heeft gebracht naar Nederland wetende dat hem hier een gevangenisstraf van 16 maanden wachtte. Voort wijst verdachte erop dat de moeder van [naam minderjarige] niet heeft meegewerkt aan het verkrijgen van een paspoort zodat [naam minderjarige] naar Nederland kon terugkomen. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de zoon van verdachte het heel erg heeft gevonden dat verdachte door toedoen van aangeefster in de gevangenis terecht is gekomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw gepleit voor het opleggen van een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrokken houden van zijn minderjarige zoon[naam minderjarige] aan het wettig over hem gestelde gezag. Door het door de Syrische rechter op verzoek van verdachte opgelegde uitreisverbod van zijn zoon niet op te (laten) heffen, heeft hij zijn zoon onttrokken gehouden aan het wettig over hem gestelde gezag.

Verdachte heeft de rechterlijke beslissing van 30 mei 2006, waarbij [naam minderjarige] aan zijn moeder werd toevertrouwd, genegeerd.

Door zo te handelen heeft verdachte het voor de moeder van zijn zoon onmogelijk gemaakt haar taak als diegene die met het gezag was belast uit te voeren.

Vanwege de jonge leeftijd van het kind is het van groot belang dat de moeder bij de opvoeding en de ontwikkeling van het kind wordt betrokken. De moeder van [naam minderjarige] is haar zoon gedurende een zeer lange periode kwijt geweest. Uit de stukken in het dossier heeft de rechtbank af kunnen leiden dat dit gebeuren haar emotioneel en psychisch zeer heeft aangegrepen. Voorts heeft verdachte laten zien geen respect te hebben voor rechterlijke uitspraken van de Nederlandse rechter. Deze handelswijze van verdachte rekent de rechtbank hem aan.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat hij eerder wegens een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft er bij de strafoplegging rekening mee gehouden dat het hier gaat om een zeer oud feit en dat [naam minderjarige] inmiddels teruggeleid is naar Nederland en daar nu bij zijn moeder woont.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen lange duur passend en geboden is. Met deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, temeer daar er thans nog procedures lopen met betrekking tot omgang met de minderjarige.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mrs. P.H.M. Smeets en

D.M. Schuiling, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2014.