Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6218

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
18.730232-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 8 december 2014 een verdachte veroordeeld die zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het verkopen en afleveren en verstrekken van speed. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de verkoop van kleine hoeveelheden van minder dan 30 gram hennep.

Verdachte werd veroordeeld tot 100 dagen gevangenisstraf waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en reclasseringstoezicht. Voor de verkoop van d ekleine hoeveleheden hennep werd geen straf of maatregel opgelegd.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730232-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Bergsma, advocaat te [pleegplaats 2].

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 10 juni 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Dantumadiel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of

N-ethylMDA (zogenaamde XTC-pillen) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde MDMA en/of MDA en/of N-ethylMDA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 10 juni 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Dantumadiel, in elk geval in Nederland, meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of N-ethylMDA (zogenaamde XTC-pillen) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde MDMA en/of MDA en/of N-ethylMDA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte op eerstvermelde tijd en plaats, door die [medeverdachte] geld te verstrekken om speed te kopen en/of een of meer afnemer(s) van speed en/of xtc-pillen in contact te brengen met die [medeverdachte] en/of zijn woning beschikbaar te stellen aan die [medeverdachte] voor het verpakken van speed en/of voor de verkoop van speed en/of xtc-pillen, althans op enigerlei (andere) wijze,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) heeft verschaft;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 10 juni 2014, te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Dantumadiel, en/of te [pleegplaats 2], (althans) in de gemeente Dongeradeel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hennep (wiet) van in totaal meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

- oplegging van 100 dagen gevangenisstraf waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van voorarrest;

- oplegging van reclasseringstoezicht, met daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een behandelverplichting.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft ter terechtzitting vrijspraak gevorderd ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft verzocht tot vrijspraak van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw is daarbij van mening -zoals nader omschreven in haar pleitnotitie- dat niet bewezen is dat er sprake is geweest van medeplegen van de handel in harddrugs, noch aan medeplichtigheid daaraan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewijsbaar is.

Onder 1 primair is kort gezegd ten laste gelegd het medeplegen van de handel in harddrugs.

Van medeplegen van een strafbaar feit is sprake indien twee of meer verdachten bewust en nauw samenwerken waarbij hun opzet zowel gericht is op de samenwerking als op het te plegen strafbare feit. Hierbij is niet vereist dat alle verdachten de delictsbestanddelen van het desbetreffende strafbare feit vervullen. Het is ook niet nodig dat elk der medeplegers zelf een uitvoeringshandeling verricht.

Bij de stukken bevinden zich meerdere verklaringen van [medeverdachte], waarin deze uit eigen waarneming verklaart dat hij samen met verdachte in speed heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte] consistente verklaringen heeft afgelegd en dat zijn verklaringen als geloofwaardig zijn aan te merken. [medeverdachte] heeft onder meer verklaard dat verdachte € 15,-- voor 500 envelopjes heeft betaald als ook dat de speed bij hem thuis werd afgewogen op een grijze weegschaal met een blauw display.

Daar komt bij dat deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van [persoon 1].

De Jong heeft verklaard dat hij, na telefonisch contact met verdachte, in april 2014 naar de woning van verdachte is gereden om speed te kopen. In de woning van verdachte was toen [medeverdachte] aanwezig.

Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte] bij [persoon 2] enveloppen (papiertjes) heeft gekocht, die naderhand weer gebruikt zijn bij de verdeling van de drugs.

De vriendin van verdachte, [persoon 3], heeft ook verklaard dat het haar bekend was dat verdachte bij de handel in speed betrokken was. Zij heeft daarnaast verklaard dat [medeverdachte] bij verdachte kwam voor speed. De politie heeft in de woning van verdachte een weegschaal gevonden waarop sporen van speed aangetroffen zijn.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs, zoals onder 1 primair is ten laste gelegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde nu niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van het verkopen of het aanwezig hebben van hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep.

De rechtbank is in tegenstelling tot de raadsvrouw van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit bewijsbaar is.

Verdachte heeft erkend dat hij kleine hoeveelheden hennep heeft verkocht en afgeleverd. Het verkopen of aanwezig hebben van hoeveelheden hennep van minder dan 30 gram is strafbaar op grond van artikel 3, onder B en C van de Opiumwet. Echter door het bepaalde in artikel 11, zesde lid, van de Opiumwet is bezit van hoeveelheden van minder dan 30 gram slechts aan te merken als een overtreding, maar dat neemt de strafwaardigheid daarvan niet weg.

Op grond van na te noemen bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde dan ook bewezen worden.

Bewijsmiddelen

De rechtbank overweegt met betrekking tot hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd het volgende.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 24 november 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de periode van 1 november 2013 tot en met 10 juni 2014 heb ik te [pleegplaats 1] en [geboorteplaats] meermalen aan een aantal personen kleine hoeveelheden hennep verkocht en afgeleverd.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014058403-49, gesloten op 10 juli 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02CD 2014058403-42, d.d. 12 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant] (blz. 106 -108):

V: Wat kun je vertellen over het wietgruis.

A: De 30 wietgruis slaat op de waarde. Ik vroeg om een hoeveelheid wiet voor de waarde van 30 euro. Ik hoefde niet te betalen. Ik kreeg het gratis van [verdachte]. [verdachte] gaf mij de wiet in een doorzichtig zakje. Ik denk dat het ongeveer 3 gram was.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD 2014058403-47, d.d. 18 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] (blz. 121 - 124):

Ik kan mij herinneren dat ik weed heb gekocht van [verdachte]. Ik heb toen 4 à 5 gram weed gekocht. Dit was verpakt in kleine plastic zakjes. De keren dat ik bij [verdachte] weed kocht was dit jaar.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD 2014058403-63, d.d. 19 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 2] (blz. 102, 103):

[verdachte] heeft wel eens papiertjes van me gekocht. Hij heeft dit vorig jaar bij mij gekocht voor 10 of 15 euro. Hij was er met [medeverdachte] en vroeg naar papiertjes.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02CD 2014058403-49, d.d. 18 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 3] (blz. 129 - 133):

[verdachte] en ik hebben een goede en serieuze relatie. Ik weet dat [verdachte] opgepakt is voor de verdenking van handel in speed. Hij heeft mij verteld dat hij 1x iets geregeld had bij [alias medeverdachte], ik bedoel hiermee [medeverdachte]. Ik weet wel dat [persoon 4] aan [verdachte] gevraagd heeft om speed te leveren. [verdachte] heeft aan [medeverdachte] gevraagd om speed te leveren. [medeverdachte] kwam dan bij [verdachte], gaf het spul en [persoon 4] betaalde aan [medeverdachte]. Het zou kunnen dat [verdachte] speed geregeld heeft.

[verdachte] heeft mij verteld dat hij geld geleend had aan [medeverdachte] om speed te kunnen kopen. [verdachte] vertelde mij dat hij 100 euro aan [medeverdachte] geleend heeft en dat hij dit niet volledig terugbetaald heeft.

[verdachte] haalt wel eens iets voor een ander bij de koffieshop, als hij naar Leeuwarden gaat bijvoorbeeld.

V: Heeft [verdachte] wel eens softdrugs gehaald voor [medeverdachte]?

A: Ja deed hij wel eens. Volgens mij haalde hij alleen voor [persoon 5].

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD 2014052526-53, d.d. 4 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte] (blz. 190 - 192):

U confronteert mij ermee dat ik in speed zou handelen. Het klopt. Ik had deze speed van [verdachte]. [verdachte] en ik hebben tussen december 2013 en januari 2014 besproken of er in [pleegplaats 1] ook een markt was voor speed. Ik wist dat ik dit in [pleegplaats 1] wel kwijt kon. [verdachte] had toen een klein partijtje speed gekocht.

Hij bewaarde dit in zijn koelkast. Dit ging om 100 gram droge speed. Tussen januari 2014 en maart 2014 heb ik de speed verkocht. Bij [verdachte] in de woning woog ik de speed dan af. Ik deed dit in packs. Envelopjes zeg maar. In 1 envelopje past maximaal 3 gram. [verdachte] was in de woning toen ik dat afwoog.

Ik had met [verdachte] de afspraak dat ik per verkochte gram speed 4 euro zou krijgen. Ik heb zelf ook van deze speed gebruikt. De werking hiervan was goed. Ik had niet het idee dat het erg versneden was. Ik werd hier erg fit van. Ik begon daar meer door te praten. Ik zweette wel door het gebruik van speed.

Ik weet nog dat ik 5 gram speed aan [persoon 6] heb verkocht. Ik trof Pieter toen in de caravan in [pleegplaats 1]. Voor die 5 gram kreeg ik ongeveer 30,- euro.

Ik heb ook een paar gram speed aan [koper 1], [koper 2], [koper] en [koper 3]. Ik heb twee keer 10 gram speed aan [persoon 1] uit Holwerd verkocht. Ik weet dat [verdachte] een aantal keren 10 gram speed aan [persoon 1] uit Holwerd heeft verkocht.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02CD 2014052526-56, d.d. 17 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte] (blz. 193 - 199):

Het was [verdachte] zijn idee om speed te gaan verhandelen, omdat hij wist dat je in [pleegplaats 1] dit wel kon verkopen. Deze speed kwam bij iemand uit de Westerein vandaan die [persoon 7] heet. Ik was bij [verdachte] thuis toen [persoon 7] langskwam en wij met [persoon 7] bespraken dat we speed wilden kopen. [persoon 7] vertelde dat hij wel 100 gram leveren kon, toen [verdachte] vroeg of [persoon 7] 100 gram leveren kon. Dit gesprek was ongeveer eind januari 2014. [persoon 7] leverde de speed ongeveer twee weken later bij [verdachte] thuis af. [verdachte] heeft mij verteld dat hij 220 euro of 250 euro betaald heeft. Toen ik er wel bij was hebben we de speed gewogen en toen bleek dat het geen 100 gram maar 95 gram was. De eerste keer dat ik de speed bij [verdachte] zag was het verpakt in drie of vier zakjes.

Wij wogen het af op een weegschaal met een blauw display, deze weegschaal was grijs en is van [verdachte]. Dit afwegen deden wij in de bijkeuken op een grote tafel. Als ik iets kon verkopen dat ging ik naar [verdachte] om de speed in porties van 0,9 gram, 1,0 of 1,2 gram op te delen. Deze porties deden we in zakjes, een soort envelopjes. Bij [persoon 8] [persoon 2] hebben [verdachte] en ik envelopjes gehaald. Omdat [persoon 8] niet opnam zijn [verdachte] en ik in de auto van [verdachte] gestapt en zijn we naar Driezum gereden om envelopjes te halen. [persoon 8] was thuis en we hadden eerst een normaal gesprekje. Daarna vroeg ik aan [persoon 8] of hij nog envelopjes had. Normaal betaal je voor een stapeltje van 500 envelopjes ongeveer 10 euro, maar [persoon 8] vroeg om 15 euro. [verdachte] heeft dit er voor betaald en toen zijn [verdachte] en ik weggegaan. Ik zorgde voor de verkoop.

Als ik 10 euro kreeg, dan kreeg ikzelf 4 euro en hield [verdachte] 6 euro. De speed van [verdachte] en mij lag in de koelkast.

[verdachte] heeft altijd wiet in huis. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij 10 tot 20 gram per dag verkocht aan iemand in [geboorteplaats]. Ik kocht zelf ook wel wiet van [verdachte], vanaf januari 2014.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD 2014052526-52, d.d. 3 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van N. Koster (blz. 212 - 217):

[verdachte] komt wel veel bij [kennis]. Hij heeft dan weed bij zich.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD 2014058403-33, d.d. 11 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 1]:

V: Er is verklaart dat je speed bij [verdachte] hebt gekocht.

A: Dat klopt, ik heb speed bij [verdachte] gekocht. Dat was bij [verdachte] thuis in [pleegplaats 1]. Ik weet nog dat [medeverdachte] hier ook bij aanwezig was.

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD 2014058403-38, d.d. 12 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [persoon 1]:

Ik ken [verdachte]. Ik heb hem voor het eerst gezien bij [persoon 9] thuis. Ik heb toen gehoord dat [verdachte] in speed dealde. Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met [verdachte] en heb toen een afspraak met [verdachte] gemaakt. Ik ben naar hem toegegaan op de scooter en heb toen speed gekocht.

Dit was de eerste week van april 2014 in het weekend, ik weet nog dat het ‘s avonds was. Ik ging de woning binnen en ging op de bank zitten. Er stond een weegschaal op de tafel. Ik zag dat de speed al klaar was. Het was verpakt in enveloppen. Ik kreeg toen 10 enveloppen van hem en heb hem betaald. In iedere envelop zat 1 gram speed. Ik weet niet meer exact het bedrag, maar ik denk ongeveer 80 euro voor alles.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2013 tot en met 10 juni 2014, te [pleegplaats 1], in de gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij in de periode van 1 november 2013 tot en met 10 juni 2014, te [pleegplaats 1], in de gemeente Dantumadiel, en te [geboorteplaats], in de gemeente Dongeradeel, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep (wiet), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

1. Primair: Medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. de overtreding:

ten aanzien van het verkopen en afleveren:

De voortgezette handeling van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

ten aanzien van het verstrekken:

handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte voorlichtingsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het verkopen en afleveren en verstrekken van speed. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de verkoop van kleine hoeveelheden hennep.

De handel in verdovende middelen is strafbaar gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade toebrengen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van gewelds- en vermogenscriminaliteit.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging in aanmerking dat zowel bij de handel in speed als de hennep geen sprake is geweest van handel op grote schaal. Verdachte verkocht en verstrekte de drugs in kleine hoeveelheden aan min of meer bekenden van hem.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tenslotte rekening gehouden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 29 augustus 2014 waaronder het daarbij door de reclassering gegeven advies om in het kader van een voorwaardelijk op te leggen strafdeel, naast reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarden een meldplicht en voortzetting van de reeds gestarte ambulante behandeling op te leggen.

De rechtbank acht in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden dat kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke straf, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.

De rechtbank acht het niet nodig voor de overtreding onder feit 2 een aparte straf op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 56, 62 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

Een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 57 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 7 dagen na deze uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1, 8933 AJ Leeuwarden. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de GGZ of soortgelijke ambulante (forensische) zorg op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, een en ander in overleg met de reclassering.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 december 2014.

Mr. Blom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Van Dijk

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730232-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 24 november 2014

Tegenwoordig:

mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. J.N.M. Blom, rechters, en

A. van Dijk, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. H.J. Mous.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S. Bergsma, advocaat te Dokkum.

Als getuige à decharge is verschenen: [persoon 1].

………………..

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 8 december 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.