Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6181

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
C/18/129863 / HA ZA 11-682
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 843a lid 1 Rv. Vraag of de stukken waarvan eiseressen in het incident een afschrift vorderen. Bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin zij of hun rechtsvoorgangers partij zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/129863 / HA ZA 11-682

Vonnis in incident van 18 juni 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEWCONOMY VENTURES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser2],

wonende te Holwierde,

eisers in conventie in de hoofdzaak,

verweerders in reconventie in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. R.A. Oskamp, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B&S HOLLAND TRADING GROUP B.V.,

gevestigd te Farmsum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B&S INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Farmsum,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eiseressen in reconventie in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. J.J. Schelling, kantoorhoudende te Rotterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Newconomy Ventures en [eiser 2], respectievelijk de B&S-vennootschappen.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de processtukken, waaronder ook de vonnissen van 4 april en 6 juni 2012 en het vonnis van 29 augustus 2012 waarbij het verzoek van de B&S-vennootschappen tot het houden van pleidooi in het onderhavige incident is afgewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 24 december 2013, waarbij het vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2012 is vernietigd en de zaak naar deze rechtbank is verwezen om verder te worden afgedaan met inachtneming van dit arrest;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting, gehouden op 16 april 2014.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan

2.1.

De B&S-vennootschappen vorderen - na eisvermeerdering ter zitting d.d. 16 april 2014 - dat de rechtbank Newconomy Ventures en [eiser 2] primair op grond van artikel 843a Rv veroordeelt, zo mogelijk op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan, ingaande 24 uur na betekening van dit vonnis, bij akte ter rolle de navolgende stukken in het geding te brengen:

1. alle processtukken met betrekking tot de procedure tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Publishing Partners Nederland B.V. (hierna: PPN) en de naamloze vennootschap die thans Vivenda Media Group NV (hierna: Vivenda) is genaamd (welke procedure aanvankelijk - van circa 2005 tot circa

2007 - door PPN is gevoerd en na het faillissement van PPN - van circa 2007 tot circa 2010 - door de curator mr. Huijzer is overgenomen);

2. de schikkingsovereenkomst (uit ca. 2010) tussen mr. Huijzer als curator van PPN en Vivenda;

3. (de akte waarin) de overeenkomst van cessie (is neergelegd), waarbij de curator al zijn eventuele rechten heeft overgedragen aan [eiser 2] en Newconomy Ventures.

De B&S-vennootschappen hebben de rechtbank subsidiair verzocht om Newconomy Ventures en [eiser 2] ex artikel 22 Rv een bevel tot overlegging van voormelde stukken te geven.

De B&S-vennootschappen hebben voorts (hoofdelijke) veroordeling van Newconomy Ventures en [eiser 2] in de kosten van dit incident gevorderd.

2.2.

De B&S-vennootschappen hebben het volgende aan hun vorderingen ten grondslag gelegd.

PPN en Vivenda hebben op 22 november 2001 een schikking getroffen ter beëindiging van een tussen hen bestaand geschil. Vivenda heeft als onderdeel van deze schikking een vordering in rekening-courant op [eiser 2] overgedragen aan PPN. PPN heeft op 24 juni 2002 een dividendbesluit genomen en dividend uitgekeerd aan haar aandeelhouders, op dat moment zijnde [eiser 2] en B&S Netherlands B.V. Het aan [eiser 2] uit te keren dividend is door PPN verrekend met voornoemde rekening-courant vordering.

In 2004/2005 heeft PPN zowel Vivenda als Newconomy Ventures, de dochtervennootschap van Vivenda, in een procedure betrokken over de schikking van 22 november 2001. Nadat PPN op 6 maart 2007 in staat van faillissement is verklaard, is deze procedure overgenomen door mr. Huijzer, de curator in het faillissement van PPN. Tijdens de procedure is volgens [eiser 2] en Newconomy Ventures aan Vivenda en de curator gebleken dat de vordering in rekening-courant op [eiser 2], die Vivenda in het kader van de schikking uit 2001 aan PPN heeft overgedragen, een niet bestaande vordering is en dat deze vordering daarom niet verrekend had mogen worden met de dividenduitkering aan [eiser 2] in juni 2002. In sub 10, respectievelijk sub 16 en 43 van de dagvaarding nemen [eiser 2] en Newconomy Ventures namelijk de volgende stellingen in:

"Gaandeweg de procedure kwam boven water dat (…) onderdeel van de schikking uitmaakte dat een (zogenaamde) vordering van Vivenda op [eiser 2] aan PPN werd gecedeerd welke achteraf helemaal niet bleek te bestaan."

"De curator heeft de lopende procedure tegen o.a. Vivenda voortgezet en is gaandeweg deze procedure tot het inzicht gekomen dat er inderdaad ernstige gebreken kleven aan de dividenduitkering, de RC positie en de financiële verantwoording (…)."

"De bedoelde vordering bleek achteraf niet te bestaan, hetgeen Vivenda, in de door de curator na faillietverklaring van PPN overgenomen procedure, nog eens heeft erkend."

In 2010 is de procedure tussen de curator in het faillissement van PPN en Vivenda beëindigd met een schikking. Na het bereiken van deze schikking, heeft de curator het dividendbesluit uit 2002 vernietigd. Als die vernietiging stand zou houden, zou er mogelijk nog een vordering van [eiser 2] op haar (toenmalige) medeaandeelhouder B&S Netherlands B.V. zijn ter zake van (ten onrechte verrekend) dividend, welke vordering de curator volgens Newconomy Ventures en [eiser 2] bij akte van cessie aan hen heeft overgedragen.

Gelet op het vorenstaande nemen Newconomy Ventures en [eiser 2] op basis van de processtukken aangaande de procedure tussen (de curator in het faillissement van) PPN en Vivenda, de schikking die naar aanleiding van deze procedure is bereikt en de akte van cessie die naar aanleiding van de schikking zou zijn getroffen aldus allerlei stellingen in, die zij ten grondslag leggen aan de vorderingen in de hoofdzaak. Nu zij deze stukken evenwel niet in het geding brengen, kunnen de B&S-vennootschappen de stellingen van Newconomy Ventures en [eiser 2] niet verifiëren en zich daartegen ook niet verweren. Zij hebben daarom op grond van artikel 843a lid 1 Rv recht op en belang bij inzage in deze stukken. De rechtbank dient Newconomy Ventures en [eiser 2] althans met toepassing van

artikel 22 Rv te bevelen om deze stukken in het geding te brengen.

2.3.

Newconomy Ventures en [eiser 2] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van de B&S-vennootschappen, met conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van de B&S-vennootschappen in hun vorderingen dan wel tot het ontzeggen van deze vorderingen aan hen. Newconomy Ventures en [eiser 2] hebben tegen de primaire vordering ten verwere aangevoerd dat de vordering niet aan de vereisten van artikel 843a lid 1 Rv voldoet, nu de stukken waarvan de B&S-vennootschappen een afschrift vorderen, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000, NJ 2001, 259, geen bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn, terwijl voorts Newconomy Ventures en [eiser 2] niet beschikken over de processtukken en de schikkingsovereenkomst waarvan een afschrift wordt gevorderd. De vordering van de B&S-vennootschappen kan daarnaast

- aldus Newconomy Ventures en [eiser 2] - als een "fishing expedition" worden aangemerkt en is onnodig, omdat de B&S-vennootschappen de informatie die zij wensen te verkrijgen ook op andere wijze kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door het horen van getuigen.

2.4.

De rechtbank zal recht doen op de gewijzigde eis van de B&S-vennootschappen, nu Newconomy Ventures en [eiser 2] geen bezwaar hebben gemaakt tegen deze eiswijziging en de eiswijziging niet in strijd is met de beginselen van een goede procesorde.

2.5.

De B&S-vennootschappen hebben hun vorderingen primair gegrond op artikel 843a Rv Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan hij die daarbij een rechtmatig belang heeft

inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Nu op grond van artikel 843a lid 1 Rv niet de afgifte van de originele bescheiden kan worden gevorderd (zie Hoge Raad 31 mei 2002, NJ 2003, 589), begrijpt de rechtbank de vordering van de B&S-vennootschappen aldus, dat zij een afschrift wensen van de bescheiden, zoals vermeld in de incidentele vordering.

2.6.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de stukken waarvan de B&S-vennootschappen een afschrift vorderen, bescheiden betreffen "aangaande een rechtsbetrekking waarin zij of hun rechtsvoorgangers partij zijn". De rechtbank verwerpt het verweer van Newconomy Ventures dat niet voldaan is aan dit vereiste, omdat de B&S-vennootschappen geen partij zijn geweest in de procedure tussen (de curator in het faillissement van) PPN en Vivenda en zij evenmin partij zijn bij de schikkingsovereenkomst die naar aanleiding van deze laatstgenoemde procedure is gesloten of bij de nadien opgemaakte akte van cessie. Dit verweer gaat namelijk uit van een restrictieve uitleg van het vereiste. De Hoge Raad heeft weliswaar een restrictieve uitleg van dit vereiste gebezigd in het arrest van 18 februari 2000, NJ 2001, 259, waarop Newconomy Ventures en [eiser 2] een beroep hebben gedaan, maar de Hoge Raad heeft deze restrictieve uitleg verlaten in zijn arresten van 26 oktober 2012, NJ 2013, 220 en 29 januari 2010, NJ 2011, 270. Voldoende is dat de gevraagde bescheiden relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de aanvrager partij is. Aldus kan een verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van een document betrekking hebben op een overeenkomst tussen twee andere partijen, maar ook op een ander document waarbij de aanvrager geen partij is.

2.7.

Indachtig deze ruime interpretatie van artikel 843a lid 1 Rv, hebben de B&S-vennootschappen naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd gesteld dat de stukken waarvan zij een afschrift vorderen, stukken betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn in de zin van art. 843a lid 1 Rv. De B&S-vennootschappen verlangen (inzage in) de processtukken betreffende de procedure PPN/Vivenda, alsmede de schikkingsovereenkomst uit 2010. Hoewel de B&S-vennootschappen geen partij waren bij die procedure en bij de schikking, behelzen deze stukken volgens de stellingen van Newconomy Ventures en [eiser 2] informatie aangaande gedragingen van de B&S-vennootschappen met consequenties voor aanspraken van Newconomy Ventures en [eiser 2]. Deze informatie biedt voor Newconomy Ventures en [eiser 2] de grondslag voor de hoofdzaak. In het licht van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is er voldoende grond voor het oordeel dat deze stukken zien op een rechtsbetrekking waarbij (ook) de B&S-vennootschapen partij zijn in de zin van artikel 843a lid 1 Rv. Om zich goed te kunnen verweren in de hoofdzaak hebben de B&S-vennootschappen ook een rechtmatig belang bij verkrijging van de stukken.

Nog sterker geldt dit voor de cessie-overeenkomst, nu deze betrekking heeft op een (gestelde) vordering op de B&S-vennootschappen.

2.8.

Tussen partijen is tevens in geschil of Newconomy Ventures en [eiser 2] de processtukken en schikkingsovereenkomst waarvan de B&S-vennootschappen een afschrift vorderen, al dan niet tot hun beschikking of onder hun berusting hebben.

2.9.

Nu Newconomy Ventures in de procedure tussen (de curator in het faillissement van) PPN en Vivenda tevens is gedagvaard door PPN en zij derhalve partij is geweest in

deze procedure, moet Newconomy Ventures naar het oordeel van de rechtbank geacht worden de processtukken van deze procedure tot haar beschikking te hebben of tot haar beschikking te kunnen krijgen. Newconomy Ventures heeft het tegendeel niet, dan wel onvoldoende onderbouwd. In zoverre voldoet de primaire vordering van de

B&S-vennootschappen jegens Newconomy Ventures voor wat betreft de processtukken aan de vereisten van artikel 843a lid 1 Rv.

2.10.

De stelling van de B&S-vennootschappen dat [eiser 2] de processtukken met betrekking tot de procedure tussen (de curator in het faillissement van) PPN en Vivenda eveneens tot zijn beschikking heeft, is naar het oordeel van de rechtbank door [eiser 2] voldoende weersproken. [eiser 2] heeft immers aangevoerd dat hij deze stukken niet tot zijn beschikking heeft, omdat hij geen partij is geweest in deze procedure. [eiser 2] is weliswaar bestuurder geweest van Newconomy Ventures, maar de processtukken zijn volgens hem daardoor niet in zijn bezit gekomen, maar achtergebleven bij de Vivenda Media Groep N.V. De vordering van de B&S-vennootschappen tot veroordeling van [eiser 2] tot het verstrekken van een afschrift van de processtukken van de procedure tussen (de curator in het faillissement van) PPN en Vivenda zal daarom worden afgewezen.

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat de B&S-vennootschappen hun stelling dat Newconomy Ventures en [eiser 2] de schikkingsovereenkomst tussen de curator in het faillissement van PPN en Vivenda tot hun beschikking of onder hun berusting hebben

- mede gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door Newconomy Ventures en [eiser 2] - niet dan wel onvoldoende hebben onderbouwd. Newconomy Ventures en [eiser 2] hebben immers aangevoerd dat zij geen partij zijn geweest bij de schikkingsovereenkomst. De enkele omstandigheid dat hun voormalig advocaat in de onderhavige procedure in de hoedanigheid van curator in het faillissement van PPN partij is geweest bij de schikkingsovereenkomst, impliceert naar het oordeel van de rechtbank

- anders dan de B&S-vennootschappen hebben aangevoerd - niet dat Newconomy Ventures en [eiser 2] deze overeenkomst tot hun beschikking hebben of tot hun beschikking kunnen krijgen, temeer niet nu niet gesteld of gebleken is dat zij jegens hun voormalig advocaat recht hebben of aanspraak kunnen maken op de overeenkomst. De vordering van de B&S-vennootschappen tot veroordeling van Newconomy Ventures en [eiser 2] tot het verstrekken van een afschrift van de schikkingsovereenkomst zal dan ook worden afgewezen.

2.12.

De rechtbank begrijpt het verweer van Newconomy Ventures en [eiser 2] dat de vordering ex artikel 843a lid 1 Rv onnodig is omdat de gewenste informatie ook op andere wijze kan worden verkregen, als een beroep op het vierde lid van artikel 843a Rv. In dit artikellid is namelijk (onder meer) bepaald dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is om aan deze vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Dit laatste geval kan zich voordien indien het gewenste bewijs van de betreffende feiten ook redelijkerwijze langs

andere weg, bijvoorbeeld door getuigenverhoren, kan worden verkregen (zie Hoge Raad 31 mei 2002, NJ 2003, 589).

2.13.

Het verweer van Newconomy Ventures en [eiser 2] dat toewijzing van het gevorderde onnodig is, is door deze partijen niet anders onderbouwd dan door de stelling dat relevante feiten en omstandigheden die nog niet vaststaan, ook via getuigen of op andere wijze kunnen worden bewezen. Dit verweer gaat aldus voorbij aan de essentie van de

stelling van de B&S-vennootschappen, te weten dat kennisneming van de inhoud van de stukken essentieel is voor de mogelijkheid om verweer te voeren; derhalve verwerpt de rechtbank dit verweer.

2.14.

De rechtbank zal voorts voorbij gaan aan het verweer van Newconomy Ventures en [eiser 2] dat de vordering van de B&S-vennootschappen een "fishing expedition" betreft. Nu de B&S-vennootschappen concreet hebben aangegeven van welke stukken zij een afschrift vorderen en welk belang zij daarbij hebben, wordt de vordering ex artikel 843a lid 1 Rv niet beschouwd als een "fishing expedition".

2.15.

Gelet op het vorenstaande luidt de slotsom dat Newconomy Ventures ex artikel 843a lid 1 Rv zal worden veroordeeld om bij akte in het geding te brengen een afschrift van alle processtukken met betrekking tot de procedure tussen PPN en Vivenda (welke procedure aanvankelijk - van circa 2005 tot circa 2007 - door PPN is gevoerd en na het faillissement van PPN - van circa 2007 tot circa 2010 - door de curator mr. Huijzer is overgenomen). Daarnaast zullen Newconomy Ventures en [eiser 2] ex artikel 843a Rv worden veroordeeld tot het bij akte in het geding brengen van een afschrift van (de akte waarin) de overeenkomst van cessie (is neergelegd), waarbij de curator al zijn eventuele rechten heeft overgedragen aan [eiser 2] en Newconomy Ventures. De rechtbank zal bepalen dat voormelde bescheiden tegelijkertijd met de conclusie van repliek, waarvoor de hoofdzaak naar de rol van 13 augustus 2014 zal worden verwezen, in het geding moeten worden gebracht. De rechtbank ziet - anders dan mr. Oskamp ter gelegenheid van de pleidooien heeft verzocht - vooralsnog geen aanleiding tot het bepalen van een comparitie van partijen, omdat het debat tussen partijen in de hoofdzaak nog onvoldoende uitgekristalliseerd is.

2.16.

De rechtbank zal de door de B&S-vennootschappen gevorderde dwangsom van

€ 10.000,00 per dag of dagdeel dat Newconomy Ventures en/of [eiser 2] niet aan voormelde veroordeling(en) zullen voldoen eveneens toewijzen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 200.000,00. De primaire vordering van de B&S-vennootschappen zal in zoverre worden toegewezen.

2.17.

Gelet op de toewijzing van de primaire vordering ex artikel 843a lid 1 Rv met betrekking tot voormelde processtukken jegens Newconomy Ventures en op de toewijzing van deze vordering jegens Newconomy Ventures en [eiser 2] voor wat betreft (de akte waarbij) de overeenkomst van cessie (is neergelegd), behoeft de subsidiaire vordering ex artikel 22 Rv met betrekking tot deze stukken jegens hen geen bespreking meer. Ten aanzien van de gevorderde overlegging van een afschrift van de schikkingsovereenkomst ex artikel 22 Rv, overweegt de rechtbank dat deze vordering niet toewijsbaar is, nu (in rechtsoverweging 2.11.) is geoordeeld dat [eiser 2] en Newconomy Ventures deze overeenkomst niet tot hun beschikking of onder hun berusting hebben en er daarom gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv bestaan tegen overlegging van deze overeenkomst. De vordering ex artikel 22 Rv jegens [eiser 2] tot overlegging van de processtukken met betrekking tot de procedure tussen PPN en Vivenda, treft - gelet op rechtsoverweging 2.10. - hetzelfde lot.

2.18.

Newconomy Ventures en [eiser 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partijen - zoals de B&S-vennootschappen hebben gevorderd - hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van de

B&S-vennootschappen tot op heden vastgesteld op € 904,00 (2 punten x tarief II (€ 452,00)) aan salaris advocaat.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

veroordeelt Newconomy Ventures ex artikel 843a lid 1 Rv om tegelijkertijd met de conclusie van repliek in de hoofdzaak bij akte in het geding te brengen een afschrift van alle processtukken met betrekking tot de procedure tussen PPN en Vivenda (welke procedure aanvankelijk - van circa 2005 tot circa 2007 - door PPN is gevoerd en na het faillissement van PPN - van circa 2007 tot circa 2010 - door de curator mr. Huijzer is overgenomen), alsmede een afschrift van (de akte waarin) de overeenkomst van cessie (is neergelegd), waarbij de curator al zijn eventuele rechten heeft overgedragen aan [eiser 2] en Newconomy Ventures;

3.2.

bepaalt dat Newconomy Ventures een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat zij in strijd handelt met de veroordeling onder 3.1., tot een maximum van € 200.000,00 aan verbeurde dwangsommen is bereikt;

3.3.

veroordeelt [eiser 2] ex artikel 843a lid 1 Rv om tegelijkertijd met de conclusie van repliek in de hoofdzaak bij akte in het geding te brengen een afschrift van (de akte waarin) de overeenkomst van cessie (is neergelegd), waarbij de curator al zijn eventuele rechten heeft overgedragen aan [eiser 2] en Newconomy Ventures;

3.4.

bepaalt dat [eiser 2] een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat hij in strijd handelt met de veroordeling onder 3.3., tot een maximum van € 200.000,00 aan verbeurde dwangsommen is bereikt;

3.5.

veroordeelt Newconomy Ventures en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de B&S-vennootschappen tot op heden vastgesteld op € 904,00 aan salaris advocaat;

3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak

3.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 augustus 2014 voor conclusie van repliek aan de zijde van Newconomy Ventures en [eiser 2];

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers, mr. S.M. Schothorst en

mr. A.S. Venema-Dietvorst en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014.1

1 type: 625 coll: