Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6091

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
18.930072-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn zwager [slachtoffer 1] met een kapmes op zijn hoofd geslagen. Hij was furieus omdat [slachtoffer 1] de vrouw van verdachte had uitgescholden voor hoer. Toen [slachtoffer 1] een reclamevlag greep om zich te verdedigen sloeg verdachte nogmaals met het kapmes richting [slachtoffer 1], waarbij de reclamevlag werd vernield. De rechtbank rekent het de verdachte met name aan dat hij in een winkelcentrum en op klaarlichte dag zijn zwager te lijf is gegaan

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/930072-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 18 november 2014.

Verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. H.A. Jonker-van Dijk, advocaat te Beilen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 28 maart 2014 in de gemeente Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (meermalen) met een (kap-)mes, althans een hard en/of scherp voorwerp op het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 28 maart 2014 in de gemeente Assen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een (kap-)mes, althans een hard en/of scherp voorwerp op het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft gestompt/geslagen, tengevolge waarvan Rirrimasse enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 28 maart 2014 in de gemeente Assen opzettelijk en wederrechtelijk een banner (reclamevlag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlasteleggingen worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Tengevolge van een kennelijke vergissing staat in de - gewijzigde - tenlastelegging in de tweede regel van het onder 1. primair tenlastegelegde en in de derde en zevende regel van het onder 1. subsidiair tenlastegelegde telkens “[slachtoffer 1]” in plaats van “[slachtoffer 1]”. De rechtbank herstelt deze vergissing door telkens het laatste te lezen in plaats van het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. B.D. van der Burg, acht hetgeen aan verdachte onder

1. subsidiair (zonder voorbedachten rade) en 2. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een taakstraf bestaande uit een werkstraf van vijftig uren subsidiair 25 dagen hechtenis, onder aftrek van voorarrest, en integrale toewijzing van de civiele vordering, tevens in de vorm van een schade-vergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1. primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewijsmiddelen

ten aanzien van het eerste feit

De aangifte van J.J. [slachtoffer 1]1.

Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat hij op 28 maart 2014 in het [winkelcentrum] te Assen liep. Hij hoorde geschreeuw en voelde dat hij een klap op zijn hoofd kreeg. Hij draaide zich om en zag dat zijn zwager [verdachte] voor hem stond met een kapmes in zijn handen. Hij zag dat om het kapmes een hoes zat. [slachtoffer 1] verklaarde vervolgens weg te zijn gerend en een reclamevlag te hebben gepakt, om zich te verdedigen. Hij zag dat zijn zwager vervolgens nog met het kapmes naar hem sloeg, maar deze slag raakte de reclamevlag.

Een medische verklaring van 28 maart 20142, opgemaakt door een geneeskundige die het [slachtoffer 1] op 28 maart 2014 heeft onderzocht, houdt, zakelijk weergegeven, in dat de geneeskundige bij [slachtoffer 1] onder meer heeft geconstateerd een 7 mm. lange wond op het achterhoofd.

ten aanzien van het tweede feit

De aangifte van [slachtoffer 2]3.

Hij verklaart, zakelijk weergegeven, dat hij eigenaar is van de snackbar en het Chinees restaurant gevestigd aan de [straatnaam] te Assen. Op 28 maart 2014 was er ruzie voor zijn snackbar. Twee mannen stonden tegenover elkaar. Een van hen had een groot mes. Eén van de mannen pakte de reclamevlag die voor de snackbar op de stoep staat om zich te verdedigen. Dit was de man zonder mes. De reclamevlag is helemaal gescheurd. Aangever heeft niemand toestemming gegeven om zijn reclamevlag te vernielen.

ten aanzien van beide feiten

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, zakelijk onder meer inhoudende:

ik heb [slachtoffer 1] op 28 maart 2014 te Assen met een kapmes achter op zijn hoofd geslagen. [slachtoffer 1] pakte een reclamevlag. Toen heb ik weer geslagen. Ik heb de reclamevlag geraakt. De vlag ging daardoor kapot.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 2. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 28 maart 2014 in de gemeente Assen opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], met een kapmes op het hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 28 maart 2014 in de gemeente Assen opzettelijk en wederrechtelijk een reclamevlag, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft vernield.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De onder 1. subsidiair tenlastegelegde voorbedachte raad

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte, niet bewezen dat verdachte, gezien zijn toestand van blinde razernij, na kalm beraad en rustig overleg tot zijn daad is gekomen.

De verdachte zal van het onder 1. subsidiair en 2. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1. subsidiair:

mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2.:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de feiten en de verdachte strafbaar, omdat geen straf- en/of schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsvrouw van de verdachte, alsmede de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 16 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verdachte heeft zijn zwager [slachtoffer 1] met een kapmes op zijn hoofd geslagen. Hij was furieus omdat [slachtoffer 1] de vrouw van verdachte had uitgescholden voor hoer. Toen [slachtoffer 1] een reclamevlag greep om zich te verdedigen sloeg verdachte nogmaals met het kapmes richting [slachtoffer 1], waarbij de reclamevlag werd vernield. De rechtbank rekent het de verdachte met name aan dat hij in een winkelcentrum en op klaarlichte dag zijn zwager te lijf is gegaan.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte van onbesproken gedrag is.

De officier van justitie heeft een taakstraf gevorderd. De raadsvrouw van verdachte heeft in haar pleidooi aangegeven dat verdachte bereid is een taakstraf te verrichten.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie volgen en aan verdachte een taakstraf bestaande uit een werkstraf van na te melden uren opleggen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de vordering onvoldoende aannemelijk gemaakt. De vordering zal voor dit deel worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1. subsidiair bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 22c, 22d, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. subsidiair en 2. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan en stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. subsidiair en 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit 50 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren zal verrichten, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 200,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst de vordering voor het overige deel af.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 200,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door vier dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. M.A.A. van Capelle en mr. C. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 2 december 2014.

1 dossierpagina 32 en volgende

2 dossierpagina 40

3 dossierpagina 97 en volgende