Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6068

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
C-17-132491 - HA ZA 14-46
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht, beroep op verkrijgende verjaring verworpen, inmeting erfgrens door deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/132491 / HA ZA 14-46

Vonnis van 3 december 2014

in de zaak van

1 [A],

wonende te [woonplaats],

2.[B][B],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J. Bos te Heerenveen,

tegen

1 [C],

wonende te [woonplaats],

2.[D][D],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A. de Rooij te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [A] en [C], beiden in enkelvoud, worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 april 2014

  • -

    het proces-verbaal van descente en comparitie van 10 september 2014

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar. [A] woont sinds 2007 aan de [adres]. [C] woont aan de [adres]. De erfgrens bevindt zich volgens de kadastrale kaart tussen de woningen van partijen. Op het perceel van [A] staat een vrijstaande woning en een garage. Tevens is (ongeveer) evenwijdig aan de erfgrens volgens de kadastrale kaart een muurtje opgetrokken tussen de woning en de garage (die als kantoor/werkruimte in gebruik is).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert samengevat – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de erfgrens tussen de percelen van partijen loopt zoals weergegeven op het uittreksel van de kadastrale kaart, zoals weergegeven op productie 1 bij dagvaarding. Voorts vordert hij veroordeling van [C] zo veel mogelijk hoofdelijk om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, te verwijderen respectievelijk verwijderd te houden de aan hen toebehorende zaken van het perceel van [A], op straffe van verbeurte van een dwangsom, en om [C] te veroordelen tot verwijdering van al hetgeen door of namens hem tegen de garage van hem is geplaatst of gemonteerd, waaronder een kippenhok en een volière, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom, en ten slotte om [C] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.272,- vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[C] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[C] vordert samengevat – te verklaren voor recht dat de juridische erfgrens tussen beide percelen gelijk is aan de feitelijke erfgrens, zoals ter plaatse gemarkeerd door de zijgevel van de woning van [A], het vrijstaande muurtje tussen deze woning en de achterliggende garage en de muur van de garage, zulks onder de bepaling dat dit vonnis kan worden ingeschreven in de betreffende registers. Voorts vordert [C] veroordeling van [A] om binnen een maand na het te wijzen vonnis het door [A] aangebrachte dakraam te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom. Ten slotte vordert [C] om [A] te veroordelen om zijn perceel ([adres]) niet meer te betreden zonder diens uitdrukkelijke toestemming, eveneens op straffe van een dwangsom.

Een en ander met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure.

3.5.

[A] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De rechtbank zal de vorderingen over en weer gezamenlijk bespreken. De kern van het geschil van partijen betreft immers de (juridische) situering van de erfgrens tussen de percelen van partijen.

4.2.

De rechtbank zal allereerst de stelling van [C] bespreken dat van de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van [A] geen sprake kan zijn, nu de door [A] veronderstelde erfgrens niet juist is als gevolg van het ontbreken van een kadastrale inmeting en voorts dat, indien mocht blijken dat na inmeting van de kadastrale grens een strookje grond langs de (zij)gevel van de woning van [A] en, in het verlengde daarvan, langs het vrijstaande muurtje tussen de woning en de garage van [A], kadastraal zou behoren bij het perceel van [A], er sprake is van verkrijgende verjaring aan de zijde van [C] Ter zake deze verkrijgende verjaring heeft [C] aangevoerd dat de grond tussen de (zij)gevel van de woning van [A] en zijn eigen woning in elk geval al sedert 1977, toen het stenen muurtje en de garage van [A] zijn gebouwd, uitsluitend toegankelijk is vanaf het perceel van [C] Vanaf dat moment hebben [C] en zijn rechtsvoorgangers het strookje grond waarop [A] aanspraak maakt in bezit gehad, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat het tot één feitelijke eenheid is gevormd met zijn eigen perceel en gedurende al die jaren ook als zodanig is onderhouden. Zowel [C], als zijn rechtsvoorgangers oefen(d)en volgens [C] de feitelijke macht uit over deze strook grond als waren zij eigenaar hiervan.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank begrijpt de stellingname van [C] als een beroep op het bepaalde in artikel 3:105 lid 1 BW waarin is bepaald dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw, alsmede als een beroep op het bepaalde in de artikelen 3: 112 en 113 lid 1 BW waarin is bepaald dat bezit wordt verkregen onder meer door inbezitneming en dat men een goed in bezit neemt door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Voor verkrijgende verjaring ex art. 3:105 BW is vereist dat de bezitter de zaak bezit op het moment waarop de verjaring van de vordering tot revindicatie wordt voltooid, ongeacht of deze bezitter te goeder trouw is. Bepalend is of gedurende de gehele verjaringstermijn de toestand bestaat dat een ander dan de rechthebbende bezitter is. Niet van belang is of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden en dus ook niet of opvolgende bezitters te goeder trouw (in de zin van art. 3:102 BW) waren. Naar het oordeel van de rechtbank ziet [C] voorbij aan het bepaalde in lid 2 van artikel 3: 113 BW dat bepaalt dat wanneer men een goed in bezit neemt dat van een ander is, enkele op zichzelf staande machtuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende zijn. Voor [A] (en/of zijn rechtsvoorgangers) moet wel duidelijk zijn geweest dat [C] (of diens rechtsvoorgangers) zijn eigendom in bezit had genomen, bijvoorbeeld door het verplaatsen van een erfafscheiding. Het enkele feit dat het deel van de kadastrale eigendom van [A] dat tussen de kadastrale erfgrens en de gevel van de woning van [A] is gelegen slechts bereikbaar is via de oprit van [C] en dat laatstgenoemde die grond gedurende een reeks van jaren heeft gebruikt acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Minst genomen zal door enige machtsuitoefening van de zijde van [C] (of diens rechtsvoorgangers) voor [A] (of diens rechtsvoorgangers) kenbaar moeten zijn geweest dat zijn deel van het tussen de woningen gelegen erf ten nadele van hem in bezit is genomen door de ander en dat die machtsoefening zodanig is dat [A] of zijn rechtsvoorgangers naar verkeersopvatting het bezit van die grond heeft (of hebben) verloren. Niet is gesteld of gebleken door welke machtsuitoefening [C] of diens rechtsvoorgangers de betreffende grond ten nadele van [A] in bezit heeft (of hebben) genomen. Het enkele gebruik van de grond kan niet als zodanig gelden. De rechtbank neemt aan dat [A] van zijn kant ook gebruik heeft gemaakt van de grond voor schoonmaak- of onderhoudswerkzaamheden aan zijn huis. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de ruimte tussen de woningen is voorzien van verschillende verharding (een tegelbestrating langs de woning van [C] en een brede strook grind langs de woning van [A]), zodat ook optisch bezien er sprake is van een erfgrens. Ook merkt de rechtbank op dat tegen de gevel van het pand van [A] een regenpijp is geplaatst en boven de zijgevel van het huis van [A] dakgoten uitsteken, die - naar toch mag worden aangenomen - in elk geval binnen de eigendomsgrens van [A] zijn gebouwd. Vanwege bovengenoemde redenen kan het beroep van [C] op verkrijgende verjaring van de tussen de woningen gelegen grond tot aan de zijgevel van de woning van [A] niet slagen, zodat de daarmee samenhangende vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.4.

Waar voor beide partijen duidelijk was dat de kadastrale grens ergens tussen de beide woningen liep, behoefde [A] er niet beducht voor te zijn dat hij enkel door stil te zitten het risico zou lopen zijn eigendom aan [C] kwijt te raken. De rechtbank wijst in dit verband op het beroep van [A] op de kadastrale kaart, waarop de percelen van partijen zijn ingetekend en waarop de kadastrale grens tussen de woningen van partijen waarneembaar is en op het verweer van [C] dat een kadastrale meting nimmer heeft plaatsgevonden, maar dat hij een dergelijke meting wel noodzakelijk acht om de werkelijke kadastrale grens ter plaatse vast te kunnen stellen.

4.5.

Nu partijen twisten over de juiste locatie van de erfgrens vindt de rechtbank aanleiding om deze erfgrens (opnieuw) te laten inmeten, bij voorkeur door een landmeter van het kadaster, aan de hand van de beschrijving van de percelen in de notariële transportaktes waarbij partijen de eigendom van hun percelen hebben verkregen, dan wel indien daaruit onvoldoende informatie over de situering van de erfgrens valt te halen aan de hand van de beschikbare kadastrale kaarten, waarop de eigendomsgrens van partijen is ingetekend. De kosten van deze inmeting zullen op basis van ongelijk bij eindvonnis worden toegewezen. [A] zal als partij die de procedure is aangevangen de kosten van de inmeting bij wijze van voorschot dienen te voldoen aan de te benoemen deskundige voordat deze met het inmeten zal beginnen. De rechtbank is voornemens daarbij de volgende opdracht aan een landmeter van het kadaster te verstrekken: "Draagt het kadaster op aan de hand van de beschrijving van de percelen in koopovereenkomsten en de notariële transportaktes waarbij partijen de eigendom van hun percelen hebben verkregen, dan wel indien daaruit onvoldoende informatie over de situering van de erfgrens valt te halen aan de hand van de beschikbare kadastrale kaarten, waarop de eigendomsgrens van partijen is ingetekend, om de eigendomsgrens tussen de percelen van partijen (opnieuw) in te meten en daarvan binnen vier weken schriftelijk verslag uit te brengen aan de rechtbank." Alvorens een deskundige te benoemen zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor uitlating van partijen over het voornemen van de rechtbank om tot benoeming van een deskundige over te gaan. Tevens zullen partijen daarbij in de gelegenheid worden gesteld een afschrift van de koopovereenkomsten en de notariële transportaktes waarbij partijen de eigendom van hun percelen hebben verkregen in het geding te brengen voor zover dat nog niet is gebeurd.

4.6.

De stelling van [A] dat het op het erf van [C] aanwezige kippenhok en de volière zich deels op zijn eigendom bevinden, zal worden beoordeeld aan de hand van het resultaat van de inmeting van de erfgrens, zoals hiervoor is aangegeven. Op de met die stelling samenhangende vordering tot verwijdering c.q. het verwijderd houden van al hetgeen zijdens [C] is geplaatst en/of gemonteerd tegen de garage van [A] zal daarom worden beslist nadat de erfgrens (opnieuw) is ingemeten.

4.7.

Met betrekking tot de volgens [A] door [C] tegen de zijgevel van zijn huis respectievelijk tegen de scheidingsmuur geplaatste zaken, heeft de rechtbank geconstateerd dat deze niet (meer) aanwezig waren tijdens de bezichtiging. Verder heeft [C] verklaard dat hij er voor zorg zal dragen dat hij geen zaken, zoals stenen, dakpannen en dergelijke, meer tegen de muur c.q. muren van [A] zal plaatsen in verband met de eventuele vochtdoorslag die tot ten gevolg kan hebben. De rechtbank zal daarom de vordering van [A] tot verwijdering van aan hen toebehorende zaken van zijn perceel afwijzen. De vordering tot het verwijderd houden van zaken van het perceel van [A] zal worden beoordeeld aan de hand van de uitkomst van de kadastrale meting, zoals hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 4.1.

4.8.

De vordering tot betaling van een bedrag ad € 1.272,00 met rente wegens vergoeding van schade als gevolg van de tegen de (zij)gevel van [A] geplaatste zaken zal ook worden beoordeeld nadat de meergenoemde inmeting van de erfgrens heeft plaatsgevonden. Daarbij merkt de rechtbank nu al op dat de eventuele schade die [A] stelt te hebben geleden wordt betwist door [C] Met name betwist [C] dat door de plaatsing van het kippenhok en de volière sprake is van optrekkend vocht en/of schimmelvorming in of aan de buiten- en binnenzijde van de garage van [A], nu het binnen het kippenhok en de volière juist erg droog is. Afhankelijk van de te nemen beslissing ter zake het aanwezige kippenhok en de volière is de rechtbank nu reeds van oordeel dat [A] zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd. De in het geding gebrachte offerte van Voegbedrijf [X] v.o.f. vermeldt slechts een offerte voor herstel en reiniging(s)werkzaamheden, maar daaruit kan niet worden afgeleid of en welke schade(omvang) is toe te rekenen aan de door of namens [C] geplaatste zaken tegen de gevel(s) van [A]. [A] draagt daarom bewijs van zijn stelling dat hij schade heeft geleden door de (eventuele) inbreuk op zijn eigendomsrecht door [C] en van de omvang daarvan. Of [A] zal worden toegelaten tot bewijslevering zal worden beslist nadat de erfgrens is vastgesteld.

4.9.

Met betrekking tot de door [C] ingestelde vordering tot verwijdering van een door [A] aangebracht dakraam, stelt de rechtbank vast dat [A] ter gelegenheid van de comparitie ter plaatse onweersproken heeft aangevoerd dat hij dit dakraam ondoorzichtig heeft gemaakt en dat uitzicht op het perceel van [C] niet (meer) mogelijk is. Wel kan het raam nog enigszins worden geopend voor het beluchten van de bovenverdieping. Voor zover het dakraam nog enigszins te openen is, merkt de rechtbank daarbij op dat de plaatsing van dit dakraam zodanig is dat niet kan worden aangenomen dat van daaruit uitzicht op het erf van [C] mogelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en ook dat een behoorlijk belang ontbreekt voor toewijzing van dit deel van de vordering van [C]. Het ter zake gevorderde zal daarom als onvoldoende gegrond worden afgewezen. De beslissing op dit punt zal worden aangehouden tot eindvonnis kan worden gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 december 2014 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage, alsmede voor overlegging stukken als bedoeld in rechtsoverweging 4.5.;

in conventie en in reconventie:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.1

1 type: AvdMcoll: 99