Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:6053

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 2817
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:2456, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

informatiebeschikking inkomsten- en omzetbelasting coffeeshop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0017
V-N Vandaag 2014/2707
mr. J.M. Sitsen annotatie in NTFR 2015/787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB LEE 13/2817

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 2 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst Noord, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder]).

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 12 april 2013 een informatiebeschikking genomen met betrekking tot op te leggen aanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (IB) 2007 tot en met 2010 en omzetbelasting (OB) 2007 tot en met 2011.

Bij uitspraak op bezwaar van 10 september 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [bijstand]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres drijft een coffeeshop onder de naam ‘[coffeeshop]’.

1.2

Verweerder heeft een boekenonderzoek ingesteld betreffende de aanvaardbaarheid van de aangiften IB 2007 tot en met 2010 en de aangiften OB 2007 tot en met 2011.

1.3

Verweerder heeft op 12 april 2013 aan eiseres een informatiebeschikking opgelegd. In de informatiebeschikking is onder meer opgenomen:

Tijdens het boekenonderzoek bij u, betreffende de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 t/m 2010 en omzetbelasting over de jaren 2007 t/m 2011, is vastgesteld dat u niet heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 lid 1, lid 4 en lid 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

(…)

cannabis/softdrugs

(…)

kasadministratie

(…)

Bewaarplicht

(…)

Brutowinstmarges

(…)

Gelet op al het hiervoor genoemde ben ik van oordeel dat de administratie niet voldoet aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen en dermate ernstig gebrekkig is dat deze niet kan dienen als basis voor de winstberekening. Bovendien ben ik van oordeel dat als gevolg van de geconstateerde gebreken niet de vereiste aangiften zijn gedaan.

Gelet op de geconstateerde gebreken in de administratie en de wijze waarop de administratie is ingericht en bijgehouden, bleek deze niet binnen een redelijke termijn te controleren zoals bedoeld in artikel 52 zesde lid van de AWR.

Ik stel u alsnog in de gelegenheid om de ontbrekende informatie alsmede toelichtingen en bescheiden te schriftelijk verstrekken, binnen een termijn van drie welke na de dagtekening van dit schrijven. Het betreft:

- de aankoopnota’s van de gripzakje;

- de voorraadadministratie van de stash(es);

- de inkoopadministratie;

- verklaringen voor het genoemde onder ‘kasadministratie’;

- verklaringen voor de wisselende brutowinstmarges.

(…).”.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is genomen. Ter zitting is vast komen te staan dat verweerder zijn standpunt omtrent de schending van de inlichtingenverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voor wat betreft de informatiebeschikking heeft laten varen, zodat thans het geschil zich toespitst op de vraag of eiseres heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 van de AWR. Voorts is in geschil of de informatiebeschikking zowel de op te leggen belastingaanslagen IB alsmede de op te leggen naheffingsaanslagen OB omvat.

3. Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52, van de AWR, de inspecteur dit vast kan stellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid, van de AWR.

4. Artikel 52, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen hieruit duidelijk blijken. Op grond van artikel 52, zesde lid, van de AWR dient de administratie zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

5. De rechtbank stelt voorop dat de rechtmatigheid van de vaststelling van de informatiebeschikking ter toetsing voorligt. In dat kader is het van belang vast te stellen of eiseres niet of niet volledig heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR.

6. Eiseres stelt dat verweerder de informatiebeschikking ten onrechte heeft genomen, omdat zij van mening is dat haar administratie voldoet aan de eisen die artikel 52 van de AWR daaraan stelt. De inkoop- en de voorraadadministratie is te herleiden uit de aanwezige barlijsten en omzetlijsten (kasadministratie). De inkoop en voorraad is derhalve zichtbaar en controleerbaar in grammen en in geld, aldus eiseres.

7. Verweerder stelt dat de administratie niet voldoet aan de vereisten uit artikel 52 van de AWR. De inkoopadministratie en de voorraadadministratie ontbreken. Dat die administratie te reconstrueren is, maakt niet dat er een administratie is gevoerd als bedoeld in artikel 52 van de AWR.

8. De rechtbank overweegt dat bij beantwoording van de vraag of eiseres heeft voldaan aan de administratieplicht rekening moet worden gehouden met de aard en omvang van de onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een exploitante van een coffeeshop, gelet op de aard van de branche, niet worden verwacht dat zij ter zake van de inkopen van softdrugs over inkoopfacturen beschikt. Dit neemt evenwel niet weg dat op de voet van het bepaalde in artikel 52 van de AWR mag worden verwacht dat zij op een systematische wijze de inkoop van softdrugs in haar administratie vastlegt. Dit houdt onder meer in dat zij door middel van dagstaten in hoeveelheden, soort softdrugs en geld bijhoudt op welke data inkopen zijn verricht en dat zij een hierop aansluitende voorraadadministratie voert. Zonder een inkoop- en voorraadadministratie te voeren en te bewaren kan immers niet worden voldaan aan de in artikel 52, eerste lid, van de AWR gestelde eis, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 31 mei 2013, nr. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184. Hieraan doet niet af dat het in de branche niet gebruikelijk zou zijn een inkoop- en voorraadadministratie te voeren en dat het voeren daarvan tot problemen in de strafrechtelijke sfeer kan leiden.

9. De rechtbank overweegt dat eiseres niet beschikt over een inkoop- en voorraadadministratie. Ter zitting is verklaard dat een inkoop- en voorraadadministratie, de goederenbeweging, wel is te reconstrueren. Eiseres heeft ook een reconstructie laten maken op basis van de aanwezige administratie, omzet- en barlijsten, en haar interpretatie van die gegevens. Het opstellen van deze reconstructie heeft drie tot vijf dagen in beslaggenomen. Ter zitting is echter gebleken dat een reconstructie niet mogelijk is zonder de hulp van eiseres, daar de inkoop van een product onder een andere naam plaatsvindt dan waaronder het wordt verkocht en snijlijsten ontbreken. De route van ruwproduct naar eindproduct geschikt voor de verkoop, van de inkoop per gram, per soort en in geld naar de verkoop per gram, per soort en in geld kan dus niet in kaart gebracht worden zonder de interpretatie van de vastleggingen door eiseres zelf. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat een sluitende verbandscontrole op de geld- en goederenbeweging niet mogelijk is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, met inachtneming van de aard en omvang van de onderneming van eiseres, de administratie niet voldoet aan de eisen die artikel 52 van de AWR stelt. De beroepsgrond van eiseres faalt.

10. Eiseres heeft aangevoerd dat de informatiebeschikking voor zover die ziet op de omzetbelasting dient te vervallen. De aanhef van de informatiebeschikking richt zich slechts op de administratie van de softdrugs, terwijl de levering van softdrugs buiten het bereik van de werkingssfeer van de omzetbelasting valt. De omzetbelasting betreft daarom slechts het (rest)horecagedeelte. De door verweerder gestelde gebreken aan de administratie betreffende de softdrugs waarop verweerder de informatiebeschikking heeft gebaseerd, raken dus de omzetbelasting niet.

11. Verweerder heeft aangevoerd dat de informatiebeschikking terecht ook de omzetbelasting omvat. In eiseres’ geval is de als voorbelasting in aanmerking genomen omzetbelasting volgens de pro rata methode berekend. De omvang van de omzet softdrugs en van de omzet horeca zijn in hun onderlinge verhouding bepalend voor de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting.

12. De rechtbank overweegt dat gelet op het arrest van het HvJ EG van 5 juli 1988, nr. 289/86 (Happy Family), ECLI:NL:XX:1988:AD3304, de verkoop van softdrugs - naar ook tussen partijen niet in geschil is - niet als economische activiteit voor de omzetbelasting kan worden aangemerkt. Dit heeft evenwel, naar het oordeel van de rechtbank, tot gevolg dat recht op aftrek van voorbelasting slechts bestaat voor zover goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. De onderlinge verhouding van de respectievelijke omzetten is derhalve bepalend voor de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting.

13. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat verweerder met het vaststellen van de beschikking heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat de relevantie van de ontbrekende informatie niet de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt, omdat de met omzetbelasting belaste omzet slechts 15% van de totale omzet betreft, overweegt de rechtbank dat het aandeel van de omzet softdrugs, volgens eiseres 85%, in de totale omzet, gelet op het voorgaande grote invloed heeft op de aftrek van voorbelasting. De beroepsgrond van eiseres faalt derhalve. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat eiseres zich bij een mogelijk geschil over de hoogte van, eventueel onder toepassing van deze informatiebeschikking, op te leggen belastingaanslagen kan beroepen op het evenredigheidsbeginsel.

14. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Indien de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, stelt de rechtbank op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR in beginsel een nieuwe termijn om te voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichtingen. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een situatie waarin nog gevolg kan worden gegeven aan de betreffende verplichtingen. Nu het in de onderhavige informatiebeschikking gaat om een schending van de verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie, is van een dergelijke situatie naar de aard der zaak geen sprake. Een ondeugdelijke administratie kan niet achteraf alsnog deugdelijk worden gemaakt. De rechtbank zal daarom geen nieuw termijn stellen.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, en mr. J.W. Keuning en mr. T. Tanghe, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.