Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5991

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
3114504 - CV EXPL 14-4741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000; art. 33; verdeling tussen opvolgende advocaten

In een strafzaak heeft de eerste advocaat werkzaamheden gedaan, waaronder een raadkamerbehandeling gevangenhouding. Daarna is de zaak overgedragen aan de opvolgende advocaat. Art. 33 van het Besluit bepaalt: “De rechtsbijstandverleners verdelen het bedrag in onderling overleg naar verhouding van de verrichte werkzaamheden.” De advocaten komen er samen niet uit. De eerste advocaat maakt aanspraak op 2 punten opvolgingsvergoeding en 3 punten voor de raadkamerbehandeling. De opvolgende advocaat vindt dat te veel en stelt verdeling op basis van bestede tijd voor. De kwestie speelt sinds februari 2012 en het belang is € 403,00. De Deken hebben zij niet ingeschakeld voor bemiddeling. De kantonrechter wijdt enige woorden aan het financiële belang van de zaak. De kantonrechter oordeelt dat de verdeling op de voet van art. 3:178 BW wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter overweegt verder dat het verdelen tussen elkaar opvolgende advocaten neerkomt op het verdelen van de schaarste waarbij, met name ook omdat het om ieders broodwinning gaat, de aan de zaak bestede tijd een belangrijke rol gaat spelen. Verder is voor de kantonrechter van betekenis wat in de beroepsgroep in het algemeen als redelijk wordt beschouwd. Daarbij wordt verwezen naar De Leidraad verdeling vergoeding bij opvolging in toevoegingszaken van de Raden van Toezicht van de Orde van Advocaten. Alles afwegende acht de kantonrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - een verdeling op basis van bestede uren in overstemming met de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 3114504 \ CV EXPL 14-4741

vonnis van de kantonrechter van 2 december 2014

in de zaak van

[eisers],

hierna te noemen: [eisers],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij,

gemachtigde: [gemachtigde eisers],

tegen

[gedaagde],

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde partij,

procederende in persoon.

De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 mei 2014 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties van 1 juli 2014;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens van antwoord in reconventie van 26 augustus 2014;

- de conclusie van dupliek, tevens conclusie van repliek in reconventie van 23 september 2014;

- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens uitlating producties van 21 oktober 2014.

1.2

Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen, waarvan de datum nader is vastgesteld op vandaag.

De vaststaande feiten

2.1

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2

Beide partijen voeren elk voor zich een advocatenkantoor. Bij [eisers] is in dienst de [raadsman van eisers] (hierna: [raadsman van eisers]), die zich toelegt op een praktijk van gefinancierde rechtsbijstand, onder andere op het gebied van het strafrecht.

2.3

[raadsman van eisers] heeft op 6 oktober 2011 een zekere [naam] bijgestaan in verband met een vordering gevangenhouding bij de meervoudige raadkamer van de toenmalige rechtbank Assen. Daarvoor was ambtshalve, op last van de rechtbank een toevoeging afgegeven door de Raad voor de Rechtsbijstand onder nummer [nummer]. Als zaakscode en zaaksaanduiding is aangegeven S040 misdrijven, eerste aanleg enkelvoudig. Het aantal punten is zes en de soort rechtsbijstand procedure of advies.

2.4

Voor het verlenen van rechtsbijstand op een raadkamerzitting, zoals een vordering gevangenhouding, worden op grond van artikel 16 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna ook wel: het Besluit) drie (extra) punten toegekend met een (ultimo 2011) gezamenlijke waarde van € 403,20 inclusief BTW.

2.5

Op 7 november 2011 heeft [gedaagde] zich tot [raadsman van eisers] gewend met de mededeling dat [naam]. hem had verzocht hem bij te staan bij de verdere behandeling van de strafzaak. Op 14 november 2011 heeft [raadsman van eisers] de dossierstukken en de originele toevoeging aan [gedaagde] toegestuurd. Daarbij is aangegeven dat te zijner tijd een declaratie ter zake van de opvolgingsvergoeding en de raadkamerzitting zou worden toegestuurd.

2.6

Artikel 16 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 bepaalt het volgende met betrekking tot de toevoegingsvergoeding, voor zover hier van belang:

"1. Indien in een strafzaak in eerste aanleg of in hoger beroep over de gevangenhouding of gevangenneming van de rechtzoekende is geoordeeld, wordt, in afwijking van artikel 18 het aantal toe te kennen punten met drie verhoogd."

Artikel 20 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 bepaalt het volgende met betrekking tot de toevoegingsvergoeding:

"Indien in een strafzaak rechtsbijstand is verleend door achtereenvolgens twee of meer rechtsbijstandverleners die niet werkzaam zijn in hetzelfde samenwerkingsverband, wordt het aantal toe te kennen punten één maal met twee verhoogd."

Artikel 33 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 bepaalt het volgende met betrekking tot de toevoegingsvergoeding:

"Indien in een zaak achtereenvolgens door twee of meer rechtsbijstandverleners, niet werkzaam in hetzelfde samenwerkingsverband, rechtsbijstand is verleend, wordt de vergoeding betaald aan de rechtsbijstandverlener die het laatst is toegevoegd. De rechtsbijstandverleners verdelen het bedrag in onderling overleg naar verhouding van de verrichte werkzaamheden.

2.7

Medio februari 2012 heeft [gedaagde] aan [raadsman van eisers] medegedeeld dat de strafzaak van [naam] inmiddels met een gerechtelijke uitspraak was afgesloten. Hij heeft

[raadsman van eisers] verzocht hem een factuur toe te sturen in het kader van de verdeling van de toevoegingsvergoeding. [raadsman van eisers] heeft op 13 februari 2012 aan [gedaagde] een factuur (factuurnummer 8731) toegezonden. Het gefactureerde bedrag was gebaseerd op vijf punten:

- twee punten voor “overname dossier” (de zogenoemde “opvolgingsvergoeding”);

- drie punten voor de toeslag raadkamerzitting omtrent gevangenhouding, mitsdien een bedrag van € 671,99 inclusief BTW.

2.8

Bij faxbrief van 16 februari 2012 regeert [gedaagde] als volgt, voor zover hier van belang:

"(…)

Ten vervolge op het telefoongesprek deze week inzake verrekening zou ik een voorstel ontvangen. Ik ontving een factuur voor drie punten Raadkamer en twee punten overname dossier.

Gelet op de materie acht ik uw voorstel te hoog. De toeslag raadkamer is bedoeld ter compensatie van extra tijdsbelasting voor bezoeken van cliënt in de P.I. Mede om die reden acht ik het redelijk dat u toekomt de toeslag overname 2 pt = % 225,88 ex BTW. (…)".

Deze faxbrief is door [raadsman van eisers] geretourneerd met daarop de handgeschreven opmerking "geen voorstel maar standaard! [afkorting (initialen)]".

2.9

Nader telefonisch overleg en correspondentie tussen partijen heeft geen oplossing gebracht. Op 11 april 2012 heeft [gedaagde] het bedrag van € 268,79 aan

[raadsman van eisers] c.q. [eisers] overgemaakt. Ondanks aanmaningen en sommaties nadien heeft [gedaagde] het gevorderde restant van de factuur ten bedrag € 403,20 inclusief BTW niet overgemaakt.

2.10

Geen van partijen heeft de Deken om bemiddeling gevraagd.

2.11

De Leidraad verdeling vergoeding bij opvolging in toevoegingszaken van de Raden van Toezicht van de Orde van Advocaten bepaalt, voor zover hier van belang:

"(…)

3. Indien en voor zover de opvolgende en opgevolgde raadsman/raadsvrouw geen overeenstemming bereiken over de vergoeding genoemd in punt 2 van deze richtlijn, kan de deken schriftelijk om bemiddeling worden verzocht.

Daarbij zal voor de deken het uitgangspunt gelden, behoudens bijzondere omstandigheden, dat tussen de opgevolgde en opvolgende raadsman wordt afgerekend op basis van het pro rata-beginsel naar aanleiding van de aan de zaak bestede tijd. Daarbij wordt eerst het forfait op deze wijze verdeeld en daarna komt eerst de verdeling bij bewerkelijke zaken – eveneens volgens het pro rata-beginsel – aan de orde. Verdeling volgens het pro rata-beginsel houdt in dat het bedrag van de vaststellingsvergoeding (inclusief opvolgingsvergoedingen, exclusief eventuele reistijd en kilometervergoeding) wordt gedeeld door het totaal aantal uren van zowel de opgevolgde als de opvolgend raadsman.

4. Voor bepaling van het aantal aan de zaak bestede uren zal de deken - in geval dat in geschil is - zich bij bewerkelijke zaken laten leiden door het aantal uren dat door de Raad voor Rechtsbijstand is goedgekeurd. In geval van niet bewerkelijke zaken geldt dat alleen die uren in aanmerking komen voor vergoeding die als redelijk worden beschouwd.".

De vordering en het verweer, samengevat en zakelijk weergegeven

3.1

[eisers] vordert de veroordeling van [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:

I. te verklaren voor recht (althans te bepalen) dat de door [gedaagde] aan [raadsman van eisers], en na cessie aan [eisers], te betalen vergoeding uit hoofde van artikel 33 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 terzake de verdeling van de vergoeding voor toevoeging [nummer] dient te worden gesteld op vijf punten (aan de hand van het basisbedrag als geldend ultimo 2011, te vermeerderen met BTW), bestaande uit:

- twee punten voor de “opvolgingsvergoeding” in de strafzaak als zodanig (welke al zijn voldaan);

- drie punten voor de toeslag raadkamerzitting omtrent gevangenhouding;

alsmede te bepalen dat de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde];

en voorts te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens [eisers] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van diens verbintenis tot voldoening van voormelde vergoeding;

II. [gedaagde] te veroordelen aan [eisers], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen het bedrag ad € 403,20 vermeerderd met de wettelijke rente over genoemd bedrag vanaf 18 november 2013, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde] te veroordelen aan [eisers], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen, de buitengerechtelijke incassokosten ad € 75,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

IV. alsmede/althans gelet op het door [eisers] gestelde zodanige beslissingen te geven als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in het nasalaris ad

€ 131,00 zonder en € 199,00 ingeval van betekening, alles te vermeerderen met de wettelijke rente (over zowel over de proceskosten als het nasalaris) inzoverre betaling binnen veertien dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis uitblijft.

3.2

[eisers] baseert haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het navolgende. [eisers] heeft - voor zoveel nodig - door middel van cessie de vordering van [raadsman van eisers] overgedragen gekregen. Uit hoofde van artikel 33 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 rust op [gedaagde] de verbintenis om het aan [eisers] toekomende gedeelte van de door [gedaagde] ontvangen toevoegingsvergoeding af te dragen. Dit doet recht aan de door beide advocaten verrichte werkzaamheden: de werkzaamheden van [raadsman van eisers] aan de strafzaak waren zodanig dat deze de (reeds betaalde) opvolgingsvergoeding (ad twee punten) rechtvaardigden en aangezien [raadsman van eisers] de raadkamerzitting/de te verlenen rechtsbijstand in het kader van de vordering gevangenhouding (ad drie punten) volledig zelf heeft verleend komt hem de daarvoor staande toeslag volledig toe. Voor zover er acht op geslagen dient te worden dat de beide advocaten het bedrag van de toevoegingsvergoeding in onderling overleg dienen te verdelen, dan vordert [eisers] thans voor zover vereist verdeling. Voor zover uit de tekst van artikel 33 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 zou moeten volgen dat om de verdeling te bewerkstelligen een wilsverklaring van [gedaagde] vereist zou zijn (nu de verdeling “in onderling overleg” zou dienen te geschieden) voert [eisers] aan dat [gedaagde] aldus gehouden is een rechtshandeling te verrichten (strekkende tot het medewerken aan de verdeling van de toevoegingsvergoeding), en dat deze redelijkerwijs niet anders kan luiden dan dat aan (thans) [eisers] een vergoeding ter zake van vijf punten toekomt (twee voor de “opvolgingsvergoeding” en drie voor de toeslag raadkamerzitting omtrent gevangenhouding). Nu de verdeling niet op vrijwillige basis “in onderling overleg” bewerkstelligd kan worden, zal het aan de rechter zijn om in deze verdeling te voorzien. Voor alsdan vordert [eisers] dat bepaald wordt dat de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde]. Op grond van de wet is [gedaagde] tevens de rente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd met als conclusie [eisers] niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans de vordering te ontzeggen. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft [raadsman van eisers] herhaaldelijk om een urenspecificatie gevraagd maar deze niet gekregen. Op basis van het aantal uren kan een verrekening plaats vinden. [gedaagde] heeft dat meerdere keren aangeboden en dat is telkens verworpen door [eisers]. Ten onrechte en in strijd met de gedragsregels is [eisers] daarop niet ingegaan. Op basis van de bewoordingen van art. 33 van het Besluit vergoeding rechtsbijstand, de regels van de Nederlandse Orde van Advocaten en de gangbare praktijk behoort te worden verrekend pro rata, dat wil zeggen op basis van de aan de zaak bestede tijd. Dit valt ook te lezen in de Leidraad verdeling vergoeding bij opvolging in toevoegingszaken van de Raden van Toezicht van de Orde van Advocaten. Daarbij komt dat [raadsman van eisers] de cliënt niet heeft bezocht tijdens diens detentie en een raadkamerzitting in het algemeen niet veel tijd in beslag neemt. Een verrekening als door [eisers] beoogd, leidt dan tot een evident scheve en onredelijke verhouding. Deze door [eisers] gestarte procedure is geheel overbodig en het is dan niet redelijk een vergoeding wegens proceskosten toe te kennen. [gedaagde] meent dat toekenning aan hem van salaris gemachtigde toepasselijk is nu hij als zodanig als zijn eigen raadsman optreedt.

Voorafgaand

4. De gedachte aan een uitdrukking in het Romeinse recht "de minimis non curat praetor" dringt zich hier onweerstaanbaar op. Twee advocaten(-kantoren) die vele uren besteden

- onder meer door conclusies in te dienen van elk meer dan tien pagina's - aan een belang dat naar het gebruikelijke uurtarief amper twee uren bedraagt. Normaal gesproken zou men al gauw besluiten het verschil te delen en voor de toekomst goede afspraken te maken. Wat verder opvalt, is dat geen van partijen de moeite heeft genomen de Deken in te schakelen voor bemiddeling terwijl voor partijen duidelijk was en is dat de Deken zich hiertoe beschikbaar houdt. Volgens de eigen gedragsregels behoren advocaten zich voor ogen te houden dat een regeling in der minne vaak de voorkeur verdient boven een proces.

A fortiori heeft dat te gelden voor hun onderlinge geschillen; goed voorbeeld doet volgen immers. Dit voorbeeld moet in ieder geval niet gevolgd worden. Aan de ontvankelijkheid van de vordering doet dit alles niet af. De kantonrechter overweegt het navolgende.

De beoordeling

5. [gedaagde] heeft bij antwoord geconcludeerd tot ontzegging van de vorderingen van [eisers] en ook gevorderd te verklaren voor recht dat [eisers] niet-ontvankelijk is in elk van haar vorderingen, dan wel deze ongegrond te verklaren.

[eisers] heeft dit opgevat als een eis in reconventie en voor antwoord in reconventie geconcludeerd. Bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij niet bedoeld heeft een reconventionele vordering in te dienen. Hij heeft dit toegelicht door te vermelden dat hij zelden civiele zaken doet en hij zich vrijwel uitsluitend richt op strafzaken. De kantonrechter wijst erop, dat onkunde van [gedaagde] in het procederen in civiele zaken uiteraard voor diens eigen risico komt. In dit geval is dit echter niet 'fataal' nu blijkens de aantekeningen in het interne systeem IRIS de rolrechter geen reconventionele eis heeft gelezen in de vordering van

[gedaagde]. En ook de ondergetekende kantonrechter ziet dat niet. In een eventuele afwijzing van de vorderingen van [eisers] ligt de verklaring voor recht in dit geval besloten, zodat [gedaagde] - zoals [eisers] ook al heeft opgemerkt - geen belang heeft bij deze vordering. Tot formalistische scherpslijperijen hoeft dit alles niet te leiden. De reconventie heeft in dit geval geen zelfstandige betekenis. De stellingen van partijen in reconventie laat de kantonrechter dan ook verder onbesproken. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling in de reconventie.

6. Op grond van art. 33 van het Besluit wordt de toevoeging uitbetaald aan de laatst toegevoegde advocaat die de toevoegingsvergoeding met de voorganger moet verdelen. De kantonrechter beschouwt de toevoegingsvergoeding, gelet op deze bewoordingen alsook op de strekking, als een goed dat tot een eenvoudige gemeenschap behoort als bedoeld in

art. 3:166 BW en waarin [eisers] en [gedaagde] (wettelijke) deelgenoten zijn.

Art. 33 van het Besluit bepaalt dat ieders aandeel dient te worden vastgesteld in verhouding tot de verrichte werkzaamheden. Op grond van lid 3 van artikel 3:166 BW wordt de rechtsbetrekking tussen partijen beheerst door de regels van redelijkheid en de billijkheid. De inhoud daarvan wordt gevormd door algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuiging en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.

7.1

Het Besluit en de toelichting daarop geven geen uitsluitsel over de wijze waarop deze "verhouding tot de verrichte werkzaamheden" dient te worden vastgesteld. Partijen kunnen in onderling overleg en naar hun eigen inzichten een verdeling treffen. Partijen komen hier echter niet tot overeenstemming. [eisers] pleit voor een verdeling op basis van het puntenstelsel en [gedaagde] pleit voor een verdeling op basis van het aantal bestede uren. Voor beide valt het nodige te zeggen. De kantonrechter overweegt het navolgende.

7.2

De bewoordingen van art. 33 van het Besluit bieden geen aanknopingspunt voor verdeling op basis van punten. De werkzaamheden zijn niet geoormerkt; anders zou er hebben gestaan "naar de aard van de verrichte werkzaamheden". Er wordt een lumpsum uitbetaald en de advocaten moeten dat bedrag in onderling overleg verdelen. Verdeling op basis van punten heeft het voordeel van 'hard en fast rules' maar is niet per definitie redelijk. De woorden "in verhouding tot" wijzen naar het oordeel van de kantonrechter eerder op een verdeling op basis van de door elk van de advocaten bestede tijd omdat de verhouding tussen beide maatgevend is. Daarbij komt dat de toevoegingsvergoeding blijkens de toelichting bij het Besluit is gebaseerd op een forfaitair systeem waarin de nodige aannames zijn verwerkt. Hierbij heeft ook de beheersbaarheid van kosten van de gefinancierde rechtsbijstand een rol gespeeld. Bij het aantal punten wordt dus geabstraheerd van het concrete geval. Pas bij zeer bewerkelijke strafzaken wordt (meer) rekening gehouden met het aantal bestede uren. Daarbuiten moet worden uitgegaan van vaste bedragen waarbij het aantal bestede uren in het concrete geval geen rol speelt. Wanneer de rechtsbijstand is verleend door één advocaat betreft het aantal bestede uren enkel hem- of haarzelf. Bij elkaar opvolgende advocaten komt het echter veelal neer op het verdelen van de schaarste waarbij, met name ook omdat het om ieders broodwinning gaat, de aan de zaak bestede tijd een belangrijke rol gaat spelen. Waar de ene advocaat weinig heeft hoeven doen, of gewoon weinig heeft gedaan in een fase van verleende rechtsbijstand, kan die bij een verdeling op basis van punten nog met een redelijk uurtarief wegkomen, terwijl dit voor de ander zeer onbillijk kan uitpakken. Aangezien in het kader van de redelijkheid en billijkheid ook acht moet worden geslagen op persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken, pleit dit voor een verdeling waar ook wordt meegewogen de aan de zaak door ieder van de advocaten bestede tijd.

7.3

Voor de kantonrechter is ook van betekenis wat in de beroepsgroep in het algemeen als redelijk wordt beschouwd. [gedaagde] heeft in dit verband verwezen naar de in punt 2.11 aangehaalde Leidraad van de Orde. Anders dan [eisers] lijkt te verdedigen, is dit niet enkel een Leidraad van de noordelijke Orde maar een landelijke Leidraad die ook op de website van de noordelijke Orde is geplaatst. Uit deze Leidraad volgt dat in dit soort kwesties in beginsel wordt "afgerekend op basis van het pro rata-beginsel naar aanleiding van de aan de zaak bestede tijd". [eisers] betoogt dat deze regeling van 2013 is en dat de kwestie tussen partijen van vóór 2013 is, maar daaraan gaat de kantonrechter voorbij. [eisers] heeft niet gesteld (laat staan onderbouwd) dat de Orde voordien een ander uitgangspunt hanteerde. Verder verwijst de kantonrechter naar de uitspraak van het Hof van Discipline, 21 februari 2005, nr. 4121, Advocatenblad 4 van 10 maart 2006 (dekenbezwaar) waar de Deken een verdeling op basis van het aantal bestede uren redelijker vond. De Deken heeft blijkens die uitspraak een enquête gehouden binnen de Vereniging van Strafrechtadvocaten. Hoewel de kantonrechter moet toegeven dat niet duidelijk is hoe representatief de enquête is geweest, blijkt daaruit dat twee derde van de reagerende leden een onderlinge afrekening in de door de deken aangegeven zin redelijker acht.

7.4

Beide partijen spreken nog over 'usances' in de praktijk. Deze usances zijn evenwel niet komen vast te staan; in de praktijk wordt er kennelijk verschillend mee omgegaan. Daarbij komt dat een usance in een concreet geval niet redelijk kan zijn terwijl een verdeling op basis van art. 3:178 BW wordt beheerst door de regels van redelijkheid en billijkheid. Tot slot gaat het in dit geval om vergoeding van drie punten voor de raadkamerbehandeling. Dat het in de praktijk usance is dat deze altijd aan de behandelend advocaat toekomen, is niet gesteld of gebleken. Aan bewijs komt de kantonrechter dan niet toe.

7.5

Op basis van het voorgaande acht de kantonrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - een verdeling op basis van bestede uren in overstemming met de redelijkheid en billijkheid. Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen wanneer bepaalde werkzaamheden of het aantal bestede uren niet meer als redelijk kunnen worden beschouwd.

8. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij een aanbod heeft gedaan dat door [eisers] is verworpen; daarmee is de kous dan af. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Wanneer partijen onderling niet tot een verdeling kunnen komen, staat het ieder van de deelgenoten vrij op de voet van art 3:178 lid 1 BW de beslissing van de rechter in te roepen.

9. Op grond van het bovenstaande dienen beide partijen een specificatie van de aard van hun werkzaamheden en het aantal bestede uren bij akte in het geding te brengen. Waar nodig dienen zij toe te lichten waarom bepaalde uren in redelijkheid zijn gemaakt. Tevens dienen partijen elk een berekening te overleggen van wat hen op basis van die uren toekomt op basis van de betaalde toevoegingsvergoeding. De kantonrechter verwijst de zaak hiervoor naar de hierna te noemen rolzitting. Aannemende dat partijen hun administratie op orde hebben, acht de kantonrechter een termijn van twee weken hiervoor voldoende. Vervolgens krijgen partijen een termijn tot 13 januari 2015 om op elkaars akte te reageren.

10. De kantonrechter houdt alle verdere beslissingen aan.

De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 16 december 2014 te 11.00 uur voor akte uitlating van beide partijen ter zake van wat is overwogen in punt 9;

bepaalt dat beide partijen vervolgens een termijn krijgen tot dinsdag 13 januari 2015 te 11.00 uur voor antwoordakte;

bepaalt dat de zaak vervolgens naar de kantonrechter gaat voor vonnis;

houdt alle verdere beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.

typ/conc: 220 / GJJS

coll: