Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5908

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
650201-11o
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toewijzing ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van exploitatie hennepkwekerij

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2014-12-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/650201-11 (vordering ontneming)

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2014 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 21 augustus 2013 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 26.141,94 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in de zaak met bovengenoemd parketnummer voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 november 2014. De veroordeelde, diens raadsman, mr. A. Allersma, en de officier van justitie zijn op de vordering gehoord.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aan haar vordering het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 14 april 2010 ten grondslag gelegd met dien verstande dat de officier van justitie uitgaat van de normen van Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (verder: BOOM) van 1 november 2010 en niet zoals genoemd in voornoemd rapport de normen van BOOM april 2005.

Gelet op bovenstaande heeft de officier van justitie een herberekening gemaakt en ter terechtzitting van 13 november 2014 de vordering teruggebracht tot een bedrag van

€ 18.480,20.

Standpunt van de verdediging

Namens veroordeelde is aangevoerd dat, gelet op de bepleite vrijspraak in de strafzaak, de vordering afgewezen dient te worden.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 november 2014 in de zaak met bovengenoemd parketnummer veroordeeld ter zake van het in de periode van 1 november 2009 tot en met 16 januari 2010, opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal.

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen in voormeld vonnis, af dat veroordeelde de hennepkwekerij, die op 16 januari 2010 in een winkelpand gelegen aan de [straatnaam] te [plaats] is aangetroffen, gedurende de periode van 1 november 2009 tot en met 16 januari 2010 in werking heeft gehad en dat hij één oogst heeft gehad.1

De rechtbank is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede uitgegaan van de verklaringen van de [mededaders]2[mededaders] 3, ten overstaan van de politie.

Voorts neemt de rechtbank voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat als uitgangspunt de berekening zoals weergegeven in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 14 april 2010.

Daarbij is de rekenmethode en de norm gehanteerd als bedoeld in het rapport "wederechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht" van BOOM van 1 november 2010.

Aldus komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

(1 oogst) 300 planten x 28,2 gram= 4860,00 x € 2,37 per gram = € 20.050,20,

minus de afschrijving op investeringskosten à € 570,00 = € 19.480,20.

De rechtbank acht aannemelijk geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten ten bedrage van € 19.480, 20.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 19.480,20;

- legt [verdachte] de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 19.480,20 (zegge: negentienduizend en vierhonderd en tachtig euro en twintig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, A. Fokkema en P.H.M. Smeets rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2014

1 stafdossiernr. 2010004858-1 d.d. 17 januari 2010 pagina 48 e.v.

2 voormeld strafdossier pagina 141 e.v.

3 voormeld strafdossier pagina 200 e.v.