Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5879

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
880039-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7957
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft eind 2004/begin 2005 een hypotheekverstrekker (onder meer) een valse werkgeversverklaring en een valse salarisspecificatie doen toekomen en deze daardoor in strijd met de waarheid doen geloven dat hij een vast dienstverband had en € 7.200,00 bruto per maand verdiende. Mede op basis van deze gegevens heeft de hypotheekverstrekker verdachte een hypotheek van € 445.000,00 verstrekt. Daarnaast heeft verdachte in 2004 een valse werknemersverklaring opgemaakt met betrekking tot zijn zoon. De rechtbank heeft verdachte ter zake van valsheid in geschrifte en oplichting veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Verdachte is vrijgesproken van twee andere vermogensdelicten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225, 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880039-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 28 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21, 22 en 23 oktober 2014 en 14 november 2014.

De verdachte is op 21, 22 en 23 oktober 2014 telkens verschenen, bijgestaan door mr. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden, behalve tijdens het voordragen van het requisitoir ter terechtzitting van 23 oktober 2014 waarbij verdachte zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.R. van der Pol. Op 14 november 2014 zijn verdachte en zijn raadsman niet verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 21, 22 en 23 oktober 2014 vertegenwoordigd door mr. T.S.G.C. Scholte. Ter terechtzitting van 14 november 2014 werd het openbaar ministerie vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zaaksdossier A3)

hij in of omstreeks mei 2004, althans in 2004, te Sneek, in elk geval in Nederland, een werkgeversverklaring namens [bedrijf 1] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 12 mei 2004, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op die werkgeversverklaring namens de werkgever [bedrijf 1] verklaard dat [medeverdachte 1] in vaste dienst was sinds 1 september 2003 en/of een inkomen genoot van totaal 70.892 euro en/of dat de gegevens vermeld op die werkgeversverklaring naar waarheid waren ingevuld,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (document p. 2621);

2. ( zaaksdossier A4)

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2004 t/m 13 april 2007 te Sneek en/of Amersfoort en/of (elders) in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) de [bank 1], althans een hypotheekverstrekker, heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten

een hypothecaire lening met betrekking tot het pand [adres 2] en/of de afgifte van 445.000 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan (die werknemer(s) van) die [bank 1], althans die hypotheekverstrekker, al dan niet via een tussenpersoon, doen/laten toekomen

- een aanvraag voor een hypothecaire lening, en/of (vervolgens)

- een (valse) werkgeversverklaring, gedateerd 4 januari 2005, vanwege de werkgever [bedrijf 2] waaruit een vast dienstverband zou moeten blijken tussen verdachte en die werkgever (document p. 2869), en/of

- een (valse) salarisspecificatie vanwege [bedrijf 2] met betrekking tot verdachte, gedateerd 30 november 2004, waaruit zou moeten blijken dat verdachte recht zou hebben op een (bruto) loon over november van 7200 euro (document p. 2871), waardoor (die werknemer(s) van) die [bank 1], althans die hypotheekverstrekker, werd bewogen tot het aangaan van genoemde schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2004 t/m 13 april 2005 te Sneek en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer geschrift(en), te weten

een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] met betrekking tot verdachte, gedateerd 4 januari 2005 (document p. 2869), en/of een salarisspecificatie van loon over november 2004 van [bedrijf 2] met betrekking tot verdachte (document p. 2871), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte die werkgeversverklaring geheel valselijk opgemaakt en/of op die werkgeversverklaring valselijk vermeld dat verdacht een (vast) dienstverband had en/of die verklaring van een of meer valse ondertekeningen

voorzien en/of geheel valselijk die salarisspecificatie over november 2004 opgemaakt, althans dat/die geschrift(en) onjuist en/of in strijd met de waarheid/werkelijkheid opgemaakt;

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2004 t/m 13 april 2007 te Sneek en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] met betrekking tot verdachte, gedateerd 4 januari 2005 (document p. 2869), en/of een salarisspecificatie over november 2004 van [bedrijf 2] met betrekking tot verdachte (document p. 2871) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat/die geschrift(en), in verband met een aanvraag van een hypothecaire lening, heeft doen/laten

toekomen aan [bank 1], althans een hypotheekverstrekker,

en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat het in die werkgeversverklaring beschreven dienstverband en/of die loonbetaling(en) niet bestond(en) en/of dat (aldus) genoemd(e) geschriften geheel vals/vervalst, althans onjuist was/waren en/of in strijd met de waarheid/werkelijkheid was/waren;

3. ( zaakdossier A5-1)

hij op of omstreeks 17 februari 2005, althans in of omstreeks de periode van 17 februari 2005 tot 1 juni 2005, te Sneek en/of Leeuwarden en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, een geschrift, te weten een huurovereenkomst tussen [bedrijf 3] B.V. en[medeverdachte 2] met betrekking tot het pand [adres 3], appartement 3, gedateerd 17 februari 2005 (document ING/REF12-p.3385), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, die huurovereenkomst geheel vals, althans onjuist en/of in strijd met de waarheid/werkelijkheid, opgemaakt en/of van een of meer valse ondertekening(en) voorzien, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 17 februari 2005 tot 1 juni 2005, te Sneek en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer medeverdacht(n), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) geschrift, te weten een huurovereenkomst tussen [bedrijf 3] B.V. en[medeverdachte 2] met betrekking tot het pand [adres 3], appartement 3, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, aan de [bank 2], althans en hypotheekverstrekker, heeft doen/laten toekomen, in verband met de aanvraag van een hypothecaire lening, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die huurovereenkomst geheel vals en/of in strijd met de waarheid/werkelijkheid was, en/of dat die huurovereenkomst voorzien was van een of meer valse ondertekening(en);

4. ( zaaksdossier A5-3)

hij in of omstreeks de periode van 4 mei 2005 t/m 17 juni 2006, te Sneek en/of (elders) in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, in totaal 90.410,21 euro, althans een bedrag van 17.835 euro en/of 5000 euro en/of 2000 euro en/of 10.000 euro en/of 2000 euro en/of 70.575,21 euro en/of 1200 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten (telkens) genoemde hoeveelhe(i)d(en) geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat het openbaar ministerie niet de nodige voortvarendheid heeft betracht en sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten dateren uit 2004 en 2005, de aangiften zijn gedaan op 18 oktober 2007 en 4 november 2009 en verdachte is aangehouden op 23 januari 2012 (de rechtbank begrijpt: 26 januari 2012).

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit betoog het volgende.

De redelijke termijn loopt vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of de raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 26 januari 2012. Mede door de samenhang met de zaken van de medeverdachten, is sprake van een bovengemiddeld omvangrijke en ingewikkelde zaak die in beginsel een overschrijding van de termijn van twee jaar zou kunnen rechtvaardigen. Het onderzoek in deze zaak heeft echter door inactiviteit aan de zijde van de rechtbank zonder goede grond stilgelegen van januari 2013 tot november 2013. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn op het moment dat dit eindvonnis wordt gewezen is overschreden met ongeveer tien maanden.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst opnieuw naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Wel zal de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn betrekken bij de strafoplegging.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. primair, 3. primair en 4. ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak van het onder 3. primair en 3. subsidiair ten laste gelegde (zaaksdossier A5-1)

Onder 3. is ten laste gelegd (medeplegen van) het valselijk opmaken of vervalsen van een huurovereenkomst tussen [bedrijf 3] B.V. en[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) (primair), dan wel (medeplegen van) het opzettelijk gebruikmaken van dit valse of vervalste geschrift in het kader van een hypotheekaanvraag (subsidiair).

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat deze huurovereenkomst vals is, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewijsbaar dat verdachte daarvan op de hoogte was toen hij dit document ondertekende of toen het werd toegestuurd aan de hypotheekverstrekker. Op grond van de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1], de voettekst van de overeenkomst en de brief van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] van 21 februari 2005 acht de rechtbank aannemelijk dat de overeenkomst is opgesteld en aan verdachte ter tekening is aangeboden door [makelaardij] De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verdachte dat hij [medeverdachte 2] niet kent en de overeenkomst op het moment dat deze aan verdachte werd voorgelegd al was voorzien van een (mogelijk valse) handtekening van [medeverdachte 2]. Deze gang van zaken is niet ongebruikelijk en een verhuurder mag er in beginsel op vertrouwen dat een makelaar verifieert dat een huurovereenkomst die hij ter ondertekening aanbiedt in overeenstemming is met de waarheid en dat de daarop geplaatste handtekeningen authentiek zijn.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het onder 3. primair en 3. subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. Daarom zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder 4. ten laste gelegde (zaaksdossier A5-3)

Onder 4. is ten laste gelegd het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 90.410,21.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het openbaar ministerie in de tenlastelegging weliswaar niet hoeft te specificeren uit welk misdrijf voorwerpen afkomstig zijn, maar daarvoor wel bewijsmateriaal zal moeten aandragen. Uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken dat het geld (deels) uit enig misdrijf afkomstig is (Kamerstukken I, 2000/01, 27 159, nr. 288a, p. 8).

De officier van justitie heeft slechts in algemene termen verwezen naar de wetsgeschiedenis en de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, inhoudende dat voldoende is dat wordt (ten laste gelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf en dat niet is vereist dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Zij heeft daaraan toegevoegd dat ook fiscale misdrijven onderwerp van witwassen kunnen zijn.

Ondanks vragen van de rechtbank en de verdediging heeft de officier van justitie geen enkele concrete aanwijzing gegeven uit welk misdrijf of welke misdrijven het geldbedrag volgens het openbaar ministerie afkomstig is of zou kunnen zijn. Ook heeft zij geen bewijsmateriaal aangedragen waaruit dit kan worden afgeleid. De rechtbank is ook overigens niet gebleken uit welk misdrijf het geldbedrag afkomstig zou moeten zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het dossier niet evident dat (een deel van) het geldbedrag afkomstig is uit misdrijf. Op basis van de in het dossier aanwezige gegevens van de relevante bankrekening(en), de verklaringen die verdachte daarover heeft afgelegd en hetgeen daarover in het pleidooi is aangevoerd, valt niet met een voldoende mate van zekerheid uit te sluiten dat het geldbedrag afkomstig is uit legale bronnen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 4. ten laste gelegde.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde (zaaksdossier A3)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 21 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De werkgeversverklaring namens mijn bedrijf [bedrijf 1] met betrekking tot [medeverdachte 1], die is opgenomen op pagina 2621 van het dossier, heb ik ondertekend. In 2003 en 2004 ontving[medeverdachte 1] niet het in die werkgeversverklaring vermelde salaris van € 70.000,00, want [bedrijf 1] had toen geen geld.[medeverdachte 1] vroeg mij om die werkgeversverklaring. Ik wist dat de werkgeversverklaring bestemd was voor de aankoop van een huis.

1.2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

1.2.1

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2009114784, d.d. 15 december 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten dan wel één van hen:

(op pagina 31 van het dossier, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als algemeen relaas):

Samenvattend kon uit diverse gegevensbronnen worden geconcludeerd dat er ernstige vermoedens waren dat de verdachten zich bezig hielden met strafbare feiten valsheid in geschrifte, oplichten, witwassen en/of verduistering. De rol van elke verdachte zal in de afzonderlijke dossiers nader worden belicht.

(op pagina 2487 en 2488, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als relaas [adres 4]):

Volgens gegevens van het Uwv te Amsterdam (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) komt [medeverdachte 1] daar voor in de GVI (Gemeenschappelijke Verwijzingsindex). Uit het overzicht van het Uwv blijkt niet dat[medeverdachte 1] in dienst was bij [bedrijf 1]

1.2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201201271500-JDG-Z03-01 (V3-04), d.d. 27 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 2556 tot en met 2561 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben mij er op dit moment niet van bewust dat[medeverdachte 1] op de loonlijst van [bedrijf 1] stond. Hij stond volgens mij niet op de loonlijst. Hij heeft op zich niet veel werkzaamheden verricht. Het betroffen hier alleen werkzaamheden in zijn eigen huis. Voor zover ik weet heeft hij nergens anders voor mijn bedrijf werkzaamheden verricht. Indien alles zou verlopen als de bedoeling was dan zou[medeverdachte 1] het genoemde geldbedrag ook per jaar verdienen (€ 70.892,00). Feitelijk is dat niet gebeurd.

1.2.3.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina 2621 van het dossier, zijnde een werkgeversverklaring voorzien van een handtekening van verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam werkgever: [bedrijf 1]

Naam werknemer: [medeverdachte 1]

In dienst sinds: 01-09-2003

De werknemer heeft: een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst

Inkomen totaal per jaar: € 70.892,00

Ondergetekende verklaart namens de werkgever dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld. Getekend te Sneek d.d. 12-05-2004.

1.2.4.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina 2743 van het dossier, zijnde een SFH bericht, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Aanvrager 1: [medeverdachte 1]

Werkgever: [bedrijf 1]

Contact gehad met de curator van [bedrijf 1]. Hij geeft aan dat [medeverdachte 1] niet op de loonlijst heeft gestaan bij [bedrijf 1].

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde (zaaksdossier A3)

Onder 1. primair is (kort gezegd) ten laste gelegd het valselijk opmaken of vervalsen van een werkgeversverklaring namens [bedrijf 1] met betrekking tot [medeverdachte 1].

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde omdat de werkgeversverklaring niet vals is. Daartoe is aangevoerd dat er daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst bestond tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 1],[medeverdachte 1] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] en hij daarvoor zou worden betaald zodra [bedrijf 1] over meer geld zou beschikken. Er was sprake van een uitgestelde loonbetalingsverplichting. De betaling door [bedrijf 1] aan [medeverdachte 1] van € 70.892,00 bruto per jaar vanaf 1 september 2003 zou op het moment van ondertekening van de werkgeversverklaring met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid eind 2005/2006 gaan plaatsvinden.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat het de intentie was dat [medeverdachte 1] in de toekomst voor [bedrijf 1] zou gaan werken en dat hij dan een bruto jaarsalaris van € 70.892,00 zou gaan verdienen, maar dat dit uiteindelijk nooit is gebeurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] nooit op de loonlijst van [bedrijf 1] heeft gestaan en dat verdachte dit ook wist. Voorts blijkt uit de verklaringen van verdachte dat [medeverdachte 1] nauwelijks werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht en dat hij in 2003 en 2004 geen bruto jaarsalaris van € 70.892,00 heeft verdiend. Hieruit leidt de rechtbank af dat ten tijde van het ondertekenen van de werkgeversverklaring door verdachte geen sprake was van een vast dienstverband tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 1], laat staan dat [medeverdachte 1] destijds van [bedrijf 1] een bruto jaarsalaris van € 70.892,00 ontving. Het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario, inhoudende dat sprake was van een uitgestelde loonbetalingsverplichting, is in strijd met de verklaringen van verdachte dat [medeverdachte 1] niet op de loonlijst stond en nauwelijks werkzaamheden heeft verricht.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de werkgeversverklaring, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. Gelet op de functie van een werkgeversverklaring en de omstandigheid dat verdachte wist dat deze bestemd was voor de aankoop van een huis, acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daarbij het oogmerk had om dat geschrift als en echt en onvervalst door een ander of anderen te doen gebruiken.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 1. ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A4)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2009114784, d.d. 15 december 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten dan wel één van hen:

(op pagina 31 van het dossier, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als algemeen relaas:)

Samenvattend kon uit diverse gegevensbronnen worden geconcludeerd dat er ernstige vermoedens waren dat de verdachten zich bezig hielden met strafbare feiten valsheid in geschrifte, oplichten, witwassen en/of verduistering. De rol van elke verdachte zal in de afzonderlijke dossiers nader worden belicht.

(op pagina 2843, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als relaas [adres 2]):

Volgens gegevens van het Uwv te Amsterdam (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) komt [verdachte] daar voor in het GVI (Gemeenschappelijke Verwijzingsindex). Volgens deze gegevens ontving [verdachte] van 20 augustus 2001 tot 1 december 2003 een salaris van [bedrijf 4] en van 25 december 2003 tot 3 juli 2005 een uitkering van Uwv Gak.

Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat [verdachte] over 2004 een uitkering had met een jaarinkomen van € 23.794. Een inkomen van [bedrijf 2] of enig ander bedrijf is niet bekend bij de Belastingdienst. Hetzelfde geldt voor 2005 toen [verdachte] ook nog een uitkering had met een jaarinkomen van € 19.082. Ook toen had [verdachte] geen inkomen van [bedrijf 2].

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0940/07-329394, d.d. 18 oktober 2007 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 2848 en 2849 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [aangever 1]:

Ik werk voor de [bank 1], gevestigd te Amersfoort. Namens hen doe ik aangifte contra [verdachte]. Voor bijzonderheden omtrent de aangifte verwijs ik naar de door [bank 1] opgemaakte aangifte welke bij deze aangifte is gevoegd.

2.3.

een als bijlage bij het onder 2.2. vermelde proces-verbaal gevoegd schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 2850 tot en met 2853 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij deze ontvangt u een aangifte van [bank 1] Bij deze aangifte zijn (onder meer) de volgende stukken als bijlage gevoegd: kopie hypotheek aanvraagformulier, kopie geaccepteerde hypotheekofferte, kopie valse werkgeversverklaring, kopie valse salarisstroken.

Aangever: [aangever 2]

Verklaring: Namens [bank 1], gevestigd te Amersfoort, ben ik gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe hierbij aangifte van valsheid in geschrifte en of oplichting. Door deze feiten werd [bank 1] bewogen tot afgifte van een hypothecaire lening. Op 22 december 2004 ontvingen wij via [bank 3]., een zelfstandige onderneming van [bank 1], een aanvraag voor een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 445.000,00 van een tussenpersoon genaamd [tussenpersoon]. De aanvraag betrof een hypothecaire geldlening in verband met de financiering van het pand aan de [adres 2]. De aanvrager van de hypothecaire geldlening was de heer [verdachte]. Op 22 december 2004 is door [bank 1] een offerte uitgebracht. Deze offerte is op 14 januari 2005 door de heer [verdachte] geaccepteerd. Om een aanvraag voor een hypothecaire geldlening te kunnen beoordelen stellen banken als voorwaarde dat de aanvrager, in geval van een loondienstverband, een werkgeversverklaring dient te overleggen en een recente loonspecificatie. Uit de werkgeversverklaring moet blijken wat de status van het dienstverband is, welke functie men vervult en wat het bruto jaarsalaris is. De genoemde stukken zijn voor de bank noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken of de aanvrager in staat is te voldoen aan de betalingsverplichting die wordt overeengekomen met de aanvrager. De aanvrager moet hiervan zelf een opgave doen op het aanvraagformulier. Uiteraard is het zo dat de aanvrager duidelijk gemaakt wordt dat deze aanvraag naar waarheid dient te worden opgemaakt. Mede op basis van deze stukken wordt uiteindelijk beoordeeld of een hypotheek al dan niet verstrekt wordt. Van [medeverdachte 1] hebben wij een werkgeversverklaring ontvangen van het dienstverband bij [bedrijf 2] welke ondertekend is door [medeverdachte 3] op 4 januari 2005. Uit deze werkgeversverklaring blijkt dat [medeverdachte 1] als ingenieur sinds 1 november 2004 bij dit bedrijf werkzaam is en een bruto salaris inclusief vakantiegeld verdient van € 93.312,00. Tevens werd een salarisstrook overlegd van november 2004, waaruit een netto maandloon blijkt van € 7.200,00. Het dienstverband en het inkomen worden bevestigd in de ontvangen arbeidsovereenkomst. Na beoordeling van de aangeleverde hypotheekstukken is de hypotheekakte voor de hypothecaire geldlening gepasseerd op 2 februari 2005 bij [notariskantoor]Lemmer.

2.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer G03, d.d. 26 maart 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 2879 tot en met 2883 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 3]:

Ik ben directeur van [bedrijf 2] Ik weigerde [verdachte] op de loonlijst te plaatsen. De salarisspecificatie ABN-2 is vals. [verdachte] heeft nooit salaris ontvangen voor het verrichten van arbeid bij Ingenieursgroep [bedrijf 2].

2.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201201281350-JDG-Z04-01 (V3-07), d.d. 28 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 2888 tot en met 2893 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

De hypotheek voor de woning [adres 2] ging later over naar het [bank 3]. Ik moest een woning verkopen of een nieuwe hypotheek elders afsluiten. Ik heb toen een hypotheek bij het [bank 3] afgesloten. Ik zie op het formulier van het Uwv dat ik een WW-uitkering ontving in de periode 25-12-2003 tot 3-7-2005. Als het Uwv zegt dat het zo is, dan zal dat kloppen. Het klopt dat de hypotheek via [tussenpersoon] is gelopen.

2.6.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 2855 tot en met 2858 van het dossier, zijnde een aanvraagformulier voor een [bank 3] hypotheek, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gegevens tussenpersoon: [tussenpersoon] Lemmer

Aanvrager 1: [verdachte]

Inkomenstatus Aanvrager 1: Loondienst

Vast dienstverband: Ja

Bruto jaarsalaris: € 90.000

Gewenst hypotheekbedrag: € 445.000

Ingangsdatum hypotheek: 01-02-2005

Ondergetekenden verklaren alle verstrekte gegevens naar waarheid te hebben ingevuld.

Plaats: Lemmer

Datum: 21-12-2004

2.7.

twee schriftelijke bescheiden, opgenomen op de pagina's 2860 tot en met 2867 van het dossier, zijnde een offerte voor een hypotheek en een daarbij behorende acceptatieverklaring voorzien van een handtekening van verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bedrag van de lening (totaal): € 445.000,00

De Geldgever: [bank 3].

Zekerheden: recht van 1e hypotheek tot € 445.000,00 op [adres 2]

De ondergetekende [verdachte] accepteert de bij deze offerte aangeboden lening onder de gestelde voorwaarden en verklaart in te staan voor de juistheid en volledigheid van de door of op verzoek van ondergetekenden in het kader van de onderhavige hypotheekaanvraag aangeleverde gegevens en informatie.

Plaats: Lemmer

Datum: 08-01-2005

2.8.

een schriftelijk bescheid, voorzien van de aanduiding [nummer 1], opgenomen op pagina 2900 (en tevens op pagina 2871) van het dossier, zijnde een salarisspecificatie d.d. 30 november 2004 van Ingenieursgroep [bedrijf 2] met betrekking tot de heer [verdachte], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Loon november 2004

Bruto loon € 7.200

2.9.

een schriftelijk bescheid, voorzien van de aanduiding ABN-04, opgenomen op pagina 2902 (en tevens op pagina 2869) van het dossier, zijnde een werkgeversverklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam werkgever: [bedrijf 2]

Gegevens werknemer: [verdachte]

In dienst sinds: 01-11-2004

Aard van het dienstverband: De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst.

Is er sprake van een proeftijd: nee

Bruto jaarsalaris: € 86.400,00

Getekend te: St Nicolaasga op 04-01-2005

2.10.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina's 2949 tot en met 2953 van het dossier, zijnde een akte van hypotheek, gedateerd 2 februari 2005, kort gezegd en zakelijk weergegeven inhoudende de verstrekking door [bank 3]. van een hypotheek van € 445.000,00 aan verdachte, met als onderpand [adres 2].

2.11.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 2990 en 2991 van het dossier, zijnde een afdruk van een e-mailbericht van 28 augustus 2012 van [werknemer bank 1] aan [werknemer bank 2], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Er is twee keer een bedrag overgemaakt aan [verdachte] en [verdachte] heeft dit ook twee keer teruggestort:

dd 07-02-2005: storting van [bedrijf 2] naar [verdachte]

dd 23-02-2005: terugbetaling door [verdachte]

dd 15-06-2005: storting van [bedrijf 2] naar [verdachte]

dd 06-07-2005: terugbetaling door [bedrijf 3] (= [verdachte]) + een openstaande factuur aan [bedrijf 1] Sneek (= ook [verdachte]).

Bankafschriften van deze transacties zijn bijgevoegd.

2.12.

vier schriftelijke bescheiden, opgenomen op de pagina's 2992 tot en met 2995 van het dossier, zijnde afdrukken van overzichten rekeningmutaties van de Rabobank, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

- dat van rekeningnummer [nummer 2] op rentedatum 7 februari 2005 een bedrag van € 4.381,70 is overschreven naar de tegenrekening [nummer 3] met de naam/omschrijving "[verdachte]";

- dat op rekeningnummer [nummer 2] op rentedatum 22 februari 2005 een bedrag van € 4.381,70 is bijgeschreven van de tegenrekening [nummer 3] met de naam/omschrijving "[verdachte] BETALINGSKENM. CONFORM AFSPRAAK";

- dat van rekeningnummer [nummer 2] op rentedatum 15 juni 2005 een bedrag van € 4.381,70 is overschreven naar de tegenrekening [nummer 3] met de naam/omschrijving "[verdachte] bet. 14-06-05";

- dat op rekeningnummer [nummer 2] op rentedatum 6 juli 2005 een bedrag van € 4.649,45 is bijgeschreven van de tegenrekening [nummer 4] met de naam/omschrijving "[bedrijf 3] B. CONFORM AFSPRAAK".

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A4)

Onder 2. primair is (kort gezegd) ten laste gelegd het oplichten van een hypotheekverstrekker door het indienen van een hypotheekaanvraag, een (valse) werkgeversverklaring en een (valse) salarisspecificatie.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2. primair ten laste gelegde omdat de ingediende werkgeversverklaring en salarisspecificatie niet vals zijn. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat er daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst bestond tussen verdachte en [bedrijf 2], dat verdachte in dat kader daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht en dat verdachte daarvoor daadwerkelijk het in de salarisspecificatie vermelde salaris heeft ontvangen.

De rechtbank acht op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de inhoud van de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie niet in overeenstemming zijn met de waarheid en dat deze documenten dus (materieel) vals zijn. Daartoe overweegt zij het volgende. Uit de verklaring van [bedrijf 2] blijkt dat verdachte niet op de loonlijst van [bedrijf 2] stond en dat hij van dit bedrijf geen salaris heeft ontvangen. Dit wordt bevestigd door de in het relaas van verbalisanten vermelde gegevens van het Uwv en de Belastingdienst. Uit deze gegevens blijkt niet alleen dat een arbeidsrelatie tussen verdachte en [bedrijf 2] bij deze instanties niet bekend was, maar ook dat verdachte in de desbetreffende periode een werkloosheidsuitkering ontving.

Uit het e-mailbericht van [werknemer bank 1] en de daarbij gevoegde afdrukken van overzichten rekeningmutaties blijkt dat op 7 februari 2005 en 15 juni 2005 door [bedrijf 2] tweemaal een bedrag van € 4.381,70 is overgemaakt aan verdachte. Daaruit blijkt echter ook dat deze bedragen korte tijd later (op 22 februari 2005 en 6 juli 2005) door verdachte en zijn bedrijf [bedrijf 3] zijn terugbetaald. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, inhoudende -zakelijk weergegeven- dat hij slechts twee of drie maanden voor [bedrijf 2] heeft gewerkt, dat hij vervolgens gebrouilleerd is geraakt met [bedrijf 2], dat de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd is beëindigd en dat hij toen het door hem ontvangen salaris heeft terugbetaald omdat hij geen moeilijkheden wilde, volstrekt onaannemelijk. Deze verklaring strookt niet met de verklaring van [bedrijf 2] en de gegevens van het Uwv en de Belastingdienst. Voorts geldt dat het dienstverband volgens de werkgeversverklaring is aangevangen op 1 november 2004 en de beide betalingen dus drie en zeven maanden na aanvang van het dienstverband zijn gedaan. Voorts was blijkens de werkgeversverklaring geen sprake van een proeftijd. Dit valt niet te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij slechts twee of drie maanden voor [bedrijf 2] heeft gewerkt en dat het dienstverband binnen de proeftijd is beëindigd. Bovendien is ongeveer vier maanden na de eerste terugbetaling nogmaals een bedrag van € 4.381,70 aan verdachte uitbetaald. Dit valt niet te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij het salaris heeft terugbetaald nadat hij gebrouilleerd was geraakt met [bedrijf 2]. Ook de omschrijving bij de beide terugbetalingen ("conform afspraak") valt daarmee niet te rijmen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de betalingen van [bedrijf 2] aan verdachte gefingeerde salarisbetalingen betroffen.

Voorts acht de rechtbank op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie in het kader van een aanvraag voor een hypothecaire lening bij de hypotheekverstrekker heeft ingediend of heeft laten indienen, terwijl hij wist dat deze documenten vals waren. Daardoor heeft hij de hypotheekverstrekker in strijd met de waarheid doen geloven dat hij in vaste dienst was bij Ingenieursbureau [bedrijf 2] B.V. en dat hij uit hoofde van dat dienstverband een bruto maandsalaris van € 7.200,00 ontving. Daardoor heeft hij (medewerkers van) de hypotheekverstrekker bewogen hem een hypotheek te verstrekken en aan hem een bedrag van € 445.000,00 af te geven. Hieruit volgt dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 2. primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is, ook in onderdelen, slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. zaaksdossier A3)

hij in mei 2004 te Sneek een werkgeversverklaring namens [bedrijf 1] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 12 mei 2004, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk op die werkgeversverklaring namens de werkgever [bedrijf 1] verklaard dat [medeverdachte 1] in vaste dienst was sinds 1 september 2003 en een inkomen genoot van totaal 70.892 euro en dat de gegevens vermeld op die werkgeversverklaring naar waarheid waren ingevuld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door een ander of anderen te doen gebruiken (document p. 2621);

2. primair (zaaksdossier A4)

hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 2 februari 2005 te Amersfoort en elders in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) de [bank 1] heeft bewogen tot de afgifte van 445.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan (die werknemer(s) van) die [bank 1], al dan niet via een tussenpersoon, doen/laten toekomen

- een aanvraag voor een hypothecaire lening en vervolgens

- een valse werkgeversverklaring, gedateerd 4 januari 2005, vanwege de werkgever [bedrijf 2] waaruit een vast dienstverband zou moeten blijken tussen verdachte en die werkgever (document p. 2869) en

- een valse salarisspecificatie vanwege [bedrijf 2] met betrekking tot verdachte, gedateerd 30 november 2004, waaruit zou moeten blijken dat verdachte recht zou hebben op een (bruto) loon over november van 7200 euro (document p. 2871),

waardoor (die werknemer(s) van) die [bank 1] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. valsheid in geschrift;

2. primair oplichting.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het oplichten van een hypotheekverstrekker. Hij heeft deze hypotheekverstrekker (onder meer) een valse werkgeversverklaring en een valse salarisspecificatie doen toekomen en deze daardoor in strijd met de waarheid doen geloven dat hij een vast dienstverband had en € 7.200,00 bruto per maand verdiende. Mede op basis van deze gegevens heeft de hypotheekverstrekker verdachte een hypotheek van € 445.000,00 verstrekt. Daarnaast heeft hij een valse werknemersverklaring opgemaakt met betrekking tot zijn zoon. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten alleen oog gehad voor zijn eigen belangen en de belangen van zijn familie. Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen in het financiële stelsel aangetast. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen blijk heeft gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten en ook nadien niet is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Voor feiten als deze is in het algemeen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen zal zij bij de strafoplegging betrekken dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer tien maanden. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat de bewezenverklaarde feiten bijna tien jaar geleden zijn gepleegd, dat verdachte inmiddels 72 jaar oud is en dat hij door de gevolgen van het strafrechtelijk onderzoek financieel al ernstig is getroffen. Op grond van deze omstandigheden zal de rechtbank verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar hem overeenkomstig de eis van de officier van justitie veroordelen tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een kortere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij verdachte vrijspreekt van de onder 3. en 4. ten laste gelegde feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3. primair, 3. subsidiair en 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 november 2014.

w.g.

Van Bruggen

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Sikkema

locatie Leeuwarden,

Van Emst