Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5878

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
880008-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7959
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van enkele jaren valse documenten ingediend in het kader van drie afzonderlijke hypotheekaanvragen. Tweemaal is (mede) op basis van die documenten een hypotheek verstrekt en eenmaal is het bij een poging gebleven omdat de hypotheekaanvraag is afgewezen. Daarnaast heeft verdachte een geldbedrag van in totaal € 147.585,00, afkomstig uit het bouwdepot van één van deze hypotheken, witgewassen. Hij heeft de hypotheekverstrekker door middel van valse facturen bewogen het geld te betalen aan een medeverdachte en deze het geld vervolgens laten overmaken op een rekening waarover hij de beschikking had. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van € 167.049,73, afkomstig uit een erfenis. De rechtbank heeft verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225, 321, 326, geldigheid: 2014-11-28
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2014-11-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880008-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 28 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

postadres houdende te [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20, 21, 22 en 23 oktober 2014 en 14 november 2014.

De verdachte is verschenen op 20, 21, 22 en 23 oktober 2014, telkens bijgestaan door mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens, advocaat te Maastricht. Op 14 november 2014 zijn verdachte en zijn raadsman niet verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 20, 21, 22 en 23 oktober 2014 vertegenwoordigd door mr. T.S.G.C. Scholte. Tijdens het ochtendgedeelte van de terechtzitting van 20 oktober 2014 werd het openbaar ministerie tevens vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek. Ter terechtzitting van 14 november 2014 werd het openbaar ministerie vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zaaksdossier A10)

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2007 t/m 4 november 2009 te Lemmer en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

geschrift(en), te weten

a. a) een werkgeversverklaring 2006 van [makkelaardij] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 15 januari 2007 (document [bank 2]-57, p. 5222), en/of

b) een salarisspecificatie van [makkelaardij] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 31 december 2006 (document [bank 2]-59, p. 5224), en/of

c) een werkgeversverklaring van [makkelaardij] B.V met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 26 maart 2007 (document [bank 2]-60, p. 5225), en/of

d) een aannemingsovereenkomst voor eengezinshuizen, tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 1]

(document [bank 2]-61, p. 5226 ev), en/of

e) twee, althans een of meer, factu(u)r(en) van [bedrijf 1], met betrekking tot een (uit)betalingstermijn conform aannemingsovereenkomst, gedateerd 10 oktober 2007 en/of 30 oktober 2007 (documenten [bank 2]-62 en 63, p. 5233+5236), en/of

f) een document Aangifte [medeverdachte 1] 2006, behelzende inkomensgegevens van [medeverdachte 1] ten behoeve van de Belastingdienst, gedateerd 9 september 2009 (document [bank 2]-54, p. 5211), en/of

g) een document Aangifte [medeverdachte 1] 2007, behelzende inkomensgegevens van [medeverdachte 1] ten behoeve van de Belastingdienst, gedateerd 29 september 2009 (document [bank 2]-55, p. 5214),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, (telkens) dat/die geschrift(en), al dan niet door tussenkomst van een tussenpersoon of makelaar, te weten [tussenpersoon 1], aan (destijds) de [bank 1] en/of (thans) de bank [bank 2] en/of [bank 3] heeft doen/laten toekomen, in verband met een aanvraag en/of de toekenning van een hypothecaire lening (met een bouwdepot) met betrekking tot een perceel [adres 2], althans een perceel in de gemeente Lemmer, [nummer 1], en/of de uitbetaling van een (deel van het) bij die hypotheek behorend(e) bouwdepot, en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat dat/die geschriften (telkens) een geheel vals/fictief was/waren, en/of onjuist en/of ten onrechte, in ieder geval in strijd met de waarheid/werkelijkheid, weergaf/weergaven

- dat er sinds 1 november 2006 een arbeidsovereenkomst en/of (met) een vast dienstverband zou zijn tussen [makkelaardij] B.V en die [medeverdachte 1], en/of

- dat die [medeverdachte 1] over december 2006 een (bruto) loon van 2950 euro zou hebben genoten van [makkelaardij], en/of

- dat er een (rechtsgeldige) aannemingsovereenkomst zou zijn ondertekend en/of gesloten tussen [bedrijf 1] en die [medeverdachte 1], en/of

- dat [bedrijf 1] een factuur (nummer 611), gedateerd 10 oktober 2007, voor een bedrag van 27.000 euro en/of een factuur (nummer 627), gedateerd 30 oktober 2007, voor een bedrag van 54.000 euro zou hebben ingediend en/of gezonden aan die [medeverdachte 1] wegens in die factuur/facturen verrichte werkzaamheden, en/of

- dat die [medeverdachte 1] aan de Belastingdienst had opgegeven of zou hebben aangegeven dat zij over 2006 41.300 euro en/of over 2007 40.000 euro aan (totale) inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking zou hebben genoten;

2. ( zaaksdossier A10)

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot 1 januari 2009 te Lemmer en/of (elders) in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten

- 50.000 euro (p. 8444), en/of

- 50.000 euro (p. 8447), en/of

- 30.000 euro (p. 8449), en/of

- 4.585 euro (p. 8449), en/of

- 13.000 euro (p. 8455),

zijnde (telkens) geldbedragen afkomstig van bankrekening [nummer 2] van [medeverdachte 2] en/of gestort op bankrekening [nummer 3] van [bedrijf 7] B.V, in ieder geval (telkens) (een) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

de besloten vennootschap[bedrijf 7] in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot 1 januari 2009 te Lemmer en/of (elders) in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten

- 50.000 euro (map 22, p. 8444), en/of

- 50.000 euro (p. 8447), en/of

- 30.000 euro (p. 8449), en/of

- 4.585 euro (p. 8449), en/of

- 13.000 euro (p. 8455),

zijnde (telkens) geldbedragen afkomstig van bankrekening [nummer 2] van [medeverdachte 2] en/of gestort op bankrekening [nummer 3] van [bedrijf 7] B.V, in ieder geval (telkens) (een) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl[bedrijf 7] (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;

3. ( zaaksdossier A13)

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2008 t/m 4 november 2009 te Lemmer en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) een of meer hypotheekverstrekker(s) en/of bank(en), te weten de [bank 5] en/of (destijds) de [bank 1] en/of (thans) de [bank 2], althans de [bank 3], te bewegen tot het aangaan van een schuld, te weten een hypothecaire leenovereenkomst met betrekking tot het pand [adres 3] ten behoeve van [medeverdachte 1], en/of de afgifte van (een hypotheekbedrag van) 435.000 euro, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

aan (die werknemer(s) van) die hypotheekverstrekker(s) heeft doen/laten toekomen

- een aanvraag voor een hypothecaire lening, en/of (vervolgens)

- een (valse) werkgeversverklaring van [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 18 november 2008 (document [bank 2]-105, p. 6007), en/of

- een (vals) schrijven voorzien van de naam [medeverdachte 2] (zogenaamd) namens en/of vanwege [bedrijf 2] en/of voorzien van een ondertekening, inhoudende dat genoemde werkgeversverklaring naar waarheid was ingevuld (document [bank 2]-107, p. 6010), en/of

- een of meer (valse) salarisspecificaties vanwege [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1] over de maand(en) juli 2008 en/of augustus 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008, en/of

- een of meer (valse) bankafschrift(en) en/of overzicht transacties vanwege de [bank 7] met betrekking tot [medeverdachte 1] waaruit (telkens) een salarisstorting (groot 3.513,05 euro) vanwege [bedrijf 2] aan [medeverdachte 1] zou moeten blijken, te weten op 4 augustus 2008 en/of 1 september 2008 en/of 1 oktober 2008 en/of 3 november 2008 (documenten [bank 2]-106 en [bank 2]-109 t/m 116, p. 6008 ev),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2008 t/m 4 november 2009 te Lemmer en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten

a. a) een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 18 november 2008 (document [bank 2]-105, p. 6007), en/of

b) een schrijven voorzien van de naam [medeverdachte 2] en/of (zogenaamd) namens en/of vanwege [bedrijf 2] en/of voorzien van een ondertekening, inhoudende dat genoemde werkgeversverklaring naar waarheid was ingevuld (document [bank 2]-107, p. 6010), en/of

c) een of meer salarisspecificatie(s) vanwege [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1] over de maand(en) juli 2008 en/of augustus 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008, en/of

d) een of meer bankafschrift(en) en/of overzicht transacties vanwege de [bank 7] met betrekking tot [medeverdachte 1] waaruit (telkens) een salarisstorting (groot 3.513,05 euro) vanwege [bedrijf 2] aan [medeverdachte 1] zou moeten blijken, te weten op 4 augustus 2008 en/of 1 september 2008 en/of 1 oktober 2008 en/of 3 november 2008 (documenten [bank 2]-106 en [bank 2]-109 t/m 116, p. 6008 ev),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, dat/die geschriften, in verband met een aanvraag van een hypothecaire geldlening, (telkens) aan de [bank 5] en/of (destijds) de [bank 1] en/of (thans) de

[bank 2], althans de [bank 3], in elk geval een of meer hypotheekverstrekker(s), heeft doen/laten toekomen, en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat het in die werkgeversverklaring en/of dat schrijven beschreven vast dienstverband en/of die loonbetaling(en) niet bestond(en) en/of dat (aldus) genoemd(e) geschriften geheel vals/vervalst, althans onjuist was/waren en/of in strijd met de

waarheid/werkelijkheid was/waren;

4. ( zaaksdossier A14)

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 t/m 20 november 2009, te Lemmer en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) een of meer hypotheekverstrekker(s), te weten [bank 6] en/of de [bank 3], te bewegen tot het aangaan van een

schuld, te weten een hypothecaire leenovereenkomst met betrekking tot het pand [adres 3] ten behoeve van die [medeverdachte 2], en/of tot de afgifte van (een hypotheekbedrag van) 425.828 euro, althans een hoeveelheid geld, hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens), ten behoeve van het aangaan en/of toekennen van voornoemde hypothecaire geldlening en/of die afgifte, aan (die medewerker(s) van) die hypotheekverstrekker(s) doen/laten toekomen

- een aanvraag voor een hypothecaire lening, en/of (vervolgens)

- een getekende offerte van [bank 6] waarin was bepaald dat de eigenaar de woning zelf zou (gaan) bewonen of gebruiken (p. 7135 ev)), en/of

- een (valse) arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [medeverdachte 2] (p. 6272), en/of

- een (valse) werkgeversverklaring van [bedrijf 3] op naam van [medeverdachte 2], gedateerd 9 maart 2009, en/of een of meer salarisspecificatie(s) op naam van [medeverdachte 2], gedateerd 31 januari 2009 en/of 28 februari 2009 (p. 6239 ev), en/of

- een (vals) schrijven (zogenaamd) vanwege [bedrijf 3] dat genoemde

werkgeversverklaring naar waarheid was ingevuld (p. 6270 ev), en/of

- een (vals) afschrift of afdruk van een betaalrekening 5576290, op naam van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], waaruit zou moeten blijken dat door [bedrijf 3] op 16 februari 2009 aan [medeverdachte 2] 3563,02 euro loon zou zijn betaald (p. 6189),

waardoor (die medewerker(s) van) die hypotheekverstrekker(s) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 1 januari 2012 te Lemmer en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschriften,

te weten

a. a) een werkgeversverklaring van [bedrijf 3] op naam van [medeverdachte 2], gedateerd 9 maart 2009, en/of een of meer loon-/salarisspecificatie(s) op naam van [medeverdachte 2], gedateerd 31 januari 2009 en/of 28 februari 2009 (p. 6239 ev), en/of

b) een schrijven (zogenaamd) vanwege [bedrijf 3] dat genoemde werkgeversverklaring naar waarheid ingevuld was (p. 6270 ev), en/of

c) een afschrift of afdruk van een betaalrekening 5576290, op naam van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], waaruit zou moeten blijken dat door [bedrijf 3] op 16 februari 2009 aan [medeverdachte 2] 3563,02 euro loon zou zijn betaald (p. 6189),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, dat/die geschrift(en), in verband met een aanvraag van een hypothecaire lening, heeft doen/laten toekomen aan [bank 6] Levensverzekering Maatschappij N.V, althans een of meer hypotheekverstrekker(s), en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat het in die werkgeversverklaring en/of dat schrijven beschreven vast dienstverband en/of die loonbetaling(en) niet bestond(en) en/of dat (aldus) genoemd(e) geschriften geheel vals/vervalst, althans onjuist was/waren en/of in strijd met de

waarheid/werkelijkheid was/waren;

5. ( zaaksdossier A16)

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot 26 januari 2012, te Lemmer, in elk geval in Nederland, en/of op Curaçao en/of in Oostenrijk,

opzettelijk (in totaal) 167.621,93 euro, althans (telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan Elsa Maria [slachtoffer 3] en/of [zus/curator slachtoffer 3] en/of aan een of meer (andere) erfgenaam/erfgenamen van [overledene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld en/of goed verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten ten behoeve van (tijdelijk) beheer en/of bewaring, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. primair, 3. primair, 4. primair en 5. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest.

Beoordeling van het bewijs

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde (zaaksdossier A10)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 20 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben naar [tussenpersoon 1] gegaan en heb hem om een hypotheekadvies gevraagd voor het perceel [adres 2]. Ik heb [medeverdachte 1] gevraagd om de hypotheek voor het perceel [adres 2] op haar naam te zetten. Ik heb tegen [tussenpersoon 1] gezegd dat [medeverdachte 1] bij mij werkte. Tussen [tussenpersoon 1] en mij is een offerte tot stand gekomen. Het moest langs [medeverdachte 1] omdat het op haar naam stond. [tussenpersoon 1] heeft de stukken naar mijn makelaardijkantoor gestuurd en die stukken zijn teruggestuurd. [tussenpersoon 1] heeft mij laten weten welke documenten moesten worden ingediend. Ik ben betrokken geweest bij het verzamelen van die documenten. Op een gegeven moment belde [tussenpersoon 1] mij. Hij zal gezegd hebben dat er een kruisje ontbrak op de werkgeversverklaring en dat nog een kopie van het identiteitsbewijs moest worden ingeleverd. Ik heb [medeverdachte 1] toen gevraagd of zij die documenten naar [tussenpersoon 1] wilde brengen. Ik heb haar die documenten meegegeven en zij heeft ze naar [tussenpersoon 1] gebracht. Ik heb de werkgeversverklaring van [medeverdachte 1] ingevuld. Ik heb aangekruist dat zij in vaste dienst was als kantoormanager/assistent makelaar. Het was de bedoeling dat zij die werkzaamheden in de toekomst zou gaan doen. Op het moment dat ik die werkgeversverklaring invulde deed zij nog niet al die werkzaamheden. In een later stadium heeft de hypotheekverstrekker tijdens een gesprek gevraagd om belastingaangiftes van [medeverdachte 1]. Ik heb de hypotheekverstrekker toen de in het dossier gevoegde brief van 30 september 2009 gestuurd met als bijlagen daarbij de documenten Aangifte [medeverdachte 1] 2006 en Aangifte 2007 [medeverdachte 1]. Ik heb daarmee aangeven dat dat hetgeen was wat zij had verdiend. Ik boekte niet structureel aan het einde van de maand salaris aan [medeverdachte 1] over. De aannemingsovereenkomst met [bedrijf 1] heb ik namens [medeverdachte 1] getekend met haar handtekening. De facturen van [bedrijf 1] zijn volgens mij uitbetaald op een rekening van mij. Het kan best zo zijn dat ik op die facturen een kras heb gezet door het oorspronkelijke rekeningnummer. Uiteindelijk zijn die bedragen niet aan [bedrijf 1] betaald.

1.2.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 8 oktober 2014, RC-nummer 14/2711, 14/2712 en 14/2713, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

[medeverdachte 1] werk bij de makelaardij heeft geen doorgang gehad. Uiteindelijk heeft zij niet of nauwelijks werk verricht. Er is geen overeenkomst gesloten over participatie door [bedrijf 1]. [medeverdachte 1] heeft geen contact hierover gehad met [bedrijf 1].

1.3.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

1.3.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2009114784, d.d. 15 december 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten dan wel één van hen:

(op pagina 31 van het dossier, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als algemeen relaas:)

Samenvattend kon uit diverse gegevensbronnen worden geconcludeerd dat er ernstige vermoedens waren dat de verdachten zich bezig hielden met strafbare feiten valsheid in geschrifte, oplichten, witwassen en/of verduistering. De rol van elke verdachte zal in de afzonderlijke dossiers nader worden belicht.

(op pagina 4954, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als relaas [adres 2]):

Volgens gegevens van het Uwv te Amsterdam (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) komt [medeverdachte 1] daar voor in de GVI (Gemeenschappelijke Verwijzingsindex). Volgens deze gegevens ontving [medeverdachte 1] van 1 november 2006 tot 28 februari 2007 vier keer een salaris van € 2.950 per maand van [bedrijf 4] en van 1 mei 2007 tot 30 november 2007 een salaris van € 741,00 per maand van [werkgever 1]. Overigens kon er geen geldstroom worden vastgesteld van dit salaris op de [bank 7]-rekening [nummer 4] van [medeverdachte 1].

Gegevens Belastingdienst. Door [medeverdachte 1] werd over 2006 (1-11 t/m 31/12) een salaris opgegeven van € 6.049 uit [bedrijf 4]. Over 2007 werd door [medeverdachte 1] van 1/1 tot 28/2 een salaris opgegeven van € 6.105 bij [bedrijf 4]. Van 8/5 tot en met 7/11 werd salaris opgegeven van € 5.113 opgegeven bij [werkgever 1] en van 7/11 t/m 31/12 een salaris van € 1.201 bij [werkgever 2]. In totaal bedroeg het jaarsalaris over 2007 € 12.419.

1.3.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2009114784-1, d.d. 4 november 2009 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 4975 en 4976 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [aangever 2]:

Ik ben namens [bank 3], gevestigd te Amsterdam, gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik heb de aangifte op schrift gesteld en doe deze als bijlage hierbij.

1.3.3.

een bij het onder 1.3.2. vermelde proces-verbaal gevoegd schriftelijk bescheid met als onderwerp aangifte ter zake valsheid in geschrifte en oplichting, opgenomen op de pagina's 4977 tot en met 4994 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, [aangever 1], ben als onderzoeker bancaire criminaliteit in dienstbetrekking werkzaam bij de [bank 3], waartoe ook [bank 1] (thans [bank 2]) behoort. Als zodanig ben ik bevoegd tot het doen van aangifte van strafbare feiten gepleegd tegen [bank 2] en [bank 1]. Namens [bank 2] wil ik aangifte doen tegen: [verdachte] en [medeverdachte 1], aangezien [verdachte] en [medeverdachte 1] vermoedelijk middels valse, dan wel vervalste documenten en valse informatieverstrekking meerdere hypothecaire leningen verstrekt hebben gekregen. Door deze bescheiden en informatie als echt en onvervalst te laten doorgaan hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] [bank 2] (waaronder [bank 2] en [bank 1]) bewogen tot afgifte (verstrekking van diverse hypothecaire kredieten) van (onder meer) € 300.000,00.

Voor het verstrekken van hypotheken verzamelt de bank gegevens van de aanvrager, nodig om een offerte te maken. Naast onder andere de persoonsgegevens dient de bank te beschikken over gegevens over het inkomen. Aan de hand van het inkomen wordt berekend of voor het gevraagde bedrag een hypothecaire geldlening kan worden verstrekt. Voor deze berekening wordt een vaste methodiek gehanteerd. Is de aanvrager in loondienst dan wordt voor het verzamelen van de inkomensgegevens gebruik gemaakt van een werkgeversverklaring. Deze verklaring dient door de werkgever ingevuld te worden en te worden voorzien van een handtekening van de werkgever en een firmastempel. Ook dient een recente salarisstrook overgelegd te worden. Op basis van het ingevulde aanvraagformulier wordt een offerte uitgebracht. Deze offerte wordt door de bank gezonden aan de aanvrager ter acceptatie of aan de tussenpersoon die de offerte ter ondertekening voorlegt aan de aanvrager. Als de offerte wordt geaccepteerd en wordt ondertekend door de aanvrager dan zendt deze of de tussenpersoon de offerte terug naar de bank. De offerte dient onder andere vergezeld te zijn van een kopie van een legitimatiebewijs en de werkgeversverklaring met (originele) loonstrook indien er sprake is van loondienst. Na ontvangst door de bank wordt gecontroleerd of alle benodigde gegevens aanwezig en akkoord zijn. Is dit het geval dan wordt de hypothecaire geldlening verstrekt.

Uit het derde hypotheekdossier op naam van [medeverdachte 1] met betrekking tot onderpand [adres 2], blijkt onder andere het volgende. Op 27 december 2006 vraagt [medeverdachte 1] bij [bank 1] (thans [bank 2]) een hypothecaire lening aan ad. € 300.000,00 voor de aankoop van een nieuwbouw eengezinswoning.

Koopaanneemovereenkomst met [bedrijf 1] met aanneemsom € 270.000,00.

Uit het overzicht van de financiële historie met betrekking tot de depotbetalingen blijkt op 29 november 2008 dat € 294.201,02 is opgenomen voor de bouw van de woning. Dit is nagenoeg het gehele hypotheekbedrag ad. € 300.000,00. De eerste uitbetaling uit het depot was op 19 oktober 2007 en de laatste was op 7 november 2008.

Door [verdachte] worden op 30 september 2009 aan [bank 2] de kopieën gestuurd van IB-aangiftes, te weten 2006 en 2007 van [medeverdachte 1] en 2006 van [verdachte].

1.3.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer G12, d.d. 23 april 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 4995 tot en met 4999 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [tussenpersoon 1]:

Eind 2006 werd ik telefonisch benaderd door een man die zich bekend maakte als [verdachte] van [makkelaardij]. Bedrijfsmatig was hij op een te koop staand bouwperceel gestuit waar een werkneemster van hem graag een woning op wilde bouwen. Ik ontving een mail met een opdracht waarbij [verdachte] vroeg om een hypotheek van € 300.000,00. Op 27 december 2006 heb ik een aanvraag hypotheek verstuurd naar de [bank 1]. De offerte heb ik op 6 januari 2007 verstuurd aan het kantooradres van [makkelaardij] t.a.v. van [medeverdachte 1]. Vervolgens kwam ik er achter dat de getekende offerte en verschillende stukken rechtstreeks naar de [bank 1] waren gestuurd. Ik heb toen contact gezocht met de [bank 1], afdeling hypotheken, en heb hen geïnformeerd dat de stukken rechtstreeks waren ingestuurd en gevraagd de ingeleverde stukken mij te doen toekomen. Een deel van deze stukken ontving ik per fax, d.d. 26 januari 2007 ([tussenpersoon 1]-12, 13 en 14). Na telefonisch overleg is [medeverdachte 1] op 26 maart 2007 bij mij op kantoor geweest. Ze heeft zich geïdentificeerd en ik heb haar identiteit vastgesteld aan de hand van haar paspoort. Tevens had zij de door mij gemailde werkgeversverklaring bij zich waar alle kruisjes wel ingevuld stonden ([tussenpersoon 1]-19). Ik heb met haar de opzet van de financiering en de offerte besproken. Ze gaf duidelijk te kennen dat ze het geheel ook al met [verdachte] had doorgesproken en dat dit een prima opzet was. Ze heeft mij een deel van de ontbrekende stukken overhandigd waaronder in ieder geval de originele werkgeversverklaring. Ik heb de werkgeversverklaring opgestuurd naar de [bank 1] op 28 maart 2007. In het dossier tref ik ook een fax van [bedrijf 5] d.d. 10 april 2007. Bij deze fax hoort een aannememingsovereenkomst ([tussenpersoon 1]-27). Kennelijk is niet de hele fax aangekomen want in het dossier tref ik het complete pakket, inclusief de volledige aannemingsovereenkomst aan die verzonden is op dezelfde datum door dezelfde afzender ([tussenpersoon 1]-28 tot en met 34). Ik concludeer uit mijn dossier dat ik op 10 april 2007 de laatste stukken heb verstuurd naar de [bank 1].

1.3.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2007125828-1 (V1-06), d.d. 6 februari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5008 tot en met 5020 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik denk dat ik de werkgeversverklaring d.d. 15 januari 2007 ([bank 2]-57) heb ingevuld. Ik herken mijn handschrift. Ik heb de werkgeversverklaring ook ondertekend. [medeverdachte 1] en ik hebben de factuur [bank 2]-62 naar de bank gestuurd. Ik denk dat het handschrift op het betalingsformulier van mij is. Ik denk dat het nieuwe bankrekeningnummer dat op de factuur is gezet niet van [bedrijf 1] is. Ik heb deze actie gedaan. Het is een rekening van mij, [medeverdachte 1] of een aan ons gerelateerde zakelijke rekening. Ik heb zelf de controle over de bouw genomen. Voor de factuur [bank 2]-63 van [bedrijf 1] geldt hetzelfde verhaal.

1.3.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V2-09, d.d. 28 februari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5048 tot en met 5055 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1]:

Ik heb feitelijk niet gewerkt voor de makelaardij. Het is [verdachte]'s handschrift op de werkgeversverklaring d.d. 15 januari 2007. De intentie was er wel, maar het is niet doorgegaan vanwege mijn zwangerschap en de geboorte van [dochter]. Het uitbetalen van mijn eigen salaris heb ik nooit gedaan. Ik weet niet eens hoe je een taxatierapport zou moeten uitwerken. Ik heb nog nooit salaris naar mezelf overgemaakt. Ik heb sporadisch werkzaamheden verricht.

1.3.7.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V2-10, d.d. 29 februari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5056 tot en met 5069 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1]:

Ik herken de overeenkomst met [bedrijf 1] niet. Het is in ieder geval niet mijn handtekening. Ik herken het handschrift op pagina 2 van het notabegeleidingsformulier bij factuur [bank 2]-62 als zijnde het handschrift van [verdachte]. Ik heb de handtekening op pagina 2 niet gezet. Ik herken het handschrift op het notabegeleidingsformulier bij factuur [bank 2]-63 als dat van [verdachte] en de handtekening herken ik niet als de mijne en die heb ik zeker niet gezet.

1.3.8.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V2-20, d.d. 6 maart 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 4177 tot en met 4183 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1]:

Ik was feitelijk nooit werkzaam voor [makkelaardij]. Het klopt niet dat ik over 2006 en 2007 een inkomen had van respectievelijk € 41.300 en € 30.000 uit [makkelaardij].

1.3.9.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201201271500-JDG-Z10-01 (V3-03), d.d. 27 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5073 tot en met 5079 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 4]:

De overeenkomst tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 1] is compleet fake. Dit is mijn handtekening niet. De enige die bevoegd was te tekenen was ik. Ik heb geen idee wie factuur [bank 2]-62 gemaakt heeft. Ik zie dit voor het eerst. Het rekeningnummer is niet van mijzelf. [verdachte] heeft zonder mijn toestemming geld naar zijn eigen rekening over laten boeken. Deze factuur is vals. Ik heb het geld niet ontvangen en mijn bedrijf [bedrijf 1] ook niet. Voor factuur [bank 2]-63 van [bedrijf 1] geldt hetzelfde antwoord. Ik had geen enkele overeenkomst met [medeverdachte 1] of mijn zoon [verdachte].

1.3.10.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-56, opgenomen op de pagina's 5219 tot en met 5221 van het dossier, zijnde een hypotheekaanvraagformulier voor [bank 1] N.V., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum aanvraag: 27 december 2006

Intermediair: Hypotheek Heerenveen

Contactpersoon: [tussenpersoon 1]

Aanvrager: [medeverdachte 1]

Werksituatie: loondienst fulltime vast

Bruto vast jaarinkomen: € 38.241,00

Type Woning: nieuwbouw

Adres: [adres 2] (de rechtbank begrijpt: [adres 2])

Gewenst hypotheekbedrag: € 300.000

Naam geldverstrekker: [bank 1] N.V.

1.3.11.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [tussenpersoon 1]-37, opgenomen op de pagina's 5179 tot en met 5184 van het dossier, kort gezegd en zakelijk weergegeven inhoudende een namens de [bank 1] ondertekende offerte aan [medeverdachte 1] d.d. 18 april 2007 voor een hypotheek van € 300.000,00 met als onderpand het project [adres 2] en met een bouwdepot van € 297.000,00.

1.3.12.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-57, opgenomen op pagina 5222 van het dossier (tevens aangeduid als [tussenpersoon 1]-12, opgenomen op pagina 5154 van het dossier), zijnde een werkgeversverklaring 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam werkgever: [makkelaardij]

Gegevens werknemer: [medeverdachte 1]

In dienst sinds: 01-11-2006

Functie: kantoormanager/ass. makelaar

Aard van het dienstverband: De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst sinds 1-11-2006.

Bruto jaarsalaris: € 35.400,00

Getekend te: Lemmer d.d. 15-01-2007

Naam ondertekenaar: [verdachte]

1.3.13.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-59, opgenomen op pagina 5224 van het dossier (tevens aangeduid als [tussenpersoon 1]-14, opgenomen op pagina 5156 van het dossier), zijnde een salarisspecificatie d.d. 31 december 2006 van [makkelaardij] met betrekking tot mevrouw [medeverdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Loon december 2006 € 2.950,00

€ 2.008,19 betaald op rekeningnummer: [nummer 4]

1.3.14.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-60, opgenomen op pagina 5225 van het dossier (tevens aangeduid als [tussenpersoon 1]-19, opgenomen op pagina 5160 van het dossier), zijnde een werkgeversverklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam werkgever: [makkelaardij] BV

Gegevens werknemer: [medeverdachte 1]

In dienst sinds: 01-11-2006

Functie: kantoormanager/ass. makelaar

Aard van het dienstverband: De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst sinds 1-11-2006.

Bruto jaarsalaris: € 35.400,00

Getekend te: Lemmer d.d. 26-03-2007

Naam ondertekenaar: [verdachte]

1.3.15.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-61, opgenomen op de pagina's 5226 tot en met 5232 van het dossier (tevens onderdeel van de stukken aangeduid als [tussenpersoon 1]-27 tot en met 34, waarbij de eerste pagina is opgenomen op pagina 5168 en het gehele document is opgenomen op pagina 5170 tot en met 5175 van het dossier), zijnde een aannemingsovereenkomst voor eengezinshuizen, kort gezegd en zakelijk weergegeven inhoudende dat ondergetekenden [bedrijf 1] BV, de ondernemer, en [medeverdachte 1], de verkrijger, per 11-04-2007 zijn overeengekomen dat [medeverdachte 1] opdracht geeft en [bedrijf 1] BV aanneemt op het perceel, kadastraal bekend Lemmer [nummer 5], de daarop geprojecteerde/in aanbouw zijnde opstal(len) zoals die is/zijn aangegeven op de bij deze overeenkomst behorende situatietekening te bouwen voor een aanneemsom van € 270.000,00, welke overeenkomst is voorzien van handtekeningen van de ondernemer en de verkrijger.

1.3.16.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina's 5299 tot en met 5304 van het dossier, zijnde een akte van hypotheek, gedateerd 19 april 2007, inhoudende -kort gezegd en zakelijk weergegeven- de verstrekking door [bank 1] aan [medeverdachte 1] van een hypotheek van € 300.000,00, met als onderpand een perceel grond aan [adres 2], kadastraal bekend als gemeente Lemmer, [nummer 1].

1.3.17.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-62, opgenomen op pagina 5233 van het dossier, zijnde een aan [medeverdachte 1] gerichte factuur van [bedrijf 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bank: (opmerking rechtbank: tekst doorgehaald)

Datum: 10-10-07

Factuur no. 611

Gelieve te voldoen binnen 5 dagen op bankrekening: [nummer 6]

Termijn 1 ad 10% conform aannemingsovereenkomst € 27.000,00

1.3.18.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-62, opgenomen op de pagina's 5234 en 5235 van het dossier, zijnde een ondertekend formulier van de [bank 1] voor het aanvragen van een betaling uit depot, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Welke bedrag(en) wilt u laten overschrijven: € 27.000,00

Giro/bankrekeningnummer: [nummer 6]

Naam: [bedrijf 1]

Over uzelf, naam: [medeverdachte 1]

Ondertekening, datum: 16-10-07

1.3.19.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-63, opgenomen op pagina 5236 van het dossier, zijnde een aan [medeverdachte 1] gerichte factuur van [bedrijf 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bank: (opmerking rechtbank: tekst doorgehaald)

Datum: 30-10-07

Factuur no. 627

Gelieve binnen 5 dagen te voldoen op bankrekening: [nummer 6]

Termijn 2 ad 20% conform aannemingsovereenkomst € 54.000,00

1.3.20.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-64, opgenomen op de pagina's 5237 en 5238 van het dossier, zijnde een ondertekend formulier van de [bank 1] voor het aanvragen van een betaling uit depot, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Welke bedrag(en) wilt u laten overschrijven: € 54.000,00

Giro/bankrekeningnummer: [nummer 6]

Naam: [bedrijf 1]

Over uzelf, naam: [medeverdachte 1]

Ondertekening, datum: 30-10-07

1.3.21.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-53, opgenomen op pagina 5210 van het dossier, zijnde een brief d.d. 30 september 2009 aan de [bank 2], ondertekend door verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van ons prettig gesprek d.d. 1 juli 2009 waarin u mij verzocht om de door ons ([verdachte] en [medeverdachte 1]) opgegeven inkomsten te onderbouwen bericht ik u als volgt. Op uw verzoek heb ik door mijn financieel adviseur de aangiftes van 2006 en 2007 van mw. [medeverdachte 1] opgevraagd, alsmede de aangifte 2006 van mijzelf. Desbetreffende aangiftes bleken nog niet gedaan en derhalve heb ik verzocht deze alsnog op te maken en in te dienen bij de belastingdienst. De uitkomsten van deze fiscale aangiftes zijn bijgevoegd. De aangiftes zijn inmiddels verzonden aan de belastingdienst. De aangiftes die u nu van ons gekregen heeft, zijn wel de definitieve stukken ten aanzien van het inkomen van zowel mijzelf als [medeverdachte 1].

1.3.22.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-54, opgenomen op de pagina's 5211 tot en met 5213 van het dossier, getiteld "Aangifte [medeverdachte 1] 2006", voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Belastingdienst Aangifteprogramma 2006

Inkomensgegevens van [medeverdachte 1]

Datum 09-09-2009

Naam: [medeverdachte 1]

Loon [makkelaardij] € 41.300

Totaal inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 41.300

1.3.23.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-55, opgenomen op de pagina's 5214 tot en met 5217 van het dossier, getiteld "Aangifte 2007 [medeverdachte 1]", voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Belastingdienst Aangifteprogramma 2007

Inkomensgegevens van [medeverdachte 1]

Datum 29-09-2009

Naam: [medeverdachte 1]

[makkelaardij] € 30.000

Question en Answer € 10.000

Totaal inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 40.000

1.3.24.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-85, opgenomen op de pagina's 5286 tot en met 5288 van het dossier, zijnde een verslag van een interview, ondertekend door verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Van [medewerker 1] en [medewerker 2]

Datum interview 1 juli 2009

Geïnterviewde [verdachte]

Dhr. [verdachte] verklaarde: U vraagt mij wat ik kan zeggen over het inkomen van [medeverdachte 1] ten tijde van de hypotheekaanvraag met betrekking tot [adres 2]. De werkgeversverklaring is door mijzelf opgesteld en klopt. Het inkomen is niet gestort op [bank 7]-rekening [nummer 4] t.n.v. [medeverdachte 1]. U vraagt mij het inkomen van [medeverdachte 1] aan te laten tonen door [medeverdachte 1] door middel van rekeningafschriften, aangifte IB en of (definitieve) belastingaanslagen.

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde (zaaksdossier A10)

Dit feit heeft betrekking op de aanvraag en toekenning van een hypotheek voor het pand [adres 2] en de uitbetaling van een (deel van het) bij die hypotheek behorende bouwdepot. Het feit is ten laste gelegd als (medeplegen van) het opzettelijk gebruik maken van een aantal valse documenten in het kader van die aanvraag, toekenning en/of uitbetaling.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging vermelde werkgeversverklaringen (documenten a. en c.) en salarisspecificatie (document b.) met de kennis van zaken en de intenties van toen in overeenstemming waren met de waarheid en dat deze geschriften daarom niet valselijk zijn opgemaakt. Daartoe is aangevoerd dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) een vast dienstverband had met [makkelaardij], maar dat zij zwanger was. Het was de bedoeling dat [medeverdachte 1] salaris zou krijgen en dat privé-onttrekkingen door [medeverdachte 1] aan de bankrekening als salaris zouden worden weggeboekt. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, voor zover document Aangifte [medeverdachte 1] 2006 (document f.) en document Aangifte 2007 [medeverdachte 1] (document g.) vals zijn, verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de nauwe en bewuste samenwerking bij het opstellen of gebruiken van deze documenten. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte deze documenten heeft ontvangen van [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) en heeft doorgestuurd aan de hypotheekverstrekker. Daarbij vertrouwde verdachte op hetgeen hem door [medeverdachte 5] werd toegestuurd. Daarom moet verdachte volgens de verdediging worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit ziet op de documenten a., b., c., f. en g.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer en op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen het volgende.

In de beide werkgeversverklaringen (documenten a. en c.) is vermeld dat [medeverdachte 1] sinds 1 november 2006 in vaste dienst is bij [makkelaardij] en in de salarisspecificatie (document b.) is vermeld dat zij over december 2006 een (bruto) loon van € 2.950,00 heeft ontvangen van [makkelaardij] Hiermee wordt bij de hypotheekverstrekker de indruk gewekt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het opstellen van die geschriften feitelijk werkzaamheden voor [makkelaardij] verrichtte en daarvoor maandelijks salaris ontving. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat (op dat moment) van een dergelijk vast dienstverband en een dergelijke salarisbetaling geen sprake was. Blijkens haar eigen verklaring en ook de verklaring van verdachte heeft [medeverdachte 1] niet of nauwelijks werkzaamheden verricht voor de makelaardij. Behalve uit de verklaringen van verdachte blijkt nergens uit dat [medeverdachte 1] salaris heeft ontvangen van [makkelaardij] Het in de salarisspecificatie vermelde salaris is niet uitbetaald op de in dat document vermelde rekening. Ook is niet gebleken dat op die rekening op enig ander moment salaris is uitbetaald. Voor een andere manier van verloning is in het dossier geen enkele indicatie te vinden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij nooit salaris aan zichzelf heeft uitbetaald of overgemaakt. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] geen salaris heeft ontvangen.

Bij de Belastingdienst is opgegeven dat [medeverdachte 1] van 1 november 2006 tot en met 28 februari 2007 salaris ontving van [bedrijf 4] Dit komt overeen met de bij het Uwv bekende gegevens. Deze gegevens zijn - wat daar verder ook van zij - op zich niet in strijd met de inhoud van de werkgeversverklaring van 15 januari 2007 en de salarisspecificatie over december 2006. Deze gegevens zijn echter wel in strijd met de werkgeversverklaring van 26 maart 2007. Gelet op de omstandigheden dat [medeverdachte 1] niet of nauwelijks werkzaamheden heeft verricht, dat zij geen salaris heeft ontvangen en dat de bij de Belastingdienst en het Uwv opgegeven periode eindigt voor het moment van opstellen van de tweede werkgeversverklaring, is de rechtbank van oordeel dat het bij de Belastingdienst en het Uwv opgegeven dienstverband fictief is.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de beide werkgeversverklaringen en de salarisspecificatie vals zijn. Dat het wellicht -zoals verdachte stelt- wel de bedoeling was dat [medeverdachte 1] voor zijn makelaardij zou gaan werken, doet hier niet aan af. Het is immers voor een ieder duidelijk dat in een werkgeversverklaring en een salarisspecificatie de werkelijke situatie dient te worden weergegeven, zoals die ten tijde van het opstellen van deze geschriften is, en niet een bedoelde of gewenste (toekomstige) situatie die zich in werkelijkheid (nog) niet voordoet.

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat er feitelijk geen overeenkomst is gesloten over participatie door [bedrijf 1] en dat hij de aannemingsovereenkomst (document d.) heeft voorzien van de handtekening van [medeverdachte 1]. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Uit deze bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat document d. zowel voor wat betreft de inhoud als voor wat betreft de handtekening van [medeverdachte 1] vals is.

Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] blijkt dat de beide facturen met betrekking tot een (uit)betalingstermijn conform aannemingsovereenkomst (documenten e.) niet afkomstig zijn van zijn bedrijf [bedrijf 1]. Deze verklaring wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund doordat het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] op de facturen is doorgehaald en is vervangen door een rekeningnummer van (of gelieerd aan) verdachte en dat de op de facturen vermelde bedragen nooit zijn betaald aan [medeverdachte 4] en/of [bedrijf 1]. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze beide facturen vals zijn.

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat zij in 2006 geen € 41.300,00 en in 2007 geen € 30.000,00 heeft ontvangen uit een dienstverband met [makkelaardij] Uit de gegevens van de Belastingdienst en het Uwv blijkt dat bij deze instanties in 2006 en 2007 een veel lager salaris is opgegeven. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de documenten Aangifte [medeverdachte 1] 2006 (document f.) en Aangifte 2007 [medeverdachte 1] (document g.) vals zijn.

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte moet hebben geweten dat al deze geschriften in strijd met de waarheid waren. Ten aanzien van de documenten a., b., c., f. en g. overweegt de rechtbank in dat kader het volgende. Verdachte wist, blijkens zijn verklaringen, dat [medeverdachte 1] feitelijk niet of nauwelijks werkzaamheden verrichtte voor [makkelaardij] en dat haar salaris niet werd uitbetaald op de rekening die was vermeld op de salarisspecificatie. Nu er geen enkele indicatie is dat het salaris op een andere wijze is uitbetaald, gaat de rechtbank ervan uit dat dit ook niet is gebeurd. Hieruit volgt dat verdachte wist dat feitelijk geen sprake was van een vast dienstverband, noch van salarisbetaling, en dat hij dus ook wist dat [medeverdachte 1] in 2006 geen € 41.300,00 en in 2007 geen € 30.000,00 aan inkomsten van [makkelaardij] heeft ontvangen. Dat verdachte - naar hij stelt - voor wat betreft de documenten f. en g. zou hebben vertrouwd op hetgeen [medeverdachte 5] hem had toegestuurd, doet hier niet aan af.

Desondanks heeft verdachte opzettelijk gebruik gemaakt van al deze geschriften, als waren die geschriften echt en onvervalst, door ze (al dan niet door tussenkomst van een tussenpersoon) te doen/laten toekomen aan de hypotheekverstrekker. De beide werkgeversverklaringen, de salarisspecificatie en de aannemingsovereenkomst zijn ingediend in verband met de aanvraag van de hypotheek. De beide facturen zijn ingediend in verband met de uitbetaling van (een deel van) het bij die hypotheek behorende bouwdepot. De documenten Aangifte [medeverdachte 1] 2006 en Aangifte 2007 [medeverdachte 1] zijn pas in september 2009 aan de hypotheekverstrekker toegestuurd. Op dat moment was de hypotheek al verstrekt en was de laatste betaling uit het bouwdepot al gedaan. Verdachte heeft deze stukken aan de hypotheekverstrekker toegestuurd, nadat deze hem tijdens het interview van 1 juli 2009 in verband met de hypotheekaanvraag voor [adres 2] had gevraagd het inkomen van medeverdachte [medeverdachte 1] door haar aan te laten tonen door middel van rekeningafschriften, aangifte IB en/of (definitieve) belastingaanslagen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze documenten aan de hypotheekverstrekker zijn toegestuurd in verband met de aanvraag van de hypotheek, zoals ten laste is gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank waren al deze documenten naar hun aard bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat al deze documenten zijn toegestuurd aan de hypotheekverstrekker in verband met de aanvraag, toekenning of uitbetaling van (een deel van het bouwdepot behorende bij) de hypotheek.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A10)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

2.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 20 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de facturen van [bedrijf 6] ingediend bij de [bank 1] en de [bank 1] gevraagd de daarop vermelde bedragen uit te betalen. Voor zover op de opdrachten aan de [bank 1] tot uitbetalingen uit het depot handtekeningen van [medeverdachte 1] staan, denk ik dat ik die voor haar heb gezet. Volgens mij heeft [medeverdachte 1] nooit dergelijke opdrachten ondertekend. Er mag dus wel vanuit worden gegaan dat ik ze allemaal heb ondertekend. De [bank 1] heeft die bedragen uitbetaald. Na overleg met [medeverdachte 2] hebben we besloten dat [medeverdachte 2] het geld aan mij zou doorstorten zodra het op zijn rekening kwam. [medeverdachte 2] heeft een paar keer geld doorgestort naar een bouwrekening of een privérekening van mij. Volgens mij is dat gebeurd op een rekening van[bedrijf 7] Vervolgens heb ik van de rekening waarop dat geld binnenkwam betalingen gedaan.

2.2

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 7 oktober 2014, RC-nummer 14/2710, 14/2711, 14/2712 en 14/2713, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2]:

Ik verrichtte werkzaamheden voor het pand aan de [straat 1] via mijn bedrijf [bedrijf 6]. Er hebben veel meer bedrijven aan de dubbele woning aan de [straat 1] gewerkt. Die bedrijven factureerden niet via mij. Zij factureerden direct.

2.3.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

2.3.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2009114784, d.d. 15 december 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten dan wel één van hen:

(op pagina 31 van het dossier, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als algemeen relaas:)

Samenvattend kon uit diverse gegevensbronnen worden geconcludeerd dat er ernstige vermoedens waren dat de verdachten zich bezig hielden met strafbare feiten valsheid in geschrifte, oplichten, witwassen en/of verduistering. De rol van elke verdachte zal in de afzonderlijke dossiers nader worden belicht.

(op pagina 4961, in het gedeelte van het proces-verbaal aangeduid als relaas [adres 2]):

Volgens de omzetgegevens van [bedrijf 6] werd in het 2e kwartaal van 2008 een omzet opgegeven van € 15.000. Volgens de omzetgegevens van [bedrijf 6] werd in het 3e kwartaal van 2008 geen omzet opgegeven.

2.3.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V1-28, d.d. 26 maart 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 272 tot en met 275 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Tijdens de bouw van [adres 2]-60 heb ik alles geregeld. Ik leidde de bouw en stuurde de aanvragen voor uitbetaling uit het bouwdepot naar de bank. Ik tekende namens [medeverdachte 1] de stukken. Hiermee bedoel ik dat ik [medeverdachte 1]'s handtekening onder de stukken heb gezet. De bankrekeningen op naam van [bedrijf 7] beheerden [medeverdachte 5] en ik.

2.3.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V2-10, d.d. 29 februari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5056 tot en met 5069 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1]:

Over de notabegeleidingsformulieren bij de facturen [bank 2]-70, [bank 2]-72, [bank 2]-74 en [bank 2]-76 kan ik zeggen dat op deze formulieren het handschrift van [verdachte] staat en de ondertekening niet door mij is gebeurd.

2.3.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201201281010-AH-05 (V4-05), d.d. 28 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5080 tot en met 5092 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2]:

(Opmerking: We tonen u de facturen [bank 2]-70, [bank 2]-72, [bank 2]-74 en [bank 2]-76. Vraag: Welke werkzaamheden zijn verricht door het bedrijf [bedrijf 6]. Antwoord:) Ik heb de bouw begeleid en meegewerkt aan die twee-onder-een-kap woningen aan de [straat 1] in Lemmer. Ik was eigenaar van het bedrijf [bedrijf 6]. Voor zover ik mij kan herinneren heb ik één of twee facturen gemaakt. U laat mij vier facturen zien en wij constateren alle drie, dat de lay-out van alle vier facturen anders is. De lay-out van de factuur genummerd [bank 2]-74 herken ik als zijnde van mij afkomstig. Gebaseerd op de verschillen, die wij nu constateren, ga ik er vanuit, dat ik 1 factuur zelf heb gemaakt en dat die andere drie vervalst zijn of valselijk opgemaakt zijn. Ik wist, dat [verdachte] een bouwdepot had. Hij kwam bij mij en vroeg om een factuur. Daarbij zei hij, dat dat geld van hem was en dat hij daarvan wat nodig had. Ik heb daar wel werkzaamheden verricht, maar niet voor € 159.200,01. (Opmerking: Kort nadat voornoemde bedragen zijn bijgeboekt op de rekening van [bedrijf 6], worden de volgende bedragen doorgeboekt naar de rekening van [bedrijf 7], te weten [nummer 7]. 01-07-2008 € 50.000. 31-07-2008 € 50.000. 05-09-2008 € 30.000. 08-09-2008 € 4.585. 12-11-2008 €13.000. Vraag: Wat was hiervan de bedoeling? Antwoord:) Destijds was het verhaal: Ik heb een bouwdepot, ik heb geld nodig dus een factuur, dan kan ik jou ook betalen. Ik heb zelf die overboekingen gedaan. Het geld zou bij mij binnenkomen en ik zou het meteen doorstorten.

2.3.5.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-70, opgenomen op pagina 5246 van het dossier, zijnde een factuur van [bedrijf 6], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum: 19 juni 2008

Factuurnr. 20080618

Factuuradres: Mw. [medeverdachte 1]

Beschrijving: Bouwwerkzaamheden woning [straat 1] Lemmer

Totaal: € 54.000,00

Rabobank Rek.nr. [nummer 2]

2.3.6.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-71, opgenomen op de pagina's 5247 en 5248 van het dossier, zijnde een ondertekend formulier van de [bank 1] voor het aanvragen van een betaling uit depot, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Welke bedrag(en) wilt u laten overschrijven: € 54.000,00

Giro/bankrekeningnummer: [nummer 2]

Naam: [bedrijf 6]

Over uzelf, naam: [medeverdachte 1]

Ondertekening, datum: 19-06-2008

2.3.7.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-72, opgenomen op pagina 5249 van het dossier, zijnde een factuur van [bedrijf 6], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum: 22 juli 2008

Factuurnr. 20080719

Factuuradres: Mw. [medeverdachte 1]

Beschrijving: Bouwwerkzaamheden woning [straat 1] Lemmer

Totaal: € 54.000,00

Rabobank Rek.nr. [nummer 2]

2.3.8.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-73, opgenomen op de pagina's 5250 en 5251 van het dossier, zijnde een ondertekend formulier van de [bank 1] voor het aanvragen van een betaling uit depot, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gegevens aanvrager: [medeverdachte 1]

Gegevens nota 1: € 54.000,00

Giro/bankrekeningnummer: [nummer 2]

Naam rekeninghouder(s): [bedrijf 6]

Factuur-/notadatum: 22-07-2008

Ik verklaar dit formulier naar waarheid te hebben ingevuld

Datum: 22-07-2008

2.3.9.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-74, opgenomen op pagina 5252 van het dossier, zijnde een factuur van [bedrijf 6], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum: 27 augustus 2008

Factuurnr. 20080823

Factuuradres: Mw. [medeverdachte 1]

Beschrijving: Bouwwerkzaamheden woning [straat 1] Lemmer

Totaal: € 35.700,00

Rabobank Rek.nr. [nummer 2]

2.3.10.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-75, opgenomen op de pagina's 5253 en 5254 van het dossier, zijnde een ondertekend formulier van de [bank 1] voor het aanvragen van een betaling uit depot, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gegevens aanvrager: [medeverdachte 1]

Gegevens nota 1: € 35.700,00

Giro/bankrekeningnummer: [nummer 2]

Naam rekeninghouder(s): [bedrijf 6]

Factuur-/notadatum: 27-08-2008

Ik verklaar dit formulier naar waarheid te hebben ingevuld

Datum: 27-08-2008

2.3.11.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-76, opgenomen op pagina 5255 van het dossier, zijnde een factuur van [bedrijf 6], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum: 31 oktober 2008

Factuurnr. 20081036

Factuuradres: [medeverdachte 1]

Beschrijving: Bouwwerkzaamheden woning [straat 1] Lemmer

Totaal: € 15.500,01

Rabobank Rek.nr. [nummer 2]

2.3.12.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-77, opgenomen op de pagina's 5256 en 5257 van het dossier, zijnde een ondertekend formulier van de [bank 1] voor het aanvragen van een betaling uit depot, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gegevens aanvrager: [medeverdachte 1]

Gegevens nota 1: € 15.500,00

Giro/bankrekeningnummer: [nummer 2]

Naam rekeninghouder(s): [bedrijf 6]

Factuur-/notadatum: 31-10-2008

Ik verklaar dit formulier naar waarheid te hebben ingevuld

Datum: 01-11-2008

2.3.13.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 8059 tot en met 8126 van het dossier, zijnde een uitdraai van een Excel-bestand betreffende rekening 3288.19.034 t.n.v. [medeverdachte 2] over de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 december 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

- dat op 27 juni 2008 € 13.498,99 is ontvangen van [bank 1]/Hypotheken/[medeverdachte 1] (p. 8064);

- dat op 27 juni 2008 € 40.501,01 is ontvangen van [bank 1]/Hypotheken/[medeverdachte 1] (p. 8065);

- dat op 1 juli 2008 € 50.000 is overgemaakt naar rekening [nummer 7] (p. 8065);

- dat op 30 juli 2008 € 54.000 is ontvangen van [bank 1]/Hypotheken/[medeverdachte 1] (p. 8066);

- dat op 31 juli 2008 € 50.000 is overgemaakt naar rekening [nummer 7] (p. 8067);

- dat op 2 september 2008 € 35.700 is ontvangen van [bank 1]/Hypotheken/[medeverdachte 1] (p. 8068);

- dat op 5 september 2008 € 30.000 is overgemaakt naar rekening [nummer 7] (p. 8068);

- dat op 8 september 2008 € 4.585 is overgemaakt naar rekening [nummer 7] (p. 8068);

- dat op 11 november 2008 € 15.500,01 ontvangen van [bank 1]/Hypotheken/[medeverdachte 1] (p. 8070);

- dat op 12 november 2008 € 13.000 is overgemaakt naar rekening [nummer 7] (p. 8071).

2.3.14.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 8434 tot en met 8457 van het dossier, zijnde een uitdraai van een Excel-bestand betreffende rekening [nummer 3] t.n.v. [bedrijf 7] over de periode van 7 februari 2006 tot en met 20 maart 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

- dat het beginsaldo op datum eerste afschrift € 0,00 bedroeg (p. 8435);

- dat op 1 juli 2008 € 50.000,00 is ontvangen van rekening [nummer 2] (p. 8444);

- dat op 1 augustus 2008 € 50.000,00 is ontvangen van rekening [nummer 2] (p. 8447);

- dat op 5 september 2008 € 30.000,00 is ontvangen van rekening [nummer 2] (p. 8449);

- dat op 8 september 2008 € 4.585,00 is ontvangen van rekening [nummer 2] (p. 8449);

- dat op 12 november 2008 € 13.000,00 is ontvangen van rekening [nummer 2] (p. 8455);

- dat in de periode van 1 juli 2008 tot en met 20 maart 2009 op deze rekening ook een groot aantal bedragen binnenkwam van andere rekeningen (p. 8444 tot en met 8457);

- dat in de periode van 1 juli 2008 tot en met 20 maart 2009 vanaf deze rekening een groot aantal betalingen is gedaan (p. 8444 tot en met 8457);

- dat de rekening op 20 maart 2009 is opgeheven en het resterende saldo van € 3.830,50 toen is overgeboekt naar rekening 148569641 (p. 8457).

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A10)

Onder 2. is ten laste gelegd (medeplegen van) het witwassen van een aantal geldbedragen (primair), dan wel (medeplegen van) het opdracht geven tot het witwassen van deze geldbedragen door[bedrijf 7] (subsidiair).

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) (het opdracht geven tot) witwassen en dat hij daarom moet worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het enkele verwerven en/of voorhanden hebben van een geldbedrag niet het karakter heeft van een gedraging gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. Voorts is aangevoerd dat de reden van het doorstorten van de geldbedragen van de rekening van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) naar een aan verdachte gelieerde rekening was gelegen in de omstandigheid dat [medeverdachte 2] een schuld had van ongeveer € 60.000,00 en verdachte wilde voorkomen dat de uit het bouwdepot uitbetaalde bedragen ten gevolge van beslaglegging niet gebruikt zouden kunnen worden voor de bouw van het pand [adres 2].

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer en op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de vier facturen van [bedrijf 6] (opgenomen als bewijsmiddelen 2.3.5., 2.3.7., 2.3.9. en 2.3.11.) valselijk zijn opgemaakt. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat drie van de facturen vals zijn en dat hij het bedrag van € 159.200,01 (zijnde het totaalbedrag van de vier facturen) niet heeft ontvangen. De lay-outs van drie van de vier facturen stemmen niet overeen met de lay-out van de vierde factuur. De op de facturen vermelde bedragen zijn ieder op zich al hoger dan het bedrag dat [medeverdachte 2] in de desbetreffende periode aan omzet heeft opgegeven. De bedragen zijn feitelijk niet (volledig) betaald aan [bedrijf 6], maar zijn kort nadat ze op de rekening van [bedrijf 6] waren gestort, grotendeels doorgestort naar de rekening van [bedrijf 7]. Ook de door verdachte bij de hypotheekverstrekker ingediende formulieren voor het aanvragen van een betaling uit het bouwdepot (ook wel aangeduid als begeleidingsformulieren) waren vals, reeds omdat verdachte deze heeft voorzien van de handtekening van [medeverdachte 1]. Gelet op deze omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders dan dat verdachte heeft geweten dat deze facturen en formulieren vals waren.

Desondanks heeft verdachte deze facturen en formulieren ingediend bij de hypotheekverstrekker en deze zodoende bewogen de op die facturen en formulieren vermelde bedragen uit te betalen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, en dat verdachte dit ook wist.

Verdachte heeft [medeverdachte 2] opdracht gegeven de uitbetaalde geldbedragen door te storten naar een rekening van[bedrijf 7], waarover hij feitelijk de beschikking had. Daardoor heeft hij deze geldbedragen verworven en voorhanden gehad. Vervolgens heeft hij met deze geldbedragen betalingen gedaan. Ook zijn er andere geldbedragen binnengekomen op de rekening van[bedrijf 7] Hierdoor zijn de van misdrijf afkomstige geldbedragen vermengd geraakt met legaal geld. Door deze handelwijze heeft verdachte de geldbedragen overgedragen en omgezet. Zodoende heeft hij de geldbedragen niet alleen verworven en voorhanden gehad, maar heeft hij ook de illegale herkomst daarvan verhuld en was dus sprake van witwassen.

Dat de bouwwerkzaamheden waarvoor het depot was bestemd uiteindelijk zijn betaald, doet er niet aan af dat de uitbetaling van de bedragen is bewerkstelligd door middel van het indienen van valse facturen en formulieren en dat de illegale herkomst van de uitbetaalde bedragen is verhuld doordat deze zijn doorgesluisd en vermengd met legaal geld. Datzelfde geldt voor de door de verdediging gestelde reden (angst voor beslaglegging) voor het doorboeken van de geldbedragen van de rekening van [medeverdachte 2] naar de rekening van[bedrijf 7], wat daar ook van zij. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte 2] de desbetreffende bedragen nooit terug heeft gekregen en dat de andere bij de bouw van het pand werkzame bedrijven rechtstreeks (en dus niet via [bedrijf 6]) factureerden.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A13)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

3.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 20 en 21 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb het op me genomen om de hypotheek op naam van [medeverdachte 1] voor het pand [adres 3] te regelen. Daarbij is gebruik gemaakt van de tussenpersoon [bedrijf 8] De hypotheekaanvraag bij de [bank 5] is mij bekend. De tussenpersoon gaf aan welke stukken nodig waren en ik zorgde voor de gegevens voor de aanvraag. Ik heb de werkgeversverklaring van [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1] in overleg met [medeverdachte 5] opgesteld. Mijn telefoonnummer staat onder de werkgeversverklaring. Mijn telefoonnummer was destijds [nummer 8]. Ik was op de hoogte van de inhoud van die werkgeversverklaring. Ik denk dat ik [medeverdachte 5] om een salarisspecificatie van [bedrijf 2] op naam van [medeverdachte 1] heb gevraagd en die van hem heb gekregen. Op de rekening die vermeld staat op die salarisspecificatie is geen salaris betaald, aangezien die rekening toen al niet meer actief was. Op een gegeven moment zei de tussenpersoon dat de hypotheekverstrekker om bankafschriften vroeg. Toen zijn de afschriften/overzichten van de [bank 7] aangeleverd. De hypotheek is nooit tot stand gekomen.

3.2.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 8 oktober 2014, RC-nummer 14/2711, 14/2712 en 14/2713, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring verdachte:

[medeverdachte 1] heeft niet specifiek als projectmanager voor [bedrijf 2] gewerkt.

3.3.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

3.3.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2009114784-1, d.d. 4 november 2009 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 5943 en 5944 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [aangever 2]:

Ik ben namens [bank 3], gevestigd te Amsterdam, gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik heb de aangifte op schrift gesteld en doe deze als bijlage hierbij.

3.3.2.

een bij het onder 3.3.1 vermelde proces-verbaal gevoegd schriftelijk bescheid met als onderwerp aangifte ter zake valsheid in geschrifte en oplichting, opgenomen op de pagina's 5945 tot en met 5961 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, [aangever 1], ben als onderzoeker bancaire criminaliteit in dienstbetrekking werkzaam bij de [bank 3], waartoe ook [bank 5] ([bank 5]) en [bank 1] (thans [bank 2]) behoren. Als zodanig ben ik bevoegd tot het doen van aangifte van strafbare feiten gepleegd tegen [bank 2], [bank 5] en [bank 1]. Namens [bank 2] wil ik aangifte doen tegen [verdachte] en [medeverdachte 1].

Voor het verstrekken van hypotheken verzamelt de bank gegevens van de aanvrager, nodig om een offerte te maken. Naast onder andere de persoonsgegevens dient de bank te beschikken over gegevens over het inkomen. Aan de hand van het inkomen wordt berekend of voor het gevraagde bedrag een hypothecaire geldlening kan worden verstrekt. Voor deze berekening wordt een vaste methodiek gehanteerd. Bij het inkomen is het van belang of dit inkomen in loondienst wordt verdiend of dat de aanvrager zelfstandig ondernemer is. Is de aanvrager in loondienst dan wordt voor het verzamelen van de inkomensgegevens gebruik gemaakt van een werkgeversverklaring. Deze verklaring dient door de werkgever ingevuld te worden en te worden voorzien van een handtekening van de werkgever en een firmastempel. Ook dient een recente salarisstrook overgelegd te worden. Op basis van het ingevulde aanvraagformulier wordt een offerte uitgebracht. Deze offerte wordt door de bank gezonden aan de aanvrager ter acceptatie of aan de tussenpersoon die de offerte ter ondertekening voorlegt aan de aanvrager. Als de offerte wordt geaccepteerd en wordt ondertekend door de aanvrager dan zendt deze of de tussenpersoon de offerte terug naar de bank. De offerte dient onder andere vergezeld te zijn van een kopie van een legitimatiebewijs en de werkgeversverklaring met (originele) loonstrook indien er sprake is van loondienst. Na ontvangst door de bank wordt gecontroleerd of alle benodigde gegevens aanwezig en akkoord zijn. Is dit het geval dan wordt de hypothecaire geldlening verstrekt.

Uit het vierde dossier op naam van [medeverdachte 1] met betrekking tot het pand [adres 3] blijkt onder andere het volgende:

Op 25 november 2008 wordt via intermediair [bedrijf 8] een hypothecaire lening aangevraagd voor [medeverdachte 1] ad. € 435.000,00 voor de aankoop van een bestaande eengezinswoning ad. € 399.000,00. Met betrekking tot het inkomen uit loondienst wordt een totaal bruto inkomen ad € 73.872,00 genoemd voor de functie van projectmanager bij [bedrijf 2].

Inkomensbescheiden:

Werkgeversverklaring

Werkgever: [bedrijf 2]

Werknemer: [medeverdachte 1]

In dienst sinds: 01-07-2008

Functie: Projectmanager

Bruto jaarsalaris: € 73.872,-

Getekend op: 18-11-2008

Getekend door: [medeverdachte 2] (directeur)

Salarisspecificatie

Werkgever: [bedrijf 2]

Werknemer: [medeverdachte 1]

Loon juli t/m oktober 2008: bruto € 5.700,-

netto € 3.513,05

Gestort op rekeningnummer: [nummer 4]

De transactie overzichten zijn door de bank extra opgevraagd in verband met het hoge

inkomen op de werkgeversverklaring en door [bedrijf 8] (tussenpersoon) verzonden aan

[bank 5]. Deze transactieoverzichten vermelden onder meer de volgende transacties:

Ten name van: [medeverdachte 1]

Rekening nummer: [nummer 4]

Storting 04-08-2008: € 3.513,05

01-09-2008: € 3.513,05

01-10-2008: € 3.513,05

03-11-2008: € 3.513,05

Met omschrijving: OVB: Overboeking per bank/giro [nummer 9] [bedrijf 2]

[bedrijf 2] - Salaris mw. [medeverdachte 1]

Op 1 december 2008 vraagt een medewerker van [bank 2] / de heer [medewerker 3] aan [bank 7] Bank per

mail of het inkomen volgens de salarisspecificaties en bijgevoegde transactieoverzichten ook

worden gestort op de rekening van [medeverdachte 1]. Het antwoord per mail van [bank 7] Bank / [medewerker 4] op 1 december 2008 is als volgt: “Hierbij bevestig ik dat het opgegeven inkomen van mevrouw [medeverdachte 1] niet op opgegeven rekening gestort wordt. Dit is niet mogelijk omdat deze rekening per januari 2007 al afbetaald is.”

Op 4 december 2008 stuurt [verdachte] aan [bank 2], wanneer hij telefonisch van [bank 2] heeft

vernomen van de ontdekking van zijn valse [bank 7]-transactieoverzichten en de voorgenomen

opeising van de hypothecaire lening, een brief waarin hij uiteenzet wat zijn bedoeling is

geweest met betrekking tot de [bank 7]-transactieoverzichten. Daarbij is een bijlage gevoegd,

zijnde een brief aan [bedrijf 8], volgens [verdachte] gezonden aan [bank 5] op

27-11-2008. In de [bedrijf 8]-brief verklaart [verdachte] dat het geen originele bankafschriften zijn. Deze [bedrijf 8]-brief is niet door [bank 5] ontvangen en van deze brief wordt pas voor het eerst kennisgenomen bij de ontvangst van de verklaring van [verdachte].

3.3.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2007125828-1 (V1-37), d.d. 3 april 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5969 tot en met 5971 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

[medeverdachte 1] heeft nauwelijks of geen werkzaamheden verricht voor [bedrijf 2].

3.3.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer V2-14, d.d. 1 maart 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5972 tot en met 5978 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1]:

Ik ben naar mijn mening nog nooit werkzaam geweest voor [bedrijf 2]. Dat ik werkzaam zou zijn geweest als projectleider klopt dus niet. Het handschrift op de werkgeversverklaring herken ik als het handschrift van [verdachte]. [medeverdachte 5] was directeur van [bedrijf 2]. Ik heb nooit met [medeverdachte 5] een werkgevers-werknemers relatie gehad. (Vraag: [verdachte] heeft tegen de bank verklaard dat u op een andere wijze uw salaris heeft gehad. Op welke wijze volgens u en van welke rekening is dat betaald? Antwoord:) Ik zou niet weten wat hij daarmee bedoelt. Ik denk eigenlijk dat er helemaal geen geld is betaald aan mij.

3.3.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201201311330-HNK-SVH-6 (V1-07; de rechtbank begrijpt V5-09), d.d. 31 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5979 tot en met 5992, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 5]:

De werkgeversverklaring [bank 2]-105 zegt me niets. Dit is mijn handtekening ook niet. Het schrijven [bank 2]-107 is niet van mij. Ik weet zeker dat ik [medeverdachte 1] nooit op de loonlijst heb gehad.

3.3.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201205220950-HNK-02 (V5-15), d.d. 22 mei 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 5993 tot en met 5996, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 5]:

[medeverdachte 1] is geen projectmanager geweest bij [bedrijf 2] [medeverdachte 1] heeft geen salaris gehad uit [bedrijf 2]

3.3.7.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 7064 tot en met 7066 van het dossier, zijnde een hypotheekaanvraagformulier d.d. 25 november 2008 voor [bank 5], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Intermediair: [bedrijf 8]

1e aanvrager: [medeverdachte 1]

beroepsuitoefening: loondienst

dienstverband: vast fulltime

functie: projectmanager

bruto inkomen: € 73.872,00

werkgever: [bedrijf 2]

soort onderpand: eengezinswoning

adres: [adres 3]

hypotheekbedrag: € 435.000,00

3.3.8.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-105, opgenomen op pagina 6007 van het dossier, zijnde een werkgeversverklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam werkgever: [bedrijf 2]

Gegevens werknemer: [medeverdachte 1]

In dienst sinds: 1-7-2008

Functie: projectmanager

Aard van het dienstverband: De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst

Bruto jaarsalaris: € 68.400,00

Getekend te: Lemmer d.d. 18-11-2008

Naam ondertekenaar: [medeverdachte 2]

Tel.: 06-23338383

3.3.9.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-107, opgenomen op pagina 6010 van het dossier, zijnde een ondertekend(e) brief of faxbericht aan [bedrijf 8], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Betreft: werkgeversverklaring mw. [medeverdachte 1]

Datum: 19-11-2008

voor bovenstaande werknemer heb ik de werkgeversverklaring 18 november 2008 ingevuld.

Bij het ontbreken van een bedrijfsstempel wil ik u middels dit schrijven bevestigen dat ik de werkgeversverklaring persoonlijk en naar waarheid heb ingevuld.

Met vriendelijke groet,

[bedrijf 2]

Dhr. [medeverdachte 2]

3.3.10.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-115, opgenomen op pagina 6017 van het dossier, zijnde een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2008 van [bedrijf 2] met betrekking tot mevrouw [medeverdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Periode 7 (juli)

Bruto loon € 5.700

Netto loon, met loonheffingskorting € 3.513,05

€ 3.513,05 betaald op rekeningnummer [nummer 4]

3.3.11.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-113, opgenomen op pagina 6015 van het dossier, zijnde een salarisspecificatie d.d. 31 augustus 2008 van [bedrijf 2] met betrekking tot mevrouw [medeverdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Loon augustus 2008 € 5.700

Netto loon, met loonheffingskorting € 3.513,05

€ 3.513,05 betaald op rekeningnummer [nummer 4]

3.3.12.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-111, opgenomen op pagina 6013 van het dossier, zijnde een salarisspecificatie d.d. 30 september 2008 van [bedrijf 2] met betrekking tot mevrouw [medeverdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Loon september 2008 € 5.700

Netto loon, met loonheffingskorting € 3.513,05

€ 3.513,05 betaald op rekeningnummer [nummer 4]

3.3.13.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-106, opgenomen op pagina 6008 van het dossier, zijnde een salarisspecificatie d.d. 31 oktober 2008 van [bedrijf 2] met betrekking tot mevrouw [medeverdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Loon oktober 2008 € 5.700

Netto loon, met loonheffingskorting € 3.513,05

€ 3.513,05 betaald op rekeningnummer [nummer 4]

3.3.14.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-116, opgenomen op pagina 6019 van het dossier, zijnde een zogenaamd "overzicht transacties" van [bank 7], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat op 4 augustus 2008 € 3.513,05 is bijgeboekt onder de omschrijving "OVB: Overboeking per bank/giro [nummer 9] [bedrijf 2] - SALARIS MW [medeverdachte 1]".

3.3.15.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-114, opgenomen op pagina 6016 van het dossier, zijnde een zogenaamd "overzicht transacties" van [bank 7], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat op 1 september 2008 € 3.513,05 is bijgeboekt op rekening [nummer 4] t.n.v. [medeverdachte 1] onder de omschrijving "OVB: Overboeking per bank/giro [nummer 9] [bedrijf 2] - SALARIS MW [medeverdachte 1]".

3.3.16.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-112, opgenomen op pagina 6014 van het dossier, zijnde een zogenaamd "overzicht transacties" van [bank 7], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat op 1 oktober 2008 € 3.513,05 is bijgeboekt op rekening [nummer 4] t.n.v. [medeverdachte 1] onder de omschrijving "OVB: Overboeking per bank/giro [nummer 9] [bedrijf 2] - SALARIS MW [medeverdachte 1]".

3.3.17.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-110, opgenomen op pagina 6012 van het dossier, zijnde een zogenaamd "overzicht transacties" van [bank 7], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat op 3 november 2008 € 3.513,05 is bijgeboekt op rekening [nummer 4] t.n.v. [medeverdachte 1] onder de omschrijving "OVB: Overboeking per bank/giro [nummer 9] [bedrijf 2] - SALARIS MW [medeverdachte 1]".

3.3.18.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-124, opgenomen op de pagina's 6028 tot en met 6030 van het dossier, zijnde een verslag van een interview, ondertekend door verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Van [medewerker 1] en [medewerker 2]

Datum interview 1 juli 2009

Geïnterviewde [verdachte]

[verdachte] verklaarde: U vraagt mij hoe de hypotheek van [adres 3] is verlopen. Bij deze aanvraag zijn er vragen gekomen over het inkomen en ik heb ter verduidelijking [bank 7]-overzichten bijgevoegd die door mij zijn aangepast voor wat betreft het inkomen en het rekeningnummer. Dit inkomen ontvangt ze niet maandelijks. De [bank 7]-overzichten heb ik via mijn tussenpersoon aan u laten toesturen.

3.3.19.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als UWV03, opgenomen op de pagina's 6035 tot en met 6037 van het dossier, zijnde een uitdraai van het Uwv, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam: [medeverdachte 1].

Zie hieronder werkgevers- en uitkeringsgegevens

Periode: 01/07/2008 -

Inhoudingsplichtige: [bedrijf 2]

Van tot en met SV-loon

1 01/12/2008 - 31/12/2008 EUR 0,00

2 01/11/2008 - 30/11/2008 EUR 0,00

3 01/10/2008 - 31/10/2008 EUR 0,00

4 01/09/2008 - 30/09/2008 EUR 0,00

5 01/08/2008 - 31/08/2008 EUR 0,00

6 01/07/2008 - 31/07/2008 EUR 0,00

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A13)

Dit feit heeft betrekking op de aanvraag van een hypotheek voor het pand [adres 3] op naam van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), welke is afgewezen. Het feit is primair ten laste gelegd als (medeplegen van) een poging tot het oplichten van de hypotheekverstrekker.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3. primair ten laste gelegde omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. De verdediging betwist dat de bij de hypotheekverstrekker ingediende geschriften vals zijn.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer en op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen het volgende.

In de aanvraag voor een hypothecaire lening en de werkgeversverklaring ([bank 2]-105) is vermeld dat [medeverdachte 1] in vaste dienst is bij [bedrijf 2] als projectmanager. In het schrijven van [bedrijf 2] ([bank 2]-107) wordt uitdrukkelijk bevestigd dat de werkgeversverklaring naar waarheid is ingevuld. In de salarisspecificaties ([bank 2]- 109, 111, 113 en 115) is vermeld dat [medeverdachte 1] over de maanden juli, augustus, september en oktober 2008 een (bruto)salaris ontving van € 5.700,00 en dat telkens een (netto)bedrag van € 3.513,05 is betaald op rekeningnummer [nummer 4]. In de overzichten transacties ([bank 2]-110, 112, 114 en 116) is vermeld dat op 4 augustus 2008, 1 september 2008, 1 oktober 2008 en 3 november 2008 telkens een bedrag van € 3.513,05 is overgemaakt op rekening [nummer 4] t.n.v. [medeverdachte 1] door [bedrijf 2] met de omschrijving "salaris mw. [medeverdachte 1]". Hiermee wordt bij de hypotheekverstrekker de suggestie gewekt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het opstellen van die geschriften feitelijk werkzaamheden voor [bedrijf 2] verrichtte en daarvoor maandelijks een bedrag van € 3.513,05 aan salaris ontving op rekening [nummer 4].

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat (op dat moment) van een dergelijk vast dienstverband en dergelijke salarisbetalingen geen sprake was. [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) heeft ontkend dat [medeverdachte 1] (als projectmanager) heeft gewerkt bij [bedrijf 2] en salaris heeft ontvangen van [bedrijf 2] Daarnaast heeft [medeverdachte 5] ontkend dat hij de werkgeversverklaring en het schrijven van [bedrijf 2] heeft opgesteld, ingevuld of ondertekend. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij nooit werkzaam is geweest voor [bedrijf 2], dat het niet klopt dat zij werkzaam zou zijn geweest als projectleider en dat zij denkt dat er geen geld aan haar is betaald. Verdachte heeft zelf verklaard dat [medeverdachte 1] nauwelijks of geen werkzaamheden voor [bedrijf 2] heeft verricht en dat zij niet (specifiek) als projectmanager heeft gewerkt. Behalve uit de verklaringen van verdachte blijkt nergens uit dat [medeverdachte 1] salaris heeft ontvangen van [bedrijf 2] Door [medeverdachte 5] wordt dit zelfs uitdrukkelijk ontkend. Het in de salarisspecificaties vermelde salaris is niet uitbetaald op de in die documenten vermelde rekening. Ook is niet gebleken dat op die rekening op enig ander moment salaris is uitbetaald. Voor een andere manier van verloning is in het dossier geen enkele indicatie te vinden. Uit de gegevens van het Uwv blijkt dat het gestelde dienstverband daar wel bekend was, maar dat aan het Uwv geen salarisbetalingen zijn doorgegeven. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] niet of nauwelijks heeft gewerkt bij [bedrijf 2] en geen salaris heeft ontvangen van [bedrijf 2] Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alle in de tenlastelegging genoemde geschriften vals zijn.

Ten aanzien van de zogenaamde "overzichten transacties" overweegt de rechtbank voorts nog het volgende. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij deze heeft aangepast maar dat hij dit ook in een begeleidende brief aan de hypotheekverstrekker heeft uitgelegd. Volgens verdachte wilde hij met deze geschriften niet aantonen dat de daarop vermelde bedragen op de vermelde data zijn overgemaakt op de desbetreffende rekening, maar wilde hij daarmee laten zien hoe de situatie ongeveer zou zijn wanneer het salaris wel maandelijks zou zijn gestort. De rechtbank acht dit betoog van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Daartoe overweegt zij in de eerste plaats dat niet is gebleken dat de begeleidende brief gelijk met de overzichten (en niet pas later) is verstuurd. In de aangifte wordt ontkend dat deze brief is ontvangen en de rechtbank heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De rechtbank stelt vast dat de overige stukken (waaronder de overzichten) allemaal bij de hypotheekverstrekker zijn aangekomen en zij acht het onwaarschijnlijk dat de begeleidende brief als enige document van de set stukken niet is aangekomen. Voorts acht de rechtbank het niet reëel en logisch dat verdachte de gegevens in de overzichten zou hebben aangepast en daarbij in een begeleidende brief zou hebben uitgelegd hoe de feitelijke situatie was. In dat geval diende het aanpassen van de gegevens in de overzichten geen enkel doel. Bovendien gaat de rechtbank er op grond van de hiervoor weergegeven argumenten vanuit dat [medeverdachte 1] in werkelijkheid in het geheel geen salaris van [bedrijf 2] heeft ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte wist dat alle in de tenlastelegging genoemde geschriften in strijd met de waarheid en dus vals waren. Hij wist, blijkens zijn verklaringen, dat [medeverdachte 1] feitelijk niet of nauwelijks werkzaamheden verrichtte voor [makkelaardij] en dat haar salaris niet werd uitbetaald op de rekening, die was vermeld op de salarisspecificaties. Nu er geen enkele indicatie is dat het salaris op een andere wijze is uitbetaald, gaat de rechtbank ervan uit dat dit ook niet is gebeurd. Hieruit volgt dat verdachte wist dat feitelijk geen sprake was van een vast dienstverband, noch van salarisbetaling.

Desondanks heeft verdachte opzettelijk gebruik gemaakt van al deze geschriften, als waren die geschriften echt en onvervalst, door ze (al dan niet door tussenkomst van een tussenpersoon) te doen/laten toekomen aan de hypotheekverstrekker. Door het (doen of laten) indienen van deze valse geschriften in het kader van de hypotheekaanvraag heeft verdachte bij de hypotheekverstrekker de indruk gewekt dat [medeverdachte 1] in vaste dienst werkzaam was bij [bedrijf 2] als projectmanager en dat zij uit dit dienstverband een (netto)salaris ontving van € 3.513,05 per maand. Zodoende heeft hij gepoogd de hypotheekverstrekker door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels te bewegen tot het afgeven van een hypotheekbedrag van € 435.000,00.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank tevens dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Uit het indienen van de hypotheekaanvraag blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het verdachtes doel was om het hypotheekbedrag van € 435.000,00 in handen te krijgen teneinde het pand [adres 3] te kunnen aankopen. Indien dit was gebeurd, zou verdachte daardoor wederrechtelijk zijn bevoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte heeft begrepen dat deze wederrechtelijk bevoordeling door zijn handelen kon intreden.

Het misdrijf is niet voltooid, doordat de hypotheekverstrekker de hypotheekaanvraag niet heeft toegewezen.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 3. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] heeft gepleegd.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 4. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A14)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 4. primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

4.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 21 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik wist kort na december 2008 dat de aankoop van het pand [adres 3] door mij en [medeverdachte 1] niet doorging, omdat het niet lukte om daarvoor een hypotheek te krijgen op naam van [medeverdachte 1]. Ik heb dit verteld aan [medeverdachte 2]. Hij wist dat ik dit erg vervelend vond. Ik heb de situatie met hem besproken. Ik denk dat dat in januari of februari 2009 was. Daar is toen uitgekomen dat hij het huis zou kopen en ik en [medeverdachte 1] er in eerste instantie in zouden gaan wonen. [medeverdachte 2] en ik hebben niet afgesproken hoe lang [medeverdachte 1] en ik in de woning zouden blijven wonen. Ik heb een tussenpersoon gezocht en [medeverdachte 2] met deze tussenpersoon in contact gebracht. De hypotheek is uiteindelijk afgesloten bij [bank 6]. [medeverdachte 1] en ik zijn in de woning gaan wonen. Ik betaalde de kosten die [medeverdachte 2] had aan de woning. Het grootste deel van die kosten bestond uit de hypotheeklasten.

4.2.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 7 oktober 2014, RC-nummer 14/2710, 14/2711, 14/2712 en 14/2713, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2]:

Ik heb wel met [verdachte] gesproken over het aankopen van de woning van de [adres 4] (de rechtbank begrijpt: [adres 3]). U vraagt mij wat daartoe de aanleiding was. Ik meen dat [verdachte] de aankoop van de woning niet rond kon krijgen en dat hij een boete had moeten betalen als hij die woning niet op tijd zou kopen. Ik weet dat [verdachte] daar heeft gewoond. Dit gebeurde tegen vergoeding van de hypotheekkosten aan mij. Het is inderdaad zo dat [verdachte] en [medeverdachte 1] eerder hadden getracht om deze woning zelf te kopen. Het was zo dat [verdachte] er belang bij had dat hiervoor een hypotheek beschikbaar kwam en hij dat huis kon kopen, zodat hij die boete niet hoefde te betalen. Ik heb papieren getekend om die hypotheek te krijgen. Voor het ondertekenen van de hypotheekaanvraag ben ik bij een tussenpersoon in Emmen geweest waar de financiering rond is gemaakt. De hypotheek werd volgens mij gesloten via [bank 6]. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben aan de [straat 2] gewoond. Ik wist niet dat dat tijdelijk was. Ik wist niet voor welke periode dat was.

4.3.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

4.3.1.

een schriftelijk bescheid, zijnde een brief, ondertekend door [aangever 2], met als onderwerp aangifte ter zake valsheid in geschrifte en oplichting, opgenomen op de pagina's 6088 tot en met 6096 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, [aangever 1], ben als onderzoeker bancaire criminaliteit in dienstbetrekking werkzaam bij de [bank 3] ([bank 2]), gevestigd te Amsterdam, waartoe ook [bank 6] N.V. ([bank 6]) behoort. Als zodanig ben ik bevoegd tot het doen van aangifte van strafbare feiten gepleegd tegen [bank 2]. Namens [bank 2] doe ik aangifte, aangezien de heer [medeverdachte 2] vermoedelijk middels valse, dan wel vervalste documenten en valse informatieverstrekking een hypothecaire lening verstrekt heeft gekregen. Door deze bescheiden en informatie als echt en onvervalst te laten doorgaan heeft de heer [medeverdachte 2] [bank 2] bewogen tot afgifte (verstrekking van een hypothecair krediet) van het geld ad. € 425.828,00. Medio april 2009 is gebleken dat met betrekking tot het onderpand [adres 3] alsnog een hypothecaire lening is verstrekt aan de heer [medeverdachte 2] door [bank 6].

Voor het verstrekken van hypotheken verzamelt de bank gegevens van de aanvrager, nodig om een offerte te maken. Naast onder andere de persoonsgegevens dient de bank te beschikken over gegevens over het inkomen. Op basis van het ingevulde aanvraagformulier wordt een offerte uitgebracht. Deze offerte wordt door de bank gezonden aan de aanvrager ter acceptatie of aan de tussenpersoon die de offerte ter ondertekening voorlegt aan de aanvrager. Als de offerte wordt geaccepteerd en wordt ondertekend door de aanvrager dan zendt deze of de tussenpersoon de offerte terug naar de bank. Na ontvangst door de bank wordt gecontroleerd of alle benodigde gegevens aanwezig en akkoord zijn. Is dit het geval dan wordt de hypothecaire geldlening verstrekt.

Het hypotheekdossier bevat onder meer:

- een aanvraagformulier d.d. 20 februari 2009 voor een hypothecaire lening van € 425.828,00 met als onderpand de eengezinswoning [adres 3];

- een offerte d.d. 18 maart 2009 voor een leningbedrag van € 425.828,00, waarin als voorwaarde is vermeld: dat uit de stukken blijkt dat u eigenaar van de woning bent of wordt en deze geheel zelf bewoont/gaat bewonen;

- een op 3 april 2009 gepasseerde hypotheekakte met betrekking tot een hypothecaire lening ad. € 425.828,00 bestemd voor de woning gelegen aan [adres 3] met als schuldenaren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], waarin onder het punt zekerheidstelling staat: de schuldenaar verklaart dat het onderpand niet is en niet zal worden verhuurd, in huurkoop verkocht, verpacht, in vruchtgebruik gegeven, belast met een recht van gebruik en bewoning of in gebruik gegeven op andere wijze en dat het door de schuldenaar zelf zal worden bewoond.

Met betrekking tot voornoemde bevindingen merk ik het volgende op. Door [medeverdachte 2] wordt op 9 september verklaard dat de verkoopster [medeverdachte 1] woonachtig is in zijn nieuwe woning, terwijl [verdachte] in juli 2009 verklaarde dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zelf woonachtig zijn op het adres aan de [adres 5]. Door [medeverdachte 2] is geen toestemming gevraagd aan de bank voor het laten bewonen van de woning door een ander, te weten [medeverdachte 1]. Hiermee handelt [medeverdachte 2] niet overeenkomstig hetgeen beschreven staat in de hypotheekakte, die [medeverdachte 2] op 3 april 2009 heeft getekend.

4.3.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 201202221000-G-01 (G05), d.d. 5 maart 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 6098 tot en met 6104 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 3]:

Ik ben met [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de notaris geweest en heb daar een handtekening gezet. Bij de notaris had ik kunnen weten dat wij tekenden voor de aankoop van de woning [adres 3]. [medeverdachte 2] vroeg een keer of ik akkoord ging met het op onze naam zetten van een woning, voor [verdachte]. Dit betrof de woning [adres 3]. Ik wilde de woning niet op onze naam hebben. [medeverdachte 2] ging met mijn antwoord terug naar [verdachte] en [verdachte] is toen kort daarna voor een gesprek met mij, bij ons thuis geweest. [verdachte] heeft mij toen overgehaald.

4.3.3.

een ambtsedig proces-verbaal, V2-16, d.d. 1 maart 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 6112 tot en met 6116 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1]:

Het was niet de bedoeling van [medeverdachte 2] om zelf in de woning te gaan wonen. Het was de bedoeling dat wij daar gingen wonen. Ik weet alleen maar hoe [verdachte] het aan mij vertelde. Ik geloofde dat [verdachte] het zo wilde doen omdat hij de woning al had gekocht en toen hoorde dat wij de financiering niet konden krijgen.

4.3.4.

een ambtsedig proces-verbaal, 201201291355-AH-08 (V4-08), d.d. 29 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 6119 tot en met 6124 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2]:

[verdachte] kwam op een gegeven moment bij mij en zei dat er even een woning op mijn naam moest komen te staan. In eerste instantie heb ik daar afwijzend op gereageerd. [verdachte] kwam met argumenten, dat ik een goede baan had en dat hij mij daaraan had geholpen en dat hij toch iets van mij verwachtte. Na een aantal dagen heb ik uiteindelijk toegestemd. Thuis heb ik het overlegd met mijn vrouw, [medeverdachte 3]. Mijn vrouw gaf er geen toestemming voor. Daarmee ging ik weer naar [verdachte]. [verdachte] heeft met haar gesproken en heeft haar weten te overtuigen. Het volgende verhaal was, dat er een hypotheek bij moest komen. [verdachte] zou alles regelen. Dat heeft hij ook gedaan. Ik weet, dat er druk op de ketel zat, want [verdachte] had het huis al gekocht. Er moest een hypotheek komen, anders had [verdachte] boeterente moeten betalen wegens het niet afnemen van dat pand. [verdachte] heeft toen bij diverse geldverstrekkers een aanvraag voor een hypotheek ingediend. [verdachte] had iemand gevonden in Emmen, genaamd [tussenpersoon 2]. Daar heeft hij uiteindelijk ook de hypotheek door gekregen. Ik heb mijn handtekening gezet op de benodigde papieren. Het is een hypotheek geworden bij [bank 6]. [verdachte] heeft alles geregeld. Ik heb zelf niet in deze woning gewoond. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben in de woning gewoond. [verdachte] zou alle lasten voor zijn rekening nemen.

4.3.5.

een ambtsedig proces-verbaal, 201201291530-AH-09 (V4-09), d.d. 29 januari 2012 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen op de pagina's 6125 tot en met 6131 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2]:

[verdachte] heeft alles geregeld tot aan het zetten van de handtekening bij de notaris toe. [verdachte] heeft die hypotheek geregeld. [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij alle lasten van die hypotheek voor zijn rekening zou nemen. Het idee om deze constructie op te zetten en uit te voeren kwam van [verdachte].

4.3.6.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als [bank 2]-125, opgenomen op de pagina's 6180 tot en met 6182 van het dossier, zijnde een verslag van een interview, ondertekend door [medeverdachte 2], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Van [medewerker 1] en [medewerker 2]

Datum interview 9 september 2009

Geïnterviewde [medeverdachte 2]

[medeverdachte 2] verklaarde: Ik woon nog steeds in mijn huurwoning [adres 6]. Op het adres [adres 3] woont [medeverdachte 1]. U zegt hierover verbaasd te zijn omdat volgens u [medeverdachte 1] op een ander adres woont.

4.3.7.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 7130 tot en met 7133 van het dossier, zijnde een uitdraai van een digitale aanvraag hypothecaire geldlening van [bank 6] d.d. 20 februari 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Intermediair: [tussenpersoon 2]

1e aanvrager: [medeverdachte 2]

soort onderpand: eengezinswoning

adres: [adres 3]

hypotheekbedrag: € 425.828,00

4.3.8.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 7135 tot en met 7149 van het dossier, zijnde een hypotheekofferte van [bank 6] voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] d.d. 18 maart 2009 met bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Via: [tussenpersoon 2] te Emmen. Wij doen u hierbij een aanbieding voor een lening. De financier en levensverzekeraar is [bank 6] Het totale leningsbedrag van uw hypotheek is € 425.828,00. U verleent de financier het recht van 1e hypotheek op het woonhuis [adres 3]. In de Bijlage zijn de Voorbehouden en Voorwaarden vermeld waaraan moet worden voldaan voordat de financier tot geldverstrekking overgaat.

Bijlage Voorbehouden en Voorwaarden: Deze lening wordt gedaan onder de voorwaarde dat uit de stukken blijkt dat u eigenaar van de woning bent of wordt en deze geheel zelf bewoont/gaat bewonen of gebruikt/gaat gebruiken.

Bijlage Ondertekening: op 25 maart 2009 voor akkoord ondertekend door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

4.3.9.

een schriftelijk bescheid, opgenomen op de pagina's 7192 tot en met 7200 van het dossier, zijnde een akte van hypotheek, gedateerd 3 april 2009, kort gezegd en zakelijk weergegeven inhoudende de verstrekking door [bank 6] aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] van een hypotheek van € 425.828,00, met als onderpand de vrijstaande woning [adres 3], waarbij de schuldenaar [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het onderpand niet is en niet zal worden verhuurd, in huurkoop verkocht, verpacht, in vruchtgebruik gegeven, belast met een recht van gebruik en bewoning of in gebruik gegeven op andere wijze en dat het door de schuldenaar zelf zal worden bewoond.

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 4. primair ten laste gelegde (zaaksdossier A14)

Dit feit heeft betrekking op de aanvraag en toekenning van een hypotheek ten bedrage van € 425.828,00 voor het pand [adres 3] op naam van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]). Het feit is primair ten laste gelegd als (medeplegen van) het oplichten van de hypotheekverstrekker.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4. primair ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om de hypotheekverstrekker op te lichten. Daartoe is aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte bij de hypotheekaanvraag van [medeverdachte 2] met betrekking tot het pand [adres 3] niet verder ging dan het in contact brengen van [medeverdachte 2] met een tussenpersoon. Verdachte heeft de in de tenlastelegging vermelde geschriften niet onder ogen gehad, laat staan dat hij deze heeft verstuurd. De enkele wetenschap van de strekking van de stukken is volgens de verdediging onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat daadwerkelijk sprake was van een dienstverband tussen [medeverdachte 2] en [bedrijf 3] en dat [medeverdachte 2] van [bedrijf 3] een marktconform salaris ontving.

Ten aanzien van de aanvraag en de offerte overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [medeverdachte 2] (en zijn echtgenote) heeft overgehaald het pand [adres 3] te kopen en daarvoor een hypotheek af te sluiten, dat [medeverdachte 2] (en zijn echtgenote) daarmee hebben ingestemd en dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte en [medeverdachte 2] hebben afgesproken dat niet [medeverdachte 2] en zijn echtgenote maar verdachte en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) in de woning zouden gaan wonen, dat verdachte de kosten voor de woning, waaronder de hypotheeklasten, zou betalen en dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat de hypotheekverstrekker geen toestemming heeft verleend voor het bewonen van de woning door anderen dan [medeverdachte 2] en zijn echtgenote.

De bewoning van de woning door verdachte en [medeverdachte 1] (zonder toestemming van de hypotheekverstrekker) is in strijd met de voorwaarden die zijn gesteld in (de bijlagen bij) de hypotheekofferte van [bank 6], die onder meer inhouden dat (uit de stukken blijkt dat) de ondertekenaar van de offerte de woning geheel zelf bewoont/gaat bewonen of gebruikt/gaat gebruiken. Ook is dit in strijd met de akte van hypotheek, waarin staat dat de schuldenaar [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het onderpand niet is en niet zal worden verhuurd, in huurkoop verkocht, verpacht, in vruchtgebruik gegeven, belast met een recht van gebruik en bewoning of in gebruik gegeven op andere wijze en dat het door de schuldenaar zelf zal worden bewoond.

De rechtbank is van oordeel dat bij het invullen en indienen van de aanvraag, het controleren, ondertekenen en terugsturen van de offerte en het afsluiten van de hypotheek sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2], welke erop was gericht te bewerkstellingen dat door middel van het indienen van de daarvoor benodigde documenten de aangevraagde hypotheek aan [medeverdachte 2] werd verstrekt, zodat [medeverdachte 2] daarmee de woning kon kopen, waarna verdachte en [medeverdachte 1] in de woning konden gaan wonen. Daartoe overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] herhaaldelijk heeft verklaard dat verdachte alles met betrekking tot het aanvragen en afsluiten van de hypotheek voor hem heeft geregeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat verdachte het initiatief heeft genomen tot de aankoop van de woning door [medeverdachte 2] en het afsluiten van een hypotheek daarvoor, dat verdachte een groot belang had bij het afsluiten van de hypotheek, dat verdachte heeft erkend dat hij een tussenpersoon heeft gezocht en [medeverdachte 2] met die tussenpersoon in contact heeft gebracht, dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte aanwezig was bij het ondertekenen van de akte bij de notaris en dat verdachte degene is geweest die (samen met [medeverdachte 1]) in de woning heeft gewoond en de hypotheeklasten heeft betaald. Gelet op deze omstandigheden en de verklaring van [medeverdachte 2] kan het naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders dan dat verdachte wist dat de offerte en de hypotheekakte het bewonen van de woning door anderen dan [medeverdachte 2] en zijn echtgenote (zonder toestemmening van de hypotheekverstrekker) niet toelieten. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd doordat verdachte tijdens het interview door medewerkers van de hypotheekverstrekker op 1 juli 2009 kennelijk leugenachtig heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 1] op dat moment op het adres [adres 5] woonden, terwijl zij op dat moment in het pand [adres 3] woonden.

Nu het ten tijde van het indienen van de aanvraag en het ondertekenen en terugsturen van de offerte al de bedoeling van verdachte en [medeverdachte 2] was dat niet [medeverdachte 2] en zijn echtgenote maar verdachte en [medeverdachte 1] in de woning zouden gaan wonen, hebben zij de hypotheekverstrekker in deze geschriften opzettelijk een situatie voorgespiegeld die in strijd was met de waarheid. Door de offerte desondanks (al dan niet door tussenkomst van een tussenpersoon) bij de hypotheekverstrekker in te dienen, hebben verdachte en [medeverdachte 2] opzettelijk bij de hypotheekverstrekker de onjuiste indruk gewekt dat [medeverdachte 2] en zijn echtgenote zelf in de woning zouden gaan wonen. Zodoende hebben zij de hypotheekverstrekker door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot het afgeven van een hypotheekbedrag van € 425.828,00.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank tevens dat verdachte en [medeverdachte 2] hebben gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Uit het indienen van de hypotheekaanvraag en het ondertekenen en terugsturen van de offerte blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het hun doel was dat [medeverdachte 2] het hypotheekbedrag van € 425.828,00 in handen zou krijgen en daarmee het pand [adres 3] zou kunnen kopen, zodat verdachte en [medeverdachte 1] in dat pand zouden kunnen gaan wonen, zoals ook daadwerkelijk is gebeurd. Hierdoor zijn in ieder geval verdachte en [medeverdachte 1] wederrechtelijk bevoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte en [medeverdachte 2] hebben begrepen dat deze wederrechtelijk bevoordeling door hun handelen kon intreden.

De rechtbank acht het onder 4. primair ten laste gelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen voor zover dit ziet op het doen/laten toekomen aan de hypotheekverstrekker van de aanvraag en de offerte. De rechtbank verwerpt het verweer in zoverre. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit deel van het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) heeft gepleegd.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat deze niet is aangetroffen in het dossier van [bank 6] en dat deze ook niet wordt genoemd in de aangifte met betrekking tot dit feit. Uit het relaas van verbalisanten blijkt dat deze arbeidsovereenkomst volledigheidshalve aan het gedeelte van het dossier met betrekking tot deze zaak is toegevoegd omdat deze wel is ingeleverd in het kader van een andere hypotheekaanvraag. Daarom acht de rechtbank het onder 4. primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen voor zover dit ziet op het doen/laten toekomen aan de hypotheekverstrekker van deze arbeidsovereenkomst. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de werkgeversverklaring, de salarisspecificaties, het schrijven (zogenaamd) van [bedrijf 3] en het afschrift van de betaalrekening overweegt de rechtbank het volgende.

[medeverdachte 5] heeft ontkend dat hij de werkgeversverklaring en het schrijven van (zogenaamd) [bedrijf 3] heeft opgesteld en/of ondertekend. In het verkort rapport van 17 oktober 2014 betreffende het vergelijkend handschriftonderzoek heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) op basis van de resultaten van zijn onderzoek geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de handtekeningen onder deze geschriften vervalsingen zijn van de handtekening van [medeverdachte 5] dan dat dit authentieke handtekeningen zijn. Het NFI merkt daarbij op dat deze conclusie niet uitsluit dat de betwiste handtekeningen wel door [medeverdachte 5] zelf zijn geplaatst, in welk geval sprake kan zijn van door [medeverdachte 5] geproduceerde vervalsingen van zijn eigen handtekening met het doel deze achteraf te kunnen aanvechten. Daarvoor zijn echter geen concrete aanwijzingen gevonden. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze geschriften vals zijn voor wat betreft de ondertekening daarvan.

Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte het dienstverband tussen [medeverdachte 2] en [bedrijf 3] enkel heeft geïnitieerd, teneinde [medeverdachte 2] van een hoog vast maandinkomen te voorzien waarmee hij een hypotheek voor het pand [adres 3] zou kunnen financieren. Tevens zijn er aanwijzingen dat het reeds van tevoren zijn bedoeling was dat dit (in dat geval zogenaamd) vaste dienstverband en de daaruit voortvloeiende loonbetalingen zouden worden beëindigd kort nadat de hypotheek zou zijn verstrekt, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. De rechtbank acht echter niet wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] (de directeur van [bedrijf 3]) ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst en het aanvragen en verstrekken van de hypotheek niet de intentie hadden een vast dienstverband aan te gaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij beiden hebben verklaard dat sprake was van een vast dienstverband tussen [medeverdachte 2] en [bedrijf 3], dat [medeverdachte 2] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht en daadwerkelijk salaris heeft ontvangen en dat het dienstverband en de inkomsten ook zijn opgegeven bij het Uwv en de Belastingdienst. Dat er al snel na het verstrekken van de hypotheek onduidelijkheid is ontstaan over de loonbetaling en dat het vaste dienstverband opmerkelijk genoeg met wederzijds goedvinden binnen een jaar weer is beëindigd, doet hier niet aan af. Daarom acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een fictieve arbeidsovereenkomst en een fictief (vast) dienstverband. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de in de werkgeversverklaring en het schrijven (zogenaamd) van [bedrijf 3] weergegeven arbeidsverhouding tussen [medeverdachte 2] en Ficon Management in strijd met de waarheid is.

Hoewel de rechtbank dus bewezen acht dat deze geschriften vals zijn voor wat betreft de ondertekening daarvan, acht zij niet wettig en overtuigend bewezen dat door middel van deze geschriften aan de hypotheekverstrekker een situatie is voorgespiegeld die in strijd is met de waarheid. Daarom acht de rechtbank ook niet bewezen dat het indienen van deze valse geschriften ertoe heeft geleid dat de hypotheekverstrekker is bewogen tot de afgifte van het hypotheekbedrag van € 425.828,00 dat zij anders niet zou hebben afgegeven. Ten aanzien van de salarisspecificaties en het afschrift van de betaalrekening acht de rechtbank niet bewezen dat deze in strijd met de waarheid zijn.

Daarom acht de rechtbank het onder 4. primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen voor zover dit ziet op het doen/laten toekomen aan de hypotheekverstrekker van de werkgeversverklaring, de salarisspecificaties, het schrijven (zogenaamd) van [bedrijf 3] en het afschrift van de betaalrekening. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde (zaaksdossier A16)

De rechtbank past ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

5.1.

De door verdachte op de terechtzitting van 22 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb tegen [alias partner nabestaande] gezegd dat hij het bedrag kon overmaken op mijn Oostenrijkse bankrekening en ik heb hem het rekeningnummer gegeven. Die bankrekening stond destijds op naam van [medeverdachte 1]. Vervolgens heeft [alias partner nabestaande] een bedrag van ruim € 167.000,00 overgemaakt naar die rekening. Daardoor kreeg ik dat geld tot mijn beschikking. Ik heb er toen meteen aandelen/wertpapiere van gekocht. Ik heb dat bedrag tot op de dag van vandaag niet teruggestort. Ik heb later in de stukken gelezen dat [alias partner nabestaande] eigenlijk [partner van zus/curator slachtoffer 3] heette.

5.2.

De door getuige [getuige 1] op de terechtzitting van 22 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb namens [partner van zus/curator slachtoffer 3], die ook wel [alias partner nabestaande] wordt genoemd, aangifte gedaan. [partner van zus/curator slachtoffer 3] vertelde mij dat [overledene] in 2009 was overleden en een bedrag van ruim € 167.000,00 had nagelaten. [partner van zus/curator slachtoffer 3] was gehuwd met de zuster van de weduwe van [overledene]. Zij heette [slachtoffer 3]. [partner van zus/curator slachtoffer 3] vertelde mij dat hij met [verdachte] een afspraak had gemaakt over het geld van de nalatenschap. Volgens [partner van zus/curator slachtoffer 3] hield die afspraak onder meer in dat hij het geld zou overmaken naar een rekening van [medeverdachte 1] bij een Oostenrijkse bank. [verdachte] zou het geld teruggeven aan [partner van zus/curator slachtoffer 3]. [partner van zus/curator slachtoffer 3] vertelde dat hij het geld niet terugkreeg van [verdachte] en dat [verdachte] hem ontweek. Ik heb [verdachte] per aangetekende brief verzocht het geld over te maken op mijn derdenrekening. Hij heeft dat niet gedaan.

5.3.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2009114784, gesloten op 15 december 2012, bestaande uit diverse processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden waaronder:

5.3.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02EJ 2010088037-1, d.d. 31 augustus 2010 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen op de pagina's 6377A tot en met 6381 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:

[slachtoffer 3] is erfgename van de op 24 juni 2009 overleden [overledene]. Zij is zwaar dement en staat onder curatele. De curator is haar zus [zus/curator slachtoffer 3]. [zus/curator slachtoffer 3] is erg ziek. Haar man [partner van zus/curator slachtoffer 3] behartigt deze zaak namens haar. Het geld werd overgemaakt naar het rekeningnummer dat door [verdachte] genoemd werd en op naam staat van [medeverdachte 1]. In een schrijven van de BGL BNP Paribas de dato 15 juni 2010 staat vermeld dat een bedrag van 167.621 euro en 93 eurocent is overgemaakt op de rekening van Frau [medeverdachte 1] te Oostenrijk. Het IBAN nr dat hierbij vermeld is, is 84204.0200000.519348. [partner van zus/curator slachtoffer 3] heeft na het overmaken van bovengenoemd bedrag meerdere malen telefonisch contact gehad met [verdachte]. In deze contacten bleef [verdachte] herhalen dat alles goed zou komen. Na verloop van tijd nam [verdachte] de telefoon niet meer op als [partner van zus/curator slachtoffer 3] belde. Als [partner van zus/curator slachtoffer 3] in de Wildeman kwam en om [verdachte] vroeg, dan was [verdachte] er steeds niet. Na 17 juli 2010 heeft [partner van zus/curator slachtoffer 3] geen contact meer met [verdachte] kunnen krijgen. Ik heb een aantal malen een brief gestuurd met de mededeling dat ik aangifte doe, tenzij hij voor een bepaalde datum het bedrag terugbetaald zou hebben.

5.3.2.

een schriftelijk bescheid, aangeduid als SMB-2, opgenomen op de pagina's 6421 en 6422 van het dossier, zijnde een overzicht met betrekking tot rekeningnummer 00000519348, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

- dat het saldo van de rekening op 14 juni 2010 € 47.143,49 negatief bedroeg;

- dat op 14 juni 2010 een bedrag van € 167.621,93 is overgemaakt van de rekening van M.M. [overledene]-[slachtoffer 3], waardoor het saldo van de rekening met € 167.049,73 is toegenomen en € 119.906,24 positief bedroeg;

- dat op 16 juni 2010 zes bedragen van respectievelijk € 35.092,71, € 5.311,83, € 10.424,78, € 30.477,03, € 25.548,40 en € 9.032,20 (totaal € 115.886,95) zijn afgeschreven met de omschrijving "WP-KAUF";

- dat op 17 juni 2010 een bedrag van € 6.426,00 is overgeschreven naar de rekening van [kanzlei] met de omschrijving "Antwerpen [medeverdachte 1]";

- dat op 17 juni 2010 een bedrag van € 2.000,00 is overgeschreven naar de rekening van Hendrix met de omschrijving "Tuin Lemmer";

- dat het saldo van de rekening daarna op 22 juni 2010 € 3.194,31 negatief bedroeg.

5.4.

een schriftelijk bescheid, overgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2014 door getuige [getuige 2], zijnde een brief d.d. 28 september 2010 van [getuige 1] aan mevrouw [medeverdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het bedrag van ruim € 167.000,00 is op uw rekening in Oostenrijk overgemaakt, weshalve, strikt genomen, u ook degene bent die gehouden is dit bedrag terug te betalen. Tenzij ik binnen één week na dagtekening van dit schrijven betaling ontvang van het volledige bedrag met rente, danwel een onderbouwd voorstel tot betaling anderszins van u heb ontvangen, zal ik rechtsmaatregelen tegen u nemen.

5.5.

een schriftelijk bescheid, overgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2014 door getuige [getuige 2], zijn de een brief d.d. 26 oktober 2010 van [getuige 2] aan [getuige 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mijn cliënten, mevrouw [medeverdachte 1] alsmede de heer [verdachte] hebben mij gevraagd uw brief van 28 september 2010 te beantwoorden.

Rechtsoverwegingen ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde (zaaksdossier A16)

Onder 5. is ten laste gelegd het verduisteren van een geldbedrag van € 167.621,93.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5. ten laste gelegde feit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag heeft verduisterd. Daartoe is aangevoerd dat de door getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) beschreven gang van zaken onjuist is en niet door andere bronnen wordt bevestigd. Bovendien is sprake van een verklaring van horen zeggen die afkomstig is van [partner van zus/curator slachtoffer 3] (hierna: [partner van zus/curator slachtoffer 3]), die zelf nooit door de politie is gehoord. De verdediging heeft erop gewezen dat het geldbedrag nog steeds aanwezig is in de vorm van waardepapieren en dat het in de kern een civielrechtelijk geschil betreft dat niet via het strafrecht kan worden beslecht. De stelling van het openbaar ministerie dat verdachte de teruggave van het geldbedrag of de waardepapieren onmogelijk heeft gemaakt, is volgens de verdediging onjuist, aangezien beslag is gelegd op de Oostenrijkse bank- en aandelenrekeningen.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

De verklaringen die verdachte en [getuige 1] (namens [partner van zus/curator slachtoffer 3]) hebben afgelegd over de afspraken die zouden zijn gemaakt met betrekking tot het geldbedrag stemmen niet met elkaar overeen. [getuige 1]'s verklaring houdt, kort samengevat en zakelijk weergegeven, in dat [partner van zus/curator slachtoffer 3] hem heeft verteld dat hij met verdachte heeft afgesproken dat het geldbedrag zou worden overgemaakt op de Oostenrijkse bankrekening, dat verdachte vervolgens het geldbedrag in Oostenrijk zou opnemen en in Nederland in contanten aan [partner van zus/curator slachtoffer 3] zou overhandigen. De verklaring van verdachte houdt, kort samengevat en zakelijk weergegeven, in dat hij met [partner van zus/curator slachtoffer 3] heeft afgesproken dat het geldbedrag zou worden overgemaakt op de Oostenrijkse bankrekening, dat verdachte vervolgens van het geldbedrag aandelen zou kopen en dat verdachte het geldbedrag daarna voor [partner van zus/curator slachtoffer 3] zou investeren in het project achter de Wildeman.

De rechtbank kan niet vaststellen welke afspraken verdachte en [partner van zus/curator slachtoffer 3] hebben gemaakt over het geldbedrag. Deze afspraken zijn niet op papier vastgelegd en de verklaringen die beide partijen daarover hebben afgelegd worden niet door getuigen of stukken ondersteund. In de door [getuige 1] overgelegde teksten van een tweetal sms-berichten vindt de rechtbank onvoldoende steun voor het verhaal van [partner van zus/curator slachtoffer 3], reeds omdat niet kan worden nagegaan van wie deze berichten afkomstig zijn en op welke datum deze berichten zijn verzonden.

Wat de rechtbank wel uit de bewijsmiddelen kan afleiden, is dat is afgesproken dat [partner van zus/curator slachtoffer 3] het geldbedrag zou overmaken op de Oostenrijkse bankrekening ten name van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), dat verdachte dit geldbedrag gedurende een onbekende periode zou beheren en dat het geldbedrag uiteindelijk aan [partner van zus/curator slachtoffer 3] zou worden teruggegeven. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat op 14 juni 2010 door of namens de erfgenamen van [overledene] (hierna: de erfgenamen) daadwerkelijk een bedrag van € 167.621,93, dat toebehoorde aan de erfgenamen, is overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte 1] bij een bank in Oostenrijk, wat (vermoedelijk na aftrek van kosten) heeft geresulteerd in de bijschrijving op de rekening van [medeverdachte 1] van een bedrag van € 167.049,73. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat dit geldbedrag tot op heden niet aan de erfgenamen is teruggegeven.

De rechtbank is van oordeel dat het geldbedrag of de aandelen die daarvoor zijn gekocht nog steeds toebehoort of toebehoren aan de erfgenamen, nu zij daarvan geen afstand hebben gedaan en ook niet is gebleken dat het eigendom daarvan anderszins is overgedragen aan verdachte of een ander. Dit wordt door de verdediging ook niet betwist.

Vanaf het moment dat het geldbedrag was overgemaakt naar de Oostenrijkse bankrekening kon verdachte daarover beschikken. Verdachte had het geldbedrag in eerste instantie anders dan door misdrijf, te weten als tijdelijk beheerder of bewaarder, onder zich.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte niet voor het gehele bedrag van € 167.049,73 aandelen heeft gekocht, zoals hij heeft gesteld. Verdachtes eerst ter terechtzitting van 22 oktober 2014 ingenomen stelling dat hij van het totale bedrag van ruim € 167.000,00 aandelen heeft gekocht maar dat een deel van die aankoop is betaald vanaf een andere rekening, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden en wordt daarom door de rechtbank als onwaarschijnlijk ter zijde geschoven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in ieder geval in strijd met de gemaakte afspraken -hoe deze ook luidden- gehandeld door met een deel van het geldbedrag een het negatief saldo van € 47.143,49 aan te zuiveren en twee niet aan deze kwestie gerelateerde rekeningen van [kanzlei] (€ 6.426,00; omschrijving "Antwerpen [medeverdachte 1]") en Hendrix (€ 2.000,00; omschrijving "Tuin Lemmer") te betalen. Door zo te handelen heeft verdachte zich dit gedeelte van het geldbedrag wederrechtelijk toegeëigend door daarover als heer en meester te beschikken en het volledig buiten het zicht en de macht van de rechthebbenden te brengen. Dit terwijl, ook uitgaande van verdachtes eigen verklaring, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat hij daarvoor toestemming had van [partner van zus/curator slachtoffer 3] en/of de erfgenamen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met een deel van het geldbedrag, te weten € 115.886,95, aandelen (wertpapiere) heeft gekocht. De vertegenwoordiger van [partner van zus/curator slachtoffer 3] en/of de erfgenamen heeft meerdere malen schriftelijk verzocht om de teruggave van het gehele geldbedrag. Uit de als bewijsmiddelen 5.4. en 5.5. opgenomen brieven blijkt dat ten minste één van deze verzoeken verdachte heeft bereikt en dat verdachte dus van deze wens van [partner van zus/curator slachtoffer 3] en/of de erfgenamen op de hoogte was. Dat dit is gebeurd nadat aangifte was gedaan, doet daar niet aan af. Verdachte heeft niet aan dit verzoek voldaan en heeft het geldbedrag of de daarvoor gekochte aandelen tot op heden niet teruggegeven, terwijl hij daartoe tot aan het moment waarop beslag werd gelegd op zijn bank- en aandelenrekeningen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat verdachte hiervoor een reële civielrechtelijke grond had. Door op deze manier te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank als heer en meester over dit gedeelte van het geldbedrag beschikt en dit volledig buiten de macht van de rechthebbenden gebracht. Daardoor heeft verdachte zich ook dit gedeelte van het geldbedrag wederrechtelijk toegeëigend, ongeacht of de aankoop van de aandelen (in eerste instantie) al dan niet in overeenstemming was met de door verdachte met [partner van zus/curator slachtoffer 3] gemaakte afspraken.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 5. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte een bedrag van € 167.049,73 heeft verduisterd.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. primair, 3. primair, 4. primair en 5. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. zaaksdossier A10)

hij in de periode van 10 januari 2007 tot en met 4 november 2009 te Lemmer en Amsterdam meermalen (op verschillende tijdstippen) telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse

geschriften, te weten

a. a) een werkgeversverklaring 2006 van [makkelaardij] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 15 januari 2007 (document [bank 2]-57, p. 5222), en

b) een salarisspecificatie van [makkelaardij] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 31 december 2006 (document [bank 2]-59, p. 5224), en

c) een werkgeversverklaring van [makkelaardij] B.V met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 26 maart 2007 (document [bank 2]-60, p. 5225), en

d) een aannemingsovereenkomst voor eengezinshuizen, tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte 1]

(document [bank 2]-61, p. 5226 ev), en

e) twee facturen van [bedrijf 1], met betrekking tot een (uit)betalingstermijn conform aannemingsovereenkomst, gedateerd 10 oktober 2007 en 30 oktober 2007 (documenten [bank 2]-62 en 63, p. 5233 en 5236), en

f) een document Aangifte [medeverdachte 1] 2006, behelzende inkomensgegevens van [medeverdachte 1] ten behoeve van de Belastingdienst, gedateerd 9 september 2009 (document [bank 2]-54, p. 5211), en

g) een document Aangifte 2007 [medeverdachte 1], behelzende inkomensgegevens van [medeverdachte 1] ten behoeve van de Belastingdienst, gedateerd 29 september 2009 (document [bank 2]-55, p. 5214),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat verdachte die geschriften, al dan niet door tussenkomst van een tussenpersoon, te weten [tussenpersoon 1], aan (destijds) de [bank 1] en/of (thans) de bank [bank 2] en/of [bank 3] heeft doen/laten toekomen, in verband met een aanvraag en de toekenning van een hypothecaire lening (met een bouwdepot) met betrekking tot een perceel [adres 2] ([nummer 1]) en de uitbetaling van een (deel van het) bij die hypotheek behorende bouwdepot, en bestaande die valsheid hierin dat die geschriften geheel vals waren en onjuist en ten onrechte weergaven

- dat er sinds 1 november 2006 een arbeidsovereenkomst en een vast dienstverband zou zijn tussen [makkelaardij] B.V en die [medeverdachte 1] en

- dat die [medeverdachte 1] over december 2006 een (bruto) loon van 2950 euro zou hebben genoten van [makkelaardij] en

- dat er een (rechtsgeldige) aannemingsovereenkomst zou zijn ondertekend en gesloten tussen [bedrijf 1] en die [medeverdachte 1] en

- dat [bedrijf 1] een factuur (nummer 611), gedateerd 10 oktober 2007, voor een bedrag van 27.000 euro en een factuur (nummer 627), gedateerd 30 oktober 2007, voor een bedrag van 54.000 euro zou hebben ingediend en/of gezonden aan die [medeverdachte 1] wegens in die facturen vermelde verrichte werkzaamheden en

- dat die [medeverdachte 1] aan de Belastingdienst had opgegeven of zou hebben aangegeven dat zij over 2006 41.300 euro en over 2007 40.000 euro aan totale inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking zou hebben genoten.

2. primair (zaaksdossier A10)

hij in de periode van 1 juli 2008 tot 1 januari 2009 te Lemmer en elders in Nederland meermalen (op verschillende tijdstippen) telkens voorwerpen, te weten

- 50.000 euro (p. 8444) en

- 50.000 euro (p. 8447) en

- 30.000 euro (p. 8449) en

- 4.585 euro (p. 8449) en

- 13.000 euro (p. 8455),

zijnde telkens geldbedragen afkomstig van bankrekening [nummer 2] van [medeverdachte 2] en gestort op bankrekening [nummer 3] van[bedrijf 7], heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

3. primair (zaaksdossier A13)

hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 4 november 2009 te Lemmer en Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels (een of meer medewerker(s) van) een of meer hypotheekverstrekker(s), te weten de [bank 5] en/of (destijds) de [bank 1] en/of (thans) de [bank 2], althans de [bank 3], te bewegen tot de afgifte van (een hypotheekbedrag van) 435.000 euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan (die werknemer(s) van) die hypotheekverstrekker(s) heeft doen/laten toekomen

- een aanvraag voor een hypothecaire lening en

- een valse werkgeversverklaring van [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1], gedateerd 18 november 2008 (document [bank 2]-105, p. 6007), en

- een vals schrijven voorzien van de naam [medeverdachte 2] (zogenaamd) namens [bedrijf 2] en voorzien van een ondertekening, inhoudende dat genoemde werkgeversverklaring naar waarheid was ingevuld (document [bank 2]-107, p. 6010), en

- valse salarisspecificaties vanwege [bedrijf 2] met betrekking tot [medeverdachte 1] over de maanden juli 2008 en augustus 2008 en september 2008 en oktober 2008 en

- valse overzichten van transacties vanwege de [bank 7] met betrekking tot [medeverdachte 1] waaruit telkens een salarisstorting (groot 3.513,05 euro) vanwege [bedrijf 2] aan [medeverdachte 1] zou moeten blijken, te weten op 4 augustus 2008 en 1 september 2008 en 1 oktober 2008 en 3 november 2008 (documenten [bank 2]-106 en [bank 2]-109 t/m 116, p. 6008 ev),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. primair (zaaksdossier A14)

hij omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 20 november 2009 te Lemmer en Amsterdam tezamen en in vereniging met een medeverdachte met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) een of meer hypotheekverstrekker(s), te weten [bank 6] en/of de [bank 3], te bewegen tot de afgifte van een hypotheekbedrag van 425.828 euro, hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte met vorenomschreven oogmerk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, ten behoeve van die afgifte aan (die medewerker(s) van) die hypotheekverstrekker(s) doen/laten toekomen

- een aanvraag voor een hypothecaire lening en vervolgens

- een getekende offerte van [bank 6] waarin was bepaald dat de eigenaar de woning zelf zou (gaan) bewonen of gebruiken (p. 7135 ev),

waardoor (die medewerker(s) van) die hypotheekverstrekker(s) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5. ( zaaksdossier A16)

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot 26 januari 2012 in Nederland en/of op Curaçao en/of in Oostenrijk opzettelijk in totaal 167.049,73 euro, die toebehoorde aan Elsa Maria [slachtoffer 3] en/of [zus/curator slachtoffer 3] en een of meer andere erfgenaam/erfgenamen van [overledene] en welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten behoeve van tijdelijk beheer of bewaring, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

2. primair witwassen, meermalen gepleegd;

3. primair poging tot oplichting;

4. primair medeplegen van oplichting;

5. verduistering.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdacht heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan het indienen van valse documenten in het kader van drie afzonderlijke hypotheekaanvragen. Tweemaal is (mede) op basis van die documenten een hypotheek verstrekt en eenmaal is het bij een poging gebleven omdat de hypotheekaanvraag is afgewezen. Daarnaast heeft verdachte een geldbedrag van in totaal € 147.585,00, afkomstig uit het bouwdepot van één van deze hypotheken, witgewassen. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van € 167.049,73, afkomstig uit een erfenis.

Door zijn handelen heeft verdachte de hypotheekverstrekkers en de erfgenamen financieel ernstig benadeeld. Daarnaast heeft hij het vertrouwen in het financiële stelsel aangetast. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verdachte dat hij niet primair heeft gehandeld met de intentie om anderen te benadelen. Dit neemt echter niet weg dat verdachte voornamelijk oog heeft gehad voor zijn eigen (financiële) belang en dat hij de belangen van de hypotheekverstrekkers en de erfgenamen daaraan ondergeschikt heeft geacht. Verdachte heeft op onrechtmatige wijze geprobeerd (financieel) voordeel te behalen, hetgeen (mede) voor het risico kwam van anderen. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen blijk heeft gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen.

De rechtbank zal geen rekening houden met de ad informandum gevoegde feiten omdat verdachte heeft ontkend dat hij deze heeft gepleegd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld wegens een misdrijf. Verdachte heeft niet meegewerkt aan een onderzoek door de reclassering. Wel heeft hij ter terechtzitting uitgebreid verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. Daaruit is onder meer gebleken dat verdachte een bewogen jeugd heeft gehad en dat deze strafzaak persoonlijk, financieel en maatschappelijk een zeer grote negatieve impact heeft gehad op zijn leven. Ook heeft deze zaak geresulteerd in een grote geldschuld. Momenteel probeert verdachte zijn leven weer op te bouwen en de geldschuld af te lossen.

Voor feiten als deze is in het algemeen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het geval van verdachte van af te wijken. Wel acht zij het wenselijk een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw in de fout te gaan.

De rechtbank stelt vast dat vóór de behandeling van deze zaak ter terechtzitting sprake is geweest van een periode van ongerechtvaardigde inactiviteit van de rechtbank van ongeveer tien maanden. De rechtbank heeft dit betrokken bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Na afweging van al deze omstandigheden acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en zal zij verdachte overeenkomstig deze eis veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 225, 321, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1., 2. primair, 3. primair, 4. primair en 5. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 november 2014.

w.g.

Van Bruggen

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Sikkema

locatie Leeuwarden,

Van Emst