Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5851

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
750224-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

In 2004 heeft verdachte haar eerste echtgenoot opzettelijk in hulpeloze toestand gelaten, ten gevolge waarvan hij is overleden. Het slachtoffer is ziek geworden. Verdachte heeft hem naar bed gebracht en enkele dagen later is hij overleden. Verdachte wist dat hij stervende was. Hij bewoog niet meer, reageerde nergens meer op, lag zwaar ademend en rochelend in bed en zijn huid verkleurde. Verdachte heeft in die dagen tegen verschillende mensen gezegd dat hij zou overlijden. Desondanks heeft verdachte helemaal geen medische hulp ingeroepen, terwijl dat gezien de omstandigheden noodzakelijk was en zij dat aan haar echtgenoot ook verplicht was.

In 2012 heeft verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op haar tweede echtgenoot door toediening van een combinatie van medicijnen. Zij is daarbij berekenend en planmatig te werk gegaan. Verdachte heeft valselijk en buiten medeweten van haar echtgenoot een overlijdensrisicoverzekering afgesloten ten bedrage van 250.000 euro op zijn leven met zichzelf als begunstigde in geval van zijn overlijden. Verdachte heeft een wilsverklaring opgesteld op naam van haar echtgenoot waarin onder meer werd vermeld dat hij in geval van onverwacht overlijden geen onderzoek naar de doodsoorzaak wenste. Zij heeft op internet informatie ingewonnen over de werking van bepaalde medicatie en de dodelijke dosis en hoe lang bepaalde stoffen na overlijden in het bloed blijven zitten. Voorafgaand aan het overlijden heeft zij op internet al gezocht naar grafstukken. Na het overlijden heeft zij de valselijk afgesloten overlijdensrisicoverzekering laten uitkeren. Daarbij heeft zij zich schuldig gemaakt aan oplichting van de verzekeringsmaatschappij voor een bedrag van 250.000 euro.

Verdachte heeft zich tenslotte schuldig gemaakt aan brandstichting. In 2013 heeft zij brand gesticht in de woning van haar toenmalige partner. Dit feit heeft voor hem grote financiële gevolgen gehad. De woning is grotendeels verloren gegaan. Daarbij geldt dat verdachte ook ten aanzien van dit slachtoffer geen openheid van zaken heeft gegeven. Zij is haar betrokkenheid blijven ontkennen en heeft het door hem in haar gestelde vertrouwen diep beschaamd.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de ernst van de feiten - vanuit het oogpunt van vergelding niet anders kan worden gereageerd op de feiten dan met oplegging van een zware straf. Naast de vergelding die een grote rol speelt bij de bepaling van de straf, dient ook in belangrijke mate rekening te worden gehouden met de persoon van verdachte. Daarbij is met name van belang of en in welke mate de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Uit het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum blijkt dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven (NAO) met borderline, afhankelijke en vermijdende trekken heeft die tijdens de feiten bij verdachte aanwezig was. Tijdens het onderzoek is er volgens de deskundige onvoldoende zicht verkregen op eventuele beweegredenen, gevoelens en gedragingen van verdachte ten tijde van de feiten om een uitspraak te kunnen doen over een eventueel verband tussen voornoemde stoornis en de feiten. Wellicht is er sprake geweest van concrete financieel opportunistische motieven en min of meer bewuste genoegdoening voor de tekorten die ze heeft opgedaan in haar jeugd. Ook kan er sprake zijn geweest van een sterk ongezonde relatiedynamiek, waar zij geen uitweg meer in zag. De feiten vonden plaats in verschillende periodes, waardoor diverse zowel pathologische als situatieve factoren daarbij een rol konden spelen. Met name is de mate van controle op haar eigen handelen ten tijde van de feiten niet te beoordelen. De deskundigen konden daarom geen uitspraak te doen over doorwerking van de stoornis van verdachte in de feiten en de toerekeningsvatbaarheid voor deze feiten. Daarom is het volgens de deskundigen ook niet mogelijk om de kans op herhaling van feiten te bepalen en behandelmaatregelen te adviseren om de kans daarop te verminderen.

De rechtbank stelt op basis van dit rapport vast dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis en dat deze stoornis ten tijde van het begaan van de feiten aanwezig was. De deskundigen hebben geen causaal verband tussen de stoornis en de feiten kunnen vaststellen en daarmee ook geen uitspraak kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat bij verdachte sprake is van het ontbreken van toerekenbaarheid. Zij stelt vast dat de feiten misdrijven betreffen waarvoor aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de opvatting dat de rechter bij het geven van een last dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, in zijn vonnis moet vaststellen dat de bewezenverklaarde feiten "het gevolg zijn van" de geestesgesteldheid van de verdachte geen steun vindt in het recht. Dit laat volgens de Hoge Raad onverlet dat de rechter bij het al dan niet geven van een last tot terbeschikkingstelling, nadat hij heeft geoordeeld dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging daarvan is voldaan, relevant kan achten in hoeverre aannemelijk is dat enig verband bestaat tussen - kort gezegd - de stoornis en het begane feit, nu de last tot terbeschikkingstelling immers wordt opgelegd naar aanleiding van een begaan strafbaar feit.

Terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter behandeling van een stoornis ter voorkoming van gevaar. Zoals de deskundigen hebben aangegeven kunnen ook beweegredenen die geen verband houden met de geconstateerde stoornis een rol hebben gespeeld bij het plegen van de strafbare feiten. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat er als gevolg van de bij verdachte vastgestelde stoornis sprake is van gevaar voor het opnieuw plegen van ernstige strafbare feiten zal zij aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen. Het enkel plegen van ernstige strafbare feiten door een verdachte die een stoornis heeft, is daarvoor onvoldoende.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van twintig jaren acht de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten en het toegebrachte leed en de schade, passend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157, 225, 255
Wetboek van Strafrecht 257, 289, 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750224-13

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730061-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2014, 26 mei 2014, 7 augustus 2014, 25 augustus 2014, 29 oktober 2014, 30 oktober 2014 en 13 november 2014.

De verdachte is op 7 maart 2014 en 26 mei 2014 niet verschenen. Wel is verschenen

mr. E. Albayrak, advocaat te Leeuwarden.

De verdachte en mr. M.A.C. de Vilder, advocaat te Amsterdam, zijn op 7 augustus 2014 niet verschenen.

De verdachte is op 25 augustus 2014 verschenen, bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder.

De verdachte is op 29 oktober 2014 en 30 oktober 2014 verschenen, bijgestaan door

mr. M.A.C. de Vilder en mr. L.R. Rommy, beiden advocaat te Amsterdam.

Het onderzoek ter terechtzitting is op 13 november 2014 gesloten. De verdachte en haar advocaten zijn niet verschenen.

Het openbaar ministerie is op 7 maart 2014, 26 mei 2014, 25 augustus 2014, 29 oktober 2014 en 30 oktober 2014 ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Het openbaar ministerie is op 7 augustus 2014 ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. J. Houwink.

Het openbaar ministerie is op 13 november 2014 ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. O.F. Brouwer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 18/750224-13, ten laste gelegd dat:

1. primair

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2004, in ieder geval in of omstreeks het jaar 2004 (tot en met 22 februari 2004), te [pleegplaats 1], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 1], in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (in voornoemde periode) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere (toxische) middelen/stoffen toegediend en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

1. subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2004, in ieder geval in of omstreeks het jaar 2004 (tot en met 22 februari 2004), te [pleegplaats 1] opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere (toxische) middelen/stoffen toegediend en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

1. meer subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 december 2003 tot en met 22 februari 2004, in elk geval in de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 februari 2004, te [pleegplaats 1], (zulks terwijl verdachte werkzaam was als verpleegster/verzorgende, althans in de zorg/verpleging) opzettelijk, [slachtoffer 1], zijnde verdachtes echtgenoot, tot wiens onderhoud, verpleging en/of verzorging verdachte krachtens wet of overeenkomst verplicht was, toen aldaar die [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft verdachte in voornoemde periode toen

- die [slachtoffer 1] niet uit zijn/een stoel kon opstaan en (vervolgens) door een van zijn zoons en verdachte naar bed was gebracht/gedragen en/of (in de periode daarna)

- die [slachtoffer 1] zwaar lag te ademen en/of te rochelen en/of

- die [slachtoffer 1] (ernstig) moest braken en/of (ernstig) heeft gebraakt (onder meer bloed) en/of toen die [slachtoffer 1] (een) ongezonde, althans ongebruikelijke, lichaamskleur(en) vertoonde (te weten witte handen, blauwe nagels, (donker) blauw/paarse neus en/of lippen en/of een of meerdere andere verkleuring(en) aan het gelaat),

- die [slachtoffer 1] niet meer aanspreekbaar was en/of in bewusteloze en/of comateuze toestand verkeerde,

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 1] en zodoende die [slachtoffer 1] de nodige medische zorg onthouden en zodoende die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand gebracht en/of gelaten, zulks terwijl vorenstaand nalaten en/of handelen van verdachte de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

1. meest subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 december 2003 tot en met 22 februari 2004, in elk geval in de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 februari 2004, te [pleegplaats 1], (zulks terwijl verdachte werkzaam was als verpleegster/verzorgende, althans in de zorg/verpleging) roekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, ten behoeve van de medische zorg van [slachtoffer 1], zijnde verdachtes echtgenoot, nadat

- die [slachtoffer 1] niet uit zijn/een stoel kon opstaan en (vervolgens) door een van zijn zoons en verdachte naar bed was gebracht/gedragen en/of (in de periode daarna)

- die [slachtoffer 1] zwaar lag te ademen en/of te rochelen en/of

- die [slachtoffer 1] (ernstig) moest braken en/of (ernstig) heeft gebraakt (onder meer bloed) en/of toen die [slachtoffer 1] (een) ongezonde, althans ongebruikelijke, lichaamskleur(en) vertoonde (te weten witte handen, blauwe nagels, (donker) blauw/paarse neus en/of lippen en/of een of meerdere andere verkleuring(en) aan het gelaat),

- die [slachtoffer 1] niet meer aanspreekbaar was en/of in bewusteloze en/of comateuze toestand verkeerde,

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp heeft geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 1] en zodoende die [slachtoffer 1] de nodige medische zorg onthouden, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 november 2012, in elk geval in of omstreeks het jaar 2012 (tot en met 26 juni 2012), te [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 2], en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en/of een "Niet-rokersverklaring" en/of een "Aanvullend vragenformulier", - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk (in voornoemde periode)

- op die formulieren/verklaring een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en/of een andere plaats van ondertekening vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en/of de werkelijke plaats van ondertekening en/of

- die formulieren/verklaring ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 2], althans een valse handtekening,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 november 2012, in elk geval in of omstreeks het jaar 2012 (tot en met 31 oktober 2012) te [pleegplaats 2], in ieder geval in gemeente [pleegplaats 2], en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschriften, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die geschriften, te weten een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en/of een "Niet-rokersverklaring" en/of een "Aanvullend vragenformulier" heeft ingeleverd/ingediend bij [verzekeringsmaatschappij 1] ten behoeve van (de uitkering van) een overlijdensrisicoverzekering en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- die formulieren/verklaring, althans die geschriften, met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering was/waren ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2], althans een valse handtekening en/of (daarbij)

- op die formulieren/verklaring, althans die geschriften, een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en/of een andere plaats van ondertekening stond vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke

e-mailadres van de verzekerde en/of de werkelijke plaats van ondertekening;

4.

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 november 2012, in elk geval in of omstreeks het jaar 2012 (tot en met 31 oktober 2012) te [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 2], en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere medewerker(s) van [verzekeringsmaatschappij 1] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst op naam van [slachtoffer 2] en/of de afgifte van (verzekerings)geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (in voornoemde periode) ten behoeve van (het verkrijgen en later uitkeren van) een overlijdensrisicoverzekering

- een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en/of een "Niet-rokersverklaring" en/of een "Aanvullend vragenformulier" en/of een "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)", althans die geschriften, met betrekking tot het aangaan van overlijdensrisicoverzekering ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2], althans een valse handtekening en/of (daarbij)

- op die formulieren/verklaring, althans die geschriften, met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering, een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde ([slachtoffer 2]) en/of een andere plaats van ondertekening vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde ([slachtoffer 2]) en/of de werkelijke plaats van ondertekening en/of (vervolgens)

- die formulieren/verklaring, althans geschriften, ingeleverd/ingediend bij [verzekeringsmaatschappij 1] en/of

- ( op 21 augustus 2012) een adreswijziging aan [verzekeringsmaatschappij 1] doorgegeven/gemeld met betrekking tot de woonplaats van de verzekerde [slachtoffer 2] en/of

- ten behoeve van de uitkering van die overlijdenrisicoverzekering (bij [verzekeringsmaatschappij 1]) schriftelijk via het "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)" melding gemaakt van het overlijden van die [slachtoffer 2] (op 22 augustus 2012), en/of

- ( aldus) zich (telkens) gepresenteerd en/of voorgedaan als [slachtoffer 2], althans een bonafide aanvrager van een overlijdensrisicoverzekering (op naam van [slachtoffer 2]), waardoor [verzekeringsmaatschappij 1] werd bewogen tot het aangaan van die schuld en/of (vervolgens) na het overlijden van die [slachtoffer 2] tot uitkering van verzekeringsgeld (250.000 euro) (op of omstreeks 26 oktober 2012) op grond van eerder genoemde, valselijk tot stand gekomen, overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst, in elk geval tot afgifte van geld;

5. primair

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 augustus 2012, in ieder geval in het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012), te [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 2], in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2], te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (in voornoemde periode) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) (toxische) middelen/stoffen, te weten Diazepam en/of Desmethyldiazepam en/of Temazepam en/of Morfine en/of Codeïne en/of Paracetamol toegediend en/of doen of laten innemen en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 2], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

5. subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 augustus 2012, in ieder geval in het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012), te [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 2], in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2], te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (in voornoemde periode) met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) (toxische) middelen/stoffen, te weten Diazepam en/of Desmethyldiazepam en/of Temazepam en/of Morfine en/of Codeïne en/of Paracetamol toegediend en/of doen of laten innemen en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 2], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

5. meer subsidiair

zij in of omstreeks de periode van omvattende het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012, in ieder geval in of omstreeks de periode van 19 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2004, te [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 2], (zulks terwijl verdachte werkzaam was als verpleegster/verzorgende, althans in de zorg/verpleging) opzettelijk iemand, te weten [slachtoffer 2], zijnde verdachtes echtgenoot, tot wiens onderhoud, verpleging en/of verzorging zij, verdachte, krachtens wet of overeenkomst verplicht was, toen aldaar in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft verdachte, in voornoemde periode,

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 20 augustus 2012 te 21:30:45 uur, kennelijk/klaarblijkelijk

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] ziek was en aangegeven dat zij daarover onrustig was en dat wanneer het erger zou worden zij de dokter zou bellen en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] in een heel diepe slaap was, al vanaf die avond na het eten, althans gelet op die/dat bericht(en), (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, en/of

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 21 augustus 2012 te 17:37:01 uur, kennelijk/klaarblijkelijk

- geconstateerd dat het er met betrekking tot de toestand van die [slachtoffer 2] ernstig uitzag en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] (gelet het hiervoor genoemde bericht van 20 augustus 2012, gedurende reeds langere periode) in een diepe slaap verkeerde, waarin hij niet meer aanspreekbaar was en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] klam en koud aanvoelde en dat dit geen goed teken was en/of

- geconstateerd dat wanneer zij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] sprak en/of die [slachtoffer 2] streelde, deze er niet op kon reageren en/of

- geconstateerd dat verdachte in dezelfde situatie zat als 8 jaar geleden (immers is verdachtes voormalige echtgenoot [slachtoffer 1] destijds (onder soortgelijke omstandigheden) overleden), althans gelet op die/dat bericht(en), (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, en toen na of gedurende een of meerdere van voornoemde constatering(en),

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 2] en zodoende die [slachtoffer 2] de nodige medische zorg onthouden en zodoende die [slachtoffer 2] in

hulpeloze toestand gebracht en/of gelaten, zulks terwijl vorenstaand nalaten en/of handelen van verdachte de dood van die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

5. meest subsidiair

zij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012), in ieder geval in of omstreeks de periode van 19 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012, te [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 2], roekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, ten behoeve van de medische zorg van [slachtoffer 2], zijnde verdachtes echtgenoot, nadat verdachte

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 20 augustus 2012 te 21:30:45 uur, kennelijk/klaarblijkelijk had

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] ziek was en aangegeven dat zij daarover onrustig was en dat wanneer het erger zou worden zij de dokter zou bellen en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] in een heel diepe slaap was, al vanaf die avond na het eten, althans (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, en/of

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 21 augustus 2012 te 17:37:01 uur, kennelijk/klaarblijkelijk had

- geconstateerd dat het er met betrekking tot de toestand van die [slachtoffer 2] ernstig uitzag en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] (gelet het hiervoor genoemde bericht van 20 augustus 2012, gedurende reeds langere periode) in een diepe slaap verkeerde, waarin hij niet meer aanspreekbaar was en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] klam en koud aanvoelde en dat dit geen goed teken was en/of

- geconstateerd dat wanneer zij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] sprak en/of die [slachtoffer 2] streelde, deze er niet op kon reageren en/of

- geconstateerd dat verdachte in dezelfde situatie zat als 8 jaar geleden (toen verdachtes voormalige echtgenoot [slachtoffer 1] (onder soortgelijke omstandigheden) is overleden),

althans (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, toen na of gedurende een of meerdere van voornoemde constatering(en),

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp heeft geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 2] en zodoende die [slachtoffer 2] de nodige medische zorg heeft onthouden, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

en in de zaak met parketnummer 18/730061-14 dat:

zij op of omstreeks 5 juni 2013 te [pleegplaats 3], in ieder geval in de gemeente [pleegplaats 3], meermalen, althans eenmaal, opzettelijk brand heeft gesticht in en/of aan een woning, gelegen aan of bij de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar (in die woning) (telkens) opzettelijk op meerdere plaatsen in die woning (telkens) terpentine, althans (telkens) een vluchtige en/of brandbare (vloei)stof op/over een of meerdere zich in die woning bevindende (brandbare) goed(eren) gegoten/gesprenkeld en/of (vervolgens) (op die meerdere plaatsen in die woning)

- die terpentine, althans die vluchtige en/of brandbare (vloei)stof en/of

- die/dat met terpentine, althans een vluchtige en/of brandbare (vloei)stof, overgoten/besprenkelde (brandbare) goed(eren), (telkens) in brand gestoken, althans (telkens) met (open) vuur in aanraking gebracht, in ieder geval (telkens) in die woning (open) vuur in aanraking gebracht met brandbare (vloei)stoffen en/of goederen, ten gevolge waarvan die zich in die woning bevindende goederen en/of de rest van de inventaris van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan

A. gemeen gevaar voor

- de inventaris van die woning, althans die meerdere zich in die woning bevindende goed(eren) en/of die woning en/of

- de/het/een belendende, althans in de nabijheid gelegen, perce(e)l(en)/woning(en) en/of de inventaris van die/dat belendende, althans in de nabijheid gelegen, perce(e)l(en)/woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

B. levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van die/dat belendende, althans in de nabijheid gelegen, perce(e)l(en)/woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,

te duchten was.

In de tenlasteleggingen voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak voor het in de zaak met parketnummer 18/750224-13 onder 1. primair en

1. subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/750224-13 onder 1. meer subsidiair, 2., 3., 4. en 5. primair en het in de zaak met parketnummer 18/730061-14 ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren;

- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

- verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld dat op de bankrekening van [partner verdachte] staat;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [verzekeringsmaatschappij 1] tot een bedrag van € 250.000,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Bewijsuitsluitingsverweer

Door de verdediging is bepleit dat verdachte ten onrechte geen bijstand heeft gehad van een advocaat tijdens de verhoren door de politie en tevens niet in de gelegenheid is geweest om overleg te voeren met haar advocaat. Derhalve is sprake van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), hetgeen een vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de verdediging dienen de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd dan ook te worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van het verweer is gewezen op een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Navone tegen Monaco (24 oktober 2013, nrs. 62880/11 en 62892/11), de Richtlijn 2013/48/EU en het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:770).

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat verdachte voorafgaand aan haar eerste verhoor in de gelegenheid is gesteld om overleg te voeren met haar advocaat. Verdachte is 17 keer verhoord door de politie. Tussentijds is zij meerdere keren in de gelegenheid gesteld voor of na de verhoren contact te hebben met haar advocaat. Indien zij tijdens de verhoren aangaf met haar advocaat te willen overleggen heeft de politie daar, voorzover dat in redelijkheid verlangd kan worden, gehoor aan gegeven.

De Nederlandse wetgeving kent vooralsnog geen regeling die een verdachte recht geeft op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. In het door de verdediging genoemde arrest van de Hoge Raad is geoordeeld dat het de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten gaat om een dergelijke regeling op te stellen en dat het op de weg van de wetgever ligt om dat te regelen. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit de door het EHRM beoordeelde gevallen niet zonder meer algemene conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand en de consequenties die aan de schending van dat recht moeten worden verbonden.

De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden om in de onderhavige zaak anders te oordelen dan de Hoge Raad in zijn arrest heeft gedaan en is van oordeel dat er geen schending is van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank verwerpt het verweer.

Beoordeling van het bewijs

Parketnummer 18/750224-13

Feit 1.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 30 mei 1984 is verdachte in het huwelijk getreden met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]). Tijdens dit huwelijk zijn vier kinderen geboren.2 Het huwelijk was niet goed, er waren veel ruzies.

Rond oktober/november 2003 is [slachtoffer 1] ergens anders gaan wonen.3 In februari 2004 had [slachtoffer 1] twee weken vrij en is hij naar de echtelijke woning in [pleegplaats 1] gegaan om in de woning te klussen.4 Op de vrijdagavond voor het overlijden van [slachtoffer 1], is het hem niet gelukt om uit zijn stoel op te staan en op eigen kracht de trap op te komen om naar bed te gaan. Hij is door verdachte en zoon [zoon slachtoffer] geholpen om naar boven te komen en is door hen naar bed gebracht. Toen [slachtoffer 1] werd geholpen om naar boven te komen en toen [zoon slachtoffer] hem in bed legde, had [slachtoffer 1] een soort lacherige grimas op zijn gezicht. Hij reageerde verder niet.5 Een van zijn andere zoons, [zoon 2 slachtoffer], is die avond bij zijn vader op bed gaan liggen. Verdachte heeft daar een foto van gemaakt. Op de betreffende foto ziet [slachtoffer 1] er behoorlijk ziek uit.6 [slachtoffer 1] heeft de nacht en de volgende dag zwaar ademend en rochelend in bed doorgebracht. Het geluid was door de muren heen te horen. [zoon 3 slachtoffer], zoon van [slachtoffer 1], heeft verklaard dat hij zo'n geluid daarvoor en daarna nooit meer heeft gehoord. Het klonk alsof [slachtoffer 1] spuug aan het verzamelen was om uit te spugen.7 [slachtoffer 1] is niet meer wakker geweest, heeft niet meer bewogen en niet meer gereageerd. [slachtoffer 1] is 's zaterdags nog door verdachte en zoon [zoon 4 slachtoffer] gewassen. [slachtoffer 1] heeft daar niet op gereageerd en was in een soort coma geraakt.8

Op zaterdagavond is [zoon slachtoffer] naar de jongerenkring van de kerk gegaan. Daar heeft hij gevraagd om te bidden voor zijn vader. Hij dacht toen dat het niet goed ging met zijn vader en is toen terug naar huis gegaan. Verdachte zei toen tegen hem dat het heel slecht ging met zijn vader en dat hij rekening moest houden met het ergste.9 Aan [zoon 2 slachtoffer] heeft verdachte verteld dat ze aan [slachtoffer 1] zag dat hij aan het overlijden was.10 [zoon 3 slachtoffer] heeft gehoord dat verdachte met iemand heeft gebeld en tegen diegene heeft gezegd dat ze de symptomen van [slachtoffer 1] herkende vanuit haar werk, namelijk symptomen dat hij zou overlijden.11 [predikant] heeft gehoord van zijn dochter dat een aantal kinderen van verdachte op zaterdagavond bij de jeugdclub waren geweest en daar hadden verteld dat hun vader ziek was en dat hij misschien zou komen te overlijden.12

[slachtoffer 1] heeft op zaterdagavond moeten braken. Er is allemaal troep, waaronder bloed, uit zijn mond gekomen. Daarnaast had hij witte handen, blauwe nagels en een donkerblauwe/paars verkleurde neus en lippen. Ook was hij in zijn gezicht verkleurd.13

In de daaropvolgende nacht, op 22 februari 2004, is [slachtoffer 1] overleden.14 Een dag na het overlijden heeft [predikant] aan verdachte gevraagd of ze niet ongerust is geweest toen er volgens verdachte niemand van de huisartsenpost wilde komen. Verdachte heeft daarop geantwoord dat zij verzorgende was en dat ze zich er wel mee kon redden en dat hij toen al stervende was.15 De rechtbank merkt hierbij op dat uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen zij tegenover meerdere personen heeft verklaard, geen contact heeft opgenomen met de huisartsenpost. Verdachte heeft op geen enkel moment medische hulp ingeschakeld voor [slachtoffer 1] en zij heeft pas de dokter gebeld toen hij al was overleden.16

Verdachte heeft in 2002 haar diploma Verzorgende Individuele Gezondheidszorg (IG) behaald.17 Ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 1] werkte zij als verzorgende IG in een verpleeghuis.18 Voor die tijd heeft zij gewerkt in verpleeghuizen, ziekenhuizen, zorgcentra en de thuiszorg.19

Op 6 januari 2014 is het lichaam van [slachtoffer 1] geëxhumeerd. Op basis van de bevindingen van het forensisch antropologisch onderzoek kon geen doodsoorzaak van [slachtoffer 1] worden vastgesteld.20 In het onderzochte lichaamsmateriaal van [slachtoffer 1] zijn geen aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen.21

Feit 1. primair en 1. subsidiair

De rechtbank is - met de officier van justitie en de verdediging - van oordeel dat de onder

1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte de ten laste gelegde feiten zowel bij de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting ten stelligste heeft ontkend.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting kan, in het bijzonder gelet op het ontbreken van sporen die duiden op een niet-natuurlijke dood, niet worden afgeleid dat verdachte, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] middelen of stoffen heeft toegediend, dan wel andere handelingen heeft verricht, welke schadelijk waren voor de gezondheid van [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan hij is overleden.

Feit 1. meer subsidiair

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit de stukken volgt dat verdachte, als gediplomeerd verpleegkundige en met een ruime ervaring in de begeleiding van terminaal zieke patiënten, opzettelijk [slachtoffer 1] de noodzakelijke zorg heeft onthouden door geen arts in te schakelen of naar het ziekenhuis te gaan, waardoor hij uiteindelijk is overleden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde feit nu uit de stukken onvoldoende blijkt dat verdachte haar echtgenoot opzettelijk dood heeft laten gaan. [slachtoffer 1] heeft voorafgaand aan zijn overlijden te maken gehad met drukke werkzaamheden. Verdachte is in de veronderstelling geweest dat hij daardoor erg vermoeid was. Het is voor verdachte niet te verwachten geweest dat hij zou komen te overlijden.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten. Bij het in hulpeloze toestand laten als bedoeld in voornoemd artikel gaat het om het niet doen ophouden van een hulpeloze toestand waarin iemand verkeert. Volgens de Memorie van Toelichting is er sprake van een hulpeloze toestand wanneer er gevaar bestaat voor leven of gezondheid, terwijl de hulpbehoevende zichzelf niet kan redden. Op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek geldt een onderhoudsverplichting tussen echtgenoten, hetgeen betekent dat zij elkaar getrouwheid, hulp en bijstand zijn verschuldigd.

In de onderhavige zaak leidt de rechtbank uit de voornoemde feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer 1] al op vrijdagavond hulp nodig heeft gehad toen hij niet uit de stoel kon opstaan, niet meer de trap op kon komen om naar bed te gaan en nauwelijks meer heeft gereageerd. Voorts blijkt uit de foto die zich in het dossier bevindt en die is gemaakt op de bewuste vrijdagavond, dat [slachtoffer 1] er op dat moment al behoorlijk ziek uitzag. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij dacht dat [slachtoffer 1] erg vermoeid was door zijn drukke werkzaamheden. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet meer uit een stoel kunnen opstaan, het niet meer de trap op kunnen komen, de lacherige grimas, het verder niet meer reageren en er behoorlijk ziek uitzien, geen symptomen zijn die passen bij het enkel flink vermoeid zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte, temeer gelet op haar opleiding en functie als verzorgende IG, op dat moment al wist dat er gevaar bestond voor het leven of de gezondheid van [slachtoffer 1], dat hij zichzelf niet kon redden en dat medische hulp noodzakelijk was. Verdachte heeft echter op dat moment niets gedaan.

Ook toen zijn toestand verslechterde, hij niet meer reageerde, onder meer bloed braakte en zijn lichaamsdelen verkleurden, heeft zij niets gedaan, terwijl zij blijkens haar opmerkingen in de richting van haar zoons en [predikant] er toen al vanuit ging dat [slachtoffer 1] stervende was. Gezien de omstandigheden was het noodzakelijk medische hulp in te roepen. Verdachte was zich hier, gelet op de opmerkingen, ook van bewust. Ze heeft desondanks opzettelijk nagelaten hulp in te roepen.

Ze heeft opzettelijk nagelaten te voldoen aan de op haar rustende plicht, namelijk te doen wat in haar vermogen lag om ervoor te zorgen dat aan haar echtgenoot de noodzakelijke medische hulp zou worden verschaft zodat zou worden voorkomen dat hij zou overlijden. Verdachte heeft de nodige medische zorg aan [slachtoffer 1] onthouden en zodoende [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand gelaten. Verdachte heeft het gevaar dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden in zodanige mate verhoogd dat het overlijden van [slachtoffer 1] redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2., 3. en 4.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen22 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Verdachte heeft een aanvraagformulier voor een overlijdensverzekering, een niet-rokersverklaring en een aanvullend vragenformulier ingevuld ten behoeve van het aanvragen van een overlijdensrisicoverzekering op naam van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Op de voornoemde formulieren heeft zij ingevuld dat zij en [slachtoffer 2] woonachtig waren op de [adres 2], terwijl zij in werkelijkheid in [pleegplaats 2] woonden. Voorts heeft verdachte op de formulieren haar eigen telefoonnummer en e-mailadres ingevuld, in plaats van de gevraagde gegevens van [slachtoffer 2]. Ook heeft verdachte een andere plaats van ondertekening vermeld, te weten [adres 2], terwijl dit in werkelijkheid [pleegplaats 2] was. Tot slot heeft zij de voornoemde formulieren op 26 juni 2012 ondertekend met een handtekening die telkens moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 2].23 Zij heeft de desbetreffende formulieren ingediend bij [verzekeringsmaatschappij 1] (hierna: verzekeraar) waardoor er een overlijdensrisicoverzekering tot stand is komen en er ingeval van overlijden van [slachtoffer 2] een bedrag aan haar uitgekeerd zou worden.24

Op 20 augustus 2012 heeft verdachte een e-mail gestuurd naar het adres

risicoverzekering@[verzekeringsmaatschappij 2].nl met de mededeling dat zij zijn verhuisd en met het verzoek het adres aan te passen in de administratie.25 Deze wijziging is op 21 augustus 2012 doorgegeven aan de verzekeraar.26

Verdachte heeft op 29 augustus 2012 aan de afdeling overlijdensrisico van [verzekeringsmaatschappij 2] laten weten dat haar echtgenoot [slachtoffer 2] op 22 augustus 2012 geheel onverwacht is overleden. Verdachte heeft voorts het "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)" ingevuld en opgestuurd naar de verzekeraar.27 De verzekeraar heeft per brief van 26 oktober 2012 aan verdachte laten weten over te gaan tot uitbetaling van het verzekeringsgeld aan verdachte, te weten € 250.000,00.28 Op 29 oktober 2012 is het voornoemde bedrag op de rekening van verdachte gestort.29

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend

is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen

van valsheid in geschrift, opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als ware het echt en onvervalst, en aan oplichting van de verzekeringsmaatschappij.

Feit 5.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen30 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Na de dood van haar echtgenoot [slachtoffer 1] heeft verdachte een nieuwe relatie gekregen met [slachtoffer 2]. Op 4 april 2008 zijn zij met elkaar in het huwelijk getreden. Ook dit huwelijk kende problemen. Er waren vele ruzies die er eind augustus 2009 toe hebben geleid dat verdachte samen met zoon [zoon 2 slachtoffer] een tijdje in Tzum heeft gewoond. Verdachte heeft vanuit religieus oogpunt niet willen scheiden. Vanaf maart 2010 woonden zij weer in [pleegplaats 2] met [slachtoffer 2] in één woning.31

26 juni 2012

Op 26 juni 2012 heeft verdachte zonder medeweten van [slachtoffer 2] op zijn naam een overlijdensrisicoverzekering aangevraagd bij [verzekeringsmaatschappij 1] en daarbij zijn handtekening vervalst. Op het aanvraagformulier heeft zij het adres van haar zoon in [adres 2] als woonadres van haar en [slachtoffer 2] opgegeven.

Zo heeft verdachte voorkomen dat er post omtrent de verzekering op het werkelijke woonadres zou verschijnen en [slachtoffer 2] er op die manier achter zou komen dat verdachte een levensverzekering op zijn leven had afgesloten.32 De begunstigde van de verzekering betrof verdachte, de ingangsdatum was 1 juli 2012 en de looptijd was 5 jaar. Indien [slachtoffer 2] binnen vijf jaar zou komen te overlijden, dan zou de verzekeraar € 250.000,00 aan verdachte uitkeren.33 Verdachte had voor de voornoemde looptijd en hoogte van het uit te keren bedrag gekozen omdat [slachtoffer 2] dan niet medisch gekeurd hoefde te worden.34

Maandag 20 augustus 2012

Om 13.12 uur is verdachte na een weekend te hebben gewerkt, thuisgekomen in [pleegplaats 2].35

Om 13.37 uur heeft dochter [dochter slachtoffer] voor het laatst telefonisch contact gehad met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft tijdens dat gesprek niets bijzonders gezegd.36 Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat er daarna nog iemand contact heeft gehad met [slachtoffer 2] en uit de verklaringen van verdachte blijkt ook niet dat er andere personen in de woning zijn geweest.

Om 14.58 uur is op de laptop van verdachte onder het account "[verdachte]" op internet gezocht op "Wilsverklaring voorbeeld".

Om 15.31 uur is op de laptop onder het account "[verdachte]" op internet gezocht op "wilsbeschikking voorbeeld" onder de categorie leif.be/.37

Om 18.27 uur, 18.30 uur, 18.31 uur en 18.53 uur heeft verdachte op internet gezocht naar: "midazolam_diazepam_codeïne", "overdosis diazepam" en "novarapid dodelijk". Tevens heeft zij gezocht naar: "hoe lang blijft midazolam in je bloed", "teveel novorapid hoe herstel je ervan", "overlijden aan teveel novorapid", "overlijden aan 2 pennen novorapid", "overdosis novorapid", "novarapid dodelijk" en "midazolam".38 Verdachte heeft verklaard dat zij deze zoektermen heeft gebruikt naar aanleiding van een krantenartikel over suïcide met medicatie. Dat krantenartikel zou zij van [slachtoffer 2] hebben gekregen.39 De politie heeft, ondanks uitgebreid onderzoek, een dergelijk artikel niet kunnen vinden.40 Bovendien merkt de rechtbank op dat de zoekterm "hoe lang blijft midazolam in je bloed" niet past bij de verklaring van verdachte dat zij heeft gezocht naar gegevens over suïcide met medicatie. Over de zoekterm codeïne heeft verdachte verklaard dat zij dit heeft uitgezocht omdat haar [schoondochter verdachte] dit medicijn gebruikte en [slachtoffer 2] meer over het medicijn wilde weten.41 [schoondochter verdachte] heeft verklaard dat zij geen codeïne heeft geslikt.42

Om 20.30 uur heeft verdachte een e-mail gestuurd naar [geadresseerde], waarin zij heeft aangegeven dat [slachtoffer 2] ziek is en dat haar onrust wel degelijk grond had. Ook heeft zij aangegeven dat [slachtoffer 2] heel diep in slaap is.43

Drie minuten later heeft verdachte een e-mail aan risicoverzekering@[verzekeringsmaatschappij 2].nl gestuurd, waarin zij heeft aangegeven dat ze zijn verhuisd en per 1 augustus 2012 in [pleegplaats 2] wonen.44

Dinsdag 21 augustus 2012

Om 8.13 uur heeft verdachte opnieuw op internet gezocht naar: "midazolam".

Om 13.01 uur en 13.02 uur heeft verdachte op internet gezocht naar: "bloemschikken/grafstuk/takken/bloemschikken/grafstuk maken/grafstuk met zonnebloemen" en nogmaals "grafstuk met zonnebloemen".45 Verdachte heeft hierover verklaard dat zij samen met [slachtoffer 2] naar een grafstuk met zonnebloemen heeft gekeken omdat [slachtoffer 2] dat mooi vond en verdachte een stuk zou maken voor het graf van haar overleden echtgenoot [slachtoffer 1]. Voorts heeft zij verklaard dat zij elk jaar een stuk bracht naar het graf van [slachtoffer 1].46 Uit de verklaring van de begraafplaatsbeheerder is gebleken dat er niemand kwam bij het graf van [slachtoffer 1]. Hij zag er nooit iemand, er veranderde niets aan het graf en er waren geen tekenen dat er bezoek was geweest. Indien er wel bezoekers bij een graf kwamen dan kon hij dat direct zien, dan had bijvoorbeeld het grafperkje onderhoud gehad, waren er bloemen gebracht of was de steen schoongemaakt.47

Om 13.11 uur en 13.12 uur heeft verdachte op internet gezocht naar: "hoe lang blijft midazolam in je bloed", "info medicijn midazolam" en nog een keer "hoe lang blijft midazolam in je bloed".48

Om 17.37 uur heeft verdachte opnieuw een e-mail gestuurd naar [geadresseerde].

In de e-mail heeft zij aangegeven dat het er ernstig uitziet met [slachtoffer 2] en dat het bijna traumatisch is om mee te maken. Ook staat in de e-mail dat zij bijna 8 jaar geleden in ongeveer dezelfde situatie heeft gezeten. Verder heeft zij geschreven dat [slachtoffer 2] op dat moment in een diepe slaap is, niet aanspreekbaar en nog steeds klam en koud is.

Ze is blij dat ze nu lekker naast hem kan liggen en alles mee kan maken.49

Woensdag 22 augustus 2012

Omstreeks 8.00 uur heeft verdachte gebeld met de huisarts met het verzoek naar haar woning te komen in verband met het mogelijk overlijden van [slachtoffer 2]. De huisarts heeft geconstateerd dat [slachtoffer 2] is overleden.50 Vlak na de komst van de huisarts zijn in de woning[getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] verschenen. Verdachte heeft aan hen een niet ondertekende wilsbeschikking laten zien waar de naam [slachtoffer 2] onder stond getypt. Verdachte heeft hen verteld dat [slachtoffer 2] hoogstwaarschijnlijk heeft gevoeld dat hij dood zou gaan en dat hij daarom het stuk zou hebben getypt. Hij zou dit enkele dagen voor zijn dood hebben gedaan.51

Negatieve wilsverklaring

In het kader van het opsporingsonderzoek heeft er op 26 november 2013 een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van verdachte te [woonplaats verdachte]. Daar is een negatieve wilsverklaring aangetroffen waar de naam [slachtoffer 2] onder staat getypt. Voorts staat op het document januari 2012 getypt. De wilsverklaring is niet getekend. In de wilsverklaring staat onder meer: "Wanneer ik onverwacht kom te overlijden eis ik dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de doodsoorzaak".52 Naar aanleiding van het aantreffen van voornoemd document heeft de politie het internet geraadpleegd om vast te kunnen stellen of deze wilsverklaring was opgemaakt in een vorm welke te doen gebruikelijk is. De specifieke zoekvraag "negatieve wilsverklaring" leverde 7000 hits op van websites. De vier eerste hits waren van de site www.leif.be, dezelfde site die op 20 augustus 2012 om 15.31 uur op de laptop van verdachte onder het account "[verdachte]" is bezocht. Op deze site werd verwezen naar een artikel dat sinds 2009 online staat. Het betrof een artikel over het onderwerp Negatieve wilsverklaring, alsmede een toelichting daarop.

In de tekst van deze toelichting bleken een aantal overeenkomsten te zitten met betrekking tot de gebruikte woorden en zinsopbouw in de bij verdachte te [woonplaats verdachte] aangetroffen wilsbeschikking, namelijk: "levenstestament", "negatieve wilsverklaring", "coma", "verward t.g.v. dementie of tumor", "levensverlengende medische handelingen worden opgestart", "bovendien", "vertegenwoordiger aanduiden die", "wanneer", "wilsonbekwaam zou zijn geworden", "de wettelijke bevoegdheid krijgt om namens", "(en dus ook dit document) te handelen en als zodanig", "wil te vertolken", "deze wilsverklaring is onbeperkt geldig in tijd". In de overige opgezochte voorbeelden zijn geen overeenkomsten aangetroffen met de bij verdachte aangetroffen wilsbeschikking.53

Doodsoorzaak

Op 2 december 2013 is het lichaam van [slachtoffer 2] geëxhumeerd.54 Uit de sectie op het lichaam is gebleken dat er geen anatomische doodsoorzaak is gevonden. Uit het onderzoek dat naar het hart is gedaan, blijkt dat de kransslagaders normaal waren aangelegd. De afdalende tak van de linkerkransslagader vertoonde een geringe aderverkalking waarbij de doorgang voor circa 50% was vernauwd. De omlopende tak van de linker- en rechterkransslagader waren vrij. De kleppen van het hart waren normaal aangelegd en bewegelijk.55

Toxicologisch onderzoek

Op 4 december 2013 is toxicologisch onderzoek uitgevoerd met lichaamsmateriaal dat van het lichaam van [slachtoffer 2] is veiliggesteld. Het betrof onder meer leverweefsel.

De toxicoloog heeft onder meer het volgende gerapporteerd:

- Het onderzoek in het leverweefsel heeft benzodiazepinen (diazepam (0,27 mg/kg), desmethyldiazepam (ongeveer 0,05 mg/kg), temazepam (0,23 mg/kg)), opiaten (morfine (0,20 mg/kg) en codeïne (0,01 mg/kg)) en paracetamol aangetoond.

- Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer 2] kan door de aangetoonde stoffen ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed.

- Gelet op de gemeten waarde van de morfine in het leverweefsel van [slachtoffer 2] lijkt een fatale overdosering met opiaten minder waarschijnlijk, maar kan ook niet worden uitgesloten, gezien de gevorderde postmortale ontbinding (dit leidt tot grote onzekerheden in de interpretatie van de gemeten concentraties).

- De aangetoonde benzodiazepinen kunnen het dempende effect van opiaten op het centrale zenuwstelsel hebben versterkt, echter in welke mate kan niet worden geconcludeerd.56

- Diazepam, temazepam en morfine kunnen normaal alleen verkregen worden op basis van een recept van een arts. Codeïne komt voor in producten die zonder recept zijn te verkrijgen en paracetamol kan ook zonder recept worden verkregen.

- Diazepam, temazepam, morfine en codeïne werken allen dempend op het centraal zenuwstelsel.

- Een combinatie van de middelen zal onder andere leiden tot een sterkere daling van het bewustzijn en verminderde ademhaling dan afzonderlijk gebruik van deze middelen.

- De resultaten van het toxicologisch onderzoek passen beter bij gebruik van diazepam en temazepam dan gebruik van alleen diazepam.

- Bij een niet-gewende gebruiker van morfine, codeïne, diazepam en temazepam zullen de effecten bij een zelfde concentratie sterker optreden dan bij een gewende gebruiker.

- De aangetoonde stoffen werken allen dempend op het centraal zenuwstelsel. Bij een gecombineerd gebruik van deze stoffen zullen lagere doses nodig zijn voor het optreden van toxische effecten, dan bij afzonderlijk gebruik van deze stoffen.57

De combinatie van de stoffen die in het leverweefsel van [slachtoffer 2] is aangetroffen, kan leiden tot de dood. Dat is afhankelijk van de dosis van de medicatie. Een overdosis van alleen morfine kan, afhankelijk van de dosis, ook leiden tot de dood.58

Gezondheid [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] was een gezonde man die nooit ziek was en een hekel had aan medicatie. Zelfs indien zijn dochters een aspirine tegen hoofdpijn innamen, vertelde hij hen dat zij zich daarmee vergiftigden.59 Uit het medisch dossier is gebleken dat [slachtoffer 2] in 2006 voor het laatst medicatie voorgeschreven heeft gekregen van de huisarts. [slachtoffer 2] leed niet aan enige potentieel levensbedreigende aandoening, hij was niet depressief en had geen suïcidale neigingen. Vanuit zijn geloof was hij tegen suïcide. Hij vond dat het beëindigen van het leven een beslissing was die men niet zelf kon nemen.60 [slachtoffer 2] had nog allerlei plannen met zijn winkel en een van zijn dochters zou gaan trouwen.61

Werk verdachte

Verdachte werkte ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 2] als verzorgende IG met terminaal zieke mensen. Een onderdeel van haar werk betrof het verstrekken en toedienen van medicatie aan patiënten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het verschillende malen is voorgekomen dat zij zonder toestemming medicatie van patiënten mee naar huis nam.62

Opmerkingen [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft tegen zijn kennis [getuige 2] verklaard dat verdachte heel veel medicatie en tabletten mee naar huis nam van patiënten. In dat kader heeft [slachtoffer 2] meerdere malen tegen deze [getuige 2] gezegd: "Als je mij dood aantreft, dan weet je hoe het komt".63 Tegen [getuige 3] heeft [slachtoffer 2] gezegd dat als hij dood was, hij wel wist waar [getuige 3] moest zijn. [slachtoffer 2] heeft daarmee verdachte bedoeld.64

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op haar echtgenoot [slachtoffer 2]. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft twee maanden voor het overlijden van [slachtoffer 2] via internet valselijk een overlijdensrisicoverzekering aangevraagd op zijn leven. Voorts heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd over de omstandigheden omtrent het overlijden van [slachtoffer 2] die niet worden ondersteund door andere verklaringen. Verdachte heeft in de twee dagen voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer 2] zoekslagen op internet gemaakt naar onder meer een negatieve wilsverklaring, de werking van verschillende medicatie, overdosis van medicatie en een grafstuk met zonnebloemen. Voorts heeft verdachte een tweetal mails gestuurd naar [getuige 5] kort voor het overlijden van [slachtoffer 2], waarin zij aangeeft dat [slachtoffer 2] ernstig ziek en niet meer aanspreekbaar is. Ook heeft verdachte kort voor het overlijden van [slachtoffer 2] een mail gestuurd naar de verzekeraar waarin zij aangeeft dat zij zijn verhuisd van [adres 2] naar [pleegplaats 2].

Blijkens de sectie kon geen anatomische doodsoorzaak worden gevonden. Uit het toxicologische onderzoek is naar voren gekomen dat in het leverweefsel diverse medicatie is aangetroffen. De officier van justitie heeft daarbij naar voren gebracht dat [slachtoffer 2] een gezonde man was die nauwelijks medicatie gebruikte, geen hartklachten had en helemaal niet bezig was met de dood. Verdachte kon via haar werk gemakkelijk aan medicatie komen, zoals insulinepennen. Bovendien nam zij wel medicatie mee naar huis. Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat verdachte een motief had om [slachtoffer 2] om het leven te brengen. Hun huwelijk was slecht en scheiden was geen optie. Daarnaast wilde verdachte met de frauduleus afgesloten levensverzekering verzorgd achterblijven. Volgens de officier van justitie zijn alternatieve scenario's uitgesloten en staat vast dat verdachte medicatie heeft gegeven aan [slachtoffer 2] waardoor hij versuft is geraakt. Hierna heeft verdachte hem insuline gegeven en is hij overleden. Derhalve is bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] met opzet en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht door middel van vergiftiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu de doodsoorzaak niet is komen vast te staan. Er kan niet worden vastgesteld of [slachtoffer 2] is overleden door inname of door toediening van de (combinatie van) stoffen zoals die zijn aangetroffen in het leverweefsel. Ook kan niets worden gezegd over het tijdstip van inname van de stoffen en de concentraties van de stoffen ten tijde van het overlijden. Tevens kan niet worden vastgesteld of er een causaal verband is tussen de gemeten concentraties aangetroffen stoffen en het overlijden. Tot slot kan op basis van de stukken niet worden uitgesloten dat [slachtoffer 2] zelf de medicijnen heeft ingenomen, dan wel dat hij is overleden aan een hartstilstand.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ten stelligste ontkend haar man van het leven te hebben beroofd en de rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte haar echtgenoot [slachtoffer 2] met opzet en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht door toediening van toxische middelen.

Bij de beantwoording van die vraag is de rechtbank uitgegaan van de voornoemde feiten en omstandigheden waaruit samengevat blijkt dat:

- [slachtoffer 2] een gezonde man was, die een aversie had tegen medicatie, die niet leed aan enige potentieel levensbedreigende aandoening, die niet depressief was, die geen suïcidale neigingen had en die plotseling zonder aanwijsbare oorzaak is overleden;

- het huwelijk tussen [slachtoffer 2] en verdachte slecht was en scheiden geen optie was;

- verdachte twee maanden voor het overlijden van [slachtoffer 2] op valselijke wijze een overlijdensrisicoverzekering op diens leven heeft afgesloten; [slachtoffer 2] mocht niet weten dat verdachte deze verzekering had afgesloten;

- verdachte kort voor het overlijden van [slachtoffer 2] ten behoeve van de overlijdensrisicoverzekering een e-mail heeft gestuurd naar de tussenpersoon waarin zij het foutieve adres dat zij had opgegeven bij de aanvraag heeft gewijzigd in het werkelijke adres; verdachte wist dat [slachtoffer 2] berichten van de verzekeraar niet meer onder ogen zou krijgen;

- verdachte in de twee dagen voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer 2] op haar laptop op internet heeft gezocht naar: "midazolam_diazepam_codeïne", "overdosis diazepam", "novarapid dodelijk", "hoe lang blijft midazolam in je bloed", "teveel novorapid hoe herstel je ervan", "overlijden aan teveel novorapid", "overlijden aan 2 pennen novorapid", "overdosis novorapid", "novarapid dodelijk" "midazolam" en "info medicijn midazolam";

- in het leverweefsel van [slachtoffer 2] benzodiazepinen (diazepam, desmethyldiazepam, temazepam), opiaten (morfine en codeïne) en paracetamol zijn aangetroffen; dit zijn stoffen die duiden op inname van medicatie;

- de combinatie van de aangetroffen stoffen, afhankelijk van de dosis, kan hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 2];

- verdachte kort na het overlijden van [slachtoffer 2] een niet ondertekende negatieve wilsverklaring heeft getoond waaronder de naam [slachtoffer 2] stond getypt en waarin onder meer was opgenomen: "Wanneer ik onverwacht kom te overlijden eis ik dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de doodsoorzaak";

- de bewoordingen van deze wilsverklaring grotendeels overeenkomen met de tekst van de website waarop twee dagen voor het overlijden op de laptop van verdachte, onder het account "[verdachte]" is gezocht; de rechtbank gaat ervan uit dat verdachte degene is geweest die de wilsverklaring heeft opgesteld;

- verdachte op de avond voor het overlijden van [slachtoffer 2] op internet heeft gezocht naar een grafstuk met zonnebloemen.

Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat verdachte aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade een dodelijke hoeveelheid medicijnen heeft toegediend. De rechtbank overweegt daarbij dat er geen enkele aanwijzing is dat [slachtoffer 2] de medicijnen zelf heeft ingenomen of dat iemand anders dan verdachte hem de medicijnen heeft toegediend. Het scenario van een natuurlijke dood wordt, mede wegens het ontbreken van elke aanwijzing daartoe en in het licht van de voor verdachte zeer belastende omstandigheden, als theoretische mogelijkheid terzijde geschoven. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op haar echtgenoot [slachtoffer 2].

Parketnummer 18/730061-14

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen65 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Na het overlijden van haar echtgenoot [slachtoffer 2] heeft verdachte in oktober 2012 een relatie gekregen met [partner verdachte] (hierna: [partner verdachte]). [partner verdachte] was woonachtig aan de [adres 1]. Verdachte is vanaf april 2013 aan de [adres 3] gaan wonen, maar ze was veel in de woning van [partner verdachte].66

Op 5 juni 2013 omstreeks 11.15 uur hebben verbalisanten een melding gekregen van een woningbrand aan de [adres 1], in de gemeente [pleegplaats 3]. Het betrof een vrijstaande woning.67 De brandweer die ter plaatse is gekomen, heeft eerst de rolluiken die voor de ramen en deuren zaten, moeten openen om in de woning te komen.68

Uit het sporenonderzoek naar de brand is gebleken dat op een vijftal plaatsen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen. Er zijn vijf sporen voor nader onderzoek overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Het NFI heeft geconcludeerd dat in alle vijf de aangeboden monsters, vluchtige stoffen zijn aangetoond die van een aardoliedestillaat afkomstig zijn. De aangetoonde combinatie van deze stoffen wijst op een "product cab subklasse terpentine". Ook is gebleken dat er meerdere afzonderlijke brandhaarden waren. Op het aanrecht is een aangebroken fles met het opschrift "Gamma terpentine" gevonden. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat de brand het gevolg is geweest van het opzettelijk inbrengen of achterlaten van open vuur, waardoor gemeen gevaar voor personen en/of goederen is ontstaan.69

Uit verder onderzoek is gebleken dat [melder] rond 11.00 uur in de tuin van zijn woning zat toen hij uit de dakkapel van de woning aan de [adres 1] een zwarte rookpluim zag komen. Hij heeft direct 112 gebeld.70 Zijn vrouw heeft kort daarvoor een zwarte Peugeot, klein model, bij de betreffende woning zien wegrijden.71 Verbalisanten zijn naar de woning van verdachte te [woonplaats verdachte] gegaan. In de kofferbak van de zwarte Peugeot 208 van verdachte, is een sterke lucht van terpentine geroken. Ook is er in de kofferbak een vuilniszak aangetroffen, met daarin onder meer een plastic tas van het merk "Gamma", twee lege flessen en één volle fles met het opschrift "Gamma terpentine".72

Uit nader onderzoek is gebleken dat verdachte die dag om 10.18 uur bij Gamma vier flessen terpentine heeft gekocht.73 Daarna is zij naar haar woning te [woonplaats verdachte] gereden. Volgens getuige [getuige 6] is zij daar rond 10.38 uur geweest en is na een kort gesprek met de buurman weer vertrokken naar de woning aan de [adres 1]. Verdachte heeft verklaard dat zij korte tijd in die woning is geweest. Daarna zou zij de rolluiken hebben dichtgedaan en zijn weggereden.74 De reistijd van [woonplaats verdachte] naar [pleegplaats 3] bedraagt ongeveer zes minuten.75 Getuige [getuige 7] die rond 10.45 uur à 10.50 uur langs de woning aan de [adres 1] is gefietst, heeft gezien dat de rolluiken van de woning op dat moment niet naar beneden waren.76

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van diverse getuigen, alsmede de verklaring van verdachte waaruit blijkt dat zij kort voor het ontstaan van de brand in de desbetreffende woning is geweest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van verdachte. Hiertoe is aangevoerd dat weliswaar voldoende wettig bewijs voorhanden is, maar dat de overtuiging dat verdachte de brand heeft gesticht, ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte kort voor de brand in de woning van [partner verdachte] is geweest. De rechtbank gaat uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] waaruit blijkt dat verdachte rond 10.45 uur bij de woning is geweest. Rond 11.00 uur is de brand ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen en dan in het bijzonder de bevindingen met betrekking tot de flessen terpentine en het waarnemen van de zwarte Peugeot van verdachte kort voor het uitbreken van de brand bij de woning van [partner verdachte], het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht in de woning. De rechtbank sluit, gelet op het korte tijdsbestek tussen de aanwezigheid van verdachte in de woning en de brand, uit dat iemand anders in de woning brand heeft gesticht. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/750224-13 onder 1. meer subsidiair, 2., 3., 4., en 5. primair en het in de zaak met parketnummer 18/730061-14 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/750224-13:

1. meer subsidiair

zij in de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 februari 2004, te [pleegplaats 1], zulks terwijl verdachte werkzaam was als verzorgende, opzettelijk, [slachtoffer 1], zijnde verdachtes echtgenoot, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens wet verplicht was, toen aldaar die [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft verdachte in voornoemde periode toen

- die [slachtoffer 1] niet uit een stoel kon opstaan en vervolgens door een van zijn zoons en verdachte naar bed was gebracht en in de periode daarna

- die [slachtoffer 1] zwaar lag te ademen en te rochelen en

- die [slachtoffer 1] moest braken en heeft gebraakt (onder meer bloed) en toen die [slachtoffer 1] ongezonde lichaamskleuren vertoonde, te weten witte handen, blauwe nagels, donkerblauw/paarse neus en lippen en een of meerdere andere verkleuring(en) aan het gelaat en

- die [slachtoffer 1] niet meer aanspreekbaar was,

niet een huisarts of (een medewerk(st)er van) een arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 1] en zodoende die [slachtoffer 1] de nodige medische zorg onthouden en zodoende die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand gelaten, zulks terwijl vorenstaand nalaten van verdachte de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 juli 2012, te [pleegplaats 2], een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en een "Niet-rokersverklaring" en een "Aanvullend vragenformulier", - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk in voornoemde periode

- op die formulieren een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en een andere plaats van ondertekening vermeld dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en de werkelijke plaats van ondertekening en

- die formulieren ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 2],

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 juli 2012, te [pleegplaats 2], opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die geschriften, te weten een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en een "Niet-rokersverklaring" en een "Aanvullend vragenformulier" heeft ingediend bij [verzekeringsmaatschappij 1] ten behoeve van (de uitkering van) een overlijdensrisicoverzekering en bestaande die valsheid hierin dat

- die formulieren met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering waren ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2] en daarbij

- op die formulieren een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en een andere plaats van ondertekening stond vermeld dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en de werkelijke plaats van ondertekening;

4.

zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 26 oktober 2012, te [pleegplaats 2], met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere medewerker(s) van [verzekeringsmaatschappij 1] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst op naam van [slachtoffer 2] en de afgifte van verzekeringsgeld, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid in voornoemde periode ten behoeve van het verkrijgen en later uitkeren van een overlijdensrisicoverzekering

- een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en een "Niet-rokersverklaring" en een "Aanvullend vragenformulier" ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2] en daarbij

- op die formulieren een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde [slachtoffer 2] en een andere plaats van ondertekening vermeld dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde [slachtoffer 2] en de werkelijke plaats van ondertekening en vervolgens

- die formulieren ingediend bij [verzekeringsmaatschappij 1] en

- een adreswijziging aan [verzekeringsmaatschappij 1] doorgegeven met betrekking tot de woonplaats van de verzekerde [slachtoffer 2] en

- ten behoeve van de uitkering van die overlijdenrisicoverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] schriftelijk via het "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)" melding gemaakt van het overlijden van die [slachtoffer 2] op 22 augustus 2012 en

- aldus zich telkens gepresenteerd als [slachtoffer 2], waardoor [verzekeringsmaatschappij 1] werd bewogen tot het aangaan van die schuld en vervolgens na het overlijden van die [slachtoffer 2] tot uitkering van verzekeringsgeld (250.000 euro) op 26 oktober 2012 op grond van de eerder genoemde, valselijk tot stand gekomen overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst;

5. primair

zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 augustus 2012, te [pleegplaats 2], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2], te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte in voornoemde periode met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] meerdere hoeveelheden toxische stoffen, te weten Diazepam en/of Desmethyldiazepam en/of Temazepam en/of Morfine en/of Codeïne en Paracetamol toegediend en/of doen of laten innemen en/of anderszins handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 2], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

en in de zaak met parketnummer 18/730061-14:

zij op 5 juni 2013 te [pleegplaats 3], in de gemeente [pleegplaats 3], opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar in die woning opzettelijk op meerdere plaatsen in die woning terpentine op meerdere zich in die woning bevindende brandbare goederen gegoten en vervolgens op die meerdere plaatsen in die woning

- die terpentine en/of

- die/dat met terpentine overgoten/besprenkelde (brandbare) goed(eren) in brand gestoken, ten gevolge waarvan die zich in die woning bevindende goederen en de rest van de inventaris van die woning gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van die woning te duchten was.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/750224-13:

1. meer subsidiair Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in hulpeloze toestand laten, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

3. Opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

4. Oplichting.

5. primair Moord.

En in de zaak met parketnummer 18/730061-14:

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 19 augustus 2014, alsmede de toelichting die psychiater A.E. Grochowska heeft gegeven ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2014, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In 2004 heeft verdachte haar eerste echtgenoot opzettelijk in hulpeloze toestand gelaten, ten gevolge waarvan hij is overleden. Het slachtoffer is ziek geworden. Verdachte heeft hem naar bed gebracht en enkele dagen later is hij overleden. Verdachte wist dat hij stervende was. Hij bewoog niet meer, reageerde nergens meer op, lag zwaar ademend en rochelend in bed en zijn huid verkleurde. Verdachte heeft in die dagen tegen verschillende mensen, waaronder haar zonen, gezegd dat hij zou overlijden. Zij heeft ook tegen meerdere mensen gezegd dat de dokter was geweest. Achteraf is gebleken dat er geen dokter is geweest is en dat verdachte helemaal geen medische hulp heeft ingeroepen, terwijl dat gezien de omstandigheden noodzakelijk was en zij dat aan haar echtgenoot ook verplicht was.

In 2012 heeft verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Verdachte heeft haar echtgenoot zijn leven ontnomen en haar stiefdochters hun enige levende ouder. Verdachte heeft haar echtgenoot een combinatie van medicijnen toegediend ten gevolge waarvan hij is overleden.

Het huwelijk tussen verdachte en haar (tweede) echtgenoot was slecht. Scheiden was voor verdachte vanwege haar geloofsovertuiging geen optie. Op enig moment heeft verdachte het plan opgevat om haar echtgenoot om het leven te brengen. Zij is daarbij berekenend en planmatig te werk gegaan. Verdachte heeft valselijk en buiten medeweten van haar echtgenoot een overlijdensrisicoverzekering afgesloten ten bedrage van 250.000 euro op zijn leven met zichzelf als begunstigde in geval van zijn overlijden. Verdachte heeft een wilsverklaring opgesteld op naam van haar echtgenoot waarin onder meer werd vermeld dat hij in geval van onverwacht overlijden geen onderzoek naar de doodsoorzaak wenste. Zij heeft op internet informatie ingewonnen over de werking van bepaalde medicatie en de dodelijke dosis en hoe lang bepaalde stoffen na overlijden in het bloed blijven zitten. Voorafgaand aan het overlijden heeft zij op internet al gezocht naar grafstukken. Na het overlijden heeft zij de valselijk afgesloten overlijdensrisicoverzekering laten uitkeren. Daarbij heeft zij zich schuldig gemaakt aan oplichting van de verzekeringsmaatschappij voor een bedrag van 250.000 euro.

Verdachte heeft de familie en vrienden van haar eerste en tweede echtgenoot lange tijd in onwetendheid en onzekerheid laten verkeren over de gang van zaken rondom het overlijden van beide mannen en haar rol daarin. De rechtbank rekent haar dit zwaar aan, met name nu dit ook haar vier zonen betreft die hun vader op deze wijze blijken te zijn verloren. De emotionele gevolgen die nabestaanden van de slachtoffers hebben ondervonden en nog immer ondervinden blijken – onder meer – uit de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen.

Verdachte heeft zich tenslotte schuldig gemaakt aan brandstichting. In 2013 heeft zij brand gesticht in de woning van haar toenmalige partner. Dit feit heeft voor hem grote financiële gevolgen gehad. De woning is grotendeels verloren gegaan. Daarbij geldt dat verdachte ook ten aanzien van dit slachtoffer geen openheid van zaken heeft gegeven. Zij is haar betrokkenheid blijven ontkennen en heeft het door hem in haar gestelde vertrouwen diep beschaamd.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de ernst van de feiten - vanuit het oogpunt van vergelding niet anders kan worden gereageerd op de feiten dan met oplegging van een zware straf. Naast de vergelding die een grote rol speelt bij de bepaling van de straf, dient ook in belangrijke mate rekening te worden gehouden met de persoon van verdachte. Daarbij is met name van belang of en in welke mate de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

In dat kader heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum. Uit dat rapport blijkt het volgende.

In het onderzoek is opgevallen dat betrokkene eenzelfde gebeurtenis waarbij meer personen betrokken zijn op heel authentieke wijze achtereenvolgens vanuit geheel verschillende (relationeel bepaalde) perspectieven kan weergeven. Gesprekken met haar roepen vaak veel verwarring op en de onderzoekers krijgen nauwelijks grip op wat er nu daadwerkelijk gebeurd is. Voor een buitenstaander imponeert dit alsof betrokkene bewust feiten verdraait of verzint. Vaak echter nemen de inconsistenties pathologische vormen aan die veel minder of niet aan wilsvrijheid gekoppeld zijn (pathologisch liegen, pseudologica fantastica) maar vooral in het teken staan van psychologische overleving.

Betrokkene komt uit het onderzoek naar voren als een vrouw met weinig eigen autonomie die steeds een ander (ouder, partner, autoriteit van de kerk) nodig heeft om haar identiteit vorm te geven. Deze identiteitszwakte hangt samen met haar zwak geïntegreerde (onrijpe) persoonlijkheidsstructuur. Gezien de ernst en duurzaamheid van afwijkende innerlijke ervaringen en gedragspatronen die bestaan vanaf haar adolescentie wordt er voldaan aan de criteria van een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven (NAO) met borderline, afhankelijke en vermijdende trekken.

Er zijn aanwijzingen voor een onveilige hechting. De gewetensontwikkeling werd in haar jeugd sterk extern bepaald, maar de gewetensfuncties werden niet voldoende geïnternaliseerd in de adolescentie. Daardoor is haar geweten op volwassen leeftijd lacunair te noemen.

Ten tijde van de feiten was de persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene aanwezig. Tijdens het onderzoek is er onvoldoende zicht verkregen op eventuele beweegredenen, gevoelens en gedragingen van betrokkene ten tijde van de feiten om een uitspraak te kunnen doen over een eventueel verband tussen voornoemde stoornis en de feiten. Wellicht is er sprake geweest van concrete financieel opportunistische motieven en min of meer bewuste genoegdoening voor de tekorten die ze heeft opgedaan in haar jeugd. Ook kan er sprake zijn geweest van een sterk ongezonde relatiedynamiek, waar zij geen uitweg meer in zag. De feiten vonden plaats in verschillende periodes, waardoor diverse zowel pathologische als situatieve factoren daarbij een rol konden spelen. Met name is de mate van controle op haar eigen handelen ten tijde van de feiten niet te beoordelen. Er is daarom geen uitspraak te doen over doorwerking van de stoornis van betrokkene in de feiten en de toerekeningsvatbaarheid voor deze feiten. Daarom is het ook niet mogelijk om de kans op herhaling van feiten te bepalen en behandelmaatregelen te adviseren om de kans daarop te verminderen.

De rechtbank stelt op basis van dit rapport vast dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis en dat deze stoornis ten tijde van het begaan van de feiten aanwezig was. De deskundigen hebben geen causaal verband tussen de stoornis en de feiten kunnen vaststellen en daarmee ook geen uitspraak kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat bij verdachte sprake is van het ontbreken van toerekenbaarheid. Zij stelt vast dat de feiten misdrijven betreffen waarvoor aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de opvatting dat de rechter bij het geven van een last dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, in zijn vonnis moet vaststellen dat de bewezenverklaarde feiten "het gevolg zijn van" de geestesgesteldheid van de verdachte geen steun vindt in het recht. Dit laat volgens de Hoge Raad onverlet dat de rechter bij het al dan niet geven van een last tot terbeschikkingstelling, nadat hij heeft geoordeeld dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging daarvan is voldaan, relevant kan achten in hoeverre aannemelijk is dat enig verband bestaat tussen - kort gezegd - de stoornis en het begane feit, nu de last tot terbeschikkingstelling immers wordt opgelegd naar aanleiding van een begaan strafbaar feit.

Terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter behandeling van een stoornis ter voorkoming van gevaar. Zoals de deskundigen hebben aangegeven kunnen ook beweegredenen die geen verband houden met de geconstateerde stoornis een rol hebben gespeeld bij het plegen van de strafbare feiten. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat er als gevolg van de bij verdachte vastgestelde stoornis sprake is van gevaar voor het opnieuw plegen van ernstige strafbare feiten zal zij aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen. Het enkel plegen van ernstige strafbare feiten door een verdachte die een stoornis heeft, is daarvoor onvoldoende.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf acht de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten en het toegebrachte leed en de schade, passend.

Inbeslaggenomen goederen

Uit de stukken blijkt dat het door [verzekeringsmaatschappij 1] uitgekeerde geld aan verdachte, te weten € 250.000,00, voor een deel, groot € 200.000,00 is gestort op een rekening van [partner verdachte]. Vervolgens is er op 28 november 2013 beslag gelegd op het geld dat op zijn spaarrekening stond.

De rechtbank kan uit de stukken echter niet opmaken welk geldbedrag er ten tijde van de inbeslagname op de spaarrekening stond. De rechtbank is van oordeel dat het onbekend inbeslaggenomen geldbedrag tot maximaal € 200.000,00 moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, [verzekeringsmaatschappij 1]

Benadeelde partij

[verzekeringsmaatschappij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade ad € 250.000,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan haar als een gevolg van haar handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en haar raadslieden is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank merkt daarbij op dat zij bij de bepaling van de vervangende hechtenis uit zal gaan van een bedrag van € 50.000,00, gelet op de mogelijkheid van teruggave van maximaal € 200.000,00 aan [verzekeringsmaatschappij 1] van geld dat op de spaarrekening van [partner verdachte] in beslag is genomen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 63, 157, 225, 255, 257, 289 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/750224-13 onder 1. primair en 1. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/750224-13 onder 1. meer subsidiair, 2., 3., 4. en 5. primair en het in de zaak met parketnummer 18/730061-14 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de bewaring van het onbekend gebleven en inbeslaggenomen geldbedrag tot maximaal € 200.000,00 ten behoeve van de rechthebbende, [verzekeringsmaatschappij 1]

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [verzekeringsmaatschappij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [verzekeringsmaatschappij 1], te betalen een bedrag van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 285 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [verzekeringsmaatschappij 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2014.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Sikkema

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Wit

locatie Leeuwarden,

Fokkema

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750224-13

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730061-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 29 oktober 2014

Tegenwoordig:

mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

mr. W.S. Sikkema en mr. M.B. de Wit, rechters, en

mr. L.T.A. Fokkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. H.J. Mous.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Als raadslieden van verdachte zijn ter terechtzitting aanwezig mr. M.A.C. de Vilder en mr. L.R. Rommy, beiden advocaat te Amsterdam.

Ter terechtzitting is tevens verschenen de benadeelde partij [partner verdachte].

Voorts zijn ter terechtzitting verschenen mevrouw [nabestaande 1], mevrouw [nabestaande 2], mevrouw [nabestaande 3], de heer [zoon slachtoffer] en de heer [zoon 2 slachtoffer], zijnde nabestaanden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en gebruik willen maken van het spreekrecht.

Tevens zijn ter terechtzitting verschenen de deskundigen mevrouw [deskundige 1] en mevrouw [deskundige 2].

De rechtbank hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 25 augustus 2014 bevond.

….

De voorzitter verklaart dat het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken tot 30 oktober 2014 te 10.00 uur.

30 oktober 2014

Tegenwoordig:

mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

mr. W.S. Sikkema en mr. M.B. de Wit, rechters, en

mr. L.T.A. Fokkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. H.J. Mous.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder en mr. L.R. Rommy.

Ter terechtzitting is tevens verschenen de benadeelde partij [partner verdachte].

Voorts zijn de navolgende getuigen ter terechtzitting verschenen: mevrouw [getuige 14], de heer [getuige 13], de heer [getuige 6], mevrouw [getuige 16] en mevrouw [getuige 17].

De rechtbank hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de onderbreking van 29 oktober 2014 bevond.

….

De voorzitter verklaart dat het onderzoek wordt onderbroken tot 13 november 2014 te 08.55 uur. Voorts deelt de voorzitter mede dat op 13 november 2014 niets inhoudelijks meer zal worden besproken en dat enkel het onderzoek ter terechtzitting zal worden gesloten, waarna zal worden bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan op 27 november 2014 te 13.00 uur.

Verdachte doet afstand van het recht bij de zitting van 13 november 2014 aanwezig te zijn.

13 november 2014

Tegenwoordig:

mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

mr. W.S. Sikkema en mr. M.B. de Wit, rechters, en

mr. L.T.A. Fokkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. O.F. Brouwer.

Verdachte en haar advocaten zijn niet verschenen.

De rechtbank hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de onderbreking van 30 oktober 2014 bevond.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 27 november 2014 te 13.00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PV-004-01, gesloten op 7 juli 2014.

2 Het proces-verbaal algemeen dossier, d.d. 7 juli 2014, pagina 53.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8], d.d. 7 maart 2014, pagina 1054 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon 4 slachtoffer], d.d. 2 december 2013, pagina 1369.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331, het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon 2 slachtoffer], d.d. 17 februari 2014, pagina 1355, een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, d.d. 10 februari 2014, pagina 1941 t/m 1944 en de eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1], d.d. 5 december 2013, pagina 1378 t/m 1379.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331, het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon 4 slachtoffer], d.d. 2 december 2013, pagina 1369 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1], d.d. 5 december 2013, pagina 1378.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon 2 slachtoffer], d.d. 5 december 2013, pagina 1353.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 5 december 2013, pagina 1379.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [predikant], d.d. 11 december 2013, pagina 1922.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331.

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1331, het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon 4 slachtoffer], d.d. 2 december 2013, pagina 1370 en een schriftelijk bescheid, te weten een akte van overlijden van [slachtoffer 1], d.d. 23 februari 2004, pagina 1971.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [predikant], d.d. 11 december 2013, pagina 1922 t/m 1923.

16 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 12 februari 2014, pagina 3314.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een diploma middelbaar beroepsonderwijs, d.d. 14 mei 2002, pagina 2068.

18 Een schriftelijk bescheid, te weten een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf], d.d. 8 november 2003, pagina 2059 t/m 2060.

19 Een schriftelijk bescheid, te weten een Curriculum Vitae van [verdachte], d.d. 6 oktober 2003, pagina 2078.

20 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genaamd Forensisch Antropologisch onderzoek aan het lichaam van dhr. [slachtoffer 1], geëxhumeerd op de algemene begraafplaats te [pleegplaats 1] op 6 januari 2014, d.d. 3 maart 2014, pagina 952 t/m 957.

21 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genaamd Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer 1], d.d. 27 maart 2014, pagina 947 t/m 951.

22 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PV-004-01, gesloten op 7 juli 2014.

23 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014, een schriftelijk bescheid, te weten een aanvraagformulier [verzekering], d.d. 26 juni 2012, pagina 1149 t/m 1154, een schriftelijk bescheid, te weten een formulier niet-rokersverklaring van [verzekeringsmaatschappij 1], d.d. 26 juni 2012, pagina 1155 en een schriftelijk bescheid, te weten een aanvullend vragenformulier van [verzekeringsmaatschappij 1], d.d. 26 juni 2014, pagina 1156.

24 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014 en een proces-verbaal van aangifte door [aangever], d.d. 10 december 2013, pagina 1324 t/m 1325.

25 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht van verdachte aan risicoverzekering@[verzekeringsmaatschappij 2].nl, d.d. 20 augustus 2012, pagina 1619.

26 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailwisseling tussen [medewerker 1], service medewerker risicodesk en [medewerker 2], service desk [verzekeringsmaatschappij 1], d.d. 21 augustus 2012, pagina 1216.

27 Een schriftelijk bescheid, te weten de brief aan [verzekeringsmaatschappij 2].nl, d.d. 29 augustus 2012, pagina 1186 en een schriftelijk bescheid, te weten het ingevulde Formulier ter verkrijging van uitkering (B), pagina 1187.

28 Een schriftelijk bescheid, te weten het Formulier uitkering overlijdensverzekering, d.d. 26 oktober 2012, pagina 1163.

29 Een schriftelijk bescheid, te weten een rekeningafschrift van rekening 15.15.80.618 t.b.v. [verdachte], pagina 2568.

30 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PV-004-01, gesloten op 7 juli 2014.

31 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014, het proces-verbaal algemeen dossier, d.d. 7 juli 2014, pagina 19, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9], d.d. 6 maart 2013, pagina 1008, een schriftelijk bescheid, te weten een huwelijksakte, d.d. 11 september 2013, pagina 1280, het proces-verbaal van verhoor van getuige [zoon 2 slachtoffer], d.d. 28 november 2013, pagina 1342 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 september 2013, pagina 2666.

32 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014 en een schriftelijk bescheid, te weten een aanvraagformulier [verzekering], d.d. 26 juni 2012, pagina 1149 t/m 1154.

33 Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen inzake de overlijdensrisicoverzekering, polisnummer 40.14.6050 van [verzekeringsmaatschappij 1] ten name van [slachtoffer 2], d.d. 12 november 2013, pagina 1220 t/m 1241 en een schriftelijk bescheid, te weten een aanvraagformulier [verzekering], d.d. 26 juni 2012, pagina 1149 t/m 1154.

34 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014.

35 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, d.d. 20 februari 2014, pagina 1808 t/m 1813.

36 Het proces-verbaal van verhoor van [nabestaande 2], d.d. 6 maart 2013, pagina 1024.

37 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 februari 2014, pagina 1661 t/m 1663.

38 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014, het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 februari 2014, pagina 1661 t/m 1663 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 3 maart 2014, pagina 3486.

39 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 3 maart 2014, pagina 3486.

40 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 20 maart 2014, pagina 3577.

41 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 20 maart 2014, pagina 3577.

42 Het proces-verbaal van telefonisch verhoor van getuige [schoondochter verdachte], d.d. 15 april 2014, pagina 1412.

43 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, pagina 1612 t/m 1613, een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail van verdachte aan [getuige 5], d.d. 20 augustus 2012, pagina 1620 en het proces-verbaal van verhoor van getuige F. [geadresseerde], d.d. 11 december 2013, pagina 1625.

44 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, pagina 1612 t/m 1613 en een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail van verdachte aan risicoverzekering@[verzekeringsmaatschappij 2].nl, pagina 1619.

45 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 februari 2014, pagina 1661 t/m 1663.

46 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 3 maart 2014, pagina 3480 t/m 3481.

47 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 10], d.d. 24 februari 2014, pagina 2118 t/m 2119.

48 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014, het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 februari 2014, pagina 1661 t/m 1663 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 3 maart 2014, pagina 3486.

49 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 december 2013, pagina 1612 t/m 1613, een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail van verdachte aan [getuige 5], d.d. 21 augustus 2012, pagina 1621 en het proces-verbaal van verhoor van getuige F. [geadresseerde], d.d. 11 december 2013, pagina 1625.

50 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, d.d. 4 november 2013, pagina 1790 t/m 1796 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 februari 2013, pagina 1005 t/m 1006.

51 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], d.d. 28 november 2013, pagina 1466 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], d.d. 3 december 2013, pagina 1477.

52 Het proces-verbaal van bevindingen inzake beslag diverse administratie, d.d. 6 december 2013, pagina 2876 t/m 2877 en een schriftelijk bescheid, te weten een levenstestament, pagina 2887.

53 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2014, pagina 1575 t/m 1577.

54 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genaamd Exhumatie van [slachtoffer 2] op de Algemene begraafplaats te [pleegplaats 2], op 2 december 2013 (grafnummer 03.02.08), d.d. 5 december 2013, pagina 931 t/m 938.

55 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genaamd Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 28 februari 2014, pagina 967 t/m 977.

56 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genaamd Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer 2], d.d. 13 mei 2013, pagina 985 t/m 995.

57 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genaamd Aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer 2], d.d. 15 juli 2014, pagina 1 t/m 7.

58 De verklaring van de deskundige, [apotheker], afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014.

59 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [nabestaande 2], d.d. 6 maart 2013 (de rechtbank leest: 2014), pagina 1018, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9], d.d. 11 maart 2014, pagina 1035, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11], d.d. 11 maart 2014, pagina 1072, het proces-verbaal van verhoor van getuige K. Verbrugge, d.d. 28 november 2013, pagina 1471 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 maart 2014, pagina 1600.

60 Een schriftelijk bescheid, te weten het medisch dossier van [slachtoffer 2], d.d. 13 mei 2013, pagina 1081 t/m 1083 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9], d.d. 6 maart 2013, pagina 1018 t/m 1019.

61 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [nabestaande 2], d.d. 6 december 2013, pagina 1034 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11], d.d. 11 maart 2014, pagina 1072.

62 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 29 oktober 2014.

63 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], d.d. 3 december 2013, pagina 1478.

64 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], d.d. 10 december 2013, pagina 1495.

65 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PV-004-01, gesloten op 7 juli 2014.

66 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [partner verdachte], d.d. 5 juni 2013, pagina 1457 t/m 1459 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 september 2013, pagina 2666.

67 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 juni 2013, pagina 2124.

68 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 12], d.d. 5 februari 2014, pagina 2191 t/m 2192.

69 Het proces-verbaal sporenonderzoek brandoorzaak, d.d. 25 februari 2014, pagina 770 t/m 778 en een schriftelijk bescheid, te weten een verkorte rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut over onderzoek naar brandbare stoffen, naar aanleiding van een brand in [pleegplaats 3] op 5 juni 2013, d.d. 17 februari 2014, pagina 850 t/m 855.

70 De verklaring van getuige [getuige 13], afgelegd ter terechtzitting, d.d. 30 oktober 2014.

71 De verklaring van getuige [getuige 14], afgelegd ter terechtzitting, d.d. 30 oktober 2014 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 14], pagina 2136 t/m 2137.

72 Het proces-verbaal sporenonderzoek brandoorzaak, d.d. 25 februari 2014, pagina 770 t/m 778 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 juni 2013, pagina 2126 t/m 2128.

73 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 30 oktober 2014 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 februari 2014, pagina 2437 t/m 2438.

74 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 30 oktober 2014, de verklaring van getuige [getuige 6], afgelegd ter terechtzitting, d.d. 30 oktober 2014 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], d.d. 7 juni 2013, pagina 2155 t/m 2156.

75 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 februari 2014, pagina 2450.

76 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 15], d.d. 11 juni 2014, pagina 2170 t/m 2171.