Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5742

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
23-11-2014
Zaaknummer
730672-13, 18-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 18 november 2014 een man veroordeeld voor opzetheling van een computer en vrijgesproken van de overige feiten, omdat deze niet wettig en overtuigend bewezen konden worden. De rechtbank heeft de man een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730672-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door K. Spoor, advocaat te Steenwijk.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 augustus 2013 te [plaats 1], in ieder geval in de gemeente Súdwest Fryslân,

A.

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (70 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit/bij een pinautomaat heeft weggenomen een hoeveelheid geld (100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat dat verdachte die

[slachtoffer 1] meermalen mondeling heeft toegevoegd dat hij geld van die [slachtoffer 1] moest hebben en als hij geen geld zou krijgen, dat ze hem dan door de kop zouden schieten, althans woorden van gelijke (dreigende aard) aard of strekking en/of dat verdachte (bij die pinautomaat) (opzettelijk dreigend) dicht bij die [slachtoffer 1] is gaan staan en blijven staan en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij geld moest hebben en/of toen die [slachtoffer 1] aan het pinnen was op de knop(pen) "honderd euro" en "JA" heeft gedrukt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 augustus 2013 tot en met 26 augustus 2013 te [plaats 1], in ieder geval in de gemeente Súdwest Fryslân, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een gebouw van [slachtoffer 2] heeft weggenomen een PC (van het merk HP), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 23 augustus 2013 tot en met 17 oktober 2013 te [plaats 1], in ieder geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, een computer (van het merk HP) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen die een computer (van het merk HP) wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2013 te [plaats 1], in ieder geval in de gemeente Súdwest Fryslân, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (te weten onder meer geld), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte bij de woning van die [slachtoffer 3] heeft aangebeld en nadat die [slachtoffer 3] de deur van zijn woning heeft geopend, met gestrekte armen op die [slachtoffer 3] is afgelopen en daarbij die [slachtoffer 3] de woorden heeft toegevoegd: "Portemonnee, portemonnee, portemonnee, ik moet je portemonnee hebben, geef hier." en/of vervolgens dicht tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] is gaan staan en/of verdachtes armen om het lichaam van die

[slachtoffer 3] heeft gedaan en/of vervolgens de portemonnee met inhoud (te weten onder meer geld) uit een broekzak van de broek van die [slachtoffer 3] heeft gehaald.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 2. primair en 3. ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1. en 2. subsidiair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 670,- waarvan € 170,- voor materiële en € 500,- voor immateriële schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 670,-;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] met betrekking tot het overig gevorderde.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat hij een overeenkomst had met de heer [slachtoffer 1] en dat hij voor een tegenprestatie een bedrag van 200 euro zou ontvangen. [slachtoffer 1] en verdachte zijn daarom samen naar de pinautomaat gegaan om het geldbedrag voor verdachte op te nemen. [slachtoffer 1] pinde een bedrag van 70 euro en ging toen opnieuw onderhandelen omtrent de hoogte van het te betalen bedrag. Uiteindelijk is verdachte akkoord gegaan met een bedrag van 170 euro, zodat nog een bedrag van 100 euro gepind moest worden, aldus de verdachte.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte niet wordt weerlegd door de foto's van de pintransacties en de omschrijving die de verbalisant van de camerabeelden van de pintransacties heeft gegeven. De bedreigende situatie waarover aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard blijkt niet uit voornoemde foto's en de omschrijving van de camerabeelden. Ook acht de rechtbank niet uitgesloten dat er sprake was van een overeenkomst tussen verdachte en aangever onder meer inhoudende dat aangever voor te verrichten diensten verdachte moest betalen. Derhalve acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich de geldbedragen van 70 en 100 euro wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank zal verdachte van het onder 1. ten laste gelegde vrijspreken, omdat zij dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van het onder 2. primair en 3. ten laste gelegde.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder 2. primair en 3. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan vrijspreken.

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 2. subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 4 november 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de periode van net voor de zomervakantie van 2013 tot mijn aanhouding op 17 oktober 2013 huurde ik een kamer in een pand in [plaats 1]. In deze kamer stond een computer zonder beeldscherm. Deze computer stond er nog niet toen ik de kamer in het begin huurde.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02KB-2013095728, gesloten op 15 juli 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02KB-2013101661-1, d.d. 3 oktober 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [aangever]:

Ik doe namens [slachtoffer 2] aangifte. Op 23 augustus 2013 verliet een medewerker van [slachtoffer 2], haar werkplek op de vestiging te [plaats 1]. Op de werkplek stond een Thin Client PC van het merk Hewlett Packard met het eigendomnummer van Tellens. Op 26 augustus 2013 ontdekte een medewerker dat de Thin Client PC was weggenomen van de werkplek. Ik weet niet wie de Thin client PC heeft weggenomen.

een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagname, proces-verbaal, nummer PL02KB-2013095728-9, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

inbeslagneming

plaats : [plaats 1], binnen de gemeente Sudwest Fryslan

datum : 17 oktober 2013

beslagene : [verdachte]

goednummer : PL02KB-2013095728-1534632

object : computer

merk : Hp Thiny

serienummer : [nummer]

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02KB-2013101661-10, d.d. 17 oktober 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Door mij werd de onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen Client Workstation van het merk Hewlet Packard met serienummer [nummer] getoond aan een medewerker ICT van de [slachtoffer 2]. Ik hoorde dat hij zei dat de Client Workstation van het merk Hewlett Packard met serienummer [nummer] op de inventarislijst staat en eigendom is van de [slachtoffer 2]. Hij toonde mij een overzicht met hierin alle serienummers van de Client Workstations welke eigendom zijn van de [slachtoffer 2]. Ik zag dat het serienummer [nummer] op de lijst stond.

3.

De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij niet weet hoe de computer op zijn kamer terecht is gekomen, maar dat de schoonmaakster en de klusjesman van de eigenaar van het pand regelmatig op zijn kamer kwamen en hier allerlei goederen, zoals onder andere computer-apparatuur, achterlieten. Verdachte liet deze goederen op zijn kamer staan. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. De rechtbank acht op grond van de omstandigheid dat verdachte een computer voorhanden heeft gehad die van misdrijf afkomstig was zonder dat hij daarvoor een aannemelijke verklaring geeft bewezen dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de computer wist dat dit een door misdrijf verkregen goed betrof.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen hierna bewezen zal worden verklaard en de rechtbank heeft op grond daarvan de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 23 augustus 2013 tot en met 17 oktober 2013 te [plaats 1], een computer van het merk HP, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die computer wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. subsidiair opzetheling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het trajectconsult van de het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 8 november 2013, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een computer. Dergelijke feiten dragen bij aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen, en daarmee aan het voortduren van diefstal en verduistering van computers en andere waardevolle voorwerpen.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in het verleden de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd heeft gekregen, maar dat hij de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Ter terechtzitting zijn niet zodanig onderbouwde persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren gebracht dat met die omstandigheden op matigende wijze rekening moet worden gehouden.

De rechtbank acht, gelet op de landelijke oriëntatiepunten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2. primair en 3. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Benadeelde partij

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. T. Kortlang-de Vries, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 november 2014.

Mrs. M. Brinksma en T. Kortlang-de Vries zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Jansen

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Zandstra-Alkema

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730672-13

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 4 november 2014

Tegenwoordig:

mr. M. Brinksma, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. T. Kortlang-de Vries, rechters, en

G.T. Zandstra-Alkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. N. Tromp.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig K. Spoor, advocaat te Steenwijk.

Ter terechtzitting is tevens verschenen de benadeelde partij de heer [slachtoffer 1].

……………………..

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van dinsdag 18 november 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de oudste rechter en de griffier.