Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5719

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
830088-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag in uitgaansleven. Verdachte wordt veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf. Beroep op noodweer(exces) verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141, 287, 300, geldigheid: 2014-11-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/830088-14, 18/830308-14 (gevoegd ter terechtzitting), 18/139127-13 (gevoegd ter terechtzitting) en 18/062030-13 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 20 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 november 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

in de zaak met parketnummer 18/830088-14, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, dat:

1. hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Groningen opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes

althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 1] (met kracht en/of

diep) in het hoofd gestoken (ter hoogte van zijn linkerslaap), ten gevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer 1] zeer ernstig hersenletsel heeft opgelopen

ten gevolge waarvan hij is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

dat

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Groningen opzettelijk [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 1]

(met kracht en/ of diep) in het hoofd gestoken (ter hoogte van zijn

linkerslaap), ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] zeer ernstig

hersenletsel heeft opgelopen ten gevolge waarvan hij is overleden;

2. hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Groningen ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten

[slachtoffer 2]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 2] meermalen,

althans eenmaal, in de rug nabij een schouderblad, althans in het lichaam

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

dat

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Groningen opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 2]), met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, in de rug nabij een

schouderblad, althans in het lichaam, heeft gestoken, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

in de zaak met parketnummer 18/830308-14 dat:

hij op of omstreeks 13 april 2013 te Groningen met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, [pleegplaats 1], in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

[slachtoffer 4], welk geweld bestond uit

- het meermalen, althans eenmaal, slaan (met gebalde vuist) tegen het hoofd

en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 april 2013 te Groningen opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 3]), meermalen, althans eenmaal, met gebalde

vuist tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en in de zaak met parketnummer 18/139127-13 dat

hij op of omstreeks 28 juli 2013 te [adres] opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 5]), meermalen, althans eenmaal (met kracht) een

kopstoot heeft gegegeven en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) met

een (tot vuist gebalde) hand in/tegen het gezicht//hoofd en/of meer(dere)

de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van hetgeen is ten laste gelegd onder parketnummer 18/830088-14 is door de officier van justitie het navolgende aangevoerd.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegd nu de voorbedachte rade niet kan worden bewezen. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde doodslag kan wel wettig en overtuigend worden bewezen. Er is sprake geweest van een gerichte messteek, direct in het hoofd van het slachtoffer. Doordat het mes door een hard gedeelte van de schedel is gestoken en vervolgens nog 9 centimeter naar binnen is gegaan, moet verdachte wel met een zodanig ferme kracht hebben gestoken, dat daaruit al volgt dat hij opzettelijk heeft gehandeld.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte twee keer heeft gestoken en dat, in de omstandigheden waaronder, verdachte daarmee het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is niet aannemelijk dat verdachte per ongeluk met dit mes [slachtoffer 2] heeft gestoken, nu het letsel zich op de achterzijde van het lichaam van [slachtoffer 2] bevindt, terwijl verdachte recht op [slachtoffer 2] afkwam. Het onder 2 primair ten laste gelegde van deze dagvaarding kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van parketnummer 18/830308-14 het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de samenwerking tussen verdachte en zijn vermeende medeverdachten op grond van de stukken in het dossier niet duidelijk wordt. Met de verklaringen van aangevers, [naam aangevers], de camerabeelden en het proces-verbaal van bevindingen van de politie over de camerabeelden, is er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het feit dat verdachte in ieder geval [slachtoffer 3] meerdere keren tegen het hoofd heeft geslagen, hetgeen te kwalificeren is als de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

De officier van justitie heeft ten aanzien van parketnummer 18/139127-13 aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier de mishandeling, door het geven van meerdere slagen tegen het lichaam van [slachtoffer 5], kan worden bewezen. Voor de kopstoot is naar de mening van de officier van justitie onvoldoende wettig bewijs aanwezig en verdachte dient van dit onderdeel van de te tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 18/830088-14 heeft de raadsvrouw bepleit dat de gebeurtenis op

23 februari 2014 een ongeluk was. Uit de stukken in het dossier en de camerabeelden van de gebeurtenis kan het volgende worden afgeleid. Verdachte had eerder al meerdere malen ruzie gehad met [slachtoffer 1]. Toen verdachte op 23 februari 2014 omstreeks 06:25 uur de pizzeria uitkwam heeft hij niets gedaan om een ruzie uit te lokken of op te zoeken. Verdachte stond direct tegenover [slachtoffer 2]. Verdachte probeerde [slachtoffer 1] en de zijnen af te dreigen door met een mes te zwaaien. Dit mislukte echter op fatale wijze. Verdachte had niet het opzet op de dood van [slachtoffer 1]. Verdachte probeerde zich te verdedigen op een wijze die onder omstandigheden proportioneel is te achten. Daarbij heeft verdachte niet welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dood zou volgen. Er was simpelweg totaal geen tijd om wat voor bewuste afweging dan ook te maken. Daarbij was de kans dat een fatale wond zou ontstaan met een zwaaiend zakmesje, met een lemmet van 7 centimeter, niet aanmerkelijk. Deze verwonding, een steek in zo'n klein oppervlak, was eerder een wreed toeval.

Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 van voornoemd parketnummer ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte zich er niet van bewust was dat hij [slachtoffer 2] heeft geraakt. De plaats van de verwonding duidt ook niet op een welbewuste uithaal. Verdachte probeerde alleen uit alle macht weg te komen en had daarbij het mes nog in zijn hand. Ook hier is van welbewust een risico aanvaarden geen sprake en was er van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, om [slachtoffer 2] ernstig te verwonden, geen sprake. Ook van het onder 2 van voornoemd parketnummer ten laste gelegde dient verdachte te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van hetgeen onder parketnummer 18/830308-14 is ten laste gelegd aangevoerd dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte een andere jongen stompt. Ook is te zien dat deze jongen wegloopt en dat verdachte niets meer doet. Daarna is te zien dat deze jongen door twee andere jongens achterna wordt gezeten en nogmaals wordt geslagen en geschopt. Verdachte heeft daar echter geen enkele bemoeienis mee gehad, zodat de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging niet kan worden bewezen.

Onder 18/139127-13 is ten laste gelegd dat verdachte [slachtoffer 5] een kopstoot zou hebben gegeven. [slachtoffer 5] noemt als dader een naam die lijkt op die van verdachte. Zij verklaart niet waar ze deze dader van kent en weet geen achternaam. De politie hoort van omstanders dat het [verdachte] moet zijn. Onbekend is of deze omstanders getuigen waren of mensen die de naam [verdachte] hebben gehoord en daarna hebben aangegeven dat er een [verdachte] bestaat die [verdachte] van zijn achternaam heet. De vader van verdachte heeft tegen de politie gezegd dat hij zijn zoon naar het politiebureau zou brengen zodra hij thuis was. Verdachte zegt dat zijn vader niet wist dat hij al thuis was. Zijn moeder wist dit wel. Ze hebben verdachte direct van bed gehaald en twintig minuten later stonden ze met hem voor het politiebureau. De verklaring van verdachte is plausibel en er is geen bewijs dat verdachte daadwerkelijk degene was die een kopstoot heeft gegeven. Verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit.

Beoordeling

Ten aanzien van parketnummer 18/830088-14

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van parketnummer 18/830088-14 het onder 1 primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen, nu er op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende bewijs voorhanden is voor het bestanddeel 'met voorbedachten rade'. Niet vastgesteld kan worden dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde van voornoemd parketnummer.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder parketnummer 18/830088-14

1. subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Een proces-verbaal d.d. 25 februari 2014, opgenomen op pagina 29 e.v. van "persoonsdossier [verdachte]" opgenomen in procesdossier "[onderzoeksnaam]" d.d. 7 mei 2014, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

(p.31) Ik maakte met mijn hand een zwaaiende beweging. Ik had het geopende mes in mijn rechterhand. Ik heb de jongen (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) toen geraakt op zijn hoofd.

Een proces-verbaal d.d. 30 april 2014, opgenomen op pagina 75 e.v. van persoonsdossier [verdachte] opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

(p.83) Ik ga door mijn knieën, maar val niet en ik pak dan mijn mes en dan loop ik op [slachtoffer 1] in.

(p.84) Er was voor mij genoeg ruimte om weg te lopen en het was niet zo dat ik zodanig was ingesloten dat ik niet weg kon komen. Als ik niet was geslagen, had ik het mes alleen laten zien. Door de klap werd ik boos. Nadat ik een klap had gekregen pakte ik het mes en liep gewoon op [slachtoffer 1] in.

Een proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 3 maart 2014, opgenomen op pagina 36 e.v. van persoonsdossier [verdachte] opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

(p.39) Ik ben na het incident weggerend en heb het mes weggegooid.

Een proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 25 februari 2014 opgenomen in bijlage 3 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op zondag 23 februari 2014 omstreeks 06:29 uur vond er een steekincident plaats in de [pleegplaats 1]. Na dit incident was een man, [verdachte], vanaf de plaats delict weggevlucht. Tijdens een onderzoek werd door de speurhond op de [straat] te Groningen een mes aangetroffen. Dit mes werd door mij veiliggesteld ([kenmerk]).

Een proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 3 maart 2014, opgenomen op pagina 36 e.v. van persoonsdossier [verdachte], opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

(p.49) Opmerking verbalisant: We hebben het mes. Aan verdachte wordt een foto getoond van het in beslaggenomen mes.1

Dit is mijn mes.

Een schriftelijk stuk, inhoudende een rapport van het NFI d.d. 27 juni 2014 betreffende een kras-, indruk- en vormsporenonderzoek aan een schedeldeel en een mes naar aanleiding van een steekincident in Groningen op 23 februari 2014, opgenomen in het forensisch dossier, bijlage 11 van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Door de politiespeurhond werd op de vluchtroute van verdachte een klapmes gevonden ([kenmerk]). Het lemmet heeft een lengte van circa 73 mm.

Een schriftelijk stuk, inhoudende een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 1 juli 2014, opgemaakt door [patholoog], arts en patholoog, opgenomen in bijlage 6 van het forensisch dossier opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Scherprandige, streepvormige huidperforatie (een steekletsel) links op de slaap. Lengte perforatie circa 2.2 centimeter met daarachter een steekkanaal. De lengte van het steekkanaal bedraagt minimaal circa 9 à 10 centimeter. In het kader van het steekkanaal insteek in het schedeldak, doorsteek door de slaapkwab van de grote hersenhelft en insteek in de schedelbasis ter plaatse van de bovenrand van het rotsbeen.

Het overlijden van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], wordt verklaard door uitval van hersenfuncties, ontstaan door herseninklemming, opgetreden ten gevolge van een steekverwonding in het hoofd en de hersenen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde met betrekking tot de vraag of er bij verdachte sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer 1] het volgende.

Of in een geval als het onderhavige sprake is van opzet op de dood van het slachtoffer hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval, als de verklaringen van verdachte en/of getuigen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat het mes waarmee verdachte het slachtoffer heeft geraakt een lemmet van 7 centimeter had en dat verdachte met dat mes in het hoofd van het slachtoffer - dóór het schedeldak heen - een wond met een steekkanaal van minimaal 9 à 10 centimeter heeft veroorzaakt. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte de dodelijke verwonding met zeer veel kracht heeft toegebracht. Uit deze gedraging van verdachte, in samenhang met het feit dat verdachte op het slachtoffer is ingelopen, leidt de rechtbank vervolgens af dat verdachte heeft gehandeld met het opzet om het slachtoffer te doden.

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanwijzingen zijn voor een bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde, nu er onvoldoende bekend is over de precieze plaats van het letsel, noch over de aard en ernst van het letsel. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, zakelijk weergegeven:

Ik wilde na het incident met [slachtoffer 1] wegrennen. Ik had het mes nog in mijn hand. Het kan dat ik [slachtoffer 2] heb geraakt toen ik wegrende.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 februari 2014, opgenomen op pagina 3 en 4 van zaakdossier II op genomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]:

Op zondag 23 februari 2014 is er door een mij onbekende Antilliaanse man op mij ingestoken met een mes. Dit gebeurde in mijn schouder in de [pleegplaats 1] te Groningen.

Een proces-verbaal sporenonderzoek, opgenomen in bijlage 4 van het forensisch dossier van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 2] verklaarde dat hij een verwonding had opgelopen aan de aan de linkerzijde van de rug, ter hoogte van het schouderblad. Ik zag dat er een ondiep verwonding aanwezig was.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de mishandeling van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830308-14 primair ten laste gelegde

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder parketnummer 18/830308-14 primair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

Verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 13 april 2013 in de [pleegplaats 2] een jongen opzettelijk geslagen.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 13 april 2013, opgenomen op pagina 9 e.v. van dossier PL01KC-2014029396, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3], zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 13 april 2013 omstreeks 05.00 uur was ik samen met [slachtoffer 4], [aangever] en haar zus op stap in Groningen. [aangever] en haar zus werden aangesproken door een jongen. Ik ben er toen samen met mijn broer [slachtoffer 4] tussen gaan staan en heb meerdere klappen op mijn hoofd gehad. Dit waren harde klappen van een vuist.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 13 april 2013, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4], zakelijk weergegeven:

Ik zag dat er ongeveer vijf jongens kwamen aanlopen. Twee of drie van deze jongens liepen naar [aangever] en haar zus toe. Ineens zag ik dat [slachtoffer 3] een klap tegen zijn hoofd kreeg. Volgens mij heeft de kleinste jongen van de groep een klap aan [slachtoffer 3] gegeven. Vervolgens voelde en zag ik dat ik van meerdere kanten op mijn hoofd en lichaam werd geslagen.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 19 maart 2014, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [aangever], zakelijk weergegeven:

Op 13 april 2013 stond ik in de [pleegplaats 1] met mijn tweelingzusje [aangever] en de twee broers. Er waren twee jongens uit de groep die de broers begonnen te slaan.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in het openbaar deel uitmaakte van een groep en dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan het (door die groep) gepleegde geweld.

Ten aanzien van parketnummer 18/139127-13

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder parketnummer 18/139127-13 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juli 2013, opgenomen op pagina 9 t/m 11 van dossier nr. PL031V 2013054051 d.d. 30 juli 2013, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5], zakelijk weergegeven:

Op 28 juli 2013 was ik in Assen. Een Antilliaanse jongen die ik ken als [alias] (de rechtbank begrijpt in samenhang met het volgende bewijsmiddel: verdachte) flipte en gaf mij een kopstoot. Ik heb een wond op mijn achterhoofd en ik heb last van mijn nek. Ik heb pijn aan mijn kaken en pijn aan mijn vingers en verder heb ik hele erge hoofdpijn.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 28 juli 2013 ben ik naar de Brinkstraat in Assen gegaan waar een meisje zou zitten met een hoofdwond. Terwijl ik ter plaatse in gesprek was met een aantal mensen werd me verteld dat de mishandeling was gepleegd door [verdachte]. Het slachtoffer [slachtoffer 5] had zijn naam geschreeuwd, nadat ze was mishandeld.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 28 juli 2013, opgenomen op pagina 17 en 18 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige]:

Ik zag ineens dat die jongen uithaalde naar [slachtoffer 5]. Die jongen sloeg meerdere keren op [slachtoffer 5] in.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen kan ook dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 18/830088-14 1 subsidiair en 2 subsidiair, het onder parketnummer 18/830308-14 primair, alsmede het onder parketnummer 18/139127-13 ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat

(18/830088-14)

1. subsidiair

hij op 23 februari 2014 te Groningen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, die [slachtoffer 1]

met kracht en diep in het hoofd gestoken ter hoogte van zijn linkerslaap, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] zeer ernstig hersenletsel heeft opgelopen ten gevolge waarvan hij is overleden;

2. subsidiair

hij op 23 februari 2014 te Groningen opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2], met een mes in de rug nabij een schouderblad heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen;

(18/830308-14) primair

hij op 13 april 2013 te Groningen met anderen op de openbare weg, [pleegplaats 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit

- het meermalen slaan (met gebalde vuist) tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4];

(18/139127-13)

hij op 28 juli 2013 te Assen opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5], (met kracht) een

kopstoot heeft gegeven en meermalen, met kracht met een (tot vuist gebalde) hand in/tegen het gezicht/hoofd en meerdere delen van het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder parketnummer 18/830088-14 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair, onder parketnummer 18/830308-14 primair, en onder parketnummer 18/139127-13 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen zijn verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

(18/830088-14)

1. subsidiair: doodslag

2. subsidiair: mishandeling

(18/830308-14) primair het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

(18/139127-13) mishandeling.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van verdachte

Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven dat verdachte geen beroep op noodweer of noodweerexces toekomt. Er is weliswaar twee keer een incident tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 1] geweest, maar daarbij is geen sprake geweest van een noodweersituatie. Vanaf het moment dat verdachte en het slachtoffer elkaar loslieten, vluchtte het slachtoffer. Waarschijnlijk omdat hij was geschrokken van het mes. Vervolgens heeft verdachte een aanval ingezet en is achter het slachtoffer aangegaan.

De daarna beweerdelijke door het slachtoffer gegeven klap levert eveneens geen noodweersituatie op voor verdachte. Voor noodweerexces is volgens de officier van justitie voorts geen ruimte, nu er bij verdachte geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door een wederrechtelijke aanval. Er was juist sprake van agressie, boosheid en wraakneming.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het zogenoemde knietje dat [slachtoffer 2] zou hebben gegeven, in de gegeven omstandigheden, niet aan te merken is als een wederrechtelijke aanval. Ook ten aanzien van dit feit kan er derhalve geen sprake zijn van een geslaagd beroep op noodweer (exces).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 1 subsidiair ten laste gelegde het navolgende aangevoerd. Wanneer de rechtbank aannemelijk zou achten dat verdachte zich toch ergens bewust moet zijn geweest van de risico's, dan heeft hij dit risico genomen vanuit de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een overmacht aan personen. In dat geval zou hij moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 2 ten laste gelegde is de raadsvrouw van mening dat wanneer de rechtbank zou menen dat verdachte toch welbewust een risico heeft aanvaard, ook dit handelen van verdachte werd ingegeven door de noodzaak zich het vege lijf te redden en zou verdachte ook ten aanzien van dit feit moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Verdachte heeft bij de politie het volgende verklaard over de situatie en gemoedstoestand waarin hij zich bevond nadat hij door slachtoffer [slachtoffer 1] was geslagen. “Er was voor mij genoeg ruimte om weg te lopen en het was niet zo dat ik zodanig was ingesloten dat ik niet weg kon komen. Als ik niet was geslagen, had ik het mes alleen laten zien. Door de klap werd ik boos. Nadat ik een klap had gekregen pakte ik het mes en liep gewoon op [slachtoffer 1] in.”

Gelet op deze verklaring mist het verweer dat er ten aanzien van verdachte sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1], waartegen hij zich mocht verdedigen, feitelijke grondslag. De rechtbank stelt op basis van deze verklaring van verdachte voorts vast dat verdachte zich niet alleen niet in een noodweersituatie heeft bevonden, maar ook dat hij zelf de aanval heeft gezocht.

Omdat zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan, wordt zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces verworpen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830088-14 onder 2 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat verdachte op zijn vlucht na het neersteken van [slachtoffer 1] op enig moment aangever [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken. Verdachte vermeldt daarover zelfs slechts dat “het mogelijk is dat hij [slachtoffer 2] heeft geraakt toen hij wegrende”.

In het voorgaande heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] heeft aangevallen en dat hij zich ten aanzien van zijn optreden tegen [slachtoffer 1] niet in een noodweersituatie heeft bevonden. Als het al zo zou zijn dat [slachtoffer 2] verdachte na het steken van [slachtoffer 1] op zijn vlucht door het geven van een ‘knietje’ of anderszins fysiek heeft benaderd, kan een dergelijk optreden in het licht van de gebeurtenissen ervoor niet beschouwd worden als een wederrechtelijke aanval op verdachte. De rechtbank stelt aldus vast dat ook ten aanzien van het steken van [slachtoffer 2] verdachte zich niet in een noodweersituatie heeft bevonden. Het beroep op noodweer dan wel op noodweerexces wordt verworpen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte voor hetgeen bewezen kan worden verklaard, alsmede het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit (zoals vermeld op de dagvaarding onder parketnummer 18/830308-14), te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft hij met name aangevoerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan drie ernstige gevallen van zinloos geweld en dat zijn agressieve houding op straat daarnaast heeft geresulteerd in de uiterst trieste dood van [slachtoffer 1] [slachtoffer 1]. De officier van justitie heeft voorts rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden van verdachte, alsmede met de uitgangspunten voor de strafmaat die gelden bij dergelijke feiten.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is betoogd dat, voor het geval de rechtbank de feiten bewezen mocht achten, aan verdachte een aanzienlijk lagere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. De eis van de officier van justitie doet naar de mening van de raadsvrouw onvoldoende recht aan de omstandigheden waaronder met name het incident dat tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid, is gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding onder parketnummer18/830308-14 is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer 1]. Verdachte heeft [slachtoffer 1] van het leven beroofd door hem, zonder noemenswaardige aanleiding, met kracht met een mes in zijn hoofd te steken. [slachtoffer 1] was slechts 27 jaar oud en had nog een heel leven voor zich. De verdachte heeft hem het recht ontzegd dit leven voort te zetten. Door zijn daad heeft hij de familie en vrienden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen hun leven zonder hem moeten voortzetten. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoe dit gemis het dagelijks leven van de nabestaanden tekent.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan nog een viertal agressie delicten in het uitgaansleven, die zijns ondanks niet erger zijn afgelopen. Voorts hebben de feiten, die allen ’s nachts op de openbare weg ter hoogte van de uitgaansgelegenheid in de binnenstad van Groningen (en Assen) hebben plaatsgevonden, gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw in de samenleving teweeggebracht.

De rechtbank rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan. Uit alle incidenten blijkt dat verdachte allerlei situaties met agressie tegemoet treedt. Voorts lijkt verdachte geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt, noodzakelijk en passend is. Gelet op de straffen die in (enigszins) vergelijkbare zaken worden opgelegd, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Benadeelde partijen

De benadeelde partijen [slachtoffer 6] (feit 1 van parketnummer 18/830088-14) en [slachtoffer 5] (18/139127-13) hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van hun vordering tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten, alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 6] dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Eveneens dient de vordering van [slachtoffer 5] te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat, nu verdachte dient te worden vrijgesproken, de benadeelde partijen in hun vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard. De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank de feiten wel bewezen mocht achten, aangevoerd geen opmerkingen te hebben over de vorderingen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade van benadeelde [slachtoffer 6] en

[slachtoffer 5] voldoende aannemelijk is geworden en deze schade in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vorderingen, die niet door verdachte en diens raadsvrouw zijn weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

(18/062030-13)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 17 juni 2013, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 2 juli 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 6 augustus 2013 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank, anders dan door de raadsvrouw is bepleit, de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 17 juni 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 24c, 36f, 57, 141, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/830088-14 onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/830088-14 1 subsidiair en 2 subsidiair, parketnummer 18/830308-14 primair en onder parketnummer 18/139127-13 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vorderingen van de benadeelde partijen

(feit 1 van parketnummer 18/830088-14)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.224,64 (zegge: vijfduizend tweehonderdvierentwintig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 6], te betalen een bedrag van € 5.224,64 (zegge: vijfduizend tweehonderdvierentwintig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rent vanaf 23 februari 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 61 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

(18/139127-13)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 882,33 (zegge: achthondertweeëntachtig euro en drieëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 28 juli 2013.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], te betalen een bedrag van € 882,33 (zegge: achthondertweeëntachtig euro en drieëndertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2013, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/062030-13:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen d.d. 17 juni 2013, te weten:

1 maand gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Stuiver, voorzitter, mr. L.M.E. Kiezebrink en

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2014.

1 Zie voor afbeelding van de foto van het aan verdachte getoonde mes pgn 49 van persoonsdossier [verdachte] van voornoemd dossier.