Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5699

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
614003-10 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Noordelijke Fraudekamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft een veroordeelde de verplichting opgelegd om € 1.339.000,00 aan de Staat te betalen ter ontneming van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit frauduleuze opbrengsten uit de exploitatie van 0900-nummers.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2014-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

parketnummer: 19/614003-10 (vordering ontneming)

datum uitspraak: 19 november 2014

UITSPRAAK

van de meervoudige strafkamer, Noordelijke Fraudekamer in bovengenoemde rechtbank, zitting houdende in de vestiging Groningen, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

De veroordeelde is niet ter terechtzitting verschenen.

Deze uitspraak is gewezen naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 december 2013 en 8 oktober 2014.

Gang van zaken

De vordering strekt tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat en tot het opleggen van de verplichting aan de veroordeelde tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal bepalen op € 898.574,00.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering, van het strafdossier met bovenvermeld parketnummer en van de overige op de strafzaak betrekking hebbende stukken.

Op de terechtzittingen van 8 april 2013, 13 mei 2013 en 9 december 2013 is de strafzaak met bovenvermeld parketnummer tegen de veroordeelde behandeld. De rechtbank heeft op 23 december 2013 in de strafzaak vonnis gewezen.

Op de terechtzitting van 9 december 2013 heeft de rechtbank beslist dat de behandeling van de ontnemingsvordering zal worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding en heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier, bevattende onder meer:

- een ambtsedig proces-verbaal, dossiernummer PL0490260F, Rapportage WVV FIN-008 van de Bovenregionale Recherche Noord- en Oost-Nederland, politie IJsselland.

Ter terechtzitting van 8 oktober 2014 is het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingsvordering opnieuw aangevangen.

De officier van justitie is op de vordering gehoord.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingsvordering gesloten en meegedeeld dat in deze zaak op 19 november 2014 (heden) uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

Bij vonnis van 23 december 2013 is veroordeelde door de rechtbank veroordeeld ter zake van (1) het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van oplichting, gepleegd door de rechtspersonen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2], in de periode van 17 december 2004 tot en met 18 augustus 2007, en (2) het gewoontewitwassen van een groot aantal geldbedragen, in de periode van 17 december 2004 tot en met 19 februari 2008.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten.

Ter terechtzitting van 8 oktober 2014 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op € 898.574,00.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen de bevindingen van de verbalisanten, zoals neergelegd in het hierboven genoemde proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Voor wat betreft de opbrengsten komt de rechtbank tot de volgende berekening:

- In de periode 1 april 2003 t/m 31 januari 2005 zijn er door de exploitatie van 0900 betaalnummers (beheerd door [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2]) op frauduleuze wijze omzetten gegenereerd. Het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ontving in deze periode in totaal netto € 2.277.462,88 aan opbrengsten van de platformhouder [bedrijfsnaam 4].

- In de periode 1 december 2004 t/m 31 maart 2007 zijn er door de exploitatie van 0900 betaalnummers (beheerd door [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2]) op frauduleuze wijze omzetten gegenereerd. Het bedrijf [bedrijfsnaam 2] ontving in deze periode in totaal netto € 2.949.123,18 aan opbrengsten van de platformhouder [bedrijfsnaam 4].

- In de periode 1 maart 2007 t/m 31 mei 2008 zijn er door de exploitatie van 0900 betaalnummers (beheerd door [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2]) op frauduleuze wijze omzetten gegenereerd. Het bedrijf [bedrijfsnaam 3] ontving in deze periode in totaal € 486.921,48 aan opbrengsten van de platformhouder [bedrijfsnaam 4].

- In de periode 1 maart 2007 t/m 31 mei 2008 zijn er door de exploitatie van 0900 betaalnummers (beheerd door [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2]) diverse direct aan deze exploitatie te liëren kosten betaald. Het bedrijf [bedrijfsnaam 3] betaalde in de genoemde periode in totaal de volgende gespecificeerde kosten:

A. Advertentiekosten € 92.065,06

B. Personeelskosten uitzendbureaus € 00,00

E. Kosten vragenlijst € 100,00

G. Andere kosten € 100.920,47

€ 193.085,53

De rechtbank acht op grond van het dossier voldoende aannemelijk dat de veroordeelde ook in de periode van 1 april 2003 tot en met 17 december 2004, die voorafgaat aan de in de strafzaak bewezenverklaarde periode, de opbrengsten heeft genoten die vanwege de frauduleuze exploitatie van 0900-nummers door de veroordeelde door de platformhouder zijn uitbetaald.

Op grond van dossier heeft de rechtbank verder vastgesteld dat de opbrengsten die zijn ontvangen op de bankrekeningen van de rechtspersonen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] door de veroordeelde en zijn mededader [mededader] zijn verdeeld door de veroordeelde van [verdachte] en [mededader] aan de hand van de door hen afgesproken percentages van respectievelijk 20% en 80%. Uit deze afspraken volgt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat de kosten voor de exploitatie in deze periode geheel voor rekening kwamen van [mededader].

De betalingen aan [bedrijfsnaam 3] in de periode van 1 maart 2007 en 31 mei 2008 zijn naar het oordeel van de rechtbank geheel ten goede gekomen aan de veroordeelde, nu hij enig bestuurder en aandeelhouder van deze onderneming was en als enige was gemachtigd tot de bankrekening waarop de betreffende gelden terecht zijn gekomen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde bedraagt op basis van het vorenstaande:

Opbrengsten [bedrijfsnaam 1] (0.2 x € 2.277.462,88) € 455.492,58

Opbrengsten [bedrijfsnaam 2] (0.2 x € 2.949.123,18) € 589.824,64

Opbrengsten [bedrijfsnaam 3] € 486.921,48

€ 1.532.238,70

AF

Kosten [bedrijfsnaam 3] € 193.085,53

€ 1.339.153,17

Toerekening voordeel:

De rechtbank zal op grond van het hiervoor overwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de hiervoor vermelde feiten het bedrag van € 1.339.000,00 aan de Staat dient te betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door veroordeelde door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.339.000,00 (ZEGGE: één miljoen driehonderd en negenendertigduizend euro) en legt aan veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gewezen door mrs. J. van Bruggen, voorzitter, L.W. Janssen en C.M.M. Oostdam, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2014.