Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5655

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
830176-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Geen plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis, nu niet voldaan is aan de vereisten van art. 37 Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830176-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

14 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

31 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.E. Klatter, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Groenewegen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 maart 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik snij jullie keel

door, ik slacht jullie af, stelletje varkens. Ik weet jullie wel te vinden"

en/of "Ik ruk jullie hoofden af", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 3]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk deze [slachtoffer 3] dreigend de

woorden toegevoegd : "Ik vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 19 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 4]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend

de woorden toegevoegd :"Ik waarschuw je nu één keer. Ik jaag een kogel door je

kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 29 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 5] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes getoond aan

en/of gericht op die [slachtoffer 5] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden

toegevoegd : "Ik heb nog wat voor je", althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 29 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 6] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes getoond aan

die [slachtoffer 6] en/of (vervolgens) met dat mes een snijdende beweging gemaakt langs

zijn, verdachtes, keel en/of (daarbij) die [slachtoffer 6] dreigend de woorden

toegevoegd : "Ik pak je", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte het zich niet goed kan herinneren, maar dat hij het wel gezegd zou kunnen hebben. Op grond van de verklaringen van de twee aangevers, die gelijkluidend zijn, kan dit feit worden bewezen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft verdachte erkend dat hij lelijke bewoordingen heeft gebruikt tegenover zijn ex-vrouw. Dat is voldoende om te komen tot bewezenverklaring van het uiten van in ieder geval vergelijkbare bewoordingen. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft verdachte gezegd dat hij niet uitsluit dit te hebben gezegd. In combinatie met de aangifte kan dat leiden tot bewezenverklaring van dit feit. Met betrekking tot het onder 4 en 5 ten laste gelegde geldt dat verdachte erkent dat hij grove opmerkingen heeft gemaakt tegenover aangevers, maar hij ontkent dat hij daarbij een mes toonde. Nu echter beide aangevers dit verklaren en er geen reden is om aan hun aangiften te twijfelen, kan ook dat onderdeel worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit verdachtes verklaringen over de feiten blijkt dat hij niet het doel had om anderen te bedreigen of angst aan te jagen. Ook is bij hem een stoornis vastgesteld. Op grond van deze omstandigheden moet geconcludeerd worden dat bij verdachte ieder inzicht in zijn handelen en de gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarom had verdachte geen opzet en dient hij te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 4 en 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw subsidiair opgemerkt dat aangeefster [slachtoffer 5] direct na het voorval heeft gebeld met aangever [slachtoffer 6], en daarbij heeft gezegd dat verdachte een mes bij zich had. Zij zijn bovendien ex-partners. Aangever [slachtoffer 6] stond bovendien boven in zijn woning en heeft verdachte slechts een kort moment van bovenaf gezien. Verdachte was bij zijn aanhouding ook niet in bezit van een mes. Er zijn derhalve voldoende twijfels over de aanwezigheid van het mes, om verdachte in ieder geval van dat onderdeel vrij te spreken.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Feit 1

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 26 maart 2014, opgenomen op p. 54 e.v. van dossier nummer 2014052833, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik doe aangifte van bedreiging met geweld. Bij ons bestond de overtuiging dat de verdachte zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. Op 19 maart 2014 tussen 16:35 uur en 16:50 uur zat ik samen met mijn collega [slachtoffer 2] op het terras van café De Sigaar aan de Hoge der Aa te Groningen. Op een gegeven moment komt een man bij ons aan tafel en begint een gesprek met ons. Op een gegeven moment zei de man: "Ik snij jullie keel door, ik slacht jullie af, stelletje varkens, ik weet jullie wel te vinden en ik ruk jullie hoofden er af". Hij heeft tijdens het gesprek gezegd dat zijn broer [broer verdachte] heet en dat die partner was van [slachtoffer 5]. Wij hebben op het terras nog gegoogled naar 'schaakgrootmeester [slachtoffer 6]' en hier zagen wij foto's van de persoon welke ons had bedreigd. De naam [verdachte] kwam er bij te staan.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 9 april 2014, opgenomen op p. 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]:

Op woensdag 19 maart 2014, omstreeks 16:35 uur zat ik samen met mijn collega [slachtoffer 1] op het terras van horecagelegenheid café de Sigaar, gelegen aan de Hoge der Aa te Groningen. Op een gegeven moment kwam er aan man bij ons aan tafel zitten. Ik hoorde de man zeggen: "Ik snij jullie keel door, ik slacht jullie af, stelletje varkens. Ik weet jullie wel te vinden en ik ruk jullie hoofd er af".

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2014, opgenomen op p. 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]:

Voor het volledige verhaal verwijs ik u naar mijn getuigenverklaring. Ik

vond deze uitspraken bedreigend. De manier waarop de man zich ook tegenover ons gedroeg, maakte dat ik de bedreigingen ook als bedreigend opvatte. Ik bedoel hiermee de manier waarop de man keek. Hij keek met dreigende en indringende ogen. Hij boog zich naar ons toe en schoof zijn stoel dichter naar ons toe. Bij het uiten van de bedreigingen hield de man ook de hele tijd een wijzende vinger op ons gericht. De man kwam op mij over dat hij zijn bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren.

De door verdachte op de terechtzitting van 31 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het is mogelijk dat ik dit heb gezegd.

Feit 2

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 april 2014, opgenomen op p. 48 e.v. van dossier nummer d.d. 2014052833, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3]:

Op 19 april 2014 tussen 14:45 uur en 15:15 uur ben ik bedreigd door mijn ex-man, [verdachte]. Op zaterdag 19 april omstreeks 15.00 uur was ik in mijn voortuin bezig van mijn woning. Ik zag dat [verdachte] eraan kwam op zijn fiets. Ik zag dat [verdachte] naar mij toe liep. Ik hoorde hem zeggen: "Ik vermoord je".

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 1 mei 2014, opgenomen op p. 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3]:

Dit was ook de reden waarom ik op 19 april 2014 erg bang werd toen hij opeens aan

kwam fietsen. Ik zag dat hij een hele agressieve blik in zijn ogen had. [verdachte] stond op 40 cm afstand van mij en wees met zijn wijsvinger richting mijn gezicht en keek mij heel indringend aan. Ik hoorde hem zeggen: "Ik vermoord je!"

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 1 mei 2014, opgenomen op p. 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Op 19 maart 2014 ben ik even langs geweest bij mijn ex, mevrouw [slachtoffer 3]. Ik trof haar buiten de deur aan. Ik heb haar toen de huid vol gescholden. Mogelijkerwijs heb ik iets als volgt gezegd: "De kogel tussen je ogen".

Feit 3

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 april 2014, opgenomen op p. 64 e.v. van dossier nummer d.d. 2014052833, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4]:

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Op zaterdag 19 april 2014 was ik thuis. Ik woon op een woonboot, gelegen aan het [adres 2]. Tegenover ons, op nummer [nummer], woont een man die [slachtoffer 6] heet. Deze man was vandaag weer aan het schreeuwen. Ik heb vanuit mijn boot geschreeuwd dat hij moest ophouden met schreeuwen. Ik ben vervolgens naar buiten gelopen. Hier heb ik wederom gezegd dat hij moest stoppen met schreeuwen. Hierop zei de man: "Ik waarschuw je nu één keer. Ik jaag een kogel door je kop." Ik nam zijn bedreiging serieus.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 1 mei 2014, opgenomen op p. 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik sluit niet uit dat ik tegen mijn buurman heb gezegd: "Ik jaag een kogel door je kop."

Feiten 4 en 5

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2014, opgenomen op p. 37 e.v. van dossier nummer d.d. 2014052833, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5]:

Vandaag, op dinsdag 29 april 2014, was ik in mijn woning aan de [adres 3]. Omstreeks 20.45 uur ging de bel van de voordeur. Ik zag dat [verdachte] voor de deur stond. Ik zag dat [verdachte] over de drempel stapte en op de deurmat in mijn woning ging staan. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek en zei: "Ik heb nog wat voor je". Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand in zijn linkerjaszak deed. Ik zag dat hij een broodmes van ongeveer 30 centimeter uit zijn zak pakte. Ik zag dat [verdachte] de punt van het mes op mij richtte. Ik was bang en dacht bij mij zelf ik moet hier wegwezen.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2014, opgenomen op p. 34 e.v. van dossier nummer d.d. 2014052833, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [broer verdachte]:

Ik doe aangifte tegen mijn broer, [verdachte]. Vandaag, dinsdag 29 april 2014, omstreeks 20:45 uur, bevond ik mij in mijn woning toen ik werd gebeld door het vriendje van mijn jongste dochter. Hij vertelde mij dat hij bij [slachtoffer 5] was, mijn ex-vrouw. Hij vertelde mij dat [verdachte] in de woning was geweest met een mes. Ik had de telefoon nog in mijn handen, toen ik mijn deurbel hoorde. Ik besloot om te kijken wie er voor de deur stond. Ik zag [verdachte] staan. Ik zag dat [verdachte] een mes in zijn handen had. Ik zag dat het ging om een broodmes. Ik riep naar hem en vroeg wat hij van mij wilde. Ik zag dat [verdachte] met het mes een snijdende beweging langs zijn keel maakte. Tevens hoorde ik hem roepen dat hij mij wel zou pakken.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 1 mei 2014, opgenomen op p. 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik ben een paar dagen geleden naar [slachtoffer 5] toegegaan. Zij kwam aan de deur. Zij zei iets heel lelijks en daarmee was het voor mij het moment om [slachtoffer 5] heel duidelijk te laten blijken dat zij dood voor mij was. Ik ben daarna naar mijn broer gegaan. Ik heb duidelijk gemaakt dat het afgelopen was.

De door verdachte op de terechtzitting van 31 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb vast en zeker bedreigingen geuit.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Wanneer met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis het opzet wordt bestreden, moet worden vooropgesteld dat zo'n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. Uit de verklaringen van verdachte zelf blijkt dat hij welbewust handelde. Hij is zich ook bewust van wat hij met zijn handelen teweeg brengt, maar is van mening dat dat niet zijn verantwoordelijkheid is. Deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat bij verdachte niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Als verdachte niet de bedoeling had om de slachtoffers te bedreigen, heeft verdachte met de door hem gebruikte bewoordingen in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de slachtoffers de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen zou uitvoeren. Daarmee is het opzet gegeven.

Met betrekking tot het onder 4 en 5 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat beide aangevers verklaren dat zij verdachte op de avond van 29 april 2014, kort na elkaar, aantreffen voor hun woning met een broodmes in handen, terwijl hij bedreigingen uit. Dit laatste heeft verdachte erkend, maar dat hij daarbij een mes toonde, heeft hij ontkend. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de aangiftes en dus ook niet aan de juistheid daarvan op dit specifieke punt, ook al zijn aangevers ex-partners. Het ligt ook niet voor de hand om er van uit te gaan dat zij allebei in de war zijn met een ander incident, dat heeft plaatsgevonden in het Poortershoes, waarbij verdachte een broodmes bij zich had. Dat laatste wijst er overigens ook op dat verdachte niet onbekend is met het bij zich dragen van een mes. Dat verdachte geen mes bij zich had bij zijn aanhouding en dit ook niet werd aangetroffen in zijn woning, is niet per se ontlastend, nu er enige tijd is verstreken tussen de bedreigingen en de aanhouding, welke tijd verdachte kan hebben benut om zich te ontdoen van het mes. De rechtbank acht daarom, gelet op het voorgaande, ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 19 maart 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik snij jullie keel

door, ik slacht jullie af, stelletje varkens. Ik weet jullie wel te vinden"

en "Ik ruk jullie hoofden af";

2.

hij op 19 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk deze [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik vermoord je";

3.

hij op 19 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik waarschuw je nu één keer. Ik jaag een kogel door je

kop";

4.

hij op 29 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gericht op die [slachtoffer 5] en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb nog wat voor je";

5.

hij op 29 april 2014, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes getoond aan

die [slachtoffer 6] en vervolgens met dat mes een snijdende beweging gemaakt langs zijn, verdachtes, keel en daarbij die [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik pak je" of woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  4. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  5. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 17 september 2014, opgemaakt door R. van Wieren, arts in opleiding tot psychiater, en T.W.D.P. van Os, psychiater. De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens, te weten een autismespectrumstoornis en een waanstoornis. Bovendien is er sprake van alcoholmisbruik. De stoornissen zijn dusdanig overheersend dat de persoonlijkheid daardoor geheel wordt gekleurd. De stoornissen bestonden ook ten tijde van het ten laste gelegde. Alles in ogenschouw nemende achten de onderzoekers het zeer aannemelijk dat verdachte op grond van zijn stoornissen niet vrij was ten aanzien van zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten die samenhangen met de ex van zijn broer, en achten zij het aannemelijk dat zijn beperkingen hem zijn keuzevrijheid volledig ontnomen hebben. Op grond van deze overwegingen achten onderzoekers het aannemelijk dat verdachte voor deze feiten als ontoerekeningsvatbaar beschouwd kan worden. Ten aanzien van de feiten 1 t/m 3 adviseren onderzoekers verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het is echter niet uitgesloten dat bij verder kunnen doorvragen op deze feiten toch sprake zou kunnen zijn van een grotere mate van doorwerking van zijn pathologie.

De officier van justitie en de raadsvrouw gaan uit van ontoerekeningsvatbaarheid ten aanzien van alle feiten.

De rechtbank kan zich met de conclusie van de psychiater verenigen en neemt deze over. Ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid overweegt de rechtbank het volgende. De psychiater beschouwt verdachte weliswaar verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de feiten 1 t/m 3, maar concludeert tegelijkertijd dat het niet ondenkbaar is dat ook bij deze feiten toch sprake is van een grotere mate van doorwerking van de pathologie. De rechtbank acht dit ook aannemelijk, mede gelet op de periode waarin deze bedreigingen plaatsvonden, namelijk in de anderhalve maand voorafgaand aan de feiten 4 en 5, ten aanzien van welke feiten verdachte in ieder geval als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen is. De rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte daarom, met de officier van justitie en de raadsvrouw, dat geen van de bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Oplegging maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat wordt voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van die maatregel. Hoewel alleen de psychiater onderzoek heeft kunnen doen, is dat in dit geval voldoende, omdat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door de psycholoog. Er is sprake van een stoornis en er is een relatie tussen die stoornis en de gepleegde feiten. Ook is er herhalingsgevaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet kan worden opgelegd.

Ten eerste wordt niet aan de formele vereisten die daarvoor gelden, voldaan. Er is slechts één advies van een gedragsdeskundige. De psycholoog is te snel tot de conclusie gekomen dat het niet mogelijk was om verdachte te onderzoeken, namelijk na slechts één gesprek van vijf minuten met verdachte. De psychiater heeft verdachte wel kunnen onderzoeken, zij het door enige inspanning te verrichten. De psycholoog had ook meer inspanning moeten verrichten alvorens te concluderen dat verdachte weigerde mee te werken.

Ten tweede wordt niet voldaan aan het gevaarcriterium. Hulpverleners die zich in het verleden in een vrijwillig kader met verdachte hebben bemoeid, concluderen dat verdachte een rustige man is die nooit agressief is. Hij communiceert weliswaar op zijn eigen unieke wijze, maar doet dat nooit door het uiten van agressie.

Door de raadsvrouw is voorts aangevoerd dat de bedreigingen in een relatief korte periode zijn gepleegd, dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de voorwaarden heeft gehouden en dat er geen nieuwe strafbare feiten door hem zijn gepleegd sinds onderhavige bedreigingen. Daarnaast is er sprake van een geringe ernst van de feiten. Het is dan ook niet opportuun om de maatregel in deze zaak op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat voor het opleggen van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis vereist is dat verdachte gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Van gevaar voor zichzelf is niet gebleken. Ook van een gevaar voor anderen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarvoor is een rechtstreeks gevaar voor individueel bepaalde personen vereist en dat gevaar is er niet (meer). De rechtbank leidt uit de verklaringen van verdachte af dat hij het contact met een aantal mensen wilde afsluiten en in dat kader is hij bij hen langs gegaan met de onderhavige feiten als gevolg. Verdachte is daar nu klaar mee en wil zijn eigen leven weer zoveel mogelijk op harmonieuze wijze hervatten. De rechtbank heeft geen aanleiding er van uit te gaan dat verdachte opnieuw bepaalde individuen zal opzoeken waarbij zij rechtstreeks gevaar lopen. Tot slot dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Aan dit criterium worden zwaardere eisen gesteld dan aan het voorgaande criterium. De rechtbank overweegt ten eerste dat zij geen aanleiding heeft om aan te nemen dat verdachte goederen zal schenden waarvan de willekeurige aantasting in de maatschappij als ernstig wordt ervaren. Bij de vraag of er wel gevaar is voor de algemene veiligheid van personen overweegt de rechtbank dat verdachte, naar eigen zeggen, geen gewelddadig persoon is en dat hij het gebruik van geweld verafschuwt. Uit het verleden van verdachte, noch uit zijn strafblad blijkt anderszins. Verdachte is niet bekend met het gebruik van geweld. Voorts vindt verdachte weliswaar dat hij alles moet kunnen zeggen en vindt hij het niet zijn verantwoordelijkheid hoe mensen zijn woorden interpreteren, maar is hij wel bezig met wat nog wél binnen (strafrechtelijk) aanvaardbare grenzen ligt. Al deze omstandigheden in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende sprake is van het in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht genoemde criterium. Derhalve komt de rechtbank niet toe aan de oplegging van de maatregel. Bespreking van het verweer van de raadsvrouw omtrent het ontbreken van een rapport van een psycholoog kan daarom bij gebrek aan belang achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. A.F. Gerding en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 november 2014.

Mr. Vlietstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.