Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5633

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
3050440 - CV EXPL 14-5132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag; verjaring; ontvangst brief

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0985
AR 2014/884

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 3050440 \ CV EXPL 14-5132

vonnis van de kantonrechter d.d. 18 november 2014

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. D. Cau,

tegen

de besloten vennootschap

IJB GEOTECHNIEK B.V.,

gevestigd te Lemmer,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.A.M. Bijlholt.

Partijen zullen hierna [eiser] en IJB Geotechniek worden genoemd.

Procesverloop

1. Ingevolge het tussenvonnis van 8 juli 2014 is op 22 oktober 2014 een comparitie gehouden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Motivering

De feiten

2.1.

[eiser], geboren op [geboortedatum], is van 1 juni 2002 tot 10 mei 2013 in dienst geweest bij IJB Geotechniek, laatstelijk in de functie van assistent sondeermeester tegen een salaris van € 1.924,- bruto per maand. In verband met zijn arbeidsongeschiktheid ontving en ontvangt [eiser] een WAO-uitkering van 25-35%.

2.2.

IJB Geotechniek heeft op 12 november 2012 het UWV Werkbedrijf verzocht ontslagvergunningen af te geven voor zes werknemers, waaronder [eiser], op bedrijfseconomische gronden. [eiser] heeft in die procedure verweer gevoerd.

2.3.

UWV Werkbedrijf heeft op 24 december 2012 de toestemming om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen verleend. Het UWV Werkbedrijf heeft in die beslissing aangegeven:

De reden voor het thans zonder motivering afgeven van de gevraagde toestemming is gelegen in het feit, dat u zich in een zeer benarde bedrijfseconomische situatie bevindt, die de continuïteit in gevaar brengt.

UWV Werkbedrijf heeft bij brief van 10 januari 2013 de beslissing op de ontslagaanvraag gemotiveerd.

2.4.

IJB Geotechniek heeft op 27 december 2012 - onder gebruikmaking van de door het UWV Werkbedrijf verkregen ontslagvergunning - de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 10 mei 2013.

2.5.

IJB Geotechniek heeft in overleg met de ondernemingsraad een sociaal plan opgesteld. De ondernemingsraad heeft zich ter zake het sluiten van het sociaal plan laten adviseren door een extern bureau, [A]. Het sociaal plan is gefinancierd door de aandeelhouders van de IJB Groep. Op basis van het sociaal plan kan [eiser] aanspraak maken op een aanvulling op zijn WW-uitkering van 15% voor de duur van 24 maanden.

2.6.

De gemachtigde van [eiser] heeft op 1 november 2013 een brief verzonden naar:

IJB Geotechniek B.V.,

Ta.v de directie

Flevostraat 14

8531 KS LEMMER

waarbij de gemachtigde van [eiser] zich namens haar cliënt op het standpunt stelt dat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Deze brief vermeldt voorts:

Voor de goede orde, stuit ik voorts met dit schrijven uitdrukkelijk de termijn in verband met het aanhangig maken van de procedure ex artikel 7: 681 BW.

2.7.

Voormelde brief is op 5 november 2013 retour ontvangen op het kantoor van de gemachtigde van [eiser] met de vermelding door TNT Post "Herstel/Retour", waarbij is aangekruist het hokje "Geen/volle brievenbus".

2.8.

De gemachtigde van [eiser] heeft op 5 december 2013 zowel per gewone post als per telefax een brief verzonden naar:

IJB Geotechniek B.V.,

Ta.v de directie

Postbus 210

8530 AE LEMMER

De inhoud van deze brief is geheel identiek aan die van 1 november 2013.

De vordering

3.1.

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat het door IJB Geotechniek aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;

II. IJB Geotechniek te veroordelen aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 27.892,71 bruto, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, ten titel van schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW, waarbij het aan [eiser] zal zijn om te bepalen op welke manier deze vergoeding aan hem wordt uitgekeerd, en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2013, althans vanaf het moment van opeisbaarheid, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. IJB Geotechniek te veroordelen de buitengerechtelijke incassokosten, ex artikel 6:96, tweede lid, sub b en c van het Burgerlijk Wetboek, die door [eiser] worden gesteld te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

[eiser] stelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door IJB Geotechniek kennelijk onredelijk is, nu de gevolgen van de opzegging voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van IJB Geotechniek. [eiser] heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat hij ten tijde van de ontslagaanzegging 11 jaar in dienst was en dat hij bij het einde van het dienstverband 60 jaar oud was. [eiser] gold, zo stelt hij, als een bijzonder trouwe werknemer. Voorts stelt [eiser] dat hij een arbeidshandicap heeft van 25-35%. Gelet op zijn leeftijd, zijn fysieke klachten en zijn opleiding zijn de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt ongunstig. Door het ontslag lijdt [eiser] inkomstenderving en schade door het afbreken van zijn pensioenopbouw. De aangeboden regeling is – als standaardregeling – gelet op de privéomstandigheden van [eiser], volgens [eiser] onvoldoende. [eiser] verwijst daartoe naar een tweetal uitspraken van de Hoge Raad. Voorts stelt [eiser] dat IJB Geotechniek zich niet heeft gedragen als goed werkgever door hem geen omscholing of outplacement aan te bieden en door zich niet in te spannen [eiser] binnen of buiten de onderneming te herplaatsen.

Daarnaast stelt [eiser] dat het afspiegelingsbeginsel niet juist is toegepast en dat hij niet voor ontslag in aanmerking had dienen te komen.

3.3.

Met betrekking tot het door IJB Geotechniek gedane beroep op verjaring stelt [eiser] dat het feit dat IJB Geotechniek de brief van zijn gemachtigde van 1 november 2013 niet heeft ontvangen het gevolg is van haar eigen handeling. IJB Geotechniek had zorg dienen te dragen voor een - bereikbare - brievenbus, te meer nu het kantoor enkel bemand is tijdens werkdagen en kantooruren.

Het verweer

3.4.

IJB Geotechniek beroept zich primair op verjaring van de vordering. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd tegen 10 mei 2013. Op dat moment is de verjaringstermijn van zes maanden aangevangen. [eiser] heeft eerst bij brief van 5 december 2013 van haar gemachtigde gesteld dat er sprake zou zijn van een kennelijk onredelijke opzegging. Deze brief is zowel per post als per telefax aan haar toegezonden en wel naar het postadres van IJB Geotechniek zoals dat vermeld staat op haar briefpapier en haar website. Op dat moment was de vordering van [eiser] echter reeds verjaard. IJB Geotechniek betwist dat zij vóór 5 december 2013 een brief – meer in het bijzonder de brief van 1 november 2013 – heeft ontvangen. Deze brief was niet correct geadresseerd, nu deze naar het bezoekadres van IJB Geotechniek is verzonden in plaats van naar het postadres. Op het bezoekadres is deze brief – ondanks de aanwezigheid van een brievenbus – niet ontvangen. IJB Geotechniek betwist dat het niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van haar eigen handeling, van de handeling van personen voor wie zij aansprakelijk is of van andere omstandigheden die haar persoon betreffen en rechtvaardigen dat zij het nadeel draagt. Daarentegen ligt het in de risicosfeer van [eiser] dat hij niet tijdig en op de juiste wijze de verjaring heeft gestuit.

3.5.

Voorts betwist IJB Geotechniek dat er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging. IJB Geotechniek voert daartoe onder meer aan dat [eiser] een arbeidsverleden heeft, waarin hij tal van functies op diverse plekken in Nederland heeft bekleed. Het dienstverband van [eiser] bij IJB Geotechniek is – in relatie tot zijn arbeidsverleden – van betrekkelijk korte duur. De factor leeftijd maakt een ontslag niet per definitie kennelijk onredelijk. Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] stelt IJB Geotechniek dat [eiser] op 18 maart 1988 is uitgevallen als timmerman. Dit heeft geleid tot een WAO-uitkering van 25-35%. [eiser] is, zo stelt IJB Geotechniek, in staat gebleken na enkele jaren de draad weer op te pakken. Dat de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt gelet op zijn fysieke klachten ongunstig zouden zijn, blijkt niet uit zijn arbeidsverleden, aldus IJB Geotechniek. De arbeidsongeschiktheid is ook niet ontstaan ten tijde van het dienstverband met IJB Geotechniek. Bovendien beschikt [eiser] over een LTS diploma en heeft hij ook bij IJB Geotechniek de nodige opleidingen gevolgd.

Daarnaast wijst IJB Geotechniek er op dat het ontslag is gebaseerd op een bedrijfseconomische noodzaak. IJB Geotechniek is met de ondernemingsraad een sociaal plan overeengekomen. waarbij de ondernemingsraad zich bij heeft laten staan door een extern adviseur, de heer [B], verbonden aan [A]. De ondernemingsraad heeft daarbij de voorkeur gegeven aan een geldbedrag in plaats van omscholing. IJB Geotechniek heeft de financiële gevolgen zoveel als mogelijk gecompenseerd. IJB Geotechniek betwist dat het sociaal plan een standaardregeling is, nu in het plan een onderscheid is aangebracht tussen werknemers met een dienstverband tot tien jaar, werknemers met een dienstverband van tien tot twintig jaar en werknemers met een dienstverband van meer dan twintig jaar. [eiser] viel met zijn 11-jarig dienstverband in de tweede categorie, hetgeen relatief gunstig is.

Met betrekking tot de vraag of het afspiegelingsbeginsel juist is toegepast, verwijst IJB Geotechniek naar de procedure die ten overstaan van het UWV Werkbedrijf is gevoerd en waarop het UWV Werkbedrijf reeds heeft beslist.

De beoordeling

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van IJB Geotechniek is het door haar gedane beroep op verjaring. De kantonrechter is van oordeel dat dit beroep slaagt en overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

4.3.

Artikel 3:37 lid 3 BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig dient te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van artikel 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt. (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 (Cenvantos/Stichting Nieuwenhuis)).

4.4.

In het onderhavige geval staat vast dat [eiser] de brief van 1 november 2013 heeft verzonden naar het bezoekadres van IJB Geotechniek. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een adres was waarvan [eiser] mocht aannemen dat de IJB Geotechniek aldaar door hem kon worden bereikt. IJB Geotechniek heeft immers zelf benadrukt dat er een brievenbus is aangebracht bij het kantoorpand en dat deze ook dagelijks twee keer wordt geleegd. [eiser] heeft echter geen feiten om omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de brief van 1 november 2013 ook door IJB Geotechniek is ontvangen. Daarentegen staat vast dat de brief op 5 november 2013 retour is gekomen op het kantoor van de gemachtigde van [eiser], CNV Vakmensen, omdat, zo blijkt uit de melding van TNT post, er geen brievenbus was danwel dat de brievenbus vol was. Daarmee geldt als vaststaand dat IJB Geotechniek de bedoelde brief, benodigd om de verjaring te stuiten, niet heeft ontvangen.

4.5.

[eiser] heeft voorts aangevoerd dat niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van de eigen handeling van IJB Geotechniek, van de handeling van personen voor wie zij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die haar persoon betreffen en rechtvaardigen dat zij het nadeel draagt. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat IJB Geotechniek zorg had dienen te dragen voor een bereikbare brievenbus. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat blijkens de door IJB Geotechniek overgelegde foto’s er kennelijk wel een brievenbus was, doch dat deze niet bereikbaar was op het moment dat het bedrijfspand en daarmee het hekwerk gesloten was.

De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Anders dan [eiser] meent, was IJB Geotechniek niet gehouden om het mogelijk te maken dat op ieder moment van de dag – ook buiten openingstijden - aan haar bezoekadres brieven afgegeven konden worden. IJB Geotechniek beschikte immers, zo heeft zij onweersproken gesteld, over een postbusadres. Het had dan ook op de weg van (de gemachtigde van) [eiser] gelegen de bedoelde brief, mede bestemd om de verjaring te stuiten, naar het door IJB Geotechniek gebruikte postbusadres te zenden, danwel ervoor zorg te dragen dat de brief IJB Geotechniek op andere wijze tijdig bereikte. [eiser] heeft dit echter nagelaten en ervoor gekozen om de brief te versturen naar het bezoekadres van IJB Geotechniek. Nu (de gemachtigde van) [eiser] deze brief uitsluitend per gewone post verzonden heeft naar het bezoekadres van IJB Geotechniek, komt het naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening van [eiser] dat IJB Geotechniek deze brief niet heeft ontvangen. Nu IJB Geotechniek deze brief niet heeft ontvangen en de brief evenmin haar werking heeft als bedoeld in de tweede zin van het derde lid van artikel 3:37 BW, is de verjaring niet gestuit. Voorts is niet gebleken dat [eiser] nadien de verjaring tijdig heeft gestuit.

4.6.

Nu de vordering van [eiser] is verjaard, behoeft de vraag of er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging geen bespreking meer. Toch zal de kantonrechter hier kort op in gaan, nu de vraag of er kennelijk onredelijk door IJB Geotechniek is opgezegd de kern van het door partijen gevoerde debat is geweest. De kantonrechter overweegt als volgt.

Artikel 7:681 lid 1 BW bepaalt dat de rechter aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst al dan niet met inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen kennelijk onredelijk opzegt. Met ‘kennelijk onredelijk’ in de zin van artikel 7:681 lid 1 BW wordt bedoeld dat de onredelijkheid voor een ieder duidelijk moet zijn. Een opzegging kan vanwege de gevolgen voor de werknemer kennelijk onredelijk zijn. Dit zogenaamde gevolgencriterium speelt als zodanig een belangrijke rol in de rechtspraak van het kennelijk onredelijk ontslag.
Volgens vaste rechtspraak moet de rechter bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking nemen. De werkgever handelt kennelijk onredelijk als hij onvoldoende rekening houdt met de onevenredigheid tussen zijn eigen belang bij de opzegging en de te verwachten nadelige gevolgen van de opzegging voor de werknemer. Door de hoven zijn toetsingscriteria ontwikkeld om te bepalen of een ontslag kennelijk onredelijk is wegens schending van het gevolgencriterium. De Hoge Raad staat niet afwijzend tegenover het hanteren van dergelijke criteria. Zie HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6596 (Van de Grijp/Stam) en HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4472 (Rutten/Breed). Algemene omstandigheden zijn bijvoorbeeld de door [eiser] aangevoerde omstandigheden, zoals:
• de duur van het dienstverband;
• de leeftijd van de werknemer;
• de arbeidsmarktpositie van de werknemer.
Daarnaast is bij arbeidsongeschiktheid bijvoorbeeld relevant de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk.
De kantonrechter is op basis van voornoemde criteria van oordeel dat de opzegging door IJB Geotechniek van de arbeidsovereenkomst met [eiser] niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. De kantonrechter overweegt daartoe dat noch de duur van het dienstverband noch de leeftijd van [eiser] zelfstandig danwel tezamen de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een kennelijk onredelijk opzegging. Ook de arbeidsongeschiktheid van [eiser] lijdt niet tot een ander oordeel, nu er geen relatie bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk. Ook het feit dat de

arbeidsmarktpositie van [eiser], gelet op zowel zijn leeftijd, zijn opleiding als zijn arbeidshandicap, verre van rooskleurig is, maakt de opzegging naar het oordeel niet kennelijk onredelijk, in die zin dat er sprake is van een onevenredigheid tussen het belang van IJB Geotechniek bij opzegging van het dienstverband en de te verwachten nadelige gevolgen van de opzegging voor de [eiser]. Uit de door IJB Geotechniek overgelegde stukken blijkt immers dat de opzegging was ingegeven door een bedrijfseconomische noodzaak en dat de continuïteit van de onderneming in gevaar was. Desondanks is IJB Geotechniek er in geslaagd om voor haar werknemers in overleg met de ondernemingsraad een sociaal plan overeen te komen, op grond waarvan aan de werknemers, waaronder [eiser], een aanvulling op een te ontvangen WW-uitkering is uitgekeerd. Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat deze standaardregeling, gezien zijn persoonlijke situatie, ontoereikend was, volgt de kantonrechter [eiser] daarin niet. De jurisprudentie waarnaar [eiser] heeft verwezen, ziet op niet vergelijkbare situaties. IJB Geotechniek heeft immers – onder verwijzing naar het arbeidsverleden van [eiser] - gemotiveerd weerlegd dat [eiser] ten gevolge van zijn arbeidshandicap belemmerd is bij het vinden van een andere baan. Ook de stelling van [eiser] dat IJB Geotechniek hem geen omscholing of outplacement heeft aangeboden kan [eiser] niet baten, nu IJB Geotechniek onweersproken heeft aangevoerd dat zulks wel is besproken met de ondernemingsraad, doch dat de ondernemingsraad er uitdrukkelijk heeft gekozen voor een financiële compensatie. Dat [eiser] financieel nadeel lijdt door het hem gegeven ontslag, is evident, doch dit enkele feit maakt de opzegging niet kennelijk onredelijk.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat [eiser] zijn stelling dat het afspiegelingsbeginsel niet juist zou zijn toegepast, zodat hij niet voor ontslag in aanmerking had dienen te komen – mede in het licht van hetgeen het UWV Werkbedrijf hierover heeft beslist – onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Ook hierop kan [eiser] zich derhalve niet met succes beroepen.

4.7.

[eiser] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van IJB Geotechniek worden begroot op € 800,- (2 punten à € 400,-) aan salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van IJB Geotechniek begroot op € 800,-.

Aldus gewezen door mr. J.A. Werkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 471