Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5614

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
996503-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Noordelijke Fraude Kamer heeft een verdachte opzettelijk geen loonbelasting afgedragen bij het uitbetalen van loon aan zijn personeelsleden en geen aangifte gedaan bij de belastingdienst van omzetbelasting van de door hem gegenereerde looninkomsten c.q. omzet van de via stichtingen zogenoemde “10 euro kapperszaken”. Van de niet opgegeven en afgedragen gelden heeft verdachte onder meer een in aanbouw zijnde woning te Groningen gefinancierd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van een werkgeversverklaring.

De verdachte heeft zich aldus stelselmatig onttrokken aan de op hem gestelde fiscale verplichtingen en dusdoende de Belastingdienst benadeeld. Hij heeft zich op deze wijze stelselmatig geld toegeëigend, waarop hij geen recht had. In totaal heeft de verdachte enkele honderdduizenden euro aan gelden witgewassen waarvan circa 400.000,-- euro ter financiering in een in aanbouw zijnde woning is gestoken. Door het niet afdragen van sociale verzekeringspremies en pensioenpremies heeft de verdachte bovendien bewust fraude gepleegd waarbij hij zijn werknemers ernstig heeft benadeeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420bis, 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2740
PJ 2015/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Parketnummer: 18/996503-12

datum uitspraak: 12 november 2014

raadsman: mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen

VONNIS van de rechtbank Noord-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te locatie Assen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 januari 2013, 12 februari 2013, 22 november 2013, 24 januari 2014, 11 februari 2014, 3 juni 2014 en 29 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 27 oktober 2014 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in de periode 1 januari 2007 tot en met 1 mei

2012, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, van een voorwerp, te

weten één of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de

vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of

verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een

voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven

voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en), voorhanden had, terwijl hij

wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het

misdrijf, immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) contante gelden

uit de diverse kapperszaken gehaald en/of gebruikt zonder deze gelden te

verwerken in de belastingaangiften en/of met welke gelden één of meer auto('s)

en/of bouwgrond en/of een in aanbouwzijnde woning is aangeschaft/gefinancierd;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op één of meer tijdstippen in de periode 1 januari 2007 tot en met 1 mei

2012,in de gemeente Groningen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten

één of meer geldbedragen en/of één of meer auto('s) en/of bouwgrond en/of een

aanbouw zijnde woning, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten één of meer

geldbedrag(en) en/of één of meer auto('s) en/of bouwgrond en/of een in aanbouw

zijnde woning, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 26 april 2012 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met

één of meer andere(n), een werkgeversverklaring en/of een loonstro(o)k(en),

althans (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst,

door (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die

werkgeversverklaring en/of loonstro(ok)(en) te vermelden dat werknemer [medeverdachte]

werkzaam en/of in loondienst is bij Stichting Medicinale Cannabis

Nederland BV, (telkens) met het oogmerk om het als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 26 april 2012 in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met

één of meer anderen, opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een)

vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring(en) en/of een loonstro(o)k(en) -

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat deze werd(en) voorgelegd aan ING Bank

(ter verkrijging van een hypotheek) en bestaande die valsheid of vervalsing

hierin dat dat/die geschrift(en) was/waren ondertekend door of namens de

Stichting Medicinale Cannabis Nederland BV (als zijnde werkgever van [medeverdachte])

terwijl deze [medeverdachte] in werkelijkheid daar niet werkzaam en/of in loondienst

was;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede de verbeurdverklaring zal uitspreken van de woning aan de [adres 3] en de contant inbeslaggenomen gelden als genoemd in AH-46.

Standpunt van de verdediging

Ter zitting heeft de raadsman van de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen ten aanzien van alle feiten nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Bewijsoverwegingen

[verdachte] heeft in september 2006 een stichting opgericht met de naam “Stichting De 10 Euro Kapper”. In maart 2007 wordt door hem in het pand [adres 2] een kapperszaak geopend genaamd “De 10 euro kapper”. In de periode 5 september 2007 tot 15 december 2011 heeft [verdachte] in totaal 17 stichtingen opgericht die één of meerdere kapperszaken exploiteerden. De namen van deze stichtingen vertonen grote gelijkenis.

Door personeelsleden van de kapperszaken is onder meer verklaard:

• dat klanten alleen contant konden betalen;

• dat de contante omzet samen met kassabonnen en afspraken in een enveloppe werd gestopt;

• dat de enveloppe met inhoud voor de vestigingen buiten Groningen periodiek door getuige [getuige] of haar vervanger werden opgehaald;

• dat [getuige] de enveloppen met inhoud steeds [verdachte] aan afgaf;

• dat [verdachte] de omzet en de gegevens van de vestigingen in Groningen zelf ophaalde;

• dat de personeelsleden van de kapperszaken door [verdachte] zijn aangenomen;

• dat hun loon via de bank werd overgemaakt;

• dat zij geen nieuw arbeidscontract hebben ontvangen bij wijzigingen van de naam van de stichting.

Ter terechtzitting is de juistheid van de door personeelsleden van de kapperszaken afgelegde verklaringen door [verdachte] erkend.

Zowel in de woning aan de [adres 3] als de [adres 4] zijn enveloppen aangetroffen met omzetgegevens.

De loonadministratie van de kapperszaken werd in opdracht van [verdachte] door [administrateur] van het salaris- en administratiekantoor MB verzorgd.

Uit de verklaring van [administrateur] tegenover de FIOD en het e-mailverkeer tussen haar en [verdachte] komt naar voren dat:

• [verdachte] de uren en de gegevens van de kapsters doorgaf;

• [administrateur] aan de hand daarvan de loonstroken opmaakte en de aangiften loonheffing bij de Belastingdienst indiende;

• [verdachte] op 13 maart 2011 de uren van oktober 2010 tot en met februari 2011 doorgaf en om de loonstroken heeft gevraagd en dat hij tegelijkertijd aan [administrateur] vroeg om niet de aangiften loonheffing te doen bij de Belastingdienst omdat hij een regeling voor de betaling wil treffen met de Belastingdienst;

• [administrateur] op 24 maart 2011 bij [verdachte] informeerde naar de regeling met de Belastingdienst en dat zij daarbij heeft aangegeven dat zij de loonaangiftes over 2010 klaar had en dat zij als salariskantoor verplicht was aangifte te doen;

• [administrateur] in mei 2011 de samenwerking met [verdachte] heeft beëindigd.

De Belastingdienst heeft, zo blijkt uit het dossier, tussen 2008 en 2011 meerdere controles uitgevoerd bij de verschillende kapperszaken. Uit deze controles kwam naar voren dat er geen of te weinig omzet- en loonbelasting werd aangegeven, dan wel dat de aangegeven belasting vervolgens niet is voldaan. Bovendien werd bij geen enkele kapperszaak tijdens de controles een sluitende administratie aangetroffen op grond waarvan de omzet deugdelijk kon worden verantwoord.

[verdachte] heeft vanaf 2006 gebruik gemaakt van drie personen die op papier werden vermeld als bestuurder van de diverse stichtingen die verdachte bij de Kamer van Koophandel had ingeschreven. Zodra door de Belastingdienst naheffingsaanslagen aan deze stichtingen werden opgelegd, werd er bezwaar aangetekend. In de bezwaarschriften werd aangegeven dat de stichtingen zijn overgenomen en werd er verwezen naar deze personen. Gelet op het feit dat inschrijving van deze personen als bestuurder met terugwerkende kracht plaatsvond en niet is gebleken van enige bemoeienis met de voor deze stichtingen gedreven ondernemingen, moeten deze “bestuurders” naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als zogenaamde katvangers, zoals overigens ook uit de verklaringen van de betrokken personen zelf volgt.

[verdachte] is verder als bestuurder bij de door zijn vader [vader] opgerichte Stichting Medicinale Cannabis Nederland (hierna: MCN) betrokken. MCN verstrekte cannabis op doktersrecept. Vanaf februari 2007 is de apotheek feitelijk gestart met het verstrekken van cannabis. Door het ontbreken van een boekhouding van MCN zijn ook bij deze stichting de behaalde resultaten niet te achterhalen.

Alle voorgaande bevindingen rechtvaardigen de conclusie dat [verdachte] ervoor heeft gezorgd dat de kapperszaken en MCN op grote schaal zwart geld hebben gegenereerd door het niet of nauwelijks fiscaal verantwoorden van de behaalde omzet en het niet of te weinig afdragen van de verschuldigde loonbelasting, met andere woorden door het plegen van fiscale misdrijven. Op grond van de eerder aangehaalde verklaringen van de werknemers staat bovendien buiten redelijke twijfel vast dat dit zwarte geld bij [verdachte] zelf terecht is gekomen.

De rechtbank acht voorts bewezen dat (een deel van) dit zwarte geld vervolgens is gebruikt om de bouw van de al eerder genoemde woning aan de [adres 3] te financieren. De rechtbank wijst daartoe op het volgende.

In 2008 heeft medeverdachte [medeverdachte] een hypothecaire geldlening van de ING bank verkregen. Deze hypothecaire geldlening is aan [medeverdachte] verstrekt op basis van salarisgegevens van MCN. In totaal heeft de ING Bank € 370.000,= aan [medeverdachte] verstrekt. Deze hypothecaire geldlening heeft betrekking op de nog te bouwen woning aan de [adres 3], welke perceel eerder door [medeverdachte] is aangekocht en op diens naam staat. [medeverdachte] heeft ter verkrijging van de hypotheek aan de ING een werkgeversverklaring, salarisspecificaties en een Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek doen toekomen. Volgens de werkgeversverklaring van MCN is [medeverdachte] vanaf mei 2007 werkzaam als apotheker en geniet hij een bruto jaarsalaris van € 64.645. De werkgeversverklaring van MCN is gedateerd 28 december 2007 en is ondertekend door apotheker [werknemer]. Op dat moment staat [verdachte] bij de KvK ingeschreven als bestuurder van MCN.

De rechtbank constateert dat [medeverdachte] zijn beweerdelijk genoten loon niet in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007 heeft opgegeven. [medeverdachte] heeft op 14 december 2009 een brief van MCN aan een Belastingdienstmedewerker laten zien. In deze brief staat dat [medeverdachte] door een misverstand tussen de bedrijfsleiding en boekhouder ten onrechte is opgevoerd voor de loonheffing. Ook staat in de brief dat [medeverdachte] geen recht op loon had omdat hij onbetaald vrijwilligerswerk verrichtte, en dat het door hem ten onrechte ontvangen loon inmiddels aan de stichting is geretourneerd. De inhoud van deze brief is ook aangetroffen op een laptop die in de woning aan [adres 3] in beslag genomen is en waarvan gezien de plaats waar deze is aangetroffen en de inhoud van de overige bestanden genoegzaam kan worden aangenomen dat deze aan [verdachte] toebehoort.

Bij MCN was sinds 2007 als apotheker mevrouw [apotheker] werkzaam. Zij heeft vanaf maart 2007 tot februari 2008 bij MCN gewerkt en verklaart dat:

• zij voor haar sollicitatie moest bellen naar een [werknemer];

• [verdachte] tijdens haar sollicitatie in 2006 heeft verklaard dat [werknemer] ziek was;

• [verdachte] later heeft verklaard dat [werknemer] was overleden;

• [verdachte] dezelfde stem had als de [werknemer] die zij door de telefoon heeft gesproken;

• zij [medeverdachte] niet kent.

De rechtbank wijst tot slot nog op de volgende bevindingen uit het dossier:

• [werknemer] en verdachte [medeverdachte] komen niet voor in het BIG–register en staan derhalve niet geregistreerd als apotheker;

• [werknemer] komt niet voor op de loonlijst van MCN;

• in de laptop, die aan de [adres 3] werd aangetroffen, is de auteur van de documenten [werknemer];

• in de laptop is mail aangetroffen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en

Sport, de aanhef van de mail begint met "Beste [werknemer]”. Het e-mail bericht geeft aan dat er geen voorraad van cannabis in de apotheek mag worden gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is gezien al het voorgaande niet aannemelijk geworden dat de persoon [werknemer] een werkelijk bestaand persoon betreft, maar kan buiten redelijke twijfel worden aangenomen dat [verdachte] deze naam heeft gebruikt als alias. In het licht van de opgesomde bevindingen staat naar het oordeel van de rechtbank bovendien buiten redelijke twijfel vast dat [verdachte] een valse werkgeversverklaring heeft opgemaakt waarin door hem in strijd met de waarheid werd vermeld dat [medeverdachte] als apotheker in loondienst werkzaam is bij MCN. [medeverdachte] heeft door gebruikmaking van deze valse werkgeversverklaring, salarisspecificaties en een Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek, waarin in strijd met de waarheid werd aangegeven dat het inkomen van [medeverdachte] jaarlijks € 64.645,= bedroeg, een hypothecaire geldlening bij de ING verkregen. Daarmee is in ieder geval het onder feit 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

In 2007 wordt gestart met de bouw van de woning aan de [adres 3].

De aannemer Belgraver en de architect Drent werden geconfronteerd met een foto van [medeverdachte] en verklaarden dat zij deze persoon niet kennen. Na het zien van een foto van [verdachte] verklaarden zij beide dat dit de persoon was waar zij zaken mee hebben gedaan.

Ook overigens is uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat [verdachte] in de woning in de Barthstraat zou gaan wonen en dat dat van aanvang af ook de bedoeling is geweest. . Dat de [adres 3] het toekomstige woonadres van [verdachte] zou worden, heeft [verdachte] verhuld door een schijnconstructie namelijk door het voorwenden van het huren van een kamer in Duitsland en het huren van een woning in de Dierenriemstraat. De door [verdachte] in dit verband afgelegde verklaringen acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Nu bovendien niet is gebleken dat [medeverdachte] in de tenlastegelegde periode over legale inkomsten beschikte waaruit de kosten voor de hypothecaire lening voldaan konden worden, kan buiten redelijke twijfel worden aangenomen dat de gelden die hiervoor nodig waren door [verdachte] aan hem zijn verstrekt.

Aldus heeft [verdachte] de bouw van de woning aan de [adres 3] feitelijk zelf gefinancierd en heeft hij zelf het woongenot van deze woning gehad, waarbij de criminele herkomst van het geld dat daarvoor is gebruikt (de gehele of gedeeltelijke zwarte omzet van de door hem beheerde stichtingen) door de toegepaste schijnconstructie dat [medeverdachte] de koper en bewoner van deze woning zou zijn verhuld. Ook het onder 1 primair tenlastegelegde is derhalve in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde:

De rechtbank heeft bij het uitstrepen van de tenlastelegging onder 1 geconstateerd, dat “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” niet in de tenlastelegging is opgenomen. Het later in de tenlastelegging staande “en/of zijn mededader(s)” ziet de rechtbank niet als een wettelijke weergave van het “medeplegen” en is derhalve door de rechtbank als zijnde niet bewijsbaar uit de tenlastelegging gestreept.

De in de tenlastelegging genoemde auto, Mercedes met het kenteken [kenteken], is door [verdachte] op 24 februari 2010 in Duitsland, Kleve, aangeschaft. Nu “in Duitsland” niet in de tenlastelegging is opgenomen, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte voornoemde auto heeft witgewassen.

De in de tenlastelegging genoemde bouwgrond heeft [medeverdachte] blijkens een akte van 17 november 2004 van de gemeente Groningen voor een bedrag van € 130.127,29 gekocht. Nu deze koop voor de in de tenlastelegging genoemde periode van 1 januari 2007 tot en met 1 mei 2012 is gelegen, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte voornoemde bouwgrond heeft witgewassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 mei 2012, in Nederland, van voorwerpen, te weten geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit het misdrijf, immers heeft verdachte contante gelden uit de diverse kapperszaken gehaald en gebruikt zonder deze gelden te verwerken in de belastingaangiften en met welke gelden een in aanbouw zijnde woning is gefinancierd;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 april 2012 in de gemeente Groningen, een werkgeversverklaring, die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die

werkgeversverklaring te vermelden dat werknemer [medeverdachte] werkzaam en in loondienst is bij Stichting Medicinale Cannabis Nederland, met het oogmerk om het als echt en onvervalst

door anderen te doen gebruiken

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

onder 1 primair:

witwassen, meermalen gepleegd

onder 2 primair:

valsheid in geschrifte

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte psychiatrische- en reclasseringsrapportage, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft opzettelijk geen loonbelasting afgedragen bij het uitbetalen van loon aan zijn personeelsleden en geen aangifte gedaan bij de belastingdienst van omzetbelasting van de door hem gegenereerde looninkomsten c.q. omzet van de via stichtingen zogenoemde “10 euro kapperszaken”. Van de niet opgegeven en afgedragen gelden heeft verdachte onder meer een in aanbouw zijnde woning aan de Barthstraat te Groningen gefinancierd.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van een werkgeversverklaring, waarin in strijd met de waarheid werd vermeld dat zijn broer [medeverdachte] als werknemer en in loondienst werkzaam was bij de Stichting Medicinale Cannabis Nederland.

De verdachte heeft zich aldus stelselmatig onttrokken aan de op hem gestelde fiscale verplichtingen en dusdoende de Belastingdienst benadeeld. Hij heeft zich op deze wijze stelselmatig geld toegeëigend, waarop hij geen recht had. Aan zijn strafbare handelen lijken geen andere motieven ten grondslag te hebben gelegen dan hebzucht en financieel gewin. In totaal heeft de verdachte enkele honderdduizenden euro aan gelden witgewassen waarvan circa 400.000,-- euro ter financiering in een in aanbouw zijnde woning is gestoken. Door het niet afdragen van sociale verzekeringspremies en pensioenpremies heeft de verdachte bovendien bewust fraude gepleegd waarbij hij zijn werknemers ernstig heeft benadeeld.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat voor fraude op deze schaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dient te worden. Er zijn geen redenen om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. De rechtbank wijst er in het bijzonder op dat de verdachte zeer geraffineerd te werk is gegaan. De verdachte heeft ter terechtzitting geen openheid van zaken willen geven. De rechtbank leidt daaruit af dat hij het kwalijke van zijn handelen niet inziet of daarvoor in ieder geval geen verantwoordelijkheid wil nemen

De rechtbank merkt nog op dat de tenlastegelegde feiten weliswaar gedateerd zijn, doch dat deze ouderdom van zaken niet alleen aan het Openbaar Ministerie te wijten is. Van overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat dit niet van invloed is op de op te leggen straf. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het, gelet op de ernst van de feiten, niettegenstaande dit tijdsverloop nog altijd uit oogpunt van preventie en normhandhaving noodzakelijk is om een aanzienlijke straf op te leggen

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

Verbeurdverklaring

De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde verbeurdverklaring van de woning aan de [adres 3] uit te spreken, gezien de op de woning rustende hypotheek en de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsvordering.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene zoals genoemd in AH-46, te weten

A.1.II.1.1 Groene tas met muntgeld, opschrift haarservice shop

A.1.II.1.2 Plastic tas met muntgeld, opschrift copy

A.1.II.1.3 Plastic tas met muntgeld, opschrift Kadus

A.1.II.1.4 Vuilniszak met muntgeld

A.1.II.1.5 Plastic zak met muntgeld, sticker met opschrift bank

A.1.II.1.6 Blauwe belastingdienstenvelop met daarin 5 zakjes met kleingeld

A.1.II.1.7 4 papieren zakken met muntgeld in sealbag

A.1.II.1.8 Doos Vioba coffeecream met kleingeld in papieren zakjes, plastic zakjes en los in doos

A.1.II.1.9 Doos Vioba coffeecream met kleingeld in papieren zakjes, plastic zakjes en los in doos

zijnde totaal € 3.900,95, bestaande uit:

321 munten van € 0,01

452 munten van € 0.02

2194 munten van € 0,05

2167 munten van € 0,10

3614 munten van € 0,20

1387 munten van € 0,50

718 munten van € 1,00

714 munten van € 2,00

A.1.II.1.74 envelop met opschrift maandag 23 04 2012 € 240,-, bevattende

3 biljetten x € 50,-

3 biljetten x € 20,-

3 biljetten x € 10,-

A.1.II.1.74 envelop met opschrift 25 04 omzet 591,-, bevattende

5 biljetten x € 20,-

19 biljetten x € 10,-

A.1.II.1.74 envelop met opschrift 19-04 St Jansstr. bevattende

3 biljetten x € 50,-

3 biljetten x € 20,-

3 biljetten x € 10,-

A.1.II.1.74 envelop met opschrift 20-04-St. jans, bevattende

2 biljetten x € 50,-

1 biljet x € 20,-

5 biljetten x € 10,-

moet worden verbeurd verklaard nu de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte toebehoren en geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen en betrekking hebben op de feiten die door de verdachte zijn begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

33, 33a, 57, 225 lid 1 en 420bis lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

- verklaart verbeurd:

A.1.II.1.1 Groene tas met muntgeld, opschrift haarservice shop

A.1.II.1.2 Plastic tas met muntgeld, opschrift copy

A.1.II.1.3 Plastic tas met muntgeld, opschrift Kadus

A.1.II.1.4 Vuilniszak met muntgeld

A.1.II.1.5 Plastic zak met muntgeld, sticker met opschrift bank

A.1.II.1.6 Blauwe belastingdienstenvelop met daarin 5 zakjes met kleingeld

A.1.II.1.7 4 papieren zakken met muntgeld in sealbag

A.1.II.1.8 Doos Vioba coffeecream met kleingeld in papieren zakjes, plastic zakjes en los in doos

A.1.II.1.9 Doos Vioba coffeecream met kleingeld in papieren zakjes, plastic zakjes en los in doos

zijnde totaal € 3.900,95, bestaande uit:

321 munten van € 0,01

452 munten van € 0.02

2194 munten van € 0,05

2167 munten van € 0,10

3614 munten van € 0,20

1387 munten van € 0,50

718 munten van € 1,00

714 munten van € 2,00

A.1.II.1.74 envelop met opschrift maandag 23 04 2012 € 240,-, bevattende

3 biljetten x € 50,-

3 biljetten x € 20,-

3 biljetten x € 10,-

A.1.II.1.74 envelop met opschrift 25 04 omzet 591,-, bevattende

5 biljetten x € 20,-

19 biljetten x € 10,-

A.1.II.1.74 envelop met opschrift 19-04 St Jansstr. bevattende

3 biljetten x € 50,-

3 biljetten x € 20,-

3 biljetten x € 10,-

A.1.II.1.74 envelop met opschrift 20-04-St. jans, bevattende

2 biljetten x € 50,-

1 biljet x € 20,-

5 biljetten x € 10,-

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.W. Janssen, voorzitter, J. van Bruggen en C.M.M. Oostdam, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2014.