Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5613

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
996504-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Noordelijke Fraude Kamer heeft een verdachte van de door zijn broer aan de belastingdienst niet opgegeven gelden een in aanbouw zijnde woning aan de te Groningen verkregen en voorhanden gehad. Derhalve heeft verdachte zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan witwassen. Daarnaast heeft verdachte, ter verkrijging van een hypothecaire lening voor de bouw van de hiervoor genoemde woning, gebruik gemaakt van diverse valse stukken, waaronder een valse werkgeversverklaring. De verdachte heeft op listige wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de bank bij het verstrekken van een hypothecaire lening aan personen, die een financiering voor hun woning nodig hebben, stelt. De door verdachte verkregen gelden heeft verdachte aan zijn broer afgedragen en zijn ter financiering in een in aanbouw zijnde en op verdachte zijn naam staande woning gestoken. Hij heeft bewust zijn medewerking verleend aan de schijnconstructie rond de financiering van de woning in Groningen, waardoor zijn broer in staat is geweest om een aanzienlijke hoeveelheid zwart geld een legale bestemming te geven en zodoende van de opbrengsten van zijn misdrijven heeft kunnen profiteren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420bis, 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Parketnummer: 18/996504-12

datum uitspraak: 12 november 2014

raadsman: mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen

VONNIS van de rechtbank Noord-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te locatie Assen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 februari 2013, 22 november 2013, 11 februari 2014, 3 juni 2014 en 29 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 april 2012,in de gemeente

Groningen althans in Nederland en/of Belgie en/of Duitsland tezamen en in

vereniging met een of meer ander(e) (rechts)personen, althans alleen, een of

meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) en/of één of meer

auto('s) en/of bouwgrond en/of een (in aanbouw zijnde) woning, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of gebruik heeft

gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze

voorwerp(en) - middellijk of onmiddellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf, terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 december 2007

tot en met 26 april 2012 te Groningen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

een valse en/of vervalste werkgeversverklaring (D-020) en/of

salarisspecificaties van Stichting Medicinale Cannabis Nederland (D-018 en

D-019) en/of een valse of vervalste Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek

(D-012), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig

feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) die werkgeversverklaring en/of (een) salarisspecificatie(s) en/of

Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek heeft/hebben (doen) toe(ge)komen

aan de Postbank/ING Bank ten behoeve van de aankoop van de woning [bouwnummer]

[bouwnummer] te Groningen (zijnde thans de woning [adres 2] te

Groningen) en/of het (doen) opmaken van een hypothecaire akte (D-050)

en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat die

werkgeversverklaring en/of salarisspecificaties in strijd met de waarheid

vermeldde(n) dat hij, verdachte, in loondienst was bij Stichting Medicinale

Cannabis Nederland en dat die Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek in

strijd met de waarheid onder het kopje "Uw gegevens" vermeldde dat verdachtes

jaarinkomen EUR 64.645,00 betrof;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, verbeurdverklaring van de woning aan de [adres 2], een personenauto BMW, kenteken [kenteken] en de tegoeden op de rekeningen genoemd in AH-41, 42, 43, 44 en 45.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen ten aanzien van alle feiten nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat verdachte [verdachte] in 2008 van de ING bank een hypothecaire geldlening heeft verkregen van in totaal € 370.000,--, ten behoeve van de bouw van een woning aan de [adres 2]. Deze hypotheek is aan [verdachte] verstrekt op basis van salarisgegevens van de Stichting Medicinale Cannabis Nederland (MCN), welke stichting in deze periode werd bestuurd door de broer van verdachte, [medeverdachte]. [verdachte] heeft ten behoeve van de aanvraag van de hypotheek een werkgeversverklaring van MCN, salarisspecificaties en een Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek aan de bank doen toekomen.

Volgens de werkgeversverklaring was [verdachte] vanaf mei 2007 in vaste dienst van MCN in de functie van apotheker en genoot hij een bruto jaarsalaris van € 64.645,--. De verklaring is gedateerd op 28 december 2007 en ondertekend door apotheker [werknemer].

De rechtbank constateert dat [verdachte] zijn beweerdelijk genoten loon niet in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007 heeft opgegeven. [verdachte] heeft op 14 december 2009 een brief van MCN aan een Belastingdienstmedewerker laten zien. In deze brief staat dat [verdachte] door een misverstand tussen de bedrijfsleiding van MCN en de boekhouder ten onrechte is opgevoerd voor de loonheffing. Ook staat in deze brief dat [verdachte] geen recht op loon had omdat hij onbetaald vrijwilligerswerk verrichtte en dat het door hem ten onrechte ontvangen loon inmiddels aan de stichting is geretourneerd. De inhoud van deze brief is ook aangetroffen op een laptop die in de woning aan [adres 2] in beslag genomen is en waarvan gezien de plaats waar deze is aangetroffen en de inhoud van de overige bestanden genoegzaam kan worden aangenomen dat deze aan [medeverdachte] toebehoort.

Bij MCN was sinds 2007 als apotheker mevrouw [apotheker] werkzaam. Zij heeft vanaf maart 2007 tot februari 2008 bij MCN gewerkt en verklaart dat:

• zij voor haar sollicitatie moest bellen naar een [werknemer];

• [medeverdachte] tijdens haar sollicitatie in 2006 heeft verklaard dat [werknemer] ziek was;

• [medeverdachte] later heeft verklaard dat [werknemer] was overleden;

• [medeverdachte] dezelfde stem had als de [werknemer] die zij door de telefoon heeft gesproken;

• zij [verdachte] niet kent.

De rechtbank wijst tot slot nog op de volgende bevindingen uit het dossier:

• [werknemer] en verdachte [verdachte] komen niet voor in het BIG–register en staan derhalve niet geregistreerd als apotheker;

• [werknemer] komt niet voor op de loonlijst van MCN;

• in de laptop, die aan de [adres 2] werd aangetroffen, is de auteur van de documenten Jan [werknemer];

• in de laptop is mail aangetroffen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en

Sport, de aanhef van de mail begint met "Beste [werknemer]”. Het e-mail bericht geeft aan dat er geen voorraad van cannabis in de apotheek mag worden gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is gezien al het voorgaande niet aannemelijk geworden dat de persoon [werknemer] een werkelijk bestaand persoon betreft, maar kan buiten redelijke twijfel worden aangenomen dat [medeverdachte] deze naam heeft gebruikt als alias. In het licht van de opgesomde bevindingen staat naar het oordeel van de rechtbank bovendien buiten redelijke twijfel vast dat [medeverdachte] een valse werkgeversverklaring heeft opgemaakt waarin door hem in strijd met de waarheid werd vermeld dat [verdachte] als apotheker in loondienst werkzaam is bij MCN. [verdachte] heeft door gebruikmaking van deze valse werkgeversverklaring, salarisspecificaties en een Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek, waarin in strijd met de waarheid werd aangegeven dat het inkomen van [verdachte] jaarlijks € 64.645,= bedroeg, een hypothecaire geldlening bij de ING verkregen. Daarmee is in ieder geval het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Niet is gebleken dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode beschikte over voldoende legale inkomsten om de kosten van de hypothecaire lening te kunnen voldoen. De verklaring van [verdachte] dat hij hierbij gebruik maakte van “leningen” kan als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven, nu de enige persoon die hij in dit verband bij name heeft genoemd door de FIOD niet te traceren bleek, vooral niet omdat het door [verdachte] opgegeven adres niet bleek te bestaan. Wel is gebleken dat aan [verdachte] in deze periode regelmatig contante gelden ter beschikking werden gesteld.

Daarmee rijst de vraag wat de bron is geweest van deze gelden. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het dossier buiten redelijke twijfel vast dat dit geld van [medeverdachte] afkomstig was. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de gang van zaken rond de woning aan de [adres 2], zoals die uit de stukken naar voren komt, geen andere conclusie toelaat dan dat hier sprake is geweest van een schijnconstructie, waarbij naar derden (waaronder de ING) de voorstelling is gewekt dat [verdachte] de bewoner zou worden van deze woning, terwijl dat in werkelijkheid [medeverdachte] was. De rechtbank wijst daartoe onder meer op het volgende.

In 2007 wordt gestart met de bouw van de woning aan de [adres 2].

De aannemer Belgraver en de architect Drent werden geconfronteerd met een foto van [verdachte] en verklaarden dat zij deze persoon niet kennen. Na het zien van een foto van [medeverdachte] verklaarden zij beiden dat dit de persoon was waar zij zaken mee hebben gedaan.

[medeverdachte] is bovendien bij zijn aanhouding in deze woning aangetroffen, terwijl hij ook eerder, tijdens een observatie, in en bij deze woning gesignaleerd werd. Ook zijn in deze woning stukken en goederen aangetroffen (onder andere omzetgegevens van de door [medeverdachte] gedreven kapperszaken en de al eerdergenoemde laptop) die er duidelijk op wijzen dat hij en zijn gezin deze woning bewoonden.

[medeverdachte] heeft zijn verblijfplaats trachten te verhullen door het huren van een woning aan de Dierenriemstraat in Groningen en van een kamer in Duitsland. Gelet op de bevindingen van de verbalisanten met betrekking tot deze verblijfplaatsen staat genoegzaam vast dat hij hier niet werkelijk verbleef.

Ook [medeverdachte] had in de betreffende periode geen legale inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel op grond van het dossier buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat [medeverdachte] aanzienlijke zwarte inkomsten heeft gegenereerd vanuit de door hem gedreven kapperszaken, waarvan de omzet buiten het zicht van de fiscus is gehouden en waarbij niet of nauwelijks loonbelasting is afgedragen ten behoeve van de betrokken werknemers. Nu van andere inkomsten geen sprake is, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat (een deel van) dit zwarte geld in de financiering van de woning aan de [adres 2] is gestoken.

Aldus heeft [medeverdachte] de bouw van de woning aan de [adres 2] feitelijk zelf gefinancierd en heeft hij zelf het woongenot van deze woning gehad, waarbij de criminele herkomst van het geld dat daarvoor is gebruikt is verhuld door de toegepaste schijnconstructie dat [verdachte] de koper en bewoner van deze woning zou zijn. [verdachte] heeft hieraan zijn medewerking verleend. Gezien de wijze waarop de hypotheek voor deze woning is verkregen en de wijze waarop [verdachte] de beschikking heeft gekregen over de gelden die voor de kosten van de hypotheek nodig waren, staat buiten redelijke twijfel vast dat hij van de criminele herkomst van deze gelden geweten moet hebben.

Ook het onder 1 tenlastegelegde is derhalve in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht echter niet bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde auto, BMW 320, door [verdachte] met uit misdrijf verkregen gelden is aangeschaft. Uit het dossier en ter zitting is daartoe geen onderbouwing gebleken. Derhalve acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte voornoemde auto heeft witgewassen.

De in de tenlastelegging genoemde bouwgrond heeft [verdachte] blijkens een akte van 17 november 2004 van de gemeente Groningen voor een bedrag van € 130.127,29 gekocht. Nu deze koop voor de in de tenlastelegging genoemde periode van 1 januari 2007 tot en met 1 mei 2012 is gelegen, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte voornoemde grond heeft witgewassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 april 2012, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een andere persoon, voorwerpen, te weten geldbedragen en een (in aanbouw zijnde) woning, voorhanden heeft gehad en gebruik van heeft gemaakt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen - middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij in de periode van 28 december 2007 tot en met 26 april 2012 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring (D-020) en salarisspecificaties van Stichting Medicinale Cannabis Nederland (D-018 en D-019) en een valse Offerte Postbank

Aflossingsvrije Hypotheek (D-012), - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die werkgeversverklaring en salarisspecificaties en Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek heeft doen toekomen

aan de Postbank/ING Bank ten behoeve van de aankoop van de woning [bouwnummer] 4 te Groningen, zijnde thans de woning [adres 2] en het doen opmaken van een hypothecaire akte (D-050),

en bestaande die valsheid hierin dat die werkgeversverklaring en salarisspecificaties in strijd met de waarheid vermelden dat hij, verdachte, in loondienst was bij Stichting Medicinale

Cannabis Nederland en dat die Offerte Postbank Aflossingsvrije Hypotheek in strijd met de waarheid onder het kopje "Uw gegevens" vermeldde dat verdachtes jaarinkomen EUR 64.645,00 betrof.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit / de volgende strafbare feiten op:

onder 1:

gewoontewitwassen

onder 2:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het

uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft van de door zijn broer [medeverdachte] aan de belastingdienst niet opgegeven gelden een in aanbouw zijnde woning aan de [adres 2] verkregen en voorhanden gehad. Derhalve heeft verdachte zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan witwassen. Daarnaast heeft verdachte, ter verkrijging van een hypothecaire lening voor de bouw van de hiervoor genoemde woning, gebruik gemaakt van diverse valse stukken, waaronder een valse werkgeversverklaring, waarin in strijd met de waarheid werd vermeld dat hij als werknemer en in loondienst werkzaam was bij de Stichting Medicinale Cannabis Nederland.

De verdachte heeft zo op listige wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de bank bij het verstrekken van een hypothecaire lening aan personen, die een financiering voor hun woning nodig hebben, stelt. De door verdachte verkregen gelden heeft verdachte aan zijn broer afgedragen en zijn ter financiering in een in aanbouw zijnde en op verdachtes naam staande woning gestoken.

De rechtbank rekent de verdachte de door hem gepleegde feiten zwaar aan, nu hij bewust zijn medewerking heeft verleend aan de schijnconstructie rond de financiering van de woning aan de Barthstraat in Groningen, waardoor zijn broer in staat is geweest om een aanzienlijke hoeveelheid zwart geld een legale bestemming te geven en zodoende van de opbrengsten van zijn misdrijven heeft kunnen profiteren.

De verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest en heeft aangetoond thans werk te hebben. Ten nadele van verdachte overweegt de rechtbank dat hij ook ter terechtzitting geen openheid van zaken heeft willen geven.

De rechtbank merkt nog op dat de tenlastegelegde feiten weliswaar gedateerd zijn, doch dat deze ouderdom van zaken niet alleen aan het Openbaar Ministerie te wijten is. Ook overigens is van overschrijding van de redelijke termijn naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.

Verbeurdverklaring

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde verbeurd verklaring van de woning aan de [adres 2], gezien de op de woning rustende hypotheek en de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsvordering, thans niet opportuun.

Nu de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte de hem inbeslaggenomen personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] uit witgewassen gelden heeft aangeschaft, zal de rechtbank de verbeurdverklaring van deze auto afwijzen.

De rechtbank zal tevens de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen tegoeden op de rekeningen genoemd in AH-41, 42, 43, 44 en 45 afwijzen, nu de rechtbank uit het dossier is gebleken, dat de nummers AH-41, 42, 43, 44 en 45 betrekking hebben op zich onder voornoemde nummers betreffende kennisgevingen conservatoir beslag. In het dossier heeft de

rechtbank geen stukken aangetroffen die op voornoemde kennisgevingen betrekking hebben, en waaruit blijkt welke zich op de rekeningen bevindende tegoeden zijn inbeslaggenomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 47 lid 1, 57, 225 lid 2, 420bis lid 1 aanhef en onder a en 420ter van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

- beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag die de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Teruggave van de goederen waarvan verbeurdverklaring is afgewezen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.W. Janssen, voorzitter, J. van Bruggen en C.M.M. Oostdam, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2014.

Mr. J. van Bruggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.